direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied

Voor de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren is voor de twee gevestigde bedrijven een plan ontwikkeld. Het plan is om de kerstbomenkwekerij op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 planologisch in overeenstemming te brengen met de situatie op het perceel. Het perceel wordt gebruikt ten behoeve van kweekadvisering, buitenkweek van bomen en opslag van toebehoren en meststoffen. Daarnaast wordt er op dit perceel een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd en de bedrijfsfunctie uitgebreid. Op het perceel aan de Lutkeberg 42 zit een veevoederbedrijf gevestigd en wordt de bestaande bedrijfshal aan de oostzijde uitgebreid. Dit perceel wordt gebruikt voor opslag en de verkoop van goederen binnen de agrarische sector.

Momenteel zijn de gronden van het plangebied niet (geheel) voorzien van een passende functie en is er op de percelen planologisch gezien slechts één bedrijf toegestaan, terwijl er twee bedrijven aanwezig zijn. Daarnaast passen de beoogde uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing niet binnen de mogelijkheden van het geldende omgevingsplan, mede omdat de maximale maatvoering voor bedrijfsbebouwing momenteel voor beide bedrijven gelden.

Het plan kan mogelijk gemaakt worden door middel van het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Met een TAM-omgevingsplan kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Voorliggend TAM-omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren. Het plangebied bevindt zich aan de rand van het bedrijventerrein Lutkeberg. In de omgeving zijn verschillende functies aanwezig, zoals bedrijvigheid, agrarisch, wonen en sport. De percelen van het plangebied staan kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie K, perceelnummers 7481, 7482, 8969, 9573 en 9574.

Figuur 1.1 toont de globale ligging van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Kadastralekaart.com)

Begrenzing plangebied

De begrenzing van het plangebied is globaal in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). Figuur 1.2 toont een luchtfoto van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Kadastralekaart.com)

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader

De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.

Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.

Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.

Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging

De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden. Voor de bestuurlijke afstemming en participatie wordt verwezen naar zie paragraaf 4.2. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.

In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.

Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject.

In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.

In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.

Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling

Voorheen werd het gehele bedrijfsperceel (Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42) gebruikt ten behoeve van een veevoederbedrijf. In de huidige situatie zijn er op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 twee bedrijven gevestigd.

Op het noordelijke gedeelte van het plangebied (Vriezenveenseweg 41) is Roelofs Kerstbomen gevestigd. Dit betreft een boomkweekbedrijf en is sinds 2020 op het perceel aanwezig. Het bedrijfsperceel wordt gebruikt ten behoeve van kweekadvisering en opslag van toebehoren en meststoffen. Het kweken van de bomen vindt op een andere locatie plaats. Initiatiefnemer heeft sinds 2020 de bestaande bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning gerenoveerd en verduurzaamd, waarmee de ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van de toenmalige situatie is verbeterd.

Op het perceel Lutkeberg 42 zit Agrarisch Service Centrum (A.S.G.) gevestigd. Op dit perceel staat een bedrijfshal. De bedrijfshal wordt voornamelijk gebruikt voor opslag en de verkoop van goederen binnen de agrarische sector.

Het planvoornemen bestaat uit het planologisch toestaan van twee bedrijven op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42, terwijl er momenteel planologisch gezien slechts één bedrijf is toegestaan. Daarnaast zijn voor zowel de Vriezenveenseweg 41 als de Lutkeberg 42 uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd, waarmee de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op de percelen wordt overschreden. De planologische bebouwingsmogelijkheden worden met dit TAM-omgevingsplan gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn. Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg.

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Op het noordwestelijke gedeelte van het plangebied (Vriezenveenseweg 41) is een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² beoogd. Een gedeelte van de nieuwe bedrijfshal komt in de toekomstige situatie voor een gedeelte op agrarische gronden te staan. Om die reden dient tevens de bedrijfsfunctie vergroot te worden. Figuur 2.1 toont een impressie van de nieuwe bedrijfshal op het perceel van de Vriezenveenseweg 41.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: nieuwe bedrijfshal Vriezenveenseweg 41 Geesteren (bron: Erwin Meinders Bouwkundig buro)

Figuur 2.2 toont een inpassingsplan van het perceel Vriezenveenseweg 41. Het inpassingsplan is tevens bijgevoegd als Bijlage 2. Daarnaast is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, zie Bijlage 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: inrichtingsplan Vriezenveenseweg 41 Geesteren (bron: N+L Landschapsontwerpers)

Voor de bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 is een uitbreiding aan de oostzijde van het gebouw beoogd. Deze uitbreiding heeft een oppervlakte van 610 m². In de bedrijfshal is in de huidige situatie in het zuidwestelijke gedeelte een kantoorruimte aanwezig. Inpandig wordt hier een 'verdieping' op gebouwd, waardoor de kantoorruimte in het pand vergroot wordt. Figuur 2.3 toont een impressie van de bestaande bedrijfshal met de beoogde uitbreiding op het perceel Lutkeberg 42. Figuur 2.4 toont een inrichtingsschets van het perceel Lutkeberg 42.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0005.png"

Figuur 2.3: uitbreiding bedrijfshal Lutkeberg 42 Geesteren (bron: Erwin Meinders Bouwkundig Buro)

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0006.png"

Figuur 2.4: Situatieschets Lutkeberg 42 Geesteren (bron: Erwin Meinders Bouwkundig Buro)

Momenteel is er op de twee percelen in totaal 3.931 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig. In de nieuwe situatie bedraagt de gezamenlijke oppervlakte 5.291 m². Voor het perceel Vriezenveenseweg 41 zal de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing 1.460 m² (exclusief de bestaande bedrijfswoning) bedragen. De bedrijfsbebouwing op het perceel Lutkeberg 42 heeft in de toekomstige situatie een oppervlakte van 3.831 m².

De totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en overkappingen bedraagt in de toekomstige situatie 5.291 m². In voorliggend TAM-omgevingsplan worden de planologische bebouwingsmogelijkheden gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn. Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan

3.1 Omschrijving nieuwe situatie

In de nieuwe planologische situatie worden twee bedrijven toegestaan op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren. De functie 'Bedrijventerrein' zal toegekend worden aan de percelen. Daarnaast geldt voor beide percelen dat er uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing zijn beoogd. Op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 is een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² beoogd. De nieuwe bedrijfshal is voor een gedeelte beoogd op agrarische gronden. Deze gronden dienen gewijzigd te worden naar de functie 'Bedrijventerrein'. De bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 wordt met 610 m² uitgebreid. De planologische bebouwingsmogelijkheden worden met dit TAM-omgevingsplan gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn. Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg.

3.2 Toetsing aan het omgevingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. Elke gemeente heeft met de inwerktreding van de Omgvingswet op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, welke bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit:

  • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;
  • rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat).

Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit de volgende onderliggende plannen:

  • 'Tubbergen Buitengebied 2016';
  • 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'.

In onderhavig geval zijn met name de plannen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' relevant. Figuur 3.1 toont een uitsnede van de plankaart van het geldende planologisch regime, met het plangebied globaal in het rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0007.png"

Figuur 3.1: uitsnede geldend planologisch regime, plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)

Voor het plangebied gelden de volgende functies en aanduiding(en):

  • 'Agrarisch - 1';
  • 'Bedrijf';
  • 'Waarde - Archeologie';
  • 'specifieke vorm van bedrijf - veevoederhandel';
  • 'overige zone - vestigingsgebied voor boom- en sierteelt';
  • 'maximum oppervlakte (m2): 4.475'.

De gronden direct ten westen van het perceel Vriezenveenseweg 41 zijn voorzien van de functie 'Agrarisch - 1'. Deze gronden zijn in hoofdzaak bedoeld voor het agrarisch gebruik. De overige gronden van het plangebied zijn voorzien van de functie 'Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - veevoederhandel'. Ter plaatse van deze functie zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van een veevoederhandel toegestaan. Per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van één bedrijf worden gebouwd, met een maximum oppervlakte van 4.475 m². De aanduiding 'overige zone - vestigingsgebied voor boom- en sierteelt' is opgenomen voor het meest noordelijk gelegen gedeelte van het plangebied. Ter plaatse van deze aanduiding worden nieuwe sier- en boomteeltbedrijven op bestaande bouwvlakken voor agrarische bedrijven toegestaan. Deze aanduiding is voor onderhavig plan echter niet relevant.

3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016'

Binnen de functie 'Bedrijf' zijn momenteel twee bedrijven gevestigd. Dit is in strijd met de mogelijkheden binnen het Omgevingsplan, aangezien er per bestemmingsvlak bedrijfsgebouwen en overkappingen voor één bedrijf zijn toegestaan. Daarnaast zijn er voor zowel het bedrijf aan de Vriezenveenseweg 41 als voor het bedrijf aan de Lutkeberg 42 uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. Voor de Vriezenveenseweg 41 geldt dat er op het meest noordwestelijke gedeelte van het perceel een nieuwe bedrijfshal ten behoeve van opslag is beoogd. Deze nieuwe bedrijfshal heeft een oppervlakte van 750 m². Daarnaast is het bedrijf op het perceel Lutkeberg 42 voornemens om de bestaande bedrijfshal aan de oostzijde uit te breiden. De beoogde uitbreiding van de bestaande bedrijfshal bedraagt 610 m². In de huidige situatie is er 3.931 m² aan bedrijfsbebouwing en overkappingen aanwezig. De maximum oppervlakte van 4.475 m² zoals opgenomen op de plankaart wordt in de toekomstige situatie overschreden. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en overkappingen bedraagt in de toekomstige situatie 5.291 m². De planologische bebouwingsmogelijkheden worden met dit TAM-omgevingsplan gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn. Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg.

Om de twee bedrijven planologisch toe te staan en de beoogde uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing mogelijk te kunnen maken door de maximale uitbreidingsmogelijkheden te vergroten, zal afgeweken moeten worden van het 'Omgevingsplan gemeente Tubbergen'. Door middel van voorliggend TAM-omgevingsplan wordt het omgevingsplan gewijzigd.

3.2.2 Bruidsschat

De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.

De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen milieubelastende activiteiten. Afdeling 22.3 is van toepassing. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht

4.1 Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Het voorliggende plan maakt het toestaan van twee bedrijven binnen het plangebied mogelijk. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden uitgebreid. In de huidige situatie zijn de percelen reeds voorzien van een bedrijfsfunctie. De bedrijfsfunctie wordt aan de noordwestzijde van het plangebied voor een gedeelte uitgebreid. Gelet op de aard en omvang van het plan, kan gesteld worden dat er geen rijksbelangen worden geraakt. De NOVI is verder niet van toepassing op dit plan.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Provinciale Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

Provinciale Omgevingsverordening

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0008.png"

Figuur 4.1: uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:

Artikel 4.4 principe van concentratie

Lid 1.

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Lid 2.

Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid.

Lid 3.

In gebieden die deel uitmaken van een stedelijk netwerk kan het omgevingsplan voorzien in een bovenregionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen.

Lid 4.

In gebieden die deel uitmaken van een streekcentrum kan een omgevingsplan voorzien in een regionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, mits dit past binnen de regionale programmering voor de regio waartoe het streekcentrum behoort.

Lid 5.

Een omgevingsplan kan voorzien in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, als dit past binnen de regionale programmering van de regio waartoe de gemeente behoort.

Toets

Het voorliggende plan maakt twee bedrijven op de percelen Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren mogelijk. Daarnaast worden de bebouwingsmogelijkheden verruimd. De planlocatie ligt aan de rand van het buitengebied en het bebouwd gebied en ligt tussen bedrijventerreinen. Met de beoogde uitbreidingen zal de oppervlakte aan bebouwing toenemen. Voor de Vriezenveenseweg 41 geldt dat er gedeeltelijk buiten de bedrijfsfunctie op agrarische gronden gebouwd gaat worden. Momenteel is er binnen de huidige bedrijfsfunctie geen ruimte meer om de beoogde nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² te realiseren, terwijl dit wel noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Om die reden wordt het bedrijfsperceel aan de noordwestzijde voor een klein gedeelte uitgebreid. Daarbij wordt een klein gedeelte van de agrarische functie gewijzigd naar een bedrijfsfunctie.

De beoogde uitbreiding van de bedrijfshal op het perceel van de Lutkeberg 42 met een oppervlakte van 610 m² vindt plaats binnen de bestaande bedrijfsfunctie.

Het gaat hier om uitbreidingen van lokaal gewortelde bedrijven, die reeds gevestigd zijn op de percelen. Daarmee wordt voorzien in de lokale behoefte.

Gelet op de behoefte aan de beoogde uitbreidingen vanuit de bestaande bedrijven op de percelen en de ligging tussen bedrijventerreinen, kan gesteld worden dat er sprake is van concentratie. Er zal aangesloten worden op de mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein.

Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

lid 1

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Lid 2

Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en
  • b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Lid 3

Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.

Toets

De planlocatie ligt aan de rand van het bestaand bebouwd gebied en ligt tussen bedrijventerreinen. De beoogde uitbreidingen van de bebouwing vinden voor een groot gedeelte plaats binnen de bestaande bedrijfspercelen. Voor de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 geldt dat de bedrijfsfunctie aan de noordwestzijde met 744 m² uitgebreid moet worden. Enkel hier is ruimte voor de nieuwe bedrijfshal. Gelet op de locatie van de bedrijven aan de rand van het bestaand bebouwd gebied, het feit dat de locatie gelegen is tussen bedrijventerreinen en het feit dat een groot deel van de beoogde uitbreidingen binnen de bestaande bedrijfsfunctie beoogd zijn, kan gesteld worden dat de uitbreiding geen negatieve invloed heeft op de Groene Omgeving. Daarnaast wordt de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 landschappelijk ingepast, waardoor de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft. Er is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Toets

Voor het perceel aan de Lutkeberg 42 geldt de de bestaande bedrijfshal wordt uitgebreid met een oppervlakte van 610 m². De uitbreiding is beoogd aan de oostzijde, aansluitend op het naastgelegen bedrijventerrein en vindt plaats binnen de bestaande bedrijfsfunctie. In dit plan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt door een uitbreiding van de functie en een uitbreiding van de bebouwing en daarom moet worden gemotiveerd hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt.

Voor het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 is een inpassingsplan opgesteld, zie Bijlage 2. De nieuwe bedrijfshal bevindt op het meest noordwestelijke gedeelte van het perceel. Rond het projectgebied is er aan de Vriezenveenseweg al veel bedrijfsbebouwing aanwezig. Het nieuwe bedrijfsgebouw zorgt voor een betere aansluiting tussen de bedrijventerreinen ten noordwesten, zuiden en oosten van het projectgebied. Er worden nieuwe struweelhagen aangeplant, waardoor de nieuwe bedrijfshal afgeschermd wordt richting het 'buitengebied'. Daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 4.11 kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Lid 1.

Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:

  • a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;
  • b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en
  • c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Lid 2.

Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op:

  • a. nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven;
  • b. uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen;
  • c. de bouw van nieuwe woningen;
  • d. nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden;
  • e. grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.

Toets

Met het voorliggende plan vinden de beoogde uitbreidingen van de bebouwing voornamelijk plaats binnen de bestaande bedrijfsfunctie. Enkel voor de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 geldt dat er voor een gedeelte buiten de bestaande bedrijfsfunctie wordt gebouwd. Voor de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de Vriezenveenseweg is een inpassingsplan gemaakt, die te vinden is in Bijlage 2. Door een nieuwe struweel(haag) aan te planten ook vergroening plaats. Aangezien er slechtst voor een klein gedeelte buiten de huidige bedrijfsfunctie wordt gebouwd en het nieuwe gebouw ingepast wordt met groen, kan gesteld worden dat het (minimale) verlies van ecologische en landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd en voldoende rekening wordt gehouden met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Daarmee wordt voldaan aan artikel 4.11 van de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4.23 afspraken bedrijventerreinen

Lid 1.

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als de aanleg van dat bedrijventerrein past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.

Lid 2.

Nieuw bedrijventerrein is een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.

Toets

Het voorliggende plan maakt een uitbreiding (744 m²) van de bedrijfsfunctie mogelijk. Deze uitbreiding is noodzakelijk voor de realisatie van een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² bij een bestaand bedrijf. Naast de uitbreiding aan de noordwestzijde van het plangebied ten behoeve van de nieuwe bedrijfshal wordt de bestaande bedrijfshal, gelegen binnen de bestaande bedrijfsfunctie in het zuidelijke gedeelte van het plangebied, uitgebreid met 610 m². Ook voor deze uitbreiding geldt dat dit voor een reeds bestaand en gevestigd bedrijf is beoogd. In paragraaf 4.1.3 is het plan getoetst aan de regionale programeringsafspraken. Gebleken is dat het voorliggende plan past binnen de gemaakte afspraken.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving van belang. In figuur 4.2 en 4.3 zijn uitsnedes van de kaarten van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0009.png"

Figuur 4.2: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0010.png"

Figuur 4.3: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied staat aangeduid als 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toets

Het voorliggende plan voorziet in het toestaan van twee bedrijven op de percelen aan de Vriezienveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren. Daarnaast vinden er uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing plaats. Deze uitbreidingen vinden voor een groot gedeelte plaats binnen de bestaande bedrijfsfunctie. Slechts een gedeelte van de nieuwe bedrijfshal is beoogd buiten de bestaande bedrijfsfunctie. Het toestaan van twee bedrijven en de uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing past binnen de ontwikkelingsperspectieven 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Toets

Op het gedeelte van het plangebied waar het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing is, wordt de nieuwe bedrijfshal mogelijk gemaakt. De planlocatie ligt aan de rand van het buitengebied en het bestaand bebouwd gebied. Gelet op de vele bedrijven in de directe omgeving van de planlocatie, kan gesteld worden dat de locatie geschikt is voor de uitbreiding van de bedrijfsfunctie. Het project veroorzaakt geen belemmeringen voor de omgeving. Ook zijn er geen belangrijke cultuurhistorische, natuurlijke of landschapselementen aanwezig. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast en wordt de nieuwe bedrijfshal afgeschermd door middel van groen.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0011.png"

Figuur 4.4: uitsnede Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken.

Op de planlocatie zijn momenteel geen verschillen tussen hoog en laag en tussen nat en droog (meer) aanwezig. Gelet op de kleinschaligheid van het voorliggende plan is het niet mogelijk om deze kenmerken in het gebied terug te brengen. Het plangebied sluit immers aan op het naastgelegen bedrijventerrein. Het plan wordt waar nodig landschappelijk ingepast om de kwaliteiten van het gebied zoveel als mogelijk te behouden.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0012.png"

Figuur 4.5: uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

De grote oppervlakte aan (voormalige) natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. Hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. de dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die rechtlijnige ontginningstructuren versterken.

Het voorliggende plan heeft geen negatieve invloed op de structuren van het landschap. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing vindt voor een groot gedeelte binnen de bestaande bedrijfsfunctie plaats. Voor wat betreft de nieuwe bedrijfshal aan de Vriezenveenseweg is er een landschapsplan opgesteld en is er sprake van een goede landschappelijke inpassing. Hierdoor worden de karakteristieken zoveel als mogelijk versterkt.

Stedelijke laag

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0013.png"

Figuur 4.6: uitsnede Stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

Overijssel kent verschillende typen werklocaties, zoals bedrijventerreinen, stationsomgevingen, kantoor- en retaillocaties. Bedrijventerreinen zijn functioneel aangelegde locaties aan de rand van steden en kernen. De opzet en verkaveling van bedrijventerreinen houden vooral rekening met de milieuruimte, autobereikbaarheid en (manoeuvreer)ruimte voor vrachtwagens. Het zijn meestal monofunctionele werklocaties die gescheiden liggen van omliggende woonwijken en het buitengebied. Er zijn veel verschillen in uitstraling en ambitieniveau per terrein. De bebouwing is vaak eenvoudig en eenvormig. Op de oudere locaties is veelal sprake van krappe openbare ruimtes. Ontwikkelingen dragen bij aan het toekomstbestendig maken van werklocaties en het vergroenen van de buitenruimte. Er is een grote vraag naar nieuwe werklocaties.

Met voorliggend plan worden twee bedrijven mogelijk gemaakt, ten opzichte van één bedrijf die in de huidige situatie is toegestaan. Daarnaast wordt er een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd en wordt er een bestaande bedrijfshal uitgebreid. Er wordt met de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing aangesloten op de mogelijkheden die op het bedrijventerrein gelden. De nieuwe bedrijfshal op het perceel Vriezenveenseweg 41 wordt landschappelijk ingepast met groen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.1.3 Programmeringsafspraken bedrijventerreinen regio Twente

De programmeringsafspraken bedrijventerreinen regio Twente is opgesteld door de Twentse gemeenten en provincie voor de periode van 2023 tot en met 2026. Ten tijde van de eerste programmeringsafspraken in 2017 stonden het voorkomen van overaanbod en nieuwe plannen en de wettelijke vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking centraal. Door de snel en sterk veranderende marktomstandigheden is de situatie gekanteld. Er is nu juist sprake van economische groei en er is weer vraag naar ruimte.

Er zijn afspraken gemaakt op het gebied van:

  • 1. Werkwijze voor adaptief programmeren
  • 2. Afspraken over kwaliteitsambities
  • 3. Afspraken over uitgifte
  • 4. Afspraken over kwantiteit
  • 5. Overige afspraken

Daarnaast is per gemeente een programmering opgenomen. In deze programmering worden onder andere de indicatieve vraag tot 2040 en het harde aanbod aan bedrijventerreinen behandeld en tegen elkaar afgewogen.

Toets

In de tabel met de programmering per gemeente is opgenomen dat er voor de gemeente Tubbergen een indicatieve vraag tot 2040 is van 0 – 10 ha. Er is nog geen sprake van een hard aanbod. Dit houdt in dat er gelet op de te verwachten groei van de vraag nog ruimte is voor het uitbreiden/toevoegen van bedrijfsfuncties.

In de verzorgingskernen Albergen, Geesteren en Tubbergen is er in het middelste en hoge groeiscenario nog behoefte aan ruimte. Op de middellange termijn gaat dat over enkele hectares: naar verwachting ca. 2 hectare in zowel Albergen als Geesteren, tot ca. 3 hectare in Tubbergen. Voor de korte termijn is het vooral te overwegen om te investeren in nieuwe bedrijfsgrond in de kernen Geesteren en Tubbergen.

Het voorliggende plan maakt een uitbreiding van de bouwmogelijkheden mogelijk, waardoor de oppervlakte aan bedrijfsfunctie aan de noordwestzijde van het perceel Vriezenveenseweg 41 voor een deel uitgebreid wordt. Er wordt een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² gerealiseerd en er wordt een bestaande bedrijfshal uitgebreid met 610 m². De beoogde uitbreidingen zijn voor bestaande bedrijven. Gelet indicatieve vraag tot 2040 kan gesteld worden dat de nieuwe bedrijfshal past binnen de gemaakte programmeringsafspraken voor nieuwe bedrijventerreinen/uitbreidingen van bedrijfslocaties.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de beoogde uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing op de percelen aansluit op de programmeringsafspraken bedrijventerreinen regio Twente.

4.1.4 Omgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • We doen het samen;
  • We geven het goede voorbeeld;
  • We wentelen niet af op volgende generaties;
  • we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. We zien landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.

Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dit maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid.

De speerpunten voor het buitengebied zijn:

  • Toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd;
  • goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw;
  • kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.

Toets

In de omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen is het plangebied aangeduid als 'Kernen met woon- en centrumfunctie'. Figuur 4.7 toont een uitsnede van de kaart bij de omgevingsvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0014.png"

Figuur 4.7: uitsnede waardenkaart MijnOmgevingsvisie Tubbergen (bron: gemeente Tubbergen)

Voor het gebied aangeduid met het kenmerk 'Kernen met woon- en centrumfunctie' gelden de volgende waarden:

  • kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart;
  • kernen met belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg, pinmogelijkheden;
  • aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen;
  • (verbindingen met) de groene omgeving;
  • in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern en als belangrijk gebouw in de dorpsstructuur, tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig.

Bij ontwikkelingen dient er ingespeeld te worden op:

  • de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen;
  • concentratie van de publieksgericht functies;
  • mogelijkheden om te ontmoeten;
  • de verbindingen met de groene omgeving;
  • behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing;
  • voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern;
  • vasthouden van water.

Het voorliggende plan maakt het toestaan van twee bedrijven op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 mogelijk. Daarnaast wordt een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd en wordt een bestaande bedrijfshal uitgebreid. De nieuwe bedrijfshal wordt landschappelijk ingepast met groen. De ontwikkeling heeft, gelet op de ligging aan de rand van het bedrijventerrein, verder geen invloed op de waarden en kenmerken zoals die gelden voor 'Kernen met woon- en centrumfunctie'.

In de omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen wordt aangegeven dat er sprake moet zijn van goede vestigingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven en ingezet moet worden op voldoende en passende bedrijventerreinen. De beoogde ontwikkeling voorziet hierin. Er zijn reeds twee bedrijven gevestigd op het perceel. Door dit planologisch vast te leggen worden de vestigingsmogelijkheden verbeterd.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen'.

4.1.5 Uitbreiding bedrijventerreinen Tubbergen

De interesse voor uitgifte van bedrijfskavels is de afgelopen jaren onverwacht sterk toegenomen in de gemeente Tubbergen. Waar de gemeente op basis van provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en de regionale programmeringsafspraken had verwacht nog tot 2030 voldoende te hebben aan de bestaande kavels en plannen voor uitbreiding, dreigt nu de situatie dat de gemeente 'nee' moet verkopen aan bedrijven met een vraag voor een bouwkavel. Het aantal beschikbare bouwkavels wordt steeds beperkter en niet in iedere (grote) kern zijn nog kavels aanwezig.

Toets

Op dit moment beschikt de gemeente Tubbergen niet meer over uitgeefbare kavels voor bedrijven om zich te vestigen. Voor de kern Geesteren geldt een behoefte aan 1,7 – 2,0 ha aan bedrijventerrein. Hier kan met het huidige aanbod niet aan voldaan worden. Deze behoefte kan onder andere opgelost worden door bestaande bedrijfslocaties of bedrijventerreinen uit te breiden.

De planlocatie van het voorliggende initiatief ligt aan de westzijde van het bedrijventerrein Lutkeberg. Het plangebied heeft momenteel een bedrijfsfunctie, waar één bedrijf is toegestaan in de vorm van een veevoederbedrijf. Echter zijn er momenteel twee bedrijven aanwezig. Gelet op de beperkte ruimte voor bedrijven binnen de gemeente Tubbergen is het wenselijk om de twee bedrijven binnen het plangebied toe te staan. Tevens wordt aangesloten op het naastgelegen bedrijventerrein. De ontwikkeling kan gezien worden als een uitbreiding van het bedrijventerrein. Echter gaat het hier om bestaande bedrijfspercelen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief past binnen het beleidstuk 'Uitbreiding bedrijventerreinen Tubbergen' van de gemeente Tubbergen.

4.1.6 Bedrijventerreinvisie Ruimte voor ondernemen

De economie van gemeente Tubbergen groeit, en daarmee ook de vraag naar ruimte voor bedrijven. Uit onderzoek van zowel de provincie als de gemeente zelf blijkt dat er de komende jaren behoefte is aan uitbreiding van de bedrijventerreinen in de gemeente. Veel lokale ondernemers geven aan in de gemeente op zoek te zijn naar ruimte voor uitbreiding of vestiging, en daar wil de gemeente zoveel als mogelijk in kunnen voorzien. Lokale ondernemers zijn namelijk belangrijk voor de lokale economie en dragen veelal bij aan de leefbaarheid van de dorpen in de gemeente.

Bouwkavels voor bedrijven zijn daarentegen beperkt beschikbaar en de leegstand is laag. Het vastgoed dat beschikbaar komt, wordt bovendien vrijwel meteen gevuld. Met andere woorden, de markt voor bedrijfsvastgoed is gespannen. De uitdaging is dus om de komende jaren voldoende ruimte te vinden voor uitbreiding en vestiging van bedrijven. Daarvoor kunnen nieuwe bedrijventerreinen gerealiseerd worden, kunnen bestaande bedrijventerreinen worden uitgebreid en/of kunnen bestaande bedrijventerreinen worden geherstructureerd om de ruimte daar beter te benutten. Ondernemers hebben in dat kader ook behoefte aan een toekomstperspectief: waar kunnen zij zich straks nog vestigen en groeien?

Tegelijkertijd dienen zich op de bestaande bedrijventerreinen ook andere uitdagingen aan. Denk aan het schoon, heel en veilig houden van de bedrijventerreinen, maar ook het zorgen voor een goede bereikbaarheid, voldoende parkeerruimte, het klimaatadaptief maken van de openbare ruimte en het oplossen van de netcongestieproblematiek. Dat zijn thema’s waar bij uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen ook rekening gehouden moet worden. Op die manier werkt de gemeente niet alleen aan het oplossen van het ruimtetekort, maar ook aan alle andere relevante zaken die ondernemers aangaan.

In de visie wordt de koers neergezet om de komende jaren te werken aan voldoende en kwalitatief goede ruimte voor bedrijven in de gemeente. De focus ligt daarbij op ruimte voor bedrijven op bedrijventerreinen, maar vanwege de onderlinge relatie wordt ook ingegaan op de ruimte die wordt geboden aan niet-agrarische bedrijven in het buitengebied en bedrijven aan huis. Het beantwoorden van de ruimtevraag van bedrijven staat in deze visie centraal.

Toets

In de 'Bedrijventerreinvisie Ruimte voor ondernemen' wordt angegeven dat naar verwachting in ieder geval 5 tot 10 hectare netto ruimte voor bedrijventerreinen nodig is. Het is van belang om kritisch te kijken naar de ruimte op de bestaande bedrijventerreinen. In voorliggend geval worden twee (bestaande) bedrijven mogelijk gemaakt op de bedrijfspercelen gelegen naast het bedrijventerrein Lutkeberg. Aangezien het hier gaat om bestaande bedrijfspercelen naast het bedrijventerrein worden de bedrijfspercelen betrokken bij het bedrijventerrein. Er wordt aangesloten op de mogelijkheden die gelden voor het bedrijventerrein. Zo worden de percelen optimaal benut door uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing toe te voegen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief past binnen het beleidstuk 'Bedrijventerreinvisie Ruimte voor ondernemen' van de gemeente Tubbergen.

4.1.7 Buitengebied met kwaliteit

Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen binnen de gemeenten Tubbergen (en Dinkelland) zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur. de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld.

Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.

De volgende passage uit het beleid is relevant:

1.3 Reikwijdte

Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen/ het omgevingsplan bij recht of met toepassing van een binnenplanse afwijking/ binnenplanse omgevingsplanactiviteit biedt. Ook is deze beleidsregel niet van toepassing op o.a. de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen de bebouwde kom zijn gelegen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken. Afhankelijk van de wijze waarop een ontwikkeling juridisch-planologisch geborgd moet worden, moet voor de toepassing van deze beleidsregel een procedure herziening bestemmingsplan/ omgevingsplan of een buitenplanse afwijking/omgevingsplanactiviteit worden doorlopen.

Toets

In voorliggend geval vindt er voor het bedrijfsperceel aan de Vriezenveenseweg 41 een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing plaats. Hiervoor moet een gedeelte van het bedrijfsperceel uitgebreid worden. Het nieuwe bedrijfsgebouw op dit perceel heeft een oppervlakte van 750 m². Om dit bedrijfsgebouw mogelijk te kunnen maken dient een gedeelte van de naastgelegen agrarische gronden betrokken te worden bij het bedrijfsperceel.

Voor het nieuwe bedrijfsgebouw op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zoals opgenomen in Bijlage 2. Om het nieuwe bedrijfsgebouw in te passen wordt een nieuw struweel aangeplant. Hierdoor ontstaat een groene overgang naar de naastgelegen agrarische gronden.

Voor de beoogde uitbreiding op het perceel aan de Lutkeberg 42 geldt dat de uitbreiding plaatsvindt binnen het bestaande bedrijfsperceel. De uitbreiding vindt daarnaast plaats aan de zijde van het bedrijventerrein.

In onderhavig geval worden de twee bestaande bedrijfspercelen betrokken bij het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg, waardoor de ontwikkeling gezien wordt als een uitbreiding van het bedrijventerrein. Daarmee is, gelet op paragraaf 1.3 Reikwijdte, de beleidsregel niet van toepassing.

Conclusie

Ondanks dat de beleidsregel niet van toepassing is op onderhavig plan, is er door middel van een landschappelijke inpassing rekening gehouden met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' de ontwikkeling niet in de weg staat.

4.1.8 Nota omgevingskwaliteit

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'midden omgeving' en 'basis omgeving'. Het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 ligt in het gebied aangewezen als 'midden'. Voor gebieden aangewezen als 'midden' gelden de volgende ambities:

  • Respecteren stedenbouwkundige structuur
  • Versterken van de bebouwingskarakteristiek

Het perceel aan de Lutkeberg 42 ligt in het gebied aangewezen als 'basis'. Voor deze gebieden gelden de volgende ambities:

  • Handhaven basiskwaliteit

Voor de gebieden 'basis' en 'midden' gelden verschillende omgevingscriteria waar ambtelijk en door de stadsbouwmeester aan getoetst wordt. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal hier nader aan getoetst worden.

4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders

In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.

4.2.1 Vooroverleg provincie

De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. De uitbreiding van bedrijfsbebouwing wordt niet specifiek genoemd in de 'uitzonderingenlijs vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' van de provincie Overijssel. Om die reden wordt het plan voorgelegd aan de provincie Overijssel.

4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Op 2 juli 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 7). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.

4.2.3 Participatie omgeving

Initiatiefnemers zijn aan de voorkant van het proces bij verschillende buren langs geweest. Hierbij zijn de tekeningen laten zien en de plannen onderbouwd.

De reacties van de buren waren positief en blij dat ze op de hoogte gehouden worden. Vanuit de buurt worden dan ook geen bezwaren verwacht. Het participatieverslag is toegevoegd als Bijlage 1.

4.2.4 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 17 december 2026 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen.

Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Uit artikel 5.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Huidige planologische situatie

In de huidige situatie heeft het bedrijfsperceel (bedrijfsfunctie) een oppervlakte van 13.147 m². Volgens het geldende omgevingsplan is er binnen deze bedrijfsfunctie maximaal 4.475 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan. Momenteel is er (exclusief de bedrijfswoning) 3.931 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig op het perceel. Daarmee is er binnen de mogelijkheden van het geldende omgevingsplan nog ruimte voor 544 m² aan bedrijfsbebouwing.

Nieuwe planologische situatie

Het voorliggende initiatief maakt een nieuwe bedrijfshal (750 m²) op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 en een uitbreiding van de bestaande bedrijfshal (610 m²) op het perceel van de Lutkeberg 42 mogelijk. In totaal neemt de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met 1.360 m² toe. Voor de nieuwe bedrijfshal op het perceel aan de vriezenveenseweg 41 wordt de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid.

Met het plan wordt er aangesloten op de bouwmogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg, zodat ook eventueel toekomstige uitbreidingen mogelijk zullen zijn. In de nieuwe planologische situatie mag 80% van het bouwperceel worden bebouwd. Het totale (nieuwe) bouwperceel heeft een oppervlakte van 13.641 m² (nieuwe volledige bedrijfsfunctie). Daarmee is 10.913 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan in de nieuwe situatie.

Stedelijke ontwikkeling

Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2014:1442) blijkt dat een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel moet zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer het initiatief voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet het plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling. De Afdeling noemt hierbij dat wanneer het plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², de ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.

Met het voorliggende plan neemt de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing toe met 1.360 m². Daarnaast nemen de planologische bouwmogelijkheden toe, waardoor eventuele toekomstige uitbreidingen ook mogelijk gemaakt kunnen worden. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt de bedrijfsfunctie met 744 m² vergroot. Om die reden wordt de ontwikkeling aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De projectlocatie ligt aan de rand van het stedelijk gebied met zowel ten noorden als zuiden bedrijventerreinen/bedrijfsfuncties. Er zijn geen mogelijkheden binnen de gemeente om de twee bedrijven te verplaatsen naar een binnenstedelijke locatie. Daarbij komt dat de twee bedrijven reeds gevestigd zijn op deze locatie en de percelen al beschikken over een bedrijfsfunctie. Met voorliggende ontwikkeling worden de bouwmogelijkheden op bestaande bedrijfspercelen vergroot.

Behoefte

In paragraaf 4.1.3 is getoetst aan de 'Programmeringsafspraken bedrijventerreinen regio Twente'. Voor de gemeente Tubbergen geldt een indicatieve vraag tot het jaar 2040 van 0 - 10 ha aan bedrijventerrein. Er is daarbij nog geen sprake van een hard aanbod. Daarmee kan gesteld worden dat er naar aanleiding van de te verwachten groei van de vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen en bedrijfsfuncties ruimte is voor het uitbreiden/toevoegen van bedrijventerreinen/bedrijfsfuncties.

Voor de verzorgingskernen Albergen, Geesteren en Tubbergen is er in het middelste en hoge groeiscenario behoefte aan ruimte. Op de middellange termijn gaat het naar verwachting over ca. 2 ha in zowel Albergen als Geesteren. Voor Tubbergen is dit ca. 3 ha.

Uit de toetsing aan het beleidsdocument 'Uitbreiding bedrijventerreinen Tubbergen' (paragraaf 4.1.5) blijkt dat er voor de kern Geesteren een behoefte aan 1,7-2,0 ha aan uitbreiding van bedrijventerrein(en) bestaat. Met het huidige aanbod kan hier niet aan voldaan worden. Aangegeven wordt dat de behoefte opgelost kan worden door bstaande bedrijfslocaties of bedrijventerreinen uit te breiden. Met voorliggende ontwikkeling is dit het geval.

In de 'Bedrijventerreinvisie Ruimte voor ondernemen' wordt angegeven dat naar verwachting in ieder geval 5 tot 10 hectare netto ruimte voor bedrijventerreinen nodig is. Ook hieruit blijkt dat er een behoefte aan oppervlakte voor bedrijventerreinen bestaat.

De planlocatie van het voorliggende initiatief ligt aan de westzijde van het bedrijventerrein Lutkeberg. Het plangebied heeft momenteel een bedrijfsfunctie, waar één bedrijf is toegestaan in de vorm van een veevoederbedrijf. Echter zijn er momenteel twee bedrijven aanwezig. Gelet op de beperkte ruimte voor bedrijven binnen de gemeente Tubbergen is het wenselijk om de twee bedrijven binnen het plangebied toe te staan. Tevens wordt aangesloten op het naastgelegen bedrijventerrein. De ontwikkeling kan gezien worden als een uitbreiding van het bedrijventerrein. Echter gaat het hier om bestaande bedrijfspercelen.

In voorliggend geval gaat het slechts om het toestaan van twee bedrijven, die reeds gevestigd zijn op de locatie, in plaats van één bedrijf. Daarnaast zijn er voor beide bedrijven uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. De nieuwe bedrijfsbebouwing zal gebruikt worden door de reeds gevestigde bedrijven. De beoogde uitbreidingen zijn nodig voor een goede bedrijfsvoering voor nu en in de toekomst. De bedrijven groeien en er is behoefte aan meer ruimte voor opslag van machines en overige materialen. Ten slotte heeft de beoogde ontwikkeling geen gemeentegrens overstijgend effect, waardoor boven gemeentelijke afstemming niet noodzakelijk wordt geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.2 m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van en bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Met het voorliggende plan wordt ter plaatse van een bestaande bedrijfsfunctie twee bedrijven toegstaan op de percelen Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren. Daarnaast zijn voor beide percelen uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. Op het perceel van de Vriezenveenseweg wordt een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² gerealiseerd. Om deze bedrijfshal mogelijk te kunnen maken, dient de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid te worden. Op het perceel Lutkeberg 42 wordt de bestaande bedrijfshal uitgebreid met 610 m². De beoogde ontwikkeling heeft een lokaal karakter. De planologische bebouwingsmogelijkheden worden met dit TAM-omgevingsplan gemaximaliseerd, waardoor ook eventuele toekomstige uitbreidingen mogelijk zijn. Er wordt daarbij aangesloten op het mogelijkheden die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein Lutkeberg. Uit voorliggende motivering blijkt dat er geen sprake is van significante negatieve milieugevolgen. Gelet op de kleinschaligheid van het voorliggende initiatief kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Conclusie

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Algemeen

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.

Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) 

De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

In onderhavig geval worden planologisch gezien twee bedrijven op de percelen Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 toegestaan. Daarnaast wordt de bedrijfsbebouwing uitgebreid. Op het perceel Vriezenveenseweg 41 wordt een nieuwe bedrijfshal met een oppervlakte van 750 m² gerealiseerd. Om deze bedrijfshal mogelijk te maken dient de bedrijfsfunctie met 744 m² uitgebreid te worden. De bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 wordt uitgebreid met 610 m².

Voor de stedelijkheidsgraad kan uitgegaan worden van 'Niet stedelijk' en 'Buitengebied'. In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie conform de kencijfers van de CROW weergegeven:

Perceel   Oppervlakte bvo   CROW-categorie   CROW-kencijfer (maximaal)   Verkeersgeneratie  
Vriezenveenseweg 41   1.460 m²   bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief   5,7 p/100 m² bvo   83,2  
Lutkeberg 41   3.831 m²   bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief   5,7 p/100 m² bvo   221,2  
Totaal         304,4  

In totaal veroorzaken de twee bedrijven volgens de kencijfers van de CROW een verkeersgeneratie van afgerond 305 verkeersbewegingen per etmaal.

Het perceel Vriezenveenseweg 41 blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Vriezenveenseweg. Het perceel Lutkeberg 42 blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Lutkeberg. Feitelijk gezien zijn beide bedrijven momenteel al aanwezig op de percelen en kan het verkeer eenvoudig afgewikkeld worden. In werkelijkheid ligt het aantal verkeersbewegingen die veroorzaakt worden lager, omdat het hier voornamelijk om opslag gaat.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.

Perceel   Oppverlakte bvo   Categorie   parkeernorm   Aantal parkeerplaatsen  
Vriezenveenseweg 41   1.460 m²   bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief   1,05   15,3  
Lutkeberg 42   3.831 m²   bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief   1,05   40,2  
Totaal         55,5  

Voor het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 zijn er afgerond 16 parkeerplaatsen benodigd.

Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren. Het parkeren vindt net als in de huidige situatie plaats achter de bestaande bebouwing. Daarnaast is er naast de nieuwe bedrijfshal nog ruimte voor parkeren (strook van 30 m). Eventueel kan er ook nog geparkeerd worden aan de voorzijde van de bestaande bebouwing. Daarmee kan gesteld worden dat er ruim voldoende plek aanwezig is om te parkeren/de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

Voor het perceel aan de Lutkeberg 42 zijn er afgerond 41 parkeerplaatsen benodigd. Aangezien het hier gaat om een aanzienlijk aantal parkeerplaatsen, zijn voor deze locatie de parkeerplaatsen ingetekend. In totaal is er ruimte voor 50 parkeerplaatsen. In principe veroorzaakt de uitbreiding niet direct meer bezoekers. De uitbreiding ziet namelijk op het toevoegen van meer opslagruimte en het vergroten van het kantoor. De bedrijfsactiviteiten blijven hetzelfde als in de huidige situatie. Figuur 5.1 toont de parkeerplaatsen op het perceel aan de Lutkeberg 42.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0015.png"

Figuur 5.1: parkeren Lutkeberg 42 (bron: Buro Meinders)

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.4.1 Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.

Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.

Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Situatie plangebied

Het plangebied ligt op minimaal 4,2 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000 gebieden zijn 'Engbertsdijksvenen' en 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Op de figuur 5.2 wordt de ligging van de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0016.png"

Figuur 5.2: ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator)

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Om die reden is een AERIUS-stikstofberekening uitgevoerd, zie Bijlage 4. Onderstaand zijn de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven.

Beoordeling stikstof (ontwikkelfase)

De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 36,5 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Beoordeling stikstof (gebruiksfase)

De totale NOx-emissie bedraagt in de gebruiksfase in totaal 19,3 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,8 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Conclusie

Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

5.4.2 Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Situatie plangebied

Het plangebied ligt op minimaal 2,1 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. In figuur 5.3 wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven met de groene arcering. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0017.png" Figuur 5.3: ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving)

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Conclusie

Het plangebied ligt op minimaal 2,1 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

5.4.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Situatie plangebied

De inrichting en het gevoerde beheer (bedrijfsmatige activiteiten) maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Ook voor beschermde diersoorten wordt het plangebied ongeschikt geacht. Er wordt met het plan geen bebouwing gesloopt of groen verwijderd. Er is met het plan sprake van het toekennen van de juiste planologische mogelijkheden, waardoor het bedrijfsperceel aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 door twee bedrijven gebruikt kan worden. Daarnaast wordt er op het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 een nieuwe bedrijfshal gebouwd. Deze bedrijfshal komt voor een gedeelte op reeds verharde grond en een gedeelte op agrarsiche gronden te staan. De agrarische gronden worden intensief gebruikt. De bestaande bedrijfshal op het perceel Lutkeberg 42 wordt aan de oostzijde uitgebreid. Dit betreft reeds verharde gronden. Gelet op het huidige gebruik van de gronden en het feit dat er geen gebouwen of bomen/opgaande beplanting aanwezig is, kan gesteld worden dat er geen rust- en/of verblijfsplaatsen van beschermde soorten worden aangetast.

Conclusie

Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.

Situatie plangebied

Het voorliggende plan maakt het toestaan van twee bedrijven op de percelen aan de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 te Geesteren mogelijk. Daarnaast vindt er een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing plaats. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Om dit aan te tonen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Figuur 5.4 toont de berekening met de NIBM-tool.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0018.png"

Figuur 5.4: uitkomst NIBM-tool (bron: Informatiepunt Leefomgeving)

Uit de berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten.

Conclusie

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5.6 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluid door activiteiten

In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • Woningen;
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal);
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0019.png"

Figuur 5.5: standaardwaarden (bron: Art. 5.78T van het BKL)

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluidbeleid

De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).

Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai

Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai is niet noodzakelijk.

Situatie plangebied, industrielawaai

Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk.

Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten

Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd. Onderzoek naar geluid door belastende activiteiten is niet noodzakelijk.

Wel wordt met voorliggend plan een functie mogelijk gemaakt die mogelijk geluid door belastende activiteiten kan veroorzaken. Om die reden dient bekeken te worden of de omliggende geluidgevoelige functies (wonen) geen hinder ondervinden. De bedrijfsfunctie wordt aan de noordwestzijde van het bedrijfsperceel voor een klein gedeelte uitgebreid. Dit betekent dat de bedrijfsfunctie dichter op de woonfuncties aan de Delmaweg 1 en Vriezenveenseweg 56 en 59 komt te liggen. De woonfunctie aan de Delmaweg 1 bevindt zich op een afstand van ca. 85 m van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsfunctie. De woonfuncties aan de Vriezenveenseweg 56 en 59 bevinden zich op een afstand van meer dan 200 m van de uitbreiding. De beoogde bedrijfsactiviteiten voor beide bedrijven zullen maximaal milieucategorie 3.1 hebben. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 50 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan.

Voor de overige woningen, waaronder de woning aan de Vriezenveenseweg 38, geldt dat de bedrijfsfunctie niet dichter op de woning komt te liggen en er reeds een bedrijf tot en met milieucategorie 3.1 (Grth in akkerbouwproducten en veevoeders, SBI-2008: 4621) is toegestaan, waarbij het aspect 'geluid' reeds maatgevend is (50 m). Het bedrijf op het perceel aan de Lutkeberg 42 valt onder deze categorie. Een kersbomenkwekerij kan geschaald worden onder de categorie 'Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)', waarvoor milieucategorie 2 geldt. Voor de kerstbomenkwekerij geldt dan een richtafstand van 30 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan.

Conclusie

Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
  • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
  • andere agrarische activiteiten.

In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Situatie plangebied

Het voorliggende initiatief maakt geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk. De acitivteiten die plaatsvinden op de percelen zijn kweekadvisering, buitenkweek van bomen, opslag en verkoop van goederen binnen de agrarische sector. Deze activiteiten veroorzaken geen geurhinder voor omliggende geurgevoelige functies. Daarbij komt dat de kwekerij geschaald kan worden onder de categorie 'Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)', waarvoor milieucategorie 2. Voor het aspect 'geur' geldt hiervoor een richtafstand van slechts 10 m. Tevens geldt voor het perceel aan de Vriezenveenseweg 41 dat op de verbeelding een aanduiding wordt opgenomen, waardoor hier bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m voor geur. Deze afstand komt overeen met de huidige maatgevende afstand die geldt voor het veevoederbedrijf die momenteel planologisch toegestaan is. Er bevinden zich geen geurgevoelige objecten binnen deze afstand.

Voor het perceel Lutkeberg 42 geldt dat er naast het veevoederbedrijf, bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 50 m tot geurgevoelige objecten. binnen deze afstand zijn geen geurgevoelige objecten aanwezig. Op de verbeelding bij dit TAM-omgevingsplan is een aanduiding opgenomen waarmee de bedrijven tot en met categorie 3.1 zijn toegestaan.

Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

5.8 Omgevingsveiligheid

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het
  • Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Situatie plangebied

Aandachtsgebieden en contouren van het plaatsgebonden risico en groepsrisico worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens op een risicokaart te visualiseren. Figuur 5.6 toont een uitsnede van de risicokaart met het plangebied zwart omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0020.png"

Figuur 5.6: uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat de planlocatie niet binnen de risicocontour of een aandachtsgebied van een risicobron ligt. Tevens worden er met het plan geen functie mogelijk gemaakt die gevaar kan opleveren voor de omgeving. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

5.9 Trilling

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.

Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied zijn geen functies te vinden, zoals spoorwegen, die trillingen veroorzaken. Tevens wordt binnen het plangebied geen nieuw trillingsgevoelig gebouw toegevoegd.

De acitivteiten die plaatsvinden op de percelen zijn kweekadvisering, buitenkweek van bomen, opslag en verkoop van goederen binnen de agrarische sector. Dit zijn geen activiteiten die trillingen veroorzaken op gevoelige functies in de omgeving.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect trilling geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Archeologie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Situatie plangebied

Archeologie

Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Tubbergen blijkt dat er voor een gedeelte van het plangebied een lage en hoge archeologische verwachting geldt.

Het plangebied bevindt zich binnen twee verschillende zones. De eerste zone is de 'dekzandwelvingen en -vlakten' en ligt op het grootste gedeelte van het plangebied. Voor deze gronden geldt dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm.

Een klein gedeelte is voorzien van de zone 'beekdalen en overige laagten'. Hiervoor geldt dat bij plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Figuur 5.7 toont een uitsnede van de archeologische waardenkaart, met het plangebied zwart omkadaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42-VG01_0021.png"

Figuur 5.7: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Tubbergen)

Met het voorliggende plan vinden er bodemingrepen plaats. Echter betreft de gezamenlijke oppervlakte van de beoogde nieuwe bedrijfshal en de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal 1.360 m². Daarmee wordt de oppervlakte van 5.000 m² niet overschreden en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook overige cultuurhistorische elementen zijn niet (meer) aanwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied.

Conclusie

Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

5.11 Bodem

De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

De artikelen 22.29 e.v. BS zijn hier ook van belang.

Situatie plangebied

In het kader van de realisatie van de nieuwe bedrijfshal op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 en de uitbreiding van de bestaande bedrijfshal op het perceel van de Lutkeberg 42 zijn voor beide locaties verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd.

Vriezenveenseweg 41 Geesteren

Uit het verkennend bodemonderzoek voor de Vriezenveenseweg 41 (zie Bijlage 5) zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.

In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgeboord tot 1.50 m-mv en waarvan er 1 diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig grof tot matig fijn, matig tot zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem of op het maaiveld. Het freatische grondwater is aangetroffen op 0,90 meter min maaiveld.

Resultaten analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
  • het grondwater uit PB 1 is (zeer) licht verontreinigd met barium, koper en zink.

In het grondwater (PB 1) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het verkennend bodemonderzoek. In de bovengrond (BG) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande wijziging van het Omgevingsplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

Lutkeberg 42 Geesteren

Uit het verkennend bodemonderzoek voor de Lutkeberg 42 (zie Bijlage 6) zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.

In totaal zijn er 7 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring tot 3.60 m-mv afgewerkt met een peilbuis (PB 1). De bodemopbouw van de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit zeer fijn tot matig fijn, zwak siltig, zwak grindig en zwak humeus, donkergrijs bruin zand. De ondergrond bestaat globaal uit zeer fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is op 1,95 m-mv aangetroffen.

Resultaten analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

  • de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
  • het grondwater (PB1) is niet verontreinigd.

In de boven- en ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Er is geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.

Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de geplande uitbreiding van het bedrijfspand. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.12 Waterbelang

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.

Waterparagraaf

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

Klimaatrobuust gebied

Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied

Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.

Circulaire Economie en Energietransitie

Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.

Gezonde leefomgeving

Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.

Relevante wateraspecten:

Wateroverlast

De uitbreiding van de functie 'bedrijventerrein' bedraagt 744 m² (agrarsich naar bedrijventerrein). De overige gronden binnen het plangebied kunnen al gebruikt worden ten behoeve van bedrijfsgebouwen en verharding. De (planologische) toename aan verharding bedraagt daarmee mindee dan 1.500 m², waardoor geen eisen worden gesteld aan het realiseren van waterberging. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld.

Waterkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Onderhavig plan heeft geen invloed op de hoeveelheid afvalwater. De beoogde bebouwing zal voornamelijk gebruikt worden ten behoeve van opslag. Dit veroorzaakt niet direct een toename van het afvalwater.

Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt net als in de huidige situatie niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Er zijn geen maatregelen nodig ten behoeve van het grondwater.

Recreatie

Gelet op de aard en omvang van onderhavig plan is recreatie niet relevant.

Conclusie

Op 2 juli 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht (zie Bijlage 7). Uit de watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering en/of tijdelijk van aard zijn. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.

5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen

Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.

De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.

In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Situatie plangebied

Het voorliggende plan maakt geen (nieuwe) gevoelige functie mogelijk waarbij rekening gehouden moet worden met een spuitvrije zone voor gewasbeschermingsmiddelen. Het is dan ook niet noodzakelijk om een spuitvrije zone op te nemen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.

Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:

  • het kostenverhaal en nadeelcompensatie.

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.

Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Toelichting planregels

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het plan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 Geesteren’ worden twee bedrijven op de percelen van de Vriezenveenseweg 41 en Lutkeberg 42 in Geesteren toegestaan. Daarnaast zijn er voor beide percelen uitbreidingen van de bedrijfsbebouwing beoogd. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

7.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Zenderseweg 50 Albergen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKGEEVRI41LUT42- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

7.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

7.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft de wijze van meten weer.
  • Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
7.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

7.2.4 Algemene regels voor activiteiten

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelbepalingen;
  • Planologische gebruiksactiviteiten: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • Regels parkeren: dit artikel bevat bepalingen over parkeren;
  • Overige regels.
7.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Toelichting op de regels

'Bedrijventerrein'

Ter plaatse van de functie 'Bedrijventerrein' zijn bedrijven genoemd in de in Bijlage 2 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' bedrijven tot en met categorie 3.1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - boomkwekerij' is tevens een boomkwekerij toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - veevoederhandel' tevens een veevoederhandel.

Voor de bedrijfswoning op het perceel van de Vriezenveenseweg 41 is de aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. De inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³, danwel de bestaande inhoud. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen, tenzij de bestaande goot- en bouwhoogte meer bedragen, in welk geval de goot- en bouwhoogte ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte zal bedragen

De maximum bouwhoogte voor de bedrijfsgebouwen is met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangeduid. Wanneer de bestaande bouwhoogte hoger is, dan mag de bouwhoogte de bestaande bouwhoogte bedragen.

'Groen'

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen. Daarnaast zijn onder andere kunstwerken, kunstobjecten en nutsvoorzieningen toegestaan.

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

'Waarde - Archeologie 4'

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.