direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Eschenhoek Tubbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied

Voorliggende ruimtelijke motivering heeft betrekking op de beoogde woningbouwontwikkeling die bekend staat als de Eschenhoek 2. Het plangebied ligt in het noorden van de kern Tubbergen, tegen de huidige woonwijk Eschenhoek.

Binnen het plangebied wordt een gevarieerd woningbouwprogramma gerealiseerd bestaande uit in totaal circa 84 woningen. De ontwikkeling voorziet in een brede woonbehoefte binnen de gemeente Tubbergen, met aandacht voor starters, gezinnen, senioren en zorgbehoevenden. Concreet bestaat het woningbouwprogramma voor de reguliere bewoning bestaat uit 5 vrijstaande woningen, 12 twee-onder-één-kapwoningen, 23 rijwoningen 12 appartementen en 32 zorgwoningen in een woon-zorgcomplex.

Het initiatief voorziet in een uitbreiding van het bebouwde gebied van Tubbergen en vormt hiermee een nieuw overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het omliggende landschap. In de positionering van bebouwing en het groen is dan ook rekening gehouden met een zachte overgang van de openheid van het landschap naar de bebouwde kom. Binnen de inrichting van het plangebied is daarnaast veel ruimte voor groen en water.

Het plangebied ligt ten noorden van de kern Tubbergen aan de Sportlaan en ten noorden van de Borgstaete en voetbalvelden behorend bij sportpark De Grote Moat. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven ten opzicht van de kern Tubbergen en de directe omgeving. Het plangebied wordt respectievelijk aangeduid met een ster en de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van de omgeving (Bron: openstreetmap.org, bewerkt)  

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader

De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.

Bij de beoordeling of de gemeente een besluit wil nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.

Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging

De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert het besluit tot wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau, tevens wordt ingegaan op het vooroverleg en het participatieproces. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de opzet van de planregels en de juridische verantwoording uiteengezet.

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is in de huidige situatie ingericht en in gebruik als agrarische cultuurgrond. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0002.png"  
Afbeelding 2.1 Huidige situatie plangebied (Bron: PDOK, bewerkt)  

2.2 Gewenste ontwikkeling

Het voornemen is om binnen het plangebied woningen en een woon-zorgcomplex te realiseren. Het woningbouwprogramma bestaat uit 5 vrijstaande woningen, 12 twee-onder-één-kapwoningen, 23 rijwoningen, 12 appartementen en een woon-zorgcomplex met ruimte voor 32 zorgappartementen. De beoogde situatie is weergegeven in afbeelding 2.2 en wordt aansluitend toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.2 Beoogde situatie plangebied (Bron: ODIN Landschapsontwerpers)  

Het plangebied is ruimtelijke gezien op te delen in twee delen, namelijk het noordelijk en zuidelijk deel. Beide delen zijn aan elkaar verbonden door de beoogde ontsluitingsweg die is aangesloten op de Sportlaan.

De 12 appartementen zijn voorzien in een kleinschalig appartementengebouw. Het appartementengebouw, evenals het woon-zorgcomplex zijn gepland aan de Sportlaan, in het zuiden van het plangebied. Hier is tevens ruimte voor parkeerplaatsen en (gezamenlijke) bergingen. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het kleinschalig appartementengebouw tevens parkeren onder het gebouw mogelijk wordt gemaakt.

Het appartementengebouw bestaat uit maximaal drie bouwlagen. Het is ook voorstelbaar om hier uit te gaan van twee bouwlagen waarbij de derde laag een steile kap heeft. De appartementen worden levensloopbestendig ingericht. Zo zullen de appartementen gelijkvloers zijn en zijn de appartementen op de verdiepingen te bereiken met een lift. Hierdoor kan een brede doelgroep worden bediend, zoals senioren, mensen die minder mobiel zijn en kleine huishoudens (1 of 2 persoons).

Het woon-zorgcomplex bestaat uit twee bouwlagen met mogelijkheid voor een onbewoonde kap. Het gaat hier om sociale huurwoningen voor zorgbehoevende mensen die niet (meer) geheel zelfstandig kunnen wonen.

In het noordelijke deel van het plangebied is ruimte voor grondgebonden woningen. Het gaat hierbij om een gevarieerd programma bestaande uit rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. Bij de twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen worden op eigen terrein parkeervoorzieningen gerealiseerd. Bij de rijwoningen worden parkeerplaatsen langs de te realiseren ontsluitingsweg gerealiseerd.

De rijwoningen worden in een hofje georiënteerd waarbij de ontsluitingsweg rondom de woningen loopt. Deze woningen bestaan uit één bouwlaag en een kap en zijn met de achterzijde naar elkaar gepositioneerd. De voornaamste doelgroep die hier bediend kan worden zijn senioren en de kleinere huishoudens (1 of 2 persoons).

De vrijstaande woningen en tweekappers bestaan uit een of twee bouwlagen en een kap. Deze woningen zijn primair bedoeld voor doorstromers, zoals gezinnen die hun huidige woning zijn 'ontgroeid'. Met realisatie van deze woningen wordt de (verdere) doorstroming op de woningmarkt in Tubbergen en omgeving bevorderd.

2.3 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Om de woonwijk goed in te passen als overgang tussen het stedelijk en landelijkgebied, is door Odin een landschappelijk inrichtingsplan met bijhorend beplantingsplan opgesteld. Uitgangspunten bij het beplantingsplan is het herstel en de versterking van de landschappelijke structuur rondom het plangebied. Om de toekomstige bouwplannen op de gewenste beeldkwaliteit te kunnen toetsen is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld.

Het gehele beplantingsplan is bij de motivatie gevoegd als Bijlage 1. Het beeldkwaliteitsplan wordt voor het gehele plangebied vastgesteld in een aparte procedure. De uitvoering van het beplantingsplan is geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de verschillende onderdelen uit het beeldkwaliteitsplan. Onder de afbeelding wordt beknopt ingegaan op de belangrijkste elementen uit het beeldkwaliteitsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.3 Uitsnede gehele stedenbouwkundig ontwerp (Bron: Odin landschapsontwerpers)  


Appartementen

In het zuiden van het plangebied wordt een appartementengebouw gerealiseerd bestaande uit 3 bouwlagen. Hierin is ruimte voor 12 appartementen. De goot- en nokhoogte van het gebouw is in het beeldkwaliteitsplan en in de verbeelding behorende bij dit TAM-omgevingsplan vastgelegd op respectievelijk 10,5 m en 15 m ten opzichte van het maaiveld.

Woonzorg

Het woonzorg complex binnen het plangebied bied ruimte aan 32 zorgappartementen. Het gebouw krijgt twee volwaardige bouwlagen met een verspringende percelering en kleurverspringingen. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt respectievelijk 8 m en 12 m ten opzichte van het maaiveld.

De Eschenhof

De rijwoningen uit het plan bestaan uit lage woningen van één bouwlaag met een kap. Door de positionering en het gebruik van metselstenen krijgt de opstelling een dorps karakter. De binnentuin biedt ruimte voor ontmoeten. De maximale goot- en nokhoogte van de rijwoningen bedraagt respectievelijk 3 en 9 meter ten opzichte van het maaiveld.

De woonvelden

De woonvelden bestaan uit twee-onder-een-kap woningen. Het uiterlijk van deze woningen sluit aan op het uiterlijk van de naastgelegen wijk. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met kap. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt respectievelijk 6 m en 10 m boven het maaiveld.

Wonen aan de rand

De woningen aan de noordelijke rand van het plangebied zijn 3 vrijstaande woningen met één bouwlaag en een zadeldak. Het uiterlijk van deze woningen komt uit de kenmerken van Twentse boerderijen, zoals rode dakpannen, metselwerk in landelijke kleuren en eventueel houten topgevels. Geen van de drie vrijstaande woningen zijn hetzelfde. Het gebruik van riet en gestucte gevels in een afwijkende kleur is hier niet toegestaan. De maximale goot- en nokhoogte bedraagt respectievelijk 4 m en 9 m boven het maaiveld.

Water en groen

De hoofdgroenstructuur van het plangebied is opgebouwd rond bestaande landschapselementen, met name het markante eikenduo dat als ijkpunt voor de wijk dient. Robuuste bossingels en losse boomstructuren versterken de groene rugdekking rondom sportvelden en bebouwing, met strategische zichtlijnen naar het buitengebied. De erfafscheidingen in plan Eschenhoek bestaand voornamelijk uit hagen. Deze hagen bestaan uit een aaneengesloten gesnoeide beplanting van inheemse soorten.

Daarnaast is in het plan veel ruimte voor natuurlijk spelen in het groen en bij het water. De groene buitenruimte en de speels vormgegeven wadi's bieden alle ruimte voor kinderen om te spelen. Aan de noordelijke rand van het plangebied worden enkele speelvoorzieningen aangebracht, bijvoorbeeld een speelboomstam, evenwichtsbalk, keien, of een balenbos. De speelplaats wordt ingericht op de samenkomst met de uitstroomgoot van de wadi op deze plaats. Tevens worden één of meerdere zitboomstammen gerealiseerd voor ouders en ouderen.

In het beeldkwaliteitsplan wordt in detail ingegaan op de begrenzing in hoogte en locatie van de verschillende groen en watervoorzieningen. Tevens wordt voor meer informatie over de waterhuishouding doorverwezen naar paragraaf 5.13 Waterbelang van deze motivering.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten

Nagenoeg het gehele plangebied heeft in de huidige situatie een agrarische functie. Daarnaast zijn enkele archeologische dubbelbestemmingen aanwezig. De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik als akkerland. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied geen bouwvlakken of andere functieaanduidingen aanwezig die het bouwen of bewonen van een gebouw mogelijk maken.

De ontwikkeling die met voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft een volledig nieuwe invulling van het plangebied. Na het aanwijzen van het plangebied als uitleggebied heeft de gemeente het woningbouwprogramma vastgesteld en opdracht gegeven om de gronden planologische geschikt te maken om het woningbouwplan voor de Eschenhoek 2 gereed te maken. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste wijziging van het omgevingsplan.

3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals dat in werking is getreden op 3 juli 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:

  • Omgevingsplan gemeente Tubbergen (in werking vanaf 01-07-2024);
  • Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan (vastgesteld 15-12-2020);
  • (veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen (vastgesteld 25-05-2020);
  • Tubbergen Buitengebied 2016 (vastgesteld 23-05-2016);
  • Tubbergen (vastgesteld 03-11-2014).

Daarnaast maken ook gemeentelijke verordeningen onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege.

3.2.1 Geldende bestemmingsplannen

Voor de duiding van het planologisch regime zijn met name het bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016”, “Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan” en “Tubbergen” van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat.

In afbeelding 3.1 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0005.png"  
Afbeelding 3.1: Uitsnede verbeelding uit het tijdelijk omgevingsplan (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)  

Hieronder wordt kort ingegaan op de geldende functies binnen het plangebied.

Agrarisch

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn mede geschikt voor het agrarisch gebruik, met daaraan ondergeschikt: doeleinden van agrarisch natuurbeheer, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden, extensief dagrecreatief medegebruik, wegen en paden. De gronden mogen enkel worden gebruikt, en gebouwen mogen enkel worden gebouwd ten behoeve van de agrarische functie.

Agrarisch – 1

De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.

Sport

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn onder andere geschikt voor sport, sportactiviteiten, sportvelden en speelterreinen met bijbehorende voorzieningen. Hieraan ondergeschikt mag aanwezig zijn: horeca, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, wegen en paden en tuinen en erven. Gebouwen mogen enkel worden gebouwd binnen een bouwvlak.

Groen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere geschikt voor: groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, kunstwerken; kunstobjecten, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, in- en uitritten, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen.

Waarde Archeologie

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' mogen geen bouwwerken worden gebouwd, tenzij het bouwwerk een kleinere oppervlakte heeft dan 5.000 m2 en waarbij de bodem niet op een grotere diepte wordt verstoort dan 0,4 m. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' mogen geen bouwwerken worden gebouwd, tenzij het bouwwerk een kleinere oppervlakte heeft dan 2.500 m2 en waarbij de bodem niet op een grotere diepte wordt verstoort dan 0,4 m.

Waarde - Archeologie 3

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht voor activiteiten die een oppervlakte groter dan 2.500 m2 beslaan en dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld plaatsvinden.

Waarde - Archeologie 4

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht voor activiteiten die een oppervlakte groter dan 5.000 m2 beslaan en dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld plaatsvinden.

3.2.2 Strijdigheden met het geldend planologisch regime

Op basis van het geldend omgevingsplan is nagenoeg het gehele plangebied voorzien van een agrarische functie. Het is binnen deze functie niet toegestaan de beoogde ontwikkeling te realiseren en in gebruik te nemen.

Omdat de beoogde ontwikkeling niet in overeenstemming is met het omgevingsplan, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voorziet hierin. In deze motivering wordt aangetoond dat met deze ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2.3 Bruidsschat

In hoofdstuk 5 wordt de ontwikkeling getoetst aan regelgeving omtrent de fysieke leefomgeving, waaronder de bruidsschat.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie

4.1 Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

De voorgenomen ontwikkeling betreft het uitbreiden van de bebouwde kom van Tubbergen om aan de groeiende woningbehoefte binnen de gemeente en de regio te voldoen. De woningen worden zowel in het betaalbare segment als het hogere segment gebouwd, en tevens worden zorgwoningen gerealiseerd. Door een gemengd aanbod te realiseren wordt een bijdrage geleverd aan de doorstroming in alle segmenten op de woningmarkt. Dit draagt bij aan een gezond vestigingsklimaat en een kwalitatief woningaanbod in Tubbergen en de omliggende kernen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee aansluiting vindt bij met name prioriteit 'Sterke en gezonde regio's'.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Leidende thema's voor de Omgevingsvisie zijn:

  • 1. Duurzaamheid;
  • 2. Ruimtelijke kwaliteit.

Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0006.png"  
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

Hierna worden de lagen nader toegelicht.


Of – generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

Waar – ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

Hoe – gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel

Wanneer het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Of - Generieke beleidskeuzes

In het kader van voorliggende ontwikkeling zijn bij het toetsen aan de 'generieke beleidskeuzes' voornamelijk de artikelen 4.4 (principe van concentratie), 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit), 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving), 4.14 (woonafspraken) en 4.55 (nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost-Twente) van belang. De hiervoor genoemde artikelen worden hierna nader toegelicht.

Artikel 4.4:

Principe van concentratie

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. In beginsel moeten nieuwe bouwinitiatieven geconcentreerd worden in of bij bestaande kernen.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel

Het plangebied sluit aan de bestaande kern van Tubbergen. Zowel in het zuiden als het oosten van het plangebied kan het plangebied ontsloten worden aan bestaande woonwijken. Met de beoogde ontwikkeling wordt deels voorzien in de behoefte aan woningen en zorgwoningen. In paragraaf 5.1 wordt de ontwikkeling getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, hieruit blijkt dat sprake is van een aantoonbare kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan de beoogde woningen en zorgwoningen. Hoewel wordt gebouwd in het buitengebied van de gemeente wordt gebouwd voor de eigen behoefte. De beoogde ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.5:

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel

De beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door een deel van het buitengebied, aansluitend aan de kern Tubbergen, te bebouwen. Hierbij wordt een nieuw ruimtebeslag gelegd op de Groene Omgeving. Deze locatie is gekozen boven een inbreidingslocatie zodat op korte termijn invulling gegeven kan worden aan de grote woningbehoefte. Binnen de kern zijn niet voldoende beschikbare ontwikkellocaties aanwezig om het grote aantal woningen te realiseren waarin het plan voorziet. Door veel ruimte over te laten aan groen en voor wateropvang wordt de impact op het extra ruimtebeslag zo veel mogelijk beperkt gehouden. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met artikel 4.5.

Artikel 4.8:

Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Het gaat hierbij om een degelijke landschappelijke inpassing, een versterking van de omgevingskwaliteit, het ontwikkelen in samenhang met de omgeving, aandacht voor biodiversiteit klimaatadaptatie, gezondheid en duurzaamheid, en participatie. `

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Overijssel

De ontwikkeling is zorgvuldig ingepast in het bestaande landschap. De hoofdgroenstructuur is opgebouwd rondom de bestaande landschapselementen, met name het markante eikenduo dat als ijkpunt voor de wijk dient. Door het behoud van deze karakteristieke elementen wordt de historische gelaagdheid van het landschap gerespecteerd. De robuuste bossingels en losse boomstructuren die worden toegevoegd, versterken de groene inpassing rondom de sportvelden en bebouwing. Hierdoor ontstaat een natuurlijke overgang van het bebouwde gebied naar het omliggende landschap.

De ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de omgevingskwaliteit door de toevoeging van kwalitatief hoogwaardige woningen en een woon-zorgcomplex die aansluiten bij de architectuur en uitstraling van de omgeving. De verschillende woningtypologieën (vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en appartementen) zorgen voor diversiteit in het straatbeeld.

Klimaatadaptatie is geïntegreerd in het plan door de aanleg van speels vormgegeven wadi's. Deze wadi's dragen bij aan waterberging tijdens hevige regenval en voorkomen wateroverlast. Ook zorgen de groenstructuren voor verkoeling, met name tijdens hittegolven.

De ontwikkeling bevordert gezondheid door ruimte te bieden voor natuurlijk spelen in het groen en bij het water. De groene buitenruimte nodigt uit tot beweging en buitenactiviteiten. Binnen het plangebied is volop ruimte voor speelvoorzieningen in het groen, zoals speelboomstammen, evenwichtsbalken en keien, stimuleren fysieke activiteit bij kinderen.

De omwonenden en belanghebbenden van/rondom het plangebied en de naastgelegen voetbalvereniging zijn uitgenodigd voor een informatieavond die gehouden werd op 27 maart 2025. Het algemene beeld over de ontwikkeling was positief. Het gehele participatiestraject en het verslag wordt behandeld in Hoofdstuk 4 van deze motivering.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen voldoet aan artikel 4.8 van de Omgevingsverordening.

Artikel 4.11:

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)

  • 1. Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
    • a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;
    • b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
  • 2. Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op:
    • a. de bouw van nieuwe woningen.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel

De voorgenomen ontwikkeling vindt in zijn geheel plaats in de Groene Omgeving en betreft het omzetten van het eerdere gebruik van de gronden als agrarische grond naar stedelijk gebied. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt om aan de dringende woningbehoefte van verschillende doelgroepen tegemoet te komen. Doordat binnen de bebouwde kom onvoldoende ruimte is om in de behoefte te voorzien, is gekozen voor een logische locatie aansluitend aan de kern. De huidige druk op de woningmarkt en het woningtekort wordt gezien als een belangrijke maatschappelijke reden.

Bij de planontwikkeling is veel aandacht besteed aan een gebiedseigen inrichting zowel wat betreft de bebouwing als de groeninrichting. Door het toevoegen van veel inheemse bomen en struiken en diverse andere planten neemt de waarde van het plangebied ten opzichte van het voormalige agrarische gebruik toe. Ook wordt regenwater dat binnen het plangebied valt zo lang mogelijk vastgehouden in de daarvoor te realiseren wadi's. De waterhuishouding van het plangebied is voorafgaand onderzocht en de opvang van water is gebaseerd op een waterhuishoudkundig plan.

Gesteld wordt dat met de toegepaste maatregelen uit het inrichtingsplan, het beplantingsplan en het beeldkwaliteitsplan het verlies aan landschappelijke en ecologische waarden wordt gecompenseerd, dan niet wordt verbeterd. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan artikel 4.11 van de Omgevingsverordening.

Artikel 4.55:

Nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost-Twente

  • 1. Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
  • 2. De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn
    • a. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
    • b. de grote mate van kleinschaligheid;
    • c. het groene karakter.
  • 3. Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente en met Bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.55 van de Omgevingsverordening Overijssel

Het plan respecteert de landschappelijke structuur van het gebied. Door het behoud van bestaande landschapselementen en de strategische zichtlijnen naar het buitengebied wordt de samenhang met het omliggende landschap behouden en versterkt. De overgang van bebouwd gebied naar het landelijke gebied wordt zorgvuldig vormgegeven.

De ontwikkeling behoudt de kleinschaligheid die kenmerkend is voor Noordoost-Twente door:

  • 1. Variatie in woningtypologie en bouwhoogte;
  • 2. Het dorpse karakter van de grondgebonden woningen, wat aansluit op woonwijk de Eschenhoek;
  • 3. De menselijke maat van de bebouwing, met bouwlagen variërend van één laag met kap tot maximaal drie bouwlagen.

De ontwikkeling draagt bij aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. De kleinschaligheid en het groene karakter worden gerespecteerd en versterkt. Daarnaast wordt met het uitvoeren van het beplantingsplan de waarde voor de biodiversiteit van het plangebied versterkt, in vergelijking met het voorgaande agrarische gebruik.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen passend is bij nieuwe ontwikkelingen die in het Nationaal Landschap van Noordoost-Twente worden mogelijk gemaakt. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met artikel 4.55.

Waar- Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied is op de Ontwikkelingsperspectievenkaart aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel
  • continu en beleefbaar watersysteem

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'

Het initiatief draagt bij aan het behouden van een vitale gemeenschap binnen Tubbergen. Door voor zowel jong als oud en vitaal als zorgbehoevend te bouwen wordt een gezonde mate van doorstroming en demografische opbouw behouden en versterkt. Door het gebiedseigen ontwerp wordt aangesloten bij de reeds bestaande structuren van Tubbergen en wordt een logische overgang naar het buitengebied gecreëerd. De overgang is natuurlijk doordat in de groenbeplanting rekening is gehouden met de kenmerkende landschapselementen van het oude hoevenlandschap.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen passend is binnen het ontwikkelingsperspectief wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap.

Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van de vier lagen gebiedskenmerken (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, de stedelijke laag, en de laag van de beleving) Voor iedere laag gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor voorliggende ontwikkeling zijn geen gebiedskenmerken opgenomen in de Stedelijke laag en de Laag van beleving, een toetsing van het initiatief aan deze lagen is dan ook achterwege gelaten. Hierna wordt het voornemen getoetst aan de twee gebiedskenmerken.

Toetsing aan de gebiedskenmerken

  • Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt.

Binnen het plangebied is het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes' van toepassing. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen beekdalen en stuwwallen en de natte laagtes hier tussenin.

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'

Bij het ontwerpproces van het plangebied is rekening gehouden met de glooiingen van het landschap dat is gevormd door de stuwwallen. De dekzanden en ruggen en laagtes die hieruit zijn voortgekomen zijn nog deels herkenbaar in de glooiing in de agrarische gronden. Waar natuurlijke laagtes voorkomen is extra aandacht besteed aan de waterhuishouding, bij hoogtes worden de zichtlijnen benut. De waarden uit de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap zijn van grote invloed geweest op het ontwerp van het beplantingsplan, het waterhuishoudkundig plan en het beeldkwaliteitsplan.

  • Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht. Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid.

Op de locatie is het gebiedstype 'Oude hoevenlandschap' van toepassing. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

Ondanks de grote schaal van het aantal woningen wordt door gebruik te maken van een kleine en geleidelijke verkaveling een kleinschalig karakter gegeven aan het plangebied. Hierdoor kan worden aangesloten bij het kleinschalige dorpse karakter. Vanuit het plangebied zal het landschap op veel verschillende plaatsen nog beleefbaar zijn door het zicht op het landschap en de groene indeling en beplanting. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met deze laag.

4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen

Algemeen

De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, wil sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.

MijnOmgevingsvisie gaat in op:

  • de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten);
  • hoe men daarop kan inspelen (speerpunten);
  • hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan);
  • welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).

Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:

  • We doen het samen;
  • We geven het goed voorbeeld;
  • We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt;
  • We wentelen niet af op volgende generaties.

Speerpunten

In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name de thema's 'Aantrekkelijk wonen' en 'Leefbare openbare ruimte' van belang.

Aantrekkelijk wonen

De gemeente wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.

Vanuit de gemeente is de wens om binnen de grenzen van een kern te bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom gaat de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past.

Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In de gemeentelijke woonvisie wordt op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit gekeken op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij worden behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog gehouden.

Leefbare openbare ruimte

De gemeente werkt aan een openbare ruimte die bijdraagt aan de leefbaarheid in de kernen. De openbare ruimte heeft veel verschillende functies zoals bereikbaarheid, toegankelijkheid, spelen, ontmoeting, openbaar groen, schaduw, wateropvang. Samen (gemeente en inwoners) hebben we een beeld bij wat we belangrijk vinden om een fijne woon- en leefomgeving te hebben. De inrichting, het beheer en onderhoud van de openbare ruimte speelt daarin een belangrijke rol. Een goed ingerichte openbare ruimte zorgt ervoor dat de dorpen in de toekomst aantrekkelijk blijven. Voor de komende periode zien we vanuit de gemeente vooral uitdagingen op het gebied van het aanpassen van de openbare ruimte aan:

  • wensen vanuit veiligheid, woongenot, gezondheid en duurzaamheid,
  • de gevolgen van klimaatverandering,
  • veranderende mobiliteit.

Waardenkaart

Het plangebied ligt op de waardenkaart binnen het lichtgroene landschap met de waarde 'Gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0007.png"  
Afbeelding 4.2 Uitsnede waardenkaart (Bron: Omgevingsvisie gemeente Tubbergen)  

De waarden die in dit deelgebied worden benoemd in de Omgevingsvisie spelen in op: het agrarisch karakter, gemengde functies, een opgeruimd landschap, geclusterde bebouwing en heldere structuren. De waarden die hier gelden zijn:

  • open met vergezichten;
  • efficiënt agrarisch landschap;
  • kavelsloten;
  • wegen met bomenrijen;
  • moderne erfopzet.

Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ambities en doelstellingen van de gemeente zoals verwoord in de omgevingsvisie. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod dat tegemoet komt aan de behoeften van verschillende doelgroepen, waarbij zowel starters als ouderen expliciet worden bediend. De zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte met aandacht voor klimaatadaptatie, spelen, veiligheid en sociale cohesie draagt bij aan een duurzame en leefbare woonomgeving. De locatie aan de rand van de kern Tubbergen vormt een logische afronding van de dorpsrand met respect voor de overgang naar het buitengebied. Het plan vormt daarmee een waardevolle aanvulling op het bestaande woningaanbod in de gemeente Tubbergen en draagt bij aan de leefbaarheid en toekomstbestendigheid van de kern.

Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij de uitgangspunten in de omgevingsvisie Tubbergen.

4.1.4 Woonvisie 2021+
4.1.4.1 Algemeen

Het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren is weergegeven in de 'Woonvisie 2021+'. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat de woningmarkt zeer dynamisch is. De woonvisie beschrijft daarom de gemeentelijke koers voor de komende jaren, maar er wordt flexibiliteit gehouden om tussentijds bij te sturen, mochten de ontwikkelingen op de woningmarkt daarom vragen.

4.1.4.2 Platteland in trek; toenemend aantal vestigers

De komende jaren wil de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken. In de jaren voor 2016 was er nog sprake van een vertrekoverschot.

Het zijn vooral jongeren tussen 15 en 25 jaar die de gemeente verlaten. Dat komt voor een belangrijk deel vanwege werk of studie elders. Maar voor een deel van de vertrekkende jongeren speelt het woningaanbod mee. Voor hen zijn er niet of nauwelijks betaalbare woningen beschikbaar, waardoor zij (al dan niet tijdelijk) opteren voor een woning in een gemeente waar het aanbod goedkoper is. Een deel van de jongeren keert na verloop van tijd terug als men een gezin gaat stichten en meer financiële mogelijkheden heeft om een woning te kopen. Tubbergen staan immers bekend als een zeer kindvriendelijke gemeente met veel ruime gezinswoningen en met een school in elke kern.

Daarnaast ziet de gemeente zeker de laatste jaren een vestigingsoverschot van 50-plussers. Door de stijgende woningprijzen in de steden is de gemeente als groene, rustige woongemeente met ruime woningen steeds aantrekkelijker geworden voor vestigers. Het gaat vaak om vestigers die vanuit de stedelijke omgeving van Almelo en Hengelo op zoek zijn naar een ruime gezinswoning in het groen, maar steeds vaker gaat het ook om vestigers van ver buiten de regio. Dat kunnen mensen zijn die van oorsprong uit Tubbergen of omgeving komen, maar ook vestigers van verder weg die onze gemeente kennen omdat ze hier bijvoorbeeld ooit op vakantie zijn geweest. Het zijn nu nog met name 50- en 65-plussers, waarvoor de reisafstand tot werk minder (of helemaal geen) een rol speelt. Maar de aantrekkingskracht van de gemeente Tubbergen neemt in de komende jaren wellicht ook toe bij andere leeftijdscategorieën, omdat thuiswerken door de Coronacrisis een hoge vlucht heeft genomen. De fysieke nabijheid van kantoor is daardoor minder belangrijk geworden, terwijl een ruime woning (met ruimte voor een werkplek) juist belangrijker wordt.

4.1.4.3 Woningbouwprogramma: +640 woningen

De gemeente gaat uit van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk binnen vijf jaar realiseren. Mocht er na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd zijn dan de geprognosticeerde behoefte, dan zal de gemeente daar met de woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden.

Daarnaast is het wenselijk om een ruimere plancapaciteit aan te houden dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. Voor het tijdig kunnen inspelen op de behoefte is een zachte plancapaciteit van 130% reëel; zo'n 830 woningen over de gehele gemeente (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). Voor de kern Tubbergen ligt het totaal op 255 woningen.

De voorkeur geeft aan het invullen van de woningbouwbehoefte in kleine, eventueel gefaseerde, plannen. Hierdoor kan goed worden bijgestuurd als dit wenselijk is.

4.1.4.4 Bouwen op de juiste plek

In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden.

In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte.

4.1.4.5 Prioriteiten voor starters en senioren

In algemene zin neemt de behoefte aan kleinere woningen onder starters toe. Er zijn nog steeds starters die een ruime woning met grote kavel kopen of bouwen, maar de gemeente ziet nu ook nieuwbouwinitiatieven met rijwoningen opkomen, waar veel interesse voor is. De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor starters vergroten. Het is hierbij zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters).

Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Veel oudere huishoudens wonen op dit moment in een ruime eengezinswoning. Een groot deel van deze groep wil het liefst zo lang mogelijk in hun eigen woning in de vertrouwde woonomgeving blijven wonen. Zowel landelijk als lokaal beleid heeft hier de afgelopen jaren ook sterk op ingezet. Maar een deel van de ouderen overweegt wel te verhuizen. Vooral omdat zij op zoek zijn naar een levensloopgeschikte woning waar zij ook kunnen wonen als de gezondheid achteruit zou gaan. Belangrijk voor zo'n woning is dat slaap- en badkamer bij voorkeur op de begane grond zitten en bij voorkeur in de eigen vertrouwde omgeving (de buurt of kern waar men nu woont) en op loopafstand van voorzieningen staat. De woning moet ook nog enigszins betaalbaar zijn (meestal betekent dat goedkoper dan de huidige woning). Al deze wensen maakt het lastig om tot een geschikt woonproduct te komen. In de praktijk blijven veel ouderen daardoor in hun huidige woning wonen, ondanks hun verhuiswens.

Het voordeel van gerichte nieuwbouw voor senioren is dat er meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een substantieel deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopgeschikt te realiseren.

4.1.4.6 Beperkte bouwopgave voor gezinnen

De grootste groep huishoudens wordt in onze gemeente gevormd door gezinnen met kinderen. De verwachting is dat deze groep in omvang iets zal afnemen de komende jaren. Daar staat tegenover dat een groot deel van de huidige woningvoorraad nu al gericht is op deze doelgroep; namelijk ruime grondgebonden koopwoningen. In de basis zien we daarom geen grote opgave om het woningaanbod voor deze doelgroep uit te breiden. Toch zijn er enkele redenen waarom we op beperkte schaal ruimte willen blijven bieden voor (middel)dure grondgebonden koopwoningen.

Ten eerste zullen de bestaande grondgebonden koopwoningen niet van vandaag op morgen allemaal beschikbaar komen. Dit hangt af van de doorstroming van met name senioren. Zij vormen echter geen sterk verhuisgeneigde doelgroep. Indien het gewenst is om de eerstkomende jaren ruimte te blijven bieden aan gezinnen die hier willen (blijven) wonen, dan is enige mate van nieuwbouw noodzakelijk. Ten tweede wil de gemeente gevarieerde nieuwbouwlocaties ontwikkelen, met een mix van woningtypen, huur/koop en prijsklassen. De gemeente wil voorkomen dat met nieuwbouw eenzijdige wijken gecreëerd worden met alleen goedkope woningen of buurten met een eenzijdige bevolkingssamenstelling.

4.1.4.7 Toetsing initiatief aan de woonvisie

Het te realiseren woningbouwinitiatief biedt ruimte aan verschillende groepen inwoners die binnen de gemeente op zoek zijn naar een woning. Het gaat om zowel starters, doorstromers, senioren als zorgbehoevenden. Met 84 woningen voorziet het initiatief in een belangrijk deel van het verkleinen van de woningbehoefte binnen Tubbergen. In de Ladderonderbouwing in paragraaf 5.1 wordt verder in detail ingegaan op de behoefte aan het type woningen binnen het plangebied.

Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie.

4.1.5 Nota Omgevingskwaliteit
4.1.5.1 Algemeen

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19  Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria.

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

4.1.5.2 Toetsing van het initiatief aan de Nota Omgevingskwaliteit

In de Nota Omgevingskwaliteit is het plangebied aangeduid als liggend in het OUDlandschap, met een middenniveau. De doelstellingen binnen dit landschap luiden als volgt:

  • Behoud en respect voor de afwisseling tussen open- en besloten landschappen en hoogteverschillen;
  • Behoud van de losse strooiing van compacte erven rondom de essen en kampen (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg);
  • Enkelvoudige bouwmassa met eenduidige kapvorm;
  • Sturen op behoud en stimulering van de agrarische architectuur(voor-/achterhuisprincipe) met bijbehorende detaillering en materiaalgebruik;
  • Sturen op nieuw- en verbouw passend bij bebouwingskarakteristieken met overwegend traditioneel materiaalgebruik;
  • Sturen op alle gevels, vanwege alzijdige ligging.

Voor de woningbouwontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan en een beplantingsplan opgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten van de Nota Omgevingskwaliteit verwerkt. Het beeldkwaliteitsplan geeft richtlijnen voor de bouw- en goothoogte van de verschillende gebouwen, de kapvorm, het materiaalgebruik, en het kleurgebruik. Daarnaast is in de verbeelding een voorgevelrooilijn opgenomen. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het planvoornemen volgens de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan het initiatief voldoende aansluiting vindt bij de uitgangspunten van de Nota Omgevingskwaliteit.

4.1.6 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

De ontwikkeling betreft een uitbreidingplan dat op het initiatief van de gemeente Tubbergen wordt uitgewerkt. In de voorbereidingsfase van het initiatief is reeds contact geweest met verschillende stakeholders, zowel intern bij de gemeente als externe partijen, zoals het waterschap.

4.1.7 Vooroverleg provincie

Het voornemen wordt voorgelegd aan de vaste overlegpartners. Wanneer een reactie wordt ontvangen op het voornemen wordt dit hier verder beschreven.

4.1.8 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

In de voorbereidingsfase van het voornemen is een digitale watertoets ingediend. In het verloop van het proces is het waterschap daarnaast betrokken bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan. De aandachtspunten van het waterschap zijn verwerkt in de definitieve versie van het waterhuishoudkundige plan. Het waterschap heeft hiermee een positieve houding ten opzichte van het planvoornemen.

4.1.9 Participatie omgeving

In de voorbereidingsfase van het initiatief hebben diverse participatiemomenten plaatsgevonden. Van deze participatiemomenten en de voorbereiding hierop is een verslag gemaakt. In Bijlage 13 van deze onderbouwing is het gehele verslag toegevoegd.

De participatiemomenten hebben bijgedragen aan een dialoog tussen betrokken partijen. De verzamelde inzichten boden een waardevol begrip van diverse perspectieven, en actieve participatie heeft gezorgd voor een transparante uitwisseling van ideeën en een beter begrip van behoeften en verwachtingen.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij het doorlopen van een wijziging van het omgevingsplan dat de voorgenomen activiteit enkel wordt verleend wanneer bij de ontwikkeling of activiteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.1 Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

5.1.2 Het plan

Het plangebied is gelegen tegen de rand van de kern Tubbergen waar nu nog sprake is van weilanden. In het omgevingsplan, onderdeel bestemmingsplan 'Buitengebied 2016' is de locatie voorzien van de functie 'Agrarisch 1'. Volgens de bouwregels zijn binnen deze functie geen gebouwen toegelaten anders dan de bestaande gebouwen. De bouwhoogte van overige andere bouwwerken, waaronder terreinafscheidingen, buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 2,50 m.

De locatie is in de huidige situatie onbebouwd. Het plangebied wordt begrensd door de Sportlaan en sportvelden aan de zuidzijde, door de Hardenbergerweg aan de westzijde, door een locatie met agrarische opstallen aan de noordwestzijde, agrarische percelen aan de noordzijde en bestaande woonbebouwing aan de oostzijde.

Het plan voorziet in 10-12 luxe appartementen, 32 zorgappartementen in de huursector, 23 rijwoningen, 12 twee onder een kap woningen en 5 vrijstaande woningen. Van de 23 rijwoningen gaat het om 14 koopwoningen en 9 vrije sector huurwoningen die voldoen aan het landelijke puntenstelsel zoals volgt uit de Wet betaalbare huur.

Gelet op de voorheen geldende regels in het omgevingsplan voorziet voorliggend plan in het toevoegen van woningen, zodat het plan kwalificeert als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is er voor deze ontwikkeling hierna een beschrijving van de behoefte beschreven en gemotiveerd waarom de behoefte als voorzien niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

5.1.3 De regionale Woonagenda

De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten, WoON Twente en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. De partijen maken periodiek meerjarige afspraken over opgaven en ambities. Op basis van deze samenwerking zijn ook met betrekking tot de w ook manieren worden gevonden om de dynamiek en slaagkansen te vergroten. De druk op de woningbouwontwikkeling in Twente regionaal afspraken gemaakt. Voor de periode 2021-2025 hebben deze afspraken vorm gekregen middels de op 17 maart 2021 vastgestelde 'Regionale Woonagenda Twente'.

In deze woonagenda wordt geschetst wat de komende jaren de prioriteiten zijn op Twentse woningmarkt en hoe de Twentse gemeenten hieraan gaan werken. De woonagenda is het kompas van gemeenten en provincie in relatie tot de woningmarkt.

Concreet staat in de Woonagenda dat de regio Twente ambieert om tot 2030 in totaal circa 20.000 tot 22.000 woningen toe te voegen. Op basis van de prognoses van de huishoudensgroei tussen 2020 en 2030 en de benodigde ruimere programmering is een behoefte van ruim 15.000 woningen te verwachten tot 2030. Dit aantal wordt gedefinieerd als de lokale behoefte. Daarnaast heeft Twente een extra woningbouwambitie/-opgave op basis van onder andere de (gedeeltelijke) inloop van het huidige woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de verstedelijkingsopgaven en de toenemende migratiestromen vanuit de Randstad en andere landsdelen. Deze extra woningbouwambitie-opgave bedraagt voor Twente circa 5.000 tot 7.000 woningen tot 2030.

Voor het realiseren van de woningbouwambitie van circa 20.000 - 22.000 woningen tot 2030 is een uitbreiding van de harde plancapaciteit met minimaal 11.670 woningen nodig. Deze uitbreiding is voor een deel in te vullen door de bestaande zachte plancapaciteit (circa 5.800 woningen) om te zetten in harde plancapaciteit (mits passend binnen de kwalitatieve kaders). Aanvullend op de zachte en harde plancapaciteit uit 2020 moet 'ruimte' gemaakt worden voor nog eens zo'n 6.000 woningen.

Relatie initiatief en Regionale Woonagenda Twente

Met de realisatie van 84 woningen voor een brede doelgroep aan woningzoekenden wordt een belangrijke stap gezet in het bouwen van woningen voor het woningtekort dat binnen de gemeente aanwezig is. Gezien de kwantitatieve behoefte aan 15.000 woningen tot 2030 wordt geconcludeerd dat er een aantoonbare vraag naar nieuwe woningen aanwezig is. De woningen worden op een logische uitbreidingslocatie gebouwd, aansluitend op de kern. Doordat de ontwikkeling bestaat uit een gevarieerd programma voor alle inkomensgroepen en leeftijden komen er door voorliggende woningen beschikbaar voor een brede groep woningzoekenden.

5.1.4 De Woonvisie 2021

De 'Woonvisie 2021+' is op 6 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen vastgesteld. De Woonvisie bevat het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren en is gebaseerd op cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. Met het vaststellen van de woonvisie biedt de gemeenteraad een kwantitatief en kwalitatief kader voor woningbouwontwikkelingen in de gemeente Tubbergen.

Woningbouwbehoefte

De gemeente Tubbergen heeft in het verleden altijd een realistische koers gevaren als het ging om woningbouwontwikkeling en grondaankopen. Pas als een plan voor circa 90% was uitgegeven, werd een volgend woningbouwplan in ontwikkeling genomen. Van projectontwikkeling was nagenoeg geen sprake.

In 2017 zijn de regionale woonafspraken Twente (RWP) gemaakt. Ze waren gebaseerd op Primos2017 en de LVDV en vormden voor de Twentse gemeenten het kader voor de woonprogrammering. Op basis van deze (in 2019 geactualiseerde) regionale afspraken is het gemeentelijk woningbouwprogramma opgesteld met een verdeling van het aantal te bouwen woningen over de kernen op basis van verwachte huishoudensgroei. In 2018 zijn in het kader van het Maatschappelijk Akkoord Tubbergen (in samenwerking met Mijn Dorp 2030 van de 9 kernen in de gemeente) zowel de potentiële inbreidingslocaties als de kwalitatieve behoefte in kaart gebracht. Dit heeft geresulteerd in een gemeentelijk woningbouwprogramma met een verdeling van het aantal te bouwen woningen over de kernen op basis van verwachte huishoudensgroei. Op basis van dit programma zijn plannen in voorbereiding genomen en dat we willen voortzetten.

Figuur 3 uit de Woonvisie 2021 laat de bandbreedte voor de toekomstige woningbehoefte zien. Ten aanzien van de verwachte huishoudensgroei zijn er diverse prognosemodellen, zoals Primos2020, de huishoudensprognose van het CBS en de ramingen van de RWP gebruikt. Daarnaast zijn er op basis van actuele, lokale cijfers twee nieuwe scenario's doorgerekend. Deze gegevens zijn doorgetrokken naar de toekomst. Afhankelijk van de gegevens die in prognoses worden doorgerekend (en zelfs de periode waarover wordt teruggekeken) komen er verschillende voorspellingen uit verschillende prognoses. Daarom is niet één model leidend voor het bepalen van de huishoudensontwikkeling. Om deze reden gaan we uit van een bandbreedte waarbinnen de woningbehoefte zich de komende jaren zal ontwikkelen. De ondergrens wordt gevormd door het lage gemiddelde scenario van de RWP (2019): +365 woningen. Deze raming ging uit van een scenario waarin groei vooral het gevolg was van de eigen demografische ontwikkeling (het verwachte aantal geboorten afgezet tegen het aantal sterftegevallen).

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0008.png"  

De bovengrens gaat uit van een situatie waarin het gemiddelde vestigingsoverschot van de afgelopen jaren wordt voortgezet. In dit scenario zal de woningvraag vooral tot ongeveer 2030 groot zijn (+755 woningen), vooral vanwege het aantal vestigers in de gemeente in combinatie met de gezinsverdunning. Na 2030 zal het effect van de vergrijzing (geboorteoverschot slaat om in een sterfteoverschot) toenemen, maar zal er nog steeds een positief migratiesaldo zijn. De behoefte aan extra woningen blijft in dit scenario dus ook na 2030 bestaan, zij het in mindere mate dan daarvoor.

Voor de komende jaren gaan we uit van een woningbehoefte die een middeling is van de verschillende prognoses die genoemd zijn in figuur 3. Dit betekent dat we uitgaan van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt willen we deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Mochten we na de eerste vijf jaar meer woningen gebouwd hebben dan de geprognosticeerde behoefte, dan zullen we daar met onze woningbouwopgave na 2025 rekening mee houden.

De Primos prognose 2023 geeft, ten opzichte van Primos 2020 voor de jaren 2030 resp. 2035 een hoger te verwachten aantal huishoudens (+190 resp.+252). Voor de meest recente prognose van 2024 gaat het om 251 resp. 254). Dit betekent dat de lijn Primos 2023 (en 2024) in bovenstaande figuur 3 hoger komt te liggen dan de lijn van Primos 2020. De bovenomschreven middeling van de verschillende prognoses zal dan ook tot een hogere woningbehoefte leiden. Met andere woorden, de in de Woonvisie 2021+ opgenomen woningbouwaantallen zullen op basis van Primos 2023 en 2024 moeten worden verhoogd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0009.png"  

In februari 2025 betrof het aantal inwoners in de gemeente Tubbergen 21.508. Op 1 januari 2024 was het aantal huishoudens in de gemeente Tubbergen 8.405.

De gemeente Tubbergen heeft een Woningmarktmonitor (van buro Tellers & Benoemers) op laten stellen om in beeld te krijgen in hoeverre de planvoorraad en het bestaande woningaanbod kwantitatief en kwalitatief aansluiten op de (veranderende) vraag. Daarmee kan de monitor door de gemeente worden gebruikt als input voor beleidsmatige beslissingen over nieuwe ontwikkelingslocaties.

De Woningmarktmonitor bestaat uit een groot en divers aantal marktindicatoren. Met behulp van de gekozen indicatoren op gemeenteniveau, en waar gewenst op buurtniveau, wordt een actueel beeld van de woningmarkt gegeven, alsmede een beeld van andere relevante trends en ontwikkelingen, zoals sociaal en economisch. Daarnaast ontstaat er per woningtype en prijsklasse duidelijk inzicht in de actuele tekorten en overschotten. Door deze inzichten te koppelen aan de demografische prognoses kan de woningbehoefte op lange termijn in kaart gebracht worden. De monitor kan daardoor worden ingezet bij de afweging of een nieuwbouwontwikkeling past binnen de kwantitatieve behoefte van de gemeente Tubbergen.

Uit de Woningmarktmonitor 2023 blijkt dat als we naar het woningtekort in 2033 kijken, dan is dat in de meest recente prognose licht gedaald van 712 (peiling januari 2023) naar 659 (peiling januari 2024) woningen. Toch blijkt hieruit dat nog steeds meer woningen nodig zijn dan dat is opgenomen in de gemeentelijke Woonvisie 2021+ (over de tijdsperiode 2021-2030).

Woningbehoefte kern Tubbergen

De Woonvisie 2021+ bevat het gemeentelijke woningbouwprogramma. Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is er voor gekozen dat er in alle kernen van Tubbergen kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern (Bron: bijlage II van de Woonvisie 2021).

We willen echter ruimte geven aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte in een kern overstijgt. Om die ruimte te bieden, voegen we de woningbehoefte voor de grote en kleine kernen samen. Dit biedt meer flexibiliteit. De behoefte per kern blijft echter het uitgangspunt; de berekende behoefte voor de gemeente verdeeld over de 9 kernen van de gemeente op basis van verwachte huishoudensgroei van de desbetreffende kernen. Bovendien is in het woningbouwprogramma een knelpuntenpot van 50 woningen (op basis van 130% plancapaciteit) opgenomen. Dit aantal kan ingezet worden om goede woningbouwplannen passend te maken in het programma.

Inbreiding krijgt prioriteit boven uitbreiding

In overeenstemming met artikel 5.129g, tweede lid, onder b, Bkl wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk.

In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden. In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zet de gemeente zich er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om - uiteraard zo zorgvuldig mogelijk - potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte.

Kwaliteitskader Woningbouw 2021

Naast de woonvisie is separaat ook een Kwaliteitskader opgesteld om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Ook demografische trends zoals bevolkings- en huishoudensgroei worden daarin meegenomen. Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern. Deze woningbehoefteprofielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave, maar zijn niet in beton gegoten. Plannen die hier enigszins van afwijken maar toch een goede onderbouwing kunnen geven van de wijze waarop zij voorzien in de lokale behoefte kunnen eveneens in aanmerking komen voor realisatie. Het kwaliteitskader is opgenomen als bijlage bij de Woonvisie. Het geeft een woningbehoefteprofiel per doelgroep op gemeenteniveau en uitgewerkt per kern. Deze profielen zijn richtinggevend voor de toekomstige woningbouwopgave. Voor Tubbergen is het profiel als volgt:

  • Starters

Veel betaalbare koopwoningen zijn in afgelopen jaren sterk in prijs gestegen. Er is behoefte aan grondgebonden woningen in het middeldure segment. Er is daarnaast enige vraag naar huurappartementen.

  • Gezinnen/doorstromers

Er is behoefte aan ruime grondgebonden koop (o.a. via zelfbouw). Het aandeel gezinswoningen is wat lager dan gemiddeld in de gemeente. Op beperkte schaal is er ruimte om woningen / kavels toe te voegen, met name als deze kwalitatief iets toevoegen aan het bestaande woningaanbod.

  • Senioren

Deze groep groeit het sterkst de komende jaren. De nabijheid van voorzieningen zorgt voor een extra aantrekkingskracht. Er is vooral behoefte aan levensloopgeschikte woningen (met name koop, deels in de huur). De vraag naar appartementen is daarbij ongeveer even groot als grondgebonden woningen

5.1.5 Toetsing van de ontwikkeling aan de ladder

In deze paragraaf is de behoefte van de in dit plan voorziene ontwikkeling opgenomen. Daarvoor is eerst het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald. Vervolgens is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte in beeld gebracht. Dit is gedaan op gemeenteniveau en op het niveau van de kern Tubbergen.

Ruimtelijk verzorgingsgebied

Voor de beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling is het noodzakelijk om in te zoomen op de afbakening van het ruimtelijk verzorgingsgebied. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio. Op bestuurlijk vlak vindt regionale afstemming van woningbouwprogrammering en plannen plaats binnen de regio Twente en de subregio Noord. Het zwaartepunt van het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde ontwikkeling ligt op een lager schaalniveau en komt grotendeels overeen met de kern Tubbergen zelf. Het betreft hier een (sub)lokaal ruimtelijk verzorgingsgebied: de kern Tubbergen en directe omgeving.

Uit de gemeentelijke gronduitgifte van woningbouwkavels in de kern Tubbergen blijkt dat vanaf 2015 er 1 woningbouwplan door de gemeente is uitgegeven. Dit plan bevatte 34 kavels. Van deze kavels zijn 4 kavels naar de woningstichting gegaan voor de huursector. Er zijn 23 kavels naar mensen uit Tubbergen gegaan, 3 kavels naar mensen uit de gemeente Tubbergen maar wel buiten de kern Tubbergen en 4 kavels naar mensen van buiten de gemeente Tubbergen maar wel uit de regio Twente.

Ook zijn er door particuliere ontwikkelaars woningbouwplannen gerealiseerd. Het inbreidingsplan Industriestraat voorzag in 20 starterskavels: deze zijn allemaal naar inwoners van de kern Tubbergen gegaan. Het plan veldwijk voorzag in 9 kavels, waarvan er 8 aan inwoners van de gemeente Tubbergen zijn verkocht.

Uit de verhuisbewegingen vanuit de kern Tubbergen in de jaren 2023 t/m 2024 blijkt dat gemiddeld 60% van de verhuizingen binnengemeentelijk. Daarentegen was ongeveer 26% van de vestigers vanuit de gemeente en 62% vanuit de regio. Hiermee mag zijn aangetoond dat het ruimtelijk verzorgingsgebied grotendeels overeenkomt met de kern Tubbergen.

De aard en de omvang van de in een omgevingsplan voorziene ontwikkeling zijn bepalend voor de reikwijdte van het onderzoek naar de behoefte, de beschrijving van en het overleg over de behoefte. De omvang van het ruimtelijk verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per definitie samen met de bestuurlijke regio.

Kwantitatieve behoefte

De in de Woonvisie 2021+ gekozen middellijn van de verschillende prognoses voorziet in een huishoudensontwikkeling die in totaal 640 woningen vraagt voor de komende 10 jaar. Een verdeling over de verschillende kernen laat zien dat in de kern Tubbergen behoefte is aan 255 extra woningen.

Vanaf vaststelling van de Woonvisie 2021+ zijn in de kern Tubbergen verschillende particuliere woningbouwontwikkelingen tot ontwikkeling gekomen in harde plannen met in totaal 134 woningen.

Met onderhavige plan (56 woningen) zullen in totaal 190 woningen worden gerealiseerd; dit past niet binnen de toegekende aantallen te bouwen woningen voor de kern Tubbergen zoals die is berekend in het woningbouwprogramma behorende bij de Woonvisie 2021+.

Kwalitatieve behoefte

Ook in kwalitatieve zin voorziet het voorliggende plan in de concrete behoefte. Er zijn in een anterieure overeenkomst afspraken gemaakt als het gaat om het soort, type en deels de prijsklasse van de te bouwen woningen. Het plan voorziet in 10-12 luxe appartementen in de koopsector, 32 zorgappartementen in de huursector, 23 rijwoningen, 12 twee onder een kap woningen en 5 vrijstaande woningen. Van de 23 rijwoningen gaat het om 14 koopwoningen en 9 vrije sector huurwoningen die voldoen aan het landelijke puntenstelsel zoals volgt uit de Wet betaalbare huur.

Met deze afspraken wordt een bijdrage geleverd aan het toevoegen van woningen waarmee de verschillende doelgroepen kunnen worden bediend; starters en senioren alsmede doorstromers en ook mensen vanuit de urgente doelgroepen.

5.1.6 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van de wijziging van het omgevingsplan.

5.2 M.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.

Bij de project-mer-beoordeling (dus niet bij de mer-plicht) is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het bouwen van 84 nieuwe woningen ter plaatse van onbebouwde gronden. Het initiatief vormt hiermee een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij de beoordeling bij een ontwikkeling sprake is van een mer-beoordelingsplicht wordt getoetst of de activiteit de volgende drempelwaarden overschrijdt:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Hoewel het oppervlakte van het plangebied de 100 ha overschrijdt, voorziet het initiatief niet in het toevoegen van 2.000 woningen of meer. Een mer-beoordeling volstaat in dergelijke gevallen. In Bijlage 2 van deze motivatie is een mer-beoordeling toegevoegd.

Conclusie

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport gemaakt hoeft te worden (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Roelofs BV een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd om de gevolgen van de toegenomen parkeerbehoefte en verkeersgeneratie en het verzorgen van een optimale en verkeersveilige ontsluiting te onderzoeken. Het volledige onderzoek is aan de motivering toegevoegd als Bijlage 3. Als volgt worden de planaspecten behandeld:

Parkeerbehoefte

Het woonveld met twee-onder-een-kappers en vrijstaande woningen (17 woningen totaal) kent een parkeerbehoefte van 37,0 parkeerplaatsen. Hier bovenop zijn 6 parkeerplaatsen benodigd voor bezoekersparkeren. Deze parkeerplaatsen dienen openbaar toegankelijk te zijn. Elke woning in het

woonveld krijgt een dubbele oprit (<4,5 m). Vanuit worst-case benadering is hierbij het uitgangspunt dat er geen garage wordt gebouwd. Voor de parkeercapaciteit op eigen erf volgt vanuit de gemeentelijke beleidsnotitie een berekeningsaantal van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een parkeercapaciteit van 28,9 parkeerplaatsen op eigen erf. Wanneer dit aantal in mindering wordt gebracht op de parkeerbehoefte, volgt een restvraag van 10 parkeerplaatsen. Hiervoor zijn in het plan 14 openbare parkeerplaatsen opgenomen, waarmee het woonveld voldoende parkeercapaciteit kent met een restcapaciteit van 5 parkeerplaatsen.

Het woonveld met 23 hofwoningen kent een parkeerbehoefte van 46 parkeerplaatsen. In het woonveld zijn geen parkeervoorzieningen op eigen erf voorzien, waarmee de totale parkeerbehoefte moet worden opgevangen in de openbare ruimte. Hiervoor zijn 42 parkeerplaatsen voorzien in het openbare gebied. Eventuele tekorten aan parkeerplaatsen in dit gebied kunnen opgevangen worden door de restcapaciteit (5 parkeerplaatsen) van naastliggend woonveld, waarmee er voldoende capaciteit aanwezig is.

Het appartementencomplex en het woonzorg complex kennen een parkeerbehoefte van respectievelijk 20 en 21 parkeerplaatsen. Bij het woonzorgcomplex worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast zullen bij het appartementencomplex 12 parkeerplaatsen gerealiseerd worden in de ondergrondse parkeerplaats, en 12 in de buitenlucht. Met deze 24 parkeerplaatsen zijn er voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor de parkeerbehoefte van bewoners van het complex en voor bezoekers van het complex.

Hiermee wordt voorzien in de volledige parkeerbehoefte van de bewoners van het plangebied.

Verkeersgeneratie en ontsluiting

Naar verwachting zullen voornamelijk de Sportlaan en heel beperkt de Klarinet het plangebied ontsluiten. Om te veel gemotoriseerd verkeer te voorkomen zullen paaltjes geplaatst worden in de weg die het plangebied verbindt met Klarinet, zodat de doorgang enkel voor calamiteitenverkeer gebruikt kan worden, alsook fietsers en voetgangers. Dit is vastgelegd in de regels en op de plankaart behorend bij dit TAM-omgevingsplan. Het gemotoriseerd verkeer zal hiermee het plangebied ontsluiten via de Sportlaan. Fietsers en voetgangers kunnen het plangebied op meerdere locaties bereiken en verlaten.

De huidige verkeersbelasting van de Sportlaan bedraagt doordeweeks circa 1500 verkeersbewegingen per werkdag. Ter plaatse van de Hardenbergerweg bedraagt dit aantal 5.600 tot 6.000 verkeersbewegingen per werkdag. Zoals berekend bedraagt de toename aan verkeersbewegingen afgerond 510 per dag. De huidige inrichting van de Sportlaan kent een wenselijke capaciteit van circa 2.500 verkeersbewegingen per dag. Doordat met de toename aan verkeersbewegingen de capaciteit van de Sportlaan niet wordt overschreden, wordt geconcludeerd dat deze weg de toegenomen verkeersbelasting goed en veilig kan ontsluiten.

In het onderzoek wordt verder de ontsluiting van de Sportlaan en Hardenbergerweg als onveilig beschreven. Het aandachtspunt is het beperkte zicht op deze locatie. Om te voorzien in een verkeersveilige ontsluiting is het advies om de aanwezige bewegwijzering ten zuiden van de Sportlaan te verwijderen c.q. te verplaatsen. Om het zicht in noordelijke richting te verbeteren is het advies om 2 of meer bomen te kappen en de huidige wegversmalling (chicane) nabij het kruispunt op te schuiven in noordelijk richting. Het is daarna aan te bevelen om op de Hardenbergerweg een attentie verhogende en/of snelheidsremmende maatregel te behouden.

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming

5.4.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Toetsing van het voornemen

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' ligt op circa 3,1 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de afstand wordt geconcludeerd dat van directe hinder op het Natura 2000-gebied geen sprake is. Naast directe hinder dient tevens naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebied te worden gekeken. Voor voorliggende ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd door BJZ.nu. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 4 van de motivering.

Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten

Toetsing van het voornemen

Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van het NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.4.2 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Toetsing van het voornemen

Door Natuurbank Overijssel is een Natuurwaarden onderzoek uitgevoerd (Quickscan ecologie). Het volledige onderzoek is bij deze onderbouwing gevoegd in Bijlage 5.

Vogels

Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. De bomen en struiken binnen het plangebied zijn onderzocht op aanwezige nestplaatsen. Hierbij zijn geen potentiele nestplaatsen gevonden. Het plangebied wordt daarom waarschijnlijk enkel als foerageergebied gebruikt. Geadviseerd wordt om het verstoren en doden van vogels te voorkomen om buiten het voortplantingsseizoen groen te rooien, grond bouwrijp te maken en overige werkzaamheden uit te voeren. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Grondgebonden zoogdier

Het plangebied vormt een functioneel leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren. Deze soorten gebruiken het plangebied als foerageergebied, en mogelijk bezetten rosse woelmuizen en veldmuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Voor de rosse woelmuizen en veldmuizen die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Vleermuizen

Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De aanwezige beplanting bestaat hoofdzakelijk uit jonge opslag. Deze jonge opslag vormt geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezige bomen rondom het plangebied zijn gecontroleerd op holen en loshangend schors hierdoor ontbreken potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in het plangebied.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.

Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten langs de aanwezige beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer en de omliggende omgeving wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Tevens vormt het aanwezige agrarisch cultuurland voor weinig vleermuissoorten geschikt foerageergebied. Binnen het plangebied zijn tevens geen lijnvormige elementen aanwezig die gebruikt kunnen worden als vliegroute.

Amfibieën

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied wel als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats aan de randen van het perceel. Deze soorten kunnen ook een voortplantingsplaats bezetten in de watergang/sloot bij de Sportlaan die voor het aanleggen van toegangswegen gedeeltelijk gedempt moet worden.

Door het dempen van een deel van de watergang aan de Sportlaan, het uitvoeren van grondverzet en het verwijderen van strooisel en bladeren wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd of vernield.

Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of natuurvrij gemaakt te worden. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Rode lijst soorten

Het plangebied behoort mogelijk tot het functionele leefgebied haas, torenvalk, grote lijster en spotvogel. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt het areaal foerageergebied voor torenvalk, grote lijster en spotvogel af, aangezien er in de directe omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied overblijft heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect op de torenvalken- grote lijster- en spotvogelpopulatie in de omgeving van het plangebied. Mogelijk vormt het plangebied wel een functioneel leefgebied voor hazen. Door de voorgenomen activiteiten wordt het functionele leefgebied van hazen mogelijk aangetast. Daarom moet er een ecologisch werkprotocol opgesteld worden om de negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op de hazenpopulatie in het plangebied zo veel mogelijk te mitigeren. Een gecertificeerd ecoloog heeft dit werkprotocol reeds opgesteld.

Conclusie

Vanuit het aspect soortenbescherming en gebiedsbescherming is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5 Luchtkwaliteit

Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:

  • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • de aanleg van een auto(snel)weg.

Toetsing van het voornemen

In voorliggend geval gaat het om de bouw van 84 woningen met bijbehorende gronden en ontsluitingswegen. Wanneer de ontwikkeling vergeleken wordt met de activiteiten die volgens het Bkl niet in betekenende mate bijdrage aan luchtverontreiniging wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling onder deze categorie valt. Daarnaast, wanneer de huidige luchtkwaliteit uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat ter plaatse van het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde uit het Bkl. De jaargemiddelde waarden ((CIMLK) (monitoringsronde 2023, jaartal 2022 en 2030) worden weergeven in onderstaande tabel.

  Waarde in 2022   Waarde in 2030   Grenswaarde Bkl  
NO2 µg/m3 jaargemiddeld   +/- 11,9   +/- 7,4   40  
PM10 µg/m3 jaargemiddeld   +/- 15,8   +/- 12,1   40  
PM2,5 µg/m3 jaargemiddeld   +/- 8,6   +/- 6,1   25  

Gelet op het vorenstaande zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.6 Geluid

Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).

Toetsing van het voornemen

Wegverkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aantal nabijgelegen wegen. Voor voorliggende ontwikkeling is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door BJZ.nu. Het volledige onderzoek is bij deze motivering bijgevoegd als Bijlage 6.

In het onderzoek wordt het effect van de Sportlaan en de Hardenbergerweg onderzocht en wordt het voornemen getoetst aan het gemeentelijk geluidsbeleid. Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 53 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl.. Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarde uit de 'Nota Gebiedsgericht geluidsbeleid' van de gemeente. De maximale geluidsbelasting blijft wel ruim onder de bovengrens van 58 dB uit de nota.

Geconcludeerd wordt dat met inachtneming van het voorstaande sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ter plaatse van de nieuwe woningen.

Geluid als gevolg van individuele activiteiten (bedrijven)

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving wordt gestreefd naar functiemenging of functiescheiding. Binnen de functiescheiding worden twee gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een 'gemengd gebied'. Dit vanwege het feit dat er in de directe omgeving diverse functies aanwezig zijn. Het gaat hierbij onder andere om sportvoorzieningen, wonen, (agrarische) bedrijven en maatschappelijke functies. Gelet op het vorenstaande is ter hoogte van het plangebied sprake van een verhoogde milieubelasting en kan het worden aangemerkt als 'gemengd gebied'.

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locatie. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Verder betreft het beoogde woon-zorgcomplex een functie die goed pas binnen een woonomgeving. Het is bovendien wat betreft de geluidbelasting vergelijkbaar met een woonfunctie.

Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De beoogde woningen en zorgwoningen betreffen milieugevoelige functies.

De voor de ontwikkeling in het plangebied relevante functies betreffen de sportvelden ten zuiden van het plangebied. De sportactiviteiten die plaatsvinden op de voetbalvelden produceren geluid dat tot in het plangebied te horen is. Het akoestisch bureau Valersi heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd om het effect van geluid van deze activiteiten op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen binnen het plangebied te berekenen. Het volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 7.

Het onderzoek concludeert dat een deel van de voetbalvelden zich binnen de richtafstand van 30 m uit de VNG-uitgave ligt tot het bouwvlak van geluidsgevoelige gebouwen bevindt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt op sommige plekken overschreden, namelijk bij het woonzorggebouw en een aantal nabij gelegen beoogde woningen. Voor het woonzorggebouw geldt daarbij dat de overschrijding wordt veroorzaakt door het nog niet bestaande natuurgrasveld. De ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt overal overschreden, behalve bij het meest westelijke appartementencomplex. Echter wordt er ook bij de al bestaande woningen niet voldaan aan de ambitie- of richtwaarden. De overschrijdingen zijn hier zelfs hoger dan bij de beoogde woningen.

Om te kunnen voldoen aan de richtwaarden is de volgende voorkeursvolgorde voor geluidreducerende maatregelen van toepassing: eerst bronmaatregelen, als dat niet mogelijk of wenselijk is overdrachtsmaatregelen en als laatste maatregelen bij de ontvanger.

Bronmaatregelen zijn aanpassingen bij de geluiduitstraling van de voetbalclub, dat zijn in dit geval stemgeluiden en het scheidsrechtersfluitje. Deze bewegen zich over het veld en zijn daarnaast niet te verminderen bij het sporten. Daarnaast is in onderhavige situatie de voetbalclub al daar gevestigd.

Vervolgens kan worden bekeken of overdrachtsmaatregelen, zoals een geluidscherm mogelijk zijn. Omdat het geluid op de gevels vooral op de hogere verdiepingen te hoog is, zou het scherm zodanig hoog moeten zijn dat dit financieel niet doelmatig is en waarschijnlijk qua aanblik ook ongewenst.

Voor maatregelen bij de ontvanger kan worden gedacht aan goede geluidwering van de gevels of zelfs dove gevels. Voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus is de overschrijding 1 dB boven de 45 dB in de avondperiode. De wettelijke geluidisolatie van de gevel is 20 dB, waardoor dan al aan de grenswaarde voor binnenniveaus (30 dB(A) in de avondperiode in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving) kan worden voldaan.

De waarde voor piekgeluiden wordt praktisch overal overschreden, als gevolg van de scheidsrechtersfluit. Dit is zowel voor de beoogde als bestaande woningen het geval. Omdat volgens het Omgevingsplan geluiden van sport- en recreatiegeluiden buiten beschouwing mogen worden gelaten, zullen er geen geluiden meer overblijven waarop gehandhaafd kan worden.

Voor het afspelen van muziekgeluid geldt een uitzonderlijke bedrijfssituatie die apart wordt beoordeeld en ook hier geldt dat de waarden bij de bestaande woningen hoger liggen dan bij de nieuwe woningen. Voor het afspelen van muziek kunnen bij maatwerkvoorschrift regels worden opgesteld.

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige gebouwen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder wordt de voetbalvereniging niet beperkt in de ontwikkelmogelijkheden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling.

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet in of nabij een geluidgezoneerd industrieterrein. Het aspect industrielawaai is voor voorliggende ontwikkeling niet relevant.

Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt niet in de nabije omgeving van een spoorweg. Het aspect railverkeerslawaai is niet relevant.

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Geur

5.7.1 Externe werking

Woningen en zorgwoningen betreffen geen geurbelastende activiteiten. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden aangaande het aspect geur.

5.7.2 Interne werking

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijfspercelen aanwezig. De voor voorgenomen ontwikkeling relevante agrarische bedrijfspercelen zijn gesitueerd aan de Hardenbergerweg 37 en 50. Overige geurbelastende functies liggen voldoende afstand van het plangebied.

Hardenbergerweg 37

Aan de Hardenbergerweg 37 is sprake van een melkveehouderij. Het plangebied gaat onderdeel uitmaken van de bebouwde kom. Overeenkomstig artikel 22.101 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen geldt een vaste afstand van 100 meter. In navolgende afbeelding is de geurcontour van het agrarisch bedrijfsperceel Hardenbergerweg 37 weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met bestaande geurgevoelige gebouwen die maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van het betreffende agrarisch bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0010.png"  
Afbeelding 5.1: verbeelding van de wettelijke geurzones als gevolg van het agrarische bedrijf aan de Hardenbergerweg 37 (Bron: BJZ.nu)  

Te zien is dat de beoogde nieuwe geurgevoelige gebouwen binnen het plangebied buiten de geurcontour van het agrarisch bedrijfsperceel aan de Hardenbergerweg 37 liggen. Dit agrarisch bedrijfsperceel vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien wordt het agrarisch bedrijfsperceel niet (verder) in de ontwikkelmogelijkheden belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Hardenbergerweg 50

Ten westen van het plangebied is het agrarisch bedrijfsperceel Hardenbergerweg 50 gesitueerd. In het omgevingsplan is aan het agrarische perceel de bestemming 'Agrarisch – 1' toegekend. Op grond van deze bestemming mag een agrarisch bedrijf worden uitgeoefend binnen het bouwvlak. Dat mag ook een veehouderij zijn, maar geen intensieve veehouderij.

Ter plaatse is sinds 2019 geen sprake meer van een actief agrarisch bedrijf. Het belang van een agrarisch bedrijf is de voorzetting van de huidige bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden. Hoewel er feitelijk geen veehouderij mee aanwezig is kan op basis van de meest recente melding Activiteitenbesluit milieubeheer wat is gedaan op 11 december 2013 worden afgeleid waar de dierverblijven aanwezig waren. Op basis van artikel 22.96 van het omgevingsplan Tubbergen dient hiervoor een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden. Vorenstaande is in navolgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0011.png"  
Afbeelding 5.2 Geurcontouren uitgaande van de bestaande dierenverblijven aan de Hardenbergerweg 50 (Bron: BJZ.nu)  

Gelet op het voorgaande vormt het toestaan van woningbouw in de Eschenhoek 2 geen (aanvullende) belemmering voor eventuele voortzetting van de huidige bedrijfsvoering.

Wel is door het toestaan van de beoogde woningbouw sprake van een inperking van de (planologische) uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf. Het is namelijk na de wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van de woningbouw niet meer mogelijk om in een deel van het huidige bouwvlak nieuwe dierverblijven op te richten. Immers geldt voor het oprichten van nieuwe dierverblijven dat een vaste afstand van 100 meter aangehouden moet worden ten opzichte van de meest nabij gelegen gevel van de geurgevoelige gebouwen (artikel 22.96 en 22.101 omgevingsplan Tubbergen). Dit geldt ook voor geurgevoelige gebouwen dit nog niet aanwezig zijn, maar wel zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan.

Voor deze beperking van de uitbreidingsmogelijkheden is relevant of daartegenover belangen staan die zwaarder wegen. In dit geval ziet het plan voor de Eschenhoek 2 op de realisatie van woningbouw. Gelet op de woningbehoefte binnen Tubbergen, alsook de lange periode van inactiviteit van het agrarisch bedrijf, weegt de gemeente het belang van woningbouw zwaarder dan het belang van eventuele uitbreiding als de agrarische bedrijfsactiviteiten worden hervat. Bovendien zijn er geen concrete plannen om ter plaatse weer een veehouderij te exploiteren. Gelet hierop is geen sprake van een onevenredige inbreuk op het belang van de melkrundveehouderij om uit te kunnen breiden.

Verder is de opslag van vaste mest van belang. Op basis van de bruidsschat geldt voor de opslag van de vaste mest eveneens een aan te houden afstand van 100 meter. In artikel 22.120 van de bruidsschat is de eerbiedigende werking opgenomen voor geurgevoelige gebouwen/objecten die op 1 januari 2013 rechtmatig aanwezig waren. Dat is voor het woningbouwplan Eschenhoek 2 niet het geval, aangezien deze niet op 1 januari 2013 aanwezig was. Dat betekent dat zodra het omgevingsplan voor het woningbouwplan in werking treedt, de melkrundveehouderij voor de mestopslag niet meer voldoet aan de vaste afstand. Het gebruik van de mestopslag is dan niet meer toegestaan. Uit luchtfoto's kan worden afgeleid dat de vaste mestopslag is afgebroken. Uit de milieutekening bij de melding van 11 november 2013, lijkt te volgen dat de vaste mestopslag met daarom heen een omheining/muur is vergund. Uit recente luchtfoto's wordt afgeleid dat de omheining/muur niet meer aanwezig is en het gebruik dus al enige tijd is gestaakt. Gelet op de woningbehoefte binnen Tubbergen, gelet op de sanering van de mestopslag en daarmee de lange periode van inactiviteit, acht de gemeente dat het belang van de woningbehoefte binnen Tubbergen zwaarder weegt dan de hervatting van de mestopslag. Er is dan ook geen sprake van een onevenredige inbreuk op het belang van de melkrundveehouderij om de mestopslag te hervatten. De planregel die het bouwen en gebruiken van mestopslag mogelijk maakte in de planregels is in voorliggend plan verwijderd uit de planregels, ter plaatse van de agrarische functie binnen het plangebied.

5.7.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Voor omgevingsplannen bevat paragraaf 5.1.4.6 Bkl instructieregels voor geur. Volgens het Bkl moet de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw (waaronder ook reguliere woningen worden verstaan) aanvaardbaar zijn.

Voor melkkoeien geldt de standaardafstand van 100 meter voor geurgevoelige gebouwen die zijn gelegen binnen de bebouwingscontour en geldt er een afstand van 50 meter voor geurgevoelige gebouwen die zijn gelegen buiten de bebouwingscontour. Deze afstanden moeten worden aangehouden tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig gebouw. De geurgevoelige objecten in het plangebied zijn gelegen in de bebouwingscontour, zodat de afstand van 100 meter geldt. Er wordt niet voldaan aan de afstand van 100 meter, omdat een aantal woningen aan de westzijde van het plangebied binnen de afstand van 100 meter ligt. Op basis van artikel 5.112 lid 2 Bkl kan de afstand van 100 meter worden verkleind tot 50 meter. Gelet op de situering van het plangebied is er sprake van een overgangsgebied tussen bebouwde kom en het buitengebied. Verder is van belang dat de gemeente Tubbergen in een concentratiegebied als bedoeld in bijlage 1 van de Meststoffenwet. Voorts is de gemeente Tubbergen van oudsher een agrarische gebied en daarmee is een hogere geurbelasting inherent aan het gebied. Gelet op het karakter van het betrokken gebied, is er met een verkleining van de afstand tot 50 meter tussen de gevel van het dichtstbijzijnde agrarische gebouw en het eerste geurgevoelige object binnen het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bij de beoordeling op het onderdeel geur vanuit het agrarische bedrijf dient niet alleen uit gegaan teworden van wat planologisch maximaal haalbaar is, maar ook wat feitelijk gerealiseerd kan worden. Gezien de actuele milieuregelgeving, ten aanzien van de stikstofdepositie en geuremissies, is het niet aannemelijk dat een nieuw (geur uitstotend) dierenverblijf gerealiseerd zal worden aan de rand van het bouwvlak. Op voorhand is aannemelijk geacht dat benodigde natuur- en milieuvergunningen niet meer verkregen kunnen worden voor het bouwen van nieuwe geur producerende agrarische functies. Om deze reden wordt daarom bij de beoordeling van de gevoelige functies en de benodigde richtafstand van 50 m gemeten tussen de gevel van het de huidige agrarische bebouwing aan de Hardenbergerweg 50 en de gevel van de dichtstbijzijnde geurgevoelige functie binnen het plangebied. Aan de richtafstand wordt voldaan.

Verder geldt er op basis van artikel 5.116 lid 2 Bkl een standaardafstand voor de opslag van vaste mest van 100 meter. Deze afstand moet worden aangehouden tussen de mestopslag en de gevel van een geurgevoelig gebouw. Aan deze afstand wordt niet voldaan, maar omdat deze mestopslag is gesaneerd en niet meer wordt gebruikt, is het aanvaardbaar om op korte afstand geurgevoelige objecten mogelijk te maken.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wat betreft het aspect geur sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Omgevingsveiligheid

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

Toetsing van het voornemen

Aan hand van de AtlasLeefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het plangebied is hierin weergegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01_0012.png"  
Afbeelding 5.3: Uitsnede risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl)  

Uit de kaart blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's. Het plangebied ligt niet binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's. Ten zuidoosten van het plangebied zijn twee opslagtanks aanwezig. Vanuit deze opslagtanks gaan geen risicocontouren uit.

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9 Trillingen

Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl.

Toetsing van het voornemen

Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Binnen 100 m van het plangebied is geen activiteit aanwezig die trilling veroorzaakt. Hierdoor hoeven geen effecten van trilling verwacht te worden binnen het plangebied. Het is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt.

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Archeologie

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.

Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Toetsing van het voornemen

Op basis van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Tubbergen' zijn de gronden ter plaatse van het plangebied grotendeels voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' met een functieaanduiding duidend op een middelhoge archeologische verwachtingswaarde, Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde – Archeologie 4'. Veruit het grootste gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' toegewezen gekregen.

Binnen 'Waarde – Archeologie 3' is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte van 2.500 m2 en een diepte van 40 cm onder het maaiveld.

Binnen 'Waarde – Archeologie' en 'Waarde – Archeologie 4' is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte van 5.000 m2 en een diepte van 40 cm onder het maaiveld.

De oppervlakte van de gronden binnen het plangebied met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' is kleiner dan 5.000 m2. Ter plaatse van deze gronden wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Voor zover de gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3', wordt verkennend archeologisch bureau- en veldonderzoek noodzakelijk geacht.

Bureau en veldonderzoek

Door Laagland Archeologie is een bureau en veldonderzoek uitgevoerd over het gehele plangebied. Het gehele onderzoek is toegevoegd aan deze motivatie als Bijlage 8. Op basis van het veldonderzoek wordt voor een groot deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd omdat resten uit het Laat Neolithicum en Vroege Middeleeuwen worden verwacht. Het advies luidt dit volgens een proefsleuvenonderzoek te doen.

Proefsleuvenonderzoek

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn enkele greppels aangetroffen, naast recente ploegsporen en sporen van grondverbetering. Deze sporen betreffen geen archeologische vindplaats. Er zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op bewoning. Op basis van de resultaten wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. Het volledige proefsleuvenonderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 9.

5.11 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Situatie plangebied

In voorliggende situatie worden agrarische gronden bebouwd en veranderd de functie van de gronden naar een woonfunctie. Om aan te tonen dat de milieuhygiënische staat van de bodem ter plaatse past bij het beoogde gebruik is een bodemonderzoek noodzakelijk. Door Kruse Groep is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bij deze motivering gevoegd als Bijlage 10.

Verkennend bodemonderzoek

Het verkennend onderzoek concludeert dat zowel de bovengrond als de ondergrond niet zijn verontreinigd. In het grondwater zijn licht verhoogde waarden gemeten. Deze waarden overschrijden de interventiewaarden niet. Er is dan ook geen reden om een nader bodemonderzoek uit te voeren. Vanuit het oogpunt van bodem zijn er geen bezwaren tegen de nieuwbouwplannen en het nieuwe gebruik van de gronden. Er worden geen risico's voor de volksgezondheid verwacht.

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Lichthinder

Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen en deze regels zijn opgenomen in het Bkl. Voor lichthinder bij sportvelden is in de bruidsschat een beperking opgenomen van het gebruiken van de belichting in de avond en nacht en zonder gebruik van de sportvelden. In het kader van ETFAL (Evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang om te bepalen of de nabije omgeving geen lichthinder kan ervaren van de beoogde ontwikkeling.

Situatie plangebied

Door Alcedo is voor voorliggende ontwikkeling een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten lichthinder bij woningen als gevolg van de sportvelden ten zuiden van het plangebied. Het volledige onderzoek is toegevoegd aan deze toelichting als Bijlage 11.

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de hoogst gemeten verlichtingssterkte maximaal 9.36 lux bedraagt. Hiermee wordt ter plaatse van de woningen en het woonzorggebouw aan de criteria van de Richtlijn Lichthinder voldaan. De maximaal gemeten lichtsterkte bedraagt 65.478 cd. Hiermee wordt de maximaal toelaatbare waarde overschreden.

Voor het verbeteren van de situatie kan gedacht worden aan de volgende maatregelen:

  • Aanbrengen van afschermingskappen
  • Lichtmasten meer naar het veld (naar beneden) richten.

Tot slot kan ook aan ingrijpendere maatregelen worden gedacht zoals het aanbrengen van nieuwe armaturen op de masten welke niet voldoen.

Ten tijde van het schrijven van deze motivering lopen er gesprekken met de voetbalvereniging. De noodzakelijke maatregelen om onevenredige lichthinder weg te nemen worden getroffen. Hierbij wordt gedacht aan vervanging van oude verlichting, bijstellen van de schijnrichting en het aanbrengen van lichtkappen.

Conclusie

Met inachtneming van het treffen van maatregelen om onevenredige lichthinder weg te nemen, is vanuit het aspect lichthinder sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Waterbelang

Algemeen

Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.

De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.

Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Ten behoeve van de waterhuishouding heeft Geofoxx BV een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor voorliggende ontwikkeling. Het volledige waterhuishoudkundige plan is opgenomen als Bijlage 12. Als volgt wordt de samenvatting en conclusie van het waterhuishoudkundig plan behandeld:

Waterhuishoudkundig plan

Binnen het plangebied zal hemelwater en vuil water gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om hemelwater grotendeels over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar wadi's. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel van het plangebied.

Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 14.850 m2 verharding aanwezig. In lijn met de bergingseis (37 tot 91 mm) is binnen het plangebied 550 tot 1.350 m3 bergingscapaciteit benodigd. De wadistructuur binnen het plangebied heeft een totale inhoud van circa 1.900 m3 bij 0,5 m water in de wadi. Daarmee is binnen het plangebied voldoende ruimte voor groen en water gecreëerd om te voldoen aan de bergingseis. Opgemerkt dient te worden dat is uitgegaan van een statische berging. De dynamische (berging & infiltratie)capaciteit van het systeem zal groter zijn.

De wadi's kunnen overstorten op het omliggende watersysteem, bestaande uit sloten en een watergang van het waterschap. Overstorten vanuit de wadi dienen met deugdelijke materialen te worden aangebracht, zodat uitspoeling van de oevers wordt tegen gegaan. Langs de watergang van het Waterschap dienen zeer flauwe taluds van de wadi toegepast te worden (1:8 of flauwer) of een schouwpad van minimaal 3 m breed.

Het vuilwaterriool wordt aangelegd met de afstromingsrichting naar centrale deel van het plangebied. Centraal in het plangebied wordt een gemaal aangebracht welke het water middels een persleiding richting de Sportlaan pompt. Door de gemeente Tubbergen dient te worden nagegaan welke hydraulische gevolgen dit heeft voor de bestaande gemalen danwel persleidingen waar op aangesloten dient te worden.

Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende drooglegging aanwezig om te bouwen met kruipruimte.

Het waterhuishoudkundig plan geeft ten slotte nog enkele adviezen mee:

  • Geadviseerd wordt onder de wadi's een drain aan te leggen inclusief een zandbaan. De drain dient onder de GLG aangebracht te worden;
  • Aanbevolen wordt de wadi ten noordwesten van het plangebied aan de noordwestzijde te voorzien van een zeer flauwe oever zodat deze verwerkt kan worden in het landschap;
  • Gezien de toekomstige functie van de zuidelijke bebouwing (zorgfunctie) wordt geadviseerd eventuele molgoten niet te diep te maken. Dit draagt bij aan de begaanbaarheid van het terrein;
  • Gemeente Tubbergen dient nader te analyseren of de extra hoeveelheid vuilwater verwerkt kan worden door vanaf het gemaal aan te sluiten op de bestaande persleidingen in de Sportlaan. Hierna dient de dimensionering van het gemaal door een installateur nader uitgewerkt te worden als onderdeel van de verdere civiele uitwerking van het plan.

Watertoets

Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.hetwateradvies.nl in januari 2025. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De functie en de grootte van het plan hebben invloed op de waterhuishouding. Op 14 januari 2025 is het planontwerp van de woningbouwontwikkeling reeds besproken met het waterschap. Navolgend is de conceptrapportage van het uitgevoerde waterhuishoudkundige plan op 27 februari 2025 besproken met de gemeente Tubbergen. De aandachtspunten zijn verwerkt in het (definitieve) waterhuishoudkundige plan.

5.14 Gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.

Gewasbeschermingsmiddelen

Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Verspreiding van deze gewasbeschermingsmiddelen (door de wind) kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd.

De 50 meter vuistregel uit jurisprudentie is een indicatieve afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Bij het bepalen of een spuitzone van toepassing is, geldt de maximale planologische invulling. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan. Bij de ontwikkeling van een nieuwe gevoelige functie nabij agrarische percelen, is het dus allereerst van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van dat agrarische perceel op basis van het omgevingsplan zijn. In de meeste gevallen laat het omgevingsplan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op agrarische gronden toe, tenzij het telen van gewassen via bijvoorbeeld een aanduiding expliciet is uitgesloten.

Toetsing van het voornemen

In een zone van 50 m rondom de gevoelige functies binnen het plangebied, de woonfunctie en de maatschappelijke functie, is op agrarische gronden een functieaanduiding gelegd. Op gronden binnen deze functieaanduiding is het enkel mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken wanneer hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. In de planregels van dit TAM omgevingsplan zijn de voorwaarden opgenomen die gelden bij het verlenen van een dergelijke vergunning. Een van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning is dat aangetoond dient te worden dat de manier van het werken met gewasbeschermingsmiddelen nog steeds voldaan wordt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit kan worden aangetoond door een locatiespecifiek onderzoek uit te voeren.

Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voorkomen op een afstand van minder dan 50 m rondom gevoelige functies.

Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.15 Duurzaamheid

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Toetsing van het voornemen

De nieuw te bouwen woningen en het woon-zorgcomplex zullen volgens de laatste duurzaamheidsnormen en -eisen worden gebouwd. Nieuwbouw dient sinds 1 juli 2018 aardgasloos te zijn en bijna energieneutraal (BENG). Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.16 Klimaatadaptatie

In deze paragraaf is de kwetsbaarheid van het plangebied voor hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen beoordeeld. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Het KNMI heeft scenario's opgesteld waarin duidelijk wordt gemaakt hoe deze toename er naar verwachting in de toekomst uit ziet. Een vergrote kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen levert risico's op voor veiligheid, gezondheid en economie. Ruimtelijke aanpassing om deze risico's tegen te gaan noemen we klimaatadaptatie. Hierna wordt ingegaan op de relevante thema's.

5.16.1 Hitte
5.16.1.1 Algemeen

Klimaatverandering leidt in Nederland tot meer zomerse en tropische dagen. In dichtbebouwde gebieden met veel verstening is op warme dagen de opwarming het hardst te merken. In gebieden met veel groen (ook stedelijk) is deze opwarming door evapotranspiratie en schaduw minder waarneembaar.

Bij warme nachten is er kans op hittestress. Langdurige blootstelling aan hoge temperaturen zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook risico op uitdroging en oververhitting. In Nederland stijgt tijdens hittegolven de sterfte met 12%. In buurten met veel verharding is minder verdamping door planten, waardoor het warmer kan worden. In de stad is het doorgaans warmer dan in het omringende landelijk gebied. Dit wordt het stadseffect of stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Dit effect is 's nachts het sterkst aanwezig: de warmte blijft tussen gebouwen hangen. Gebieden met slecht geïsoleerde woningen en met kwetsbare groepen zijn bijvoorbeeld gevoeliger. De meest gevoelige mensen voor hittegerelateerde ziekten en sterfte zijn ouderen boven de 75 en chronisch zieken, met name als zij hart-, ademhaling- en nieraandoeningen hebben.

In de beleidskaders zijn voor het thema hitte geen normen opgenomen.

5.16.1.2 Situatie plangebied

In voorliggend geval is het plangebied gelegen aangrenzend aan de bebouwde kom van de kern Tubbergen. Hierbij wordt opgemerkt dat het niet om een typische bebouwde kom gaat. Het plangebied is namelijk gelegen aangrenzend aan een voetbalvereniging en woonzorgcomplex. Het woonzorgcomplex bevindt zich in een parkachtige setting met veel groen, de gronden van de voetbalvereniging bestaan voornamelijk uit (kunst)grasvelden. Het plangebied grenst aan het buitengebied waarbij er veel sprake is van open landschap en relatief weinig bebouwing en verharding. Het plangebied is daarmee in de huidige situatie relatief weinig gevoelig voor hittestress.

Met voorgenomen ontwikkeling zal de verharding toenemen in het plangebied. Daarom wordt aangeraden om bij de inrichting van het plangebied, waar mogelijk, hittestress te voorkomen. Hittestress in de gebouwde omgeving kan op verschillende manieren worden tegengegaan. Hierna zijn als aanvulling enkele mogelijke strategieën en maatregelen om hittestress te verminderen:

  • Vergroenen van de gebouwde omgeving. Plant bomen, struiken en groene daken om schaduw te creëren en het oppervlak te koelen door verdamping. Groene oppervlakken absorberen minder warmte dan harde oppervlakken zoals beton en asfalt;
  • Houd er rekening mee in het stedelijk ontwerp van het plangebied. Dit kan onder andere inhouden dat gebouwen worden geplaatst op een manier die schaduw creëert op de buitenruimten in het plangebied;
  • Houd in het bouwplan rekening met bouwmaterialen met een lage warmteabsorptie, zoals lichte kleuren of speciale coatings die minder warmte vasthouden. Dit helpt de temperatuur van gebouwen en oppervlakken te verlagen.
  • Houd rekening met de stand van de zon ten opzichte van de bebouwing. Om zoninval te beperken kan gedacht worden aan het beperken van glas of het aanbrengen van zonnewering of zonwerende materialen op de zuidzijde.
  • Het aanleggen van waterbergende maatregelen kan zorgen voor verkoeling en daarmee effectief zijn in het bestrijden van hittestress.

Opgemerkt wordt dat in het huidige stedenbouwkundige ontwerp al in ruim voldoende mate rekening wordt gehouden met het aanleggen van groen om zodoende hittestress te beperken. Op gebouwniveau moeten passende maatregelen worden genomen om hittestress waar mogelijk tegen te gaan, zowel in het bouwplan als bij inrichting van de buitenruimte. Op die manier wordt een gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit gerealiseerd.

5.16.1.3 Conclusie

Het plangebied is in de huidige situatie relatief weinig gevoelig voor hittestress. In de beleidskaders zijn voor hitte zijn geen normen opgenomen, hittestress vormt daarom geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling. In het stedenbouwkundig ontwerp is ruimschoots voorzien in de aanleg van groenvoorzieningen, waardoor het plangebied ook in de toekomst slechts in geringe mate gevoelig zal zijn voor hittestress.

5.16.2 Wateroverlast
5.16.2.1 Algemeen

De komende jaren wordt naast hitte en droogte ook steeds meer wateroverlast verwacht. Sinds het begin van de vorige eeuw is het ruim 25% natter geworden in Nederland. Deze neerslag valt met name in de zomer: de intensiteit van hoosbuien neemt zichtbaar toe en hevige buien vallen vaker. De algemene trend voor Nederland is dat de zomerse hoosbuien heviger worden en de winters natter. In Nederland zien we steeds vaker dat de extreem hete periodes gepaard gaan met hevige regenbuien.

Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. Ook zijn er gezondheidsrisico's als er vervuild water op straat blijft staan: bij gemengde riolen kan regenwater zich mengen met niet-gezuiverd water.

De voorkeursvolgorde voor omgaan met hemelwater is als volgt: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren. Het doel is dat neerslag niet leidt tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar.

5.16.2.2 Situatie plangebied

Om de mogelijke risico's voor wateroverlast nu en in de toekomst in beeld te brengen kan gebruik gemaakt worden van de Klimaateffectatlas. Op basis van de Klimaateffectatlas is het plangebied weinig gevoelig voor wateroverlast. Dit komt echter omdat er in de huidige situatie nog weinig tot geen bebouwing aanwezig is ter plaatse van het plangebied. Bovendien wordt de ontwikkeling gerealiseerd op een es. Een es is een akker die hoger gelegen is. Aan de randen van de es verzamelt zich bij piekbuien het hemelwater. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig en waterhuishoudkundige plan is hiermee rekening gehouden door aan de randen van het plangebied ruimte te houden voor groen en waterberging in de vorm van wadi's of toe te voegen oppervlaktewater. Er wordt voldaan aan de desbetreffende waterbergingseis waardoor er netto geen verslechtering plaats van de gevoeligheid voor wateroverlast. Het plangebied blijft, net als in de huidige situatie, redelijk ongevoelig voor wateroverlast.

Er wordt rekening gehouden met het hoogte van de vloerpeil (0,2 meter hoger aanleggen dat het laagste punt van de rijbaan in het straat/wegprofiel) waardoor waterschade in gebouwen kan worden voorkomen.

5.16.2.3 Conclusie

Wateroverlast door piekbuien vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling.

5.16.3 Droogte
5.16.3.1 Algemeen

Droogte is het uitzakken van grondwater door een combinatie van neerslagtekort en verdamping door een periode van hoge temperaturen. Wanneer het grondwater uitzakt, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit van bebouwing, voor bomen en voor openbaar groen.

Om droogte in verhard gebied tegen te gaan, is het belangrijk om voldoende infiltratiegebieden te realiseren. Hierdoor kan het water ten tijde van langdurige regen de grondwaterstand op peil brengen. Dit soort gebieden zijn gemakkelijk te realiseren door het gebruik van groen (bomen, heggen, verschillende grassen en halfverharding) op zowel openbare plekken alsook op particuliere gronden. Wanneer hier geen rekening mee wordt gehouden in het plan, zal in plaats van infiltratie in de bodem, het hemelwater worden afgevoerd via de riolering, waardoor het grondwaterpeil niet wordt aangevuld en tijdens drogere periodes meer schade wordt veroorzaakt.

Een ander effect van droogte is (toenemende) bodemdaling. Toenemende droogte kan de processen van bodemdaling versterken. Dat kan verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen of schade aan funderingen en gebouwen.

5.16.3.2 Situatie plangebied

Door groen - bomen, struiken, bloemsoorten, gras – toe te passen in het plangebied krijgt regenwater de mogelijkheid om ter plaatse te infiltreren in de bodem en wordt het grondwater door het jaar heen aangevuld. Rondom en binnen het plangebied zijn voldoende onbebouwde gronden aanwezig om er voor te zorgen dat voldoende water in de bodem kan infiltreren en de grondwaterstand bij kan vullen. Het plangebied is daarmee relatief weinig gevoelig voor droogte.

Om het mogelijke risico voor bodemdaling in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Bodemdalingskaart 2.0 een initiatief van het NCG (Nederlands Centrum voor Geodesie en Geo-Informatica). In het plangebied is geen sprake van bodemdaling. Daarom vormt het aspect bodemdaling geen belemmering voor de realisatie van de ontwikkeling.

5.16.3.3 Conclusie

Droogte vormt geen belemmerend effect voor deze ontwikkeling.

5.16.4 Overstromingsrisico
5.16.4.1 Algemeen

Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, waaronder overstromingen. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel en neemt de neerslag (met name in de winter) toe. Zonder aanvullende inspanning zou klimaatverandering er voor zorgen dat de kans op overstroming toeneemt. De snelheid van de zeespiegelstijging is onzeker.

Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Nationaal Waterbeheer Programma 2022-2027 gaat uitvoerig in op het beleid en maatregelen rondom klimaatadaptatie. Hiervoor bouwt het Rijk voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen.

In het Nederlandse waterveiligheidsbeleid is rekening gehouden met klimaatverandering door de belasting op de dijk voor hoge waterstanden elke 6 tot 12 jaar te beoordelen. Waterkeringen worden sinds 1 januari 2017 beoordeeld op basis van normen in termen van overstromingskansen: bijvoorbeeld eens per 100.000 jaar per dijktraject. In deze normering is het effect van verwachte klimaatverandering opgenomen. Op plekken waar klimaatverandering leidt tot hogere waterstanden worden maatregelen getroffen om de dijken veilig te houden.

5.16.4.2 Situatie plangebied

In voorliggend geval ligt het plangebied aan de rand van de bebouwde kom in Tubbergen. Tubbergen bevindt zich in binnendijks gebied en niet in de directe nabijheid van een waterkering.

In 2023 heeft het KNMI nieuwe klimaatscenario's gepubliceerd: de KNMI'23-scenario's. Voor 2050 wordt een zeespiegelstijging verwacht van 16 tot 34 cm in het lage uitstootscenario en van 19 tot 38 cm in het hoge uitstootscenario. Rond 2100 zal de stijging 26 tot 73 cm bedragen in het lage uitstootscenario en 59 tot 124 cm in het hoge uitstootscenario.

Op basis van hetzelfde WH-scenario kan ook de plaatsgebonden overstromingskans berekend worden. Binnen een achter dezelfde dijk gelegen gebied kunnen grote verschillen bestaan in de kans op een overstroming. Dit betekent dat het sterk per locatie kan verschillen of er maatregelen nodig zijn om de gevolgen van een overstroming te beperken. In voorliggend geval is gekeken naar de plaatsgebonden overstromingskans van een overstroming hoger dan 0 centimeter. Op basis van het WH-scenario wordt het plangebied niet weergegeven voor wat betreft de plaatsgebonden overstromingskans. Het overstromingsrisico is hiermee nihil en neemt niet toe als gevolg van de klimaatverandering. Het aspect overstromingen in het kader van klimaatadaptatie vormt dan ook niet een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder wordt opgemerkt dat het thema 'overstromingsrisico' een taak is voor het Rijk. Het beheer en onderhoud van de waterkeringen is dan ook niet een verantwoordelijkheid die kan worden afgewenteld op dergelijke lokale initiatieven.

5.16.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect overstromingen in het kader van deze ontwikkeling dan ook geen nadere aandacht behoeft.

5.16.5 Conclusie

Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid

6.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

6.2 Kostenverhaal

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Juridische verantwoording

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels

7.2.1 Algemeen

TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Functieregels en gebiedsaanwijzingen;
  • Algemene regels voor activiteiten;
  • Overgangsrechtbepalingen.

7.2.2 Preambule

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van het bouwen van nieuwe woningen en een woonzorgvoorziening op uitbreidingslocatie de Eschenhoek 2. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22k' gelezen worden.

De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22k bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

7.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, is in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt:

Artikel 3 (Toepassingsbereik)

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Eschenhoek Tubbergen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKESCHENHK-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

7.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 11): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen;
  • Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 12): deze regel is opgenomen ten behoeve van het in acht nemen van de standaardwaarde in een straal van 250 meter rondom de functie 'Verkeer' bij het realiseren van een geluidsgevoelige functie;
  • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 13): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten;
  • Regels parkeren (Artikel 14): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen;
  • Overige regels (Artikel 15): In de overige regels wordt verklaard dat de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen van toepassing zijn

7.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

7.3 Verantwoording van de regels

Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit de bestemmingsplannen “Tubbergen”, “Tubbergen Buitengebied 2016”, “Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan” en “(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen”. In sommige gevallen is gekozen om van de standaardregels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.

Agrarisch - 1 (Artikel 4)

Bovenstaande functie is overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime en blijft grotendeels ongewijzigd. Daarnaast is binnen deze functie de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen' toegevoegd. Hiermee wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de bijbehorende functieaanduiding op de verbeelding verboden.

Groen (Artikel 5)

De functie Groen is grotendeels overgenomen uit het meest recente veegplan binnen de bebouwde kom. Hieraan is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - in- en uitrit parkeergarage' toegevoegd ten behoeve van de realisatie van een in- en uitrit van de parkeergarage bij het appartementencomplex. .

Maatschappelijk (Artikel 6)

De functie 'Maatschappelijk' is grotendeels overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime. Artikel 6.1, lid a 'maatschappelijke voorzieningen' is toegevoegd aan de functieomschrijving. Hiermee is het realiseren en bewonen van verscheidene woonvormen mogelijk gemaakt. Het wonen als onderdeel van een maatschappelijke functie was eerder niet mogelijk.

Tuin (Artikel 8)

De voor 'Tuin' aangewezen functie is overgenomen uit het meest recente veegplan van het buitengebied. Deze functie komt niet voor in de plannen binnen de bebouwde kom. Het was voor de betreffende gronden tussen de hofwoningen wenselijk om hier een aparte functie op te nemen om de bouw van onwenselijke bijbehorende bouwwerken te voorkomen.

Wonen – Wonen in de bebouwde kom (Artikel 9)

De functie 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' is grotendeels overgenomen uit het plaatselijk planologisch regime. De voorwaardelijke verplichting tot het uitvoeren en in stand houden van het landschappelijk inpassingsplan en het waterhuishoudkundig plan zijn als voorwaardelijke verplichting verbonden aan de start en het einde van de bouw van de woningen binnen het plangebied. Aan de woningen zijn met functieaanduidingen meerdere maatvoeringen gegeven.