direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen
Status: vastgesteld
Plantype:
IMRO-idn: NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied

Voor het perceel aan de Ootmarsumseweg 182 in Albergen is een plan ontwikkeld voor de realisatie van vier woningen. Momenteel is op het perceel een horecapand aanwezig met bijbehorende bouwwerken, voorzieningen en parkeerruimte. Wegens beëindiging van de horeca-activiteiten heeft de initiatiefnemer de horecalocatie overgenomen. De initiatiefnemer is voornemens om het horecapand te verbouwen tot twee woningen. Tevens is de initiatiefnemer voornemens om ter plaatse van de parkeerruimte twee vrijstaande woningen te realiseren.

Op grond van het geldende omgevingsplan van rechtswege is de realisatie van het voorgenomen plan niet mogelijk. Dit omdat het perceel is voorzien van de hoofdfunctie 'Horeca'. Voor het mogelijk maken van het voorgenomen plan dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggend TAM-Omgevingsplan voorziet daarin.

Ligging

Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Albergen, aan de doorgaande provinciale weg N349 (Ootmarsumseweg). Deze weg verbindt Albergen met het buitengebied en de kernen: Fleringen; Reutum; en Ootmarsum. Het plangebied bestaat uit de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Tubbergen, sectie H, perceelnummers 8597, 8598, 8599, 8600, 8601, en 8602. In figuur 1.1 is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Allbergen middels een rode ster aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: ligging plangebied 'Ootmarsumseweg 182' (bron: Pdok viewer)

Begrenzing

Voor het plangebied is uitgegaan van de hierboven beschreven percelen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de provinciale weg N349 (Ootmarsumseweg), aan de oostzijde door de Weemselerweg, aan de zuidzijde door het woonperceel aan de Weemselerweg 2 en aan de westzijde door het woonperceel aan de Ootmarsumseweg 180. In figuur 1.2 is de begrenzing van het plangebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: begrenzing plangebied 'Ootmarsumseweg 182' (bron: Pdok viewer)

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader

De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.

Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:

  • het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.

Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging

De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.

Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het plan bij aan de visie en beleid die de gemeente heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft voor zo ver nodig bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Overleg met de provincie was niet noodzakelijk, omdat op basis van de provinciale uitzonderingslijst een uitzondering geldt. Ook was overleg met het waterschap niet noodzakelijk. Dit komt de watertoets geleid heeft tot het toepassen van de korte procedure, waarbij het opstellen van een standaard waterparagraaf voldoende is. Verder is het plan afgestemd met de directe buren door middel van een persoonlijk gesprek. Deze hadden geen bezwaren. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert voorliggend plan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer

De toelichting van het omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt er getoetst aan het geldende omgevingspan en de strijdigheid beschreven. Hoofdstuk 4 schetst het beleids- en wettelijke kader van het rijk, provincie en de gemeente. In hoofdstuk 5 worden de omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een toelichting gegeven op de planregels.

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling

2.1.1 Ontstaangeschiedenis

De ontstaansgeschiedenis van Albergen gaat terug tot in de middeleeuwen. In 1405 werd het Sint-Antoniusklooster gesticht door de Zwolse rector die enkele bouwmeesters naar het Twense dorp zond. De naam "Albergen" komt mogelijk van het Germaanse woord "alb" wat "wit" betekent en "berg" wat "heuvel" betekent, wat zou kunnen wijzen op de ligging van het dorp op een heuvelachtig terrein. In de loop der eeuwen groeide Albergen langzaam, waarbij landbouw en veeteelt de belangrijkste economische activiteiten bleven. Kerken en andere gemeenschapsgebouwen speelden een belangrijke rol in het sociale en culturele leven van het dorp.

In 1721 heeft een openbare verkoop van het klooster, althans wat er van over was, plaats. In 1725 brak in de restanten van het klooster brand uit. Nu herinneren alleen nog een paar straatnamen aan het kloosterleven in Albergen. Op de fundamenten van de kloosterkerk is een nieuwe kerk gebouwd die in 1787 in gebruik is genomen. Rond het eind van de Eerste Wereldoorlog onderging deze kerk, de zoveelste verbouwing en uitbreiding en ontleende daaraan de naam het ‘Witte kerkje’. In die tijd liep de Brakenweg nog dwars door de heide, was het Weemselerveld nog een woestenij en was de Dijnsel een gebied van bos, heide en door houtwallen omsloten kleine weilandjes. (Bron: Dorpsplan Albergen 2006/ Stichting Heemkunde Albergen/Harbrinkhoek). Met de (historische) topografische kaarten in figuur 2.1 wordt inzicht gegeven in de ontwikkelingen die Albergen vanaf ± 1900 heeft doorgemaakt. Duidelijk zichtbaar is dat Albergen pas na 1950 echt is uitgegroeid tot een woonkern.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: kaarten ± 1900 (links) ± 1950 (midden) en ± 2014 (rechts) Albergen (bron: provincie Overijssel)

2.1.2 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Ootmarsumseweg 182 in Albergen. Ter plaatse is momenteel een horecapand aanwezig met bijbehorende bebouwing en voorzieningen. Het horecapand wordt echter niet meer geëxploiteerd en is wegens het niet kunnen vinden van een opvolger doorverkocht. De initiatiefnemer wil het pand verbouwen tot twee woningen en naast het pand nog één vrijstaande en een twee-onder-1-kap woning realiseren.

Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Albergen, kan dit worden beschouwd als een beeldbepalende locatie, aangezien het de entree tot of uitgang van de kern Albergen betreft. De huidige bebouwing binnen het plangebied is daardoor herkenbaar voor veel mensen. Momenteel wordt dit echter op een negatieve manier bereikt, omdat er geen horeca-activiteiten meer plaatsvinden binnen het plangebied en het plangebied daarom een verlaten indruk geeft.

In de directe nabijheid van het plangebied is de ijsbaan met multifunctionele accommodatie aanwezig (MFA). Het MFA-gebouw wordt geëxploiteerd door de Stichting MFA en heeft als doel het stichten en beheren van een multifunctionele accommodatie, bestemd voor maatschappelijke, sociale, educatieve en/of culturele doeleinden, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Ten zuiden van de ijsbaan en het MFA gebouw is het meest recente uitbreidingsplan van Albergen (Weemselerveld fase 4) in uitvoering. Dit plan omvat de bouw van 24 halfvrijstaande woningen, 14 rijwoningen en 7 vrijstaande woningen.

In figuur 2.2 is een aanzicht van het plangebied vanaf de Ootmarsumseweg weergegeven en in figuur 2.3 een vogelvlucht van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: aanzicht plangebied vanaf Rozengaarde (bron: Google Maps, juli 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0005.png"

Figuur 2.3: vogelgelucht plangebied 'Ootmarsumseweg 182' (bron: Street Smart, Cyclomedia)

2.1.3 Toekomstige situatie

Middels voorliggend plan worden er in totaal vier woningen gerealiseerd, waarvan twee woningen in het bestaande horecapand en twee nieuwe vrijstaande woningen ter plaatse van de huidige parkeerruimte van de horecagelegenheid. In figuur 2.4 wordt het stedenbouwkundige ontwerp weergegeven.

Door het herontwikkelen van het plangebied wordt een passende vervolgfunctie toegekend aan een voormalig horecaperceel, waardoor de leefbaarheid binnen het plangebied wordt vergroot. Dit komt ook de herkenbaarheid van het plangebied ten goede, dat bij de entree van Albergen ligt en waar momenteel voorbijrijdende mensen een verlaten indruk kunnen krijgen.

De woningen die in het horecapand gerealiseerd zullen worden, zouden gezien de omvang aangemerkt kunnen worden als 'kleine' woningen, waarmee ze geschikt zijn voor starters. De vrijstaande woningen zullen levensloopbestendig en duurzaam worden gebouwd, waardoor ze voor meerdere doelgroepen geschikt zouden moeten zijn, zoals gezinnen en senioren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0006.png"

Figuur 2.4: situatietekening beoogde situatie plangebied (bron: Building Design Architectuur)

De vrijstaande woningen zullen aansluiten op de bestaande stedenbouwkundige structuur, waarbij de voorgevels georiënteerd worden op het buitengebied. Dit wordt geborgd in de regels door middel van een gevellijn. Er wordt een haag aangeplant met instandhoudingsverplichting voor de bewoners, waarmee enigszins privacy gecreëerd wordt. Aan de voorzijde van de woningen worden plantsoenen zonder bomen aangeplant ten behoeve van een zachte overgang naar het buitengebied. Ondanks dat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, kan daardoor toch enigszins het gevoel bij de toekomstige bewoners ontstaan, dat ze in het landelijk gebied wonen en een rustige woonomgeving. Ook hiervoor komt een instandhoudingsverplichting voor de bewoners. Wat betreft de stoep geldt dat deze wordt verlegd achter de openbare parkeerplaatsen en dat de gemeente de openbare gronden aan de Weemselerweg overneemt. Hiervoor zullen afspraken worden gemaakt in een anterieure overeenkomst.

De bouw- en goothoogte van de nieuwbouw woningen bedragen respectievelijk maximaal 9 en 4,5 meter. Vergeleken met de omliggende woningen is dit iets hoger, maar wel noodzakelijk om een woning met een lage goot te kunnen bouwen. Tevens zijn de voornoemde hoogtes noodzakelijk om voor de woningen de benodigde duurzaamheidsmaatregelen te kunnen treffen. Geacht wordt dat een ontwerp met een lage goot passend is op deze locatie, omdat sprake is van een overgangsgebied naar het buitengebied.

Bij de woningen zal het mogelijk zijn om bijbehorende bouwwerken te bouwen. Vooralsnog is het uitgangspunt daarbij dat deze tegelijkertijd met de woningen gebouwd worden en dus samen met de woningen worden opgeleverd. Wat betreft de ontsluiting geldt dat op eigen erf een in-/uitrit gerealiseerd wordt die wordt verbonden met de Weemselerweg. Er worden twee openbare parkeerplaatsen gerealiseerd aan de voorzijde van de twee vrijstaande woningen.

Wat betreft de twee woningen die worden gerealiseerd in het bestaande horecapand, geldt dat aan de voorzijde van het pand de hoofdvorm en het karakter behouden blijven. Hierdoor verandert het straatbeeld niet. De bestaande serre en alle achterliggende bijbehorende bouwwerken worden gesloopt. In plaats daarvan wordt een aanbouw gerealiseerd ten behoeve van beide woningen, die grotendeels zal ogen als een enkellaagse bebouwing. Echter, om aan de achterzijde van het pand een extra slaapruimte te kunnen creëren, wordt een klein deel van de aanbouw hoger uitgevoerd. Omdat dit vanaf de straat vrijwel niet zichtbaar is, heeft dit geen invloed op het straatbeeld.

In de huidige planologische situatie geldt voor het pand een maximale bouwhoogte van 6 meter en een maximale goothoogte van 3 meter. In de praktijk is het pand echter al hoger, met een bouwhoogte van circa 6,9 meter en een goothoogte van 3,5 meter. Dit wordt met het voorliggende plan gecorrigeerd. Door in plaats van uit te gaan van een bouwhoogte van 6,9 meter en een goothoogte van 3,5 meter, een bouwhoogte van 7,5 meter en een goothoogte van 4,5 meter vast te stellen, wordt bovendien ruimte geboden voor een eventuele toekomstige verduurzaming van het dak. Voor de hogere aanbouw voorziet dit plan uitsluitend ter hoogte van de aanbouw een afwijkende bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken, aangezien dit geen standaardmogelijkheid is binnen de regels die behoren bij dit omgevingsplan.

Verder is bij deze woningen ook mogelijk om bijbebehorende bouwwerken te bouwen. Deze mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Het gezamenlijke oppervlak aan bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag 50% van het bouwperceel bedragen met een maximum van 250 m².

Gelet op de situatietekening opgenomen in figuur 2.4 zal op eigen terrein van de woningen in het huidige pand parkeergelegenheid worden gerealiseerd. De oostelijke woning in het huidige pand krijgt daarnaast een carport op het achterste gedeelte van het terrein.

Tot slot wordt voor de westelijke woning in het huidige pand een in-/uitrit gerealiseerd die verbonden wordt met de Ootmarsumseweg. Hiervoor zal de initiatiefnemer te zijner tijd een aanvraag indienen bij de provincie. De oostelijke woning in het huidige pand zal door middel van een mandelig pad aansluiten op de Weemselerweg. Voor de uiteindelijke inrichting van het plangebied zullen afspraken worden gemaakt die door middel van een anterieure overeenkomst met de gemeente geborgd zullen worden.

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Ruimtelijke structuur Albergen

In de moderne tijd heeft Albergen zich verder ontwikkeld, zij het nog steeds als een relatief kleine gemeenschap in de landelijke omgeving van Overijssel. Het behoud van traditionele waarden en het dorpskarakter is vaak belangrijk geweest voor de inwoners, wat Albergen een sfeervolle en hechte gemeenschap maakt.

Albergen kent geen historisch centrum. De oudste bebouwing in de kern is met name gelegen langs de oude dorpslinten. Net als veel dorpen in die tijd is Albergen vanaf de jaren ‘50 fors gegroeid qua woonbebouwing. Hierbij is Albergen qua woonbebouwing vanaf de Ootmarsumseweg steeds in zuidoostelijke richting gegroeid waarbij een uitloper van woningbouw in de jaren ’70 de huidige Kapittelhuisstraat heeft bereikt.

Functionele structuur Albergen

De functie 'wonen' is de meest voorkomende functie binnen de kern Albergen. Het wonen vindt plaats met name in het centrum en aan de oost- en zuidkant van Albergen, waar naast de functie 'wonen' hier en daar ook andere functies aanwezig zijn. Denk daarbij aan maatschappelijke functies, horeca functies, kleinschalige bedrijfsfuncties, detailhandel en kantoor. Aan de westkant van Albergen ligt het bedrijventerrein, waar in minder mate ook bedrijfswoningen aanwezig zijn.

Gezien de aanwezigheid van meerdere woningen in de omgeving van het plangebied wordt gesteld dat een woonfunctie daarom een passende vervolgfunctie is voor het plangebied. De woningen zullen geen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom: ze vormen geen belemmering voor bestaande functies.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

In deze paragraaf wordt het initiatief (de vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit(en)) getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit:

  • Bestemmingsplannen, wijzigingsplannen;
  • Hoofdstuk 22 Bruidsschat;
  • Hogere waarden besluiten indien van toepassing;
  • Gemeentelijke verordeningen indien van toepassing.

3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten

Voorliggend plan heeft betrekking op de herontwikkeling van een horecalocatie met het behorende terrein, waarbij vier woningen worden gerealiseerd. De realisatie van reguliere woningen binnen de functie 'horeca' is momenteel niet toegestaan, waardoor voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld.

3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege.

Op grond van het vigerende omgevingsplan, waarvan het bestemmingsplan 'Albergen en Geesteren' en het '(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen' van rechtswege onderdeel geworden zijn, geldt voor het plangebied de functie 'Horeca' en 'Waarde - Archeologie'. Zie onderstaand voor een uitsnede van de geldende plankaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0007.png"

Figuur 3.1: uitsnede omgevingsplan van rechtswege (bron: /Omgevingsloket 'Regels op de kaart')

Naast de hierboven beschreven functies zijn op het plangebied de volgende ondergeschikte functies van toepassing:

  • bouwvlak;
  • functieaanduiding 'bedrijfswoning';
  • functieaanduiding 'horeca van categorie 2';
  • functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting';
  • maatvoering:
    • 1. maximum bouwhoogte: 6m;
    • 2. maximum goothoogte: 3m.

Ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca van categorie 2' zijn horecabedrijven van de categorie 1 en 2 toegestaan, zoals genoemd in de bij de regels behorende en in bijlage 3 opgenomen 'Staat van Horeca-activiteiten'. Daarnaast is binnen de functie 'Horeca' mogelijk dat er regulier wordt gewoond, voor zover het de tweede en/of hogere bouwlaag betreft. Ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' is daarnaast een bedrijfswoning toegestaan.

Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van delen van het hoofdgebouw die noodzakelijk zijn als gevolg van aanpassingen om het hoofdgebouw duurzaam te maken tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het binnen het (bouwperceel gelegen gedeelte van het) bouwvlak. Een bijbehorend bouwwerk wordt ten minste 1 m achter één naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw / de bedrijfswoning of het verlengde daarvan gebouwd. De bouw- en goothoogte van bedrijfsgebouwen en/of bedrijfswoningen mogen ter plaatse van de maatvoering maximaal het op de plankaart aangegeven getal bedragen, in dit geval 6 meter voor de bouwhoogte en 3 meter voor de goothoogte.

Tot slot is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting' verboden om bouwwerken te bouwen, tenzij de bodemroerende activiteiten betrekking hebben op een oppervlak dat maximaal 5.000 m² bedraagt en niet dieper gaan dan 0,4 meter. Hiervan kan worden afgeweken met een omgevingsvergunning die alleen door het bevoegd gezag wordt verleend indien voldoende aannemelijk is gemaakt dat de in de gronden aanwezige archeologische waarde niet geschaad worden als gevolg van het plan.

Gelet op het vorenstaande biedt het geldende omgevingsplan van rechtswege geen mogelijkheden om het voorgenomen plan mogelijk te maken. Er is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-Omgevingsplan voorziet daarin.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie

4.1 Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een bestaand horecapand dat niet meer wordt geëxploiteerd tot twee woningen. Tevens voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de realisatie van twee vrijstaande woningen. Middels voorliggend plan wordt een passende vervolg functie gegeven aan het plangebied, gezien het feit dat in de directe omgeving in overwegende mate woonfuncties aanwezig zijn. Zoals hierboven is beschreven, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de navolgende paragrafen wordt de voorgenomen ontwikkeling daarom getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid. Daarin wordt aangetoond dat het plan past binnen het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan niet in strijd is met de NOVI.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024
4.1.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Omgevingswet. In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

4.1.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

4.1.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0008.png"

Figuur 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Generieke beleidskeuzes

Artikel 4.4 Principe van concentratie

Lid 1

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Het plangebied ligt in Albergen en binnen de gemeente Tubbergen. In paragraaf 4.1.4 wordt het woonbeleid van de gemeente Tubbergen uitgelegd en wordt beschreven waarom de voorgenomen ontwikkeling daarbinnen past en bijdraagt aan een lokale behoefte. Geacht wordt dat daarmee aan artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024 wordt voldaan.

Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Zoals reeds beschreven is, heeft de voorgenomen ontwikkeling betrekking op de herontwikkeling van de bestaande horecalocatie, waarbij het bestaande horecapand wordt verbouwd tot twee woningen. Daarnaast worden er twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd.

Gelet op dat sprake is van een binnenstedelijke ontwikkeling wordt geen beslag gelegd op ruimte in de Groene Omgeving. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024.

Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Het huidige horecapand wordt verbouwd tot twee woningen waarnaast twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd worden. In de huidige situatie is het horecapand al sinds een aantal jaren gesloten wat een verlaten indruk geeft. Door realisatie van voorliggend plan wordt een passende vervolg functie gegeven aan het pand waarbij het bestaande bebouwingsbeeld gehandhaafdblijft. Daarmee wordt de leefbaarheid binnen het plangebied vergroot en de herkenbaarheid gerespecteerd. De vrijstaande woningen worden stedenbouwkundig ingepast, waarbij rondom de woningen groenvoorzieningen gerealiseerd worden om de overgang naar het buitengebied te verzachten. Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat de ruimtelijke kwaliteit op meerdere manieren wordt versterkt. Geconcudeerd wordt dat sprake is van ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit, zoals bepaald in artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024.

Artikel 4.9 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

  • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
  • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
  • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Lid 2

In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied, als:

  • a. er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en
  • b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Voorliggend TAM IMRO omgevingsplan voorziet in de toetsing aan het bepaalde in artikel 4.9 lid 1 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024. De toetsing wordt in de navolgende alineas verricht. De versterking van de ruimtelijke kwaliteit wordt daarmee gewaarborgd. Geacht wordt dat aan artikel 4.9 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024 wordt voldaan.

Artikel 4.14 Woonafspraken

Lid 1

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.

Lid 2

Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Zoals reeds beschreven wordt er later in deze toelichting getoetst aan het woonbeleid van de gemeente Tubbergen. Het woonbeleid van de gemeente is een doorvertaling van de woonafspraken die door de regio zijn gemaakt en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen de provincie en gemeenten. Geacht wordt dat hiermee aan artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Provincie Overijssel 2024 wordt voldaan.

Artikel 4.55 Nationaal Landschap Noordoost Twente

Lid 1

Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.

Lid 2

De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

  • c. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
  • d. de grote mate van kleinschaligheid;
  • e. het groene karakter.

Lid 3

Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente en met Bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteitenNationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Het voorgenomen plan wordt mogelijk gemaakt binnen bestaand bebouwd gebied, waar het oorspronkelijke landschap dus al niet meer aanwezig is. Het plan heeft geen verdere effecten op het landschap. Een onderbouwing als bedoeld in lid 3 wordt niet noodzakelijk geacht.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Gelet op de ligging van het plangebied in een overgangszone naar het buitengebied, zijn zowel de landelijke en stedelijke ontwikkelingsperspectieven van belang. In figuur 4.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0009.png"

Figuur 4.2: fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de ligging van het plangebied is globaal aangegeven met een rode markering (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied valt grotendeels binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' en voor een klein deel binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In onderstaande alinea's wordt per ontwikkelingsperspectief beschreven wat de opgaven, kansen en beleidsambities zijn. Vervolgens vindt er een toetsing plaats.

Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren).

Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De provincie wil de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Doorwerking voor voorliggend plan:

De plannen van de initiatiefnemer doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving. Er worden slechts woningen gerealiseerd om te voorzien in de lokale behoefte, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande stedenbouwkundige structuur en bestaande functies in de omgeving. Tevens ontstaat middels voorliggend plan een betere klimaatadaptatie, aangezien de verharde oppervlakte afneemt en groenvoorzieningen worden gerealiseerd.

Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. In het gebied zijn de kenmerken van de 'natuurlijke laag' en de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' niet meer aanwezig. Daarom wordt geacht dat toetsing van het plan aan deze gebiedskenmerken achterwege blijven

Stedelijke laag

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart in de stedelijke laag aangeduid met het gebiedstype 'Woonwijken 1955 - nu'. In figuur 4.3 is een uitsnede opgenomen van de gebiedskenmerkenkaart, waarop het plangebied globaal met een rode markering is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0010.png"

Figuur 4.3: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Met het realiseren van de nieuwe woningen is rekening gehouden met de omliggende functies en bestaande bebouwingsstructuren. Qua maatvoering wordt aangesloten bij de bebouwing in de omgeving, waardoor geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende gebiedskenmerk van de 'stedelijke laag'.

Laag van de beleving

Het plangebied is op grond van de gebiedskenmerkenkaart voor de 'Laag van de beleving' aangeduid met 'Donkerte'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0011.png"

Figuur 4.4: laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Aangezien het plangebied is gelegen binnen de bestaande bebouwde kom van Albergen kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan de kenmerken van de donkerte. In de omgeving van het plangebied is reeds bebouwing aanwezig waar verlichting wordt toegepast. Binnen het plangebied zal enkel de noodzakelijke verlichting worden toegevoegd. Geacht wordt daarom dat de voorgenomen ontwikkeling geen extra afbreuk doet aan de kenmerken van de donkterte en in overeenstemming is met de laag van de beleving.

Conclusie  

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-Omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen

De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.

De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:

  • 1. We doen het samen;
  • 2. We geven het goed voorbeeld;
  • 3. We wentelen niet af op volgende generaties;
  • 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

Leefbare kernen

De gemeente Tubbergen wil kernen waar het lekker wonen is. Waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.

De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken.

Van oudsher zijn inwoners van de kernen binnen de gemeente Tubbergen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt.

Dit wil de gemeente Tubbergen voortzetten aan de hand van vier speerpunten:

  • voldoende voorzieningen;
  • aantrekkelijk wonen;
  • ruimte voor ondernemen;
  • leefbare openbare ruimte.

Aantrekkelijk wonen

Betaalbaar wonen in je eigen gemeente

De gemeente Tubbergen wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.

Inbreiden voor uitbreiden

Vanuit de gemeente Tubbergen wil men graag binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerkgebouw of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom is de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past.

Kijken naar de toekomst

Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In de woonvisie van de gemeente Tubbergen wordt op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit gekeken op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij houdt de gemeente de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog.

Waardenkaart gemeente Tubbergen

De waardenkaart van de gemeente Tubbergen kent het kenmerk 'Kernen met een woon- en centrumfunctie' aan het plangebied toe (zie figuur 4.5, het plangebied is met een grijze cirkel aangeduid).

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0012.png"

Figuur 4.5: uitsnede waardenkaart gemeente Tubbergen (bron: MijnOmgevingsvisie Tubbergen)

De waarden bij het kenmerk 'Kernen met een woon- en centrumfunctie' luiden als volgt:

  • kernen met kleinschalige woonbebouwing aan de randen en dichtere en soms ook middelhoge bebouwing in het hart;
  • kernen met belangrijke voorzieningen zoals winkels, horeca, sportvoorzieningen, zorg, pinmogelijkheden;
  • aanwezigheid van ontmoetingsplekken in het bijzonder in de omgeving van voorzieningen;
  • (verbindingen met) de groene omgeving;
  • in veel gevallen een kerk als belangrijk gebouw in het silhouet van de kern;
  • tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig.

Bij ontwikkelingen dient ingespeeld te worden op:

  • de opzet van dorpen met compacte bebouwing en ontmoetingsplekken in het dorpshart en lagere woonbebouwing aan de randen;
  • behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing;
  • mogelijkheden om te ontmoeten;
  • concentratie van de publieksgerichte functies;
  • voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers passend binnen het aanbod van de kern;
  • de verbindingen met de groene omgeving;
  • vasthouden van water.

Toets

Zoals reeds beschreven voorziet voorliggend plan in een passende vervolg functie voor het plangebied, waardoor de leefbaarheid in de kern wordt vergroot. Bij de realisatie van de nieuwe vrijstaande woningen wordt rekening gehouden met de bestaande stedenbouwkundige structuur en wordt middels het ontwerp en het toevoegen van diverse groenvoorzieningen een zachte overgang gecreëerd naar het buitengebied. Daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit van zowel het plangebied als de gemeente versterkt. In de volgende paragraaf wordt voorliggend plan getoetst aan de Woonvisie 2021+ gemeente Tubbergen, waarin wordt aangetoond dat de woningen passen bij de vraag en aantrekkelijk genoeg is om de woningen ook voor een langere periode te bewonen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de plannen van de initiatiefnemer in overeenstemming zijn met 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' van de gemeente.

4.1.4 Woonvisie 2021+ gemeente Tubbergen

Op 6 juli 2021 heeft de gemeenteraad van gemeente Tubbergen de 'Woonvisie 2021+' vastgesteld. De woonvisie bevat het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren en is gebaseerd op cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. Met de woonvisie biedt de gemeenteraad een kwantitatief en kwalitatief kader voor woningbouwontwikkelingen in de gemeente Tubbergen.

De grote uitdaging van de Woonvisie 2021+ is het creëren van betaalbaar aanbod voor starters en senioren. De huidige woningvoorraad van Tubbergen kenmerkt zich door veel ruime (koop)woningen met vaak grote tuinen. Doordat veel mensen zelf hun woning bouwen of verbouwen is men vaak in staat om deze wens voor een ruime woning te realiseren. Dit geldt ook voor een deel van de jongeren, zeker als zij ook nog een financieel steuntje in de rug krijgen van hun ouders.

Echter, door de alsmaar stijgende woningprijzen wordt geconstateerd dat het voor veel jongeren steeds lastiger wordt om een woning te vinden die past bij hun wensen. De gemeente Tubbergen wil daarom inzetten op meer betaalbare woningen voor starters op de woningmarkt. Daarnaast zijn er meer kleinere woningen nodig voor de steeds grotere groep oudere huishoudens. Voor hen is het belangrijk dat die woningen levensloopgeschikt zijn. Dat betekent dat ouderen er kunnen blijven wonen als zij te maken krijgen met lichamelijke beperkingen, maar ook dat de woning zowel op de korte als lange termijn aantrekkelijk genoeg is voor andere (jongere) leeftijdsgroepen.

De gemeente Tubbergen wil de komende jaren voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in de verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken. In de jaren voor 2016 was er nog sprake van een vertrekoverschot.

Het zijn vooral jongeren tussen 15 en 25 jaar die de gemeente verlaten. Dat komt voor een belangrijk deel vanwege werk of studie elders. Maar voor een deel van de vertrekkende jongeren speelt het woningaanbod mee. Voor hen zijn er niet of nauwelijks betaalbare woningen beschikbaar, waardoor zij (al dan niet tijdelijk) opteren voor een woning in een gemeente waar het aanbod goedkoper is. Een deel van de jongeren keert na verloop van tijd terug als men een gezin gaat stichten en meer financiële mogelijkheden heeft om een woning te kopen.

Woningbouwprogramma

Voor de periode 2020-2030 gaat de gemeente uit van een woningbehoefte van 640 woningen. Vanwege de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk tussen 2020 en 2025 realiseren. Daarnaast houdt de gemeente een ruimere plancapaciteit aan dan enkel te koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. De gemeente wil hier tijdig op kunnen inspelen. Er wordt uitgegaan van een zachte plancapaciteit van 130%, zo'n 830 woningen.

De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern. De gemeente geeft echter ruimte aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte per kern overstijgt. Hieronder is de woningbehoefte per kern opgenomen. In figuur 4.6 is een tabel opgenomen, waarin per kern is aangegeven wat de behoefte is naar het aantal woningen. Tevens zijn daarin woningen voor het buitengebied en knelpuntenpot gereserveerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0013.png"

Figuur 4.6: overzicht behoefte en plancapaciteit kernen gemeente Tubbergen (bron: Woonvisie 2021+, gemeente Tubbergen)

De gemeente Tubbergen vindt het belangrijk dat er gebouwd wordt op de juiste plek. Daarvoor worden onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Inbreiding krijgt prioriteit boven uitbreiding

In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden.

  • Woningen voor starters

De huidige woningvoorraad van de gemeente bestaat voor een groot deel uit ruime, grondgebonden koopwoningen. Hoewel het voor een deel van de starters haalbaar is om te starten in een ruime grondgebonden koopwoning zijn er ook starters met een beperkt inkomen, waarvoor de mogelijkheden beperkt zijn. De behoefte aan kleinere woningen onder starters neemt als gevolg daarvan toe. Daarom wil de gemeente Tubbergen het woningaanbod voor starters de komende jaren vergroten. Hierbij is het zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Om die woningen betaalbaar te kunnen houden, zal de kwaliteit (qua m², aantal kamers, uitrusting) daarop aangepast moeten worden. Maar dan wel op zo'n manier dat deze woningen aantrekkelijk blijven voor starters. Samen met ontwikkelende partijen wil de gemeente kijken wat de mogelijkheden hiervoor zijn binnen de gegeven kaders en de stijgende bouwkosten.

Naast reguliere nieuwbouw kan transformatie van leegstaand vastgoed een mogelijkheid zijn om het aanbod van betaalbare (koop)woningen voor starters te vergroten. Te denken valt aan herbestemming van leegstaande winkel- of bedrijfspanden tot woonruimte en de verkoop van sociale huurwoningen.

Toets

De plannen van de initiatiefnemer hebben betrekking op de realisatie van vier woningen, waarbij twee nieuwe vrijstaande woningen worden gerealiseerd en twee woningen binnen het bestaande horecapand. Hiermee is zowel sprake van een transformatie van een bestaand pand als nieuwbouw.

Zoals in de Woonvisie is beschreven, is er in de kern Albergen behoefte aan 95 woningen en 125 woningen conform 130% van de plancapaciteit. De meest recente bouwplannen (plan Arends bestaande uit vier twee-kappers) en de nieuwbouw van Weemselerveld fase 4 (45 woningen) voorzien nog niet in de behoefte aan nieuwe woningen in de kern Albergen. Derhalve is er nog ruimte voor de realisatie van vier woningen in het woningbouwprogramma van de gemeente Tubbergen.

Daarnaast is zoals hierboven beschreven, binnen de gemeente Tubbergen een concrete behoefte aan woningen voor starters en ouderen. Middels voorliggend plan kan daaraan worden bijgedragen. De twee-onder-één-kap woningen binnen de bestaande bebouwing kunnen voor een redelijk betaalbare prijs op de markt worden gebracht en worden gelet op de grootte van de woningen geschikt geacht voor starters. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd en krijgen de nodige installaties om te voorzien in de dagelijkse energiebehoefte, zoals zonnepanelen en warmtepomp. De woningen zijn daarmee geschikt voor gezinnen en ouderen die gedurende een lange periode geen omkijken willen hebben naar het onderhoud van de woning. Potentiële bewoners van deze woningen zullen hun huidige woning, die vaak kleiner is en onderhoud nodig heeft, te verlaten. Deze woningen kunnen vervolgens tegen een lagere prijs worden gekocht door starters, die de woning na verloop van tijd zullen opknappen. Dit bevordert de doorstroming op de woningmarkt en draagt bij aan de vitaliteit ervan.

Conclusie

Gelet op dat de plannen van de initiatiefnemer zowel kwantitatief als kwalitatief kunnen voldoen, en deels sprake is van een transformatie van een bestaand pand, wordt geconcludeerd dat deze in overeenstemming zijn met de 'Woonvisie 2021+'.

4.1.5 Nota inbreidingslocaties gemeente Tubbergen

Op 16 februari 2016 is de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016' in werking getreden. De gemeente Tubbergen werd en wordt regelmatig geconfronteerd met aanvragen voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Deze beleidsnota is van toepassing op aanvragen voor kleinschalige woningbouw in bestaand stedelijk gebied.

Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen die betrekking hebben op de benutting van locaties voor herstructurering of transformatie. Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt primair ingezet op bouwen voor behoefte op locaties voor herstructurering of transformatie binnen bestaand gebied.

De Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016 bevat een toetsingskader zodat aanvragen eenvoudig, duidelijk en sneller kunnen worden getoetst. Ook wordt dan de beoordeling beter en sterker beargumenteerd en onderbouwd.

Wanneer een aanvraag voor bouwen op een inbreidingslocatie binnen het bestemmingsplan past is de gemeente verplicht medewerking te verlenen. Indien de aanvraag niet past binnen het bestemmingsplan en ook niet binnen de daarin opgenomen (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheden zal een afweging moeten worden gemaakt of er medewerking wordt verleend. Deze afweging kan worden gemaakt aan de hand van toetsing aan de criteria zoals hieronder wordt weergegeven. Dit laat onverlet dat een bouwvoornemen ook moet worden getoetst aan alle relevante beleids- en omgevingsaspecten, zodat woningbouw op de bewuste locatie als een aanvaardbare vervolgfunctie kan gelden.

Beleid

Verzoeken voor woningbouw dienen te worden getoetst aan het bestaande beleid:

  • a. Rijksstructuurvisie Infrastructuur en ruimte (vervangen door Nationale Omgevingsvisie): toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 Bro);
  • b. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Overijssel;
  • c. Gemeentelijk beleid:
    • 1. Structuurvisie (vervangen door de Omgevingsvisie Tubbergen);
    • 2. Woonvisie 2016+ en Uitvoeringsnota Woningbouw (vervangen door de Woonvisie 2021+).

Stedenbouwkundige aspecten

De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is.

Aansluiting op de omgeving

Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving. De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving.

Herstructurering of transformatie

Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 Bro) vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v. door sloop en nieuwbouw, waardoor met andere typen woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen.

Toets

Er is sprake van een stedelijke functie aan de rand van Albergen, waar aan de zijde van de Ootmarsumseweg 182 meerdere stedelijke functies gelegen zijn. Opgemerkt wordt dat dit deel van Albergen tevens onderdeel is van het bestemmingsplan voor de kern. Aan de overzijde van de Ootmarsumseweg bevinden zich niet-stedelijke functies, dit gebied is gelegen in het bestemmingsplan voor het buitengebied.

Daardoor is denkbaar dat het plangebied - wegens het ontbreken van de samenhang in de bebouwing, gelet op de omliggende agrarische en bos-natuur bestemmingen en de afstand tot de bebouwing in de kern - in het buitengebied gelegen is.

Echter, gelet op het feit dat er sprake is van een leegstaand horecapand aan de rand van de bebouwing in Albergen, komt deze locatie wel in aanmerking voor toepassing van de Nota Inbreidingslocaties. Bovendien geeft dit kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij primair ingezet wordt op het bouwen voor behoefte op locaties voor hestructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied.

Verder is van belang dat de nieuwe woningen gebouwd zullen worden op de plek van een parkeerplaats, die in het zicht van de entree van de kern staat. De woningen worden aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er zullen groenvoorzieningen worden gerealiseerd. Mede doordat het ontwerp van de nieuwe woningen een lage goot heeft waarmee een link wordt gelegd naar woningen in het buitengebied, wordt de bestaande harde overgang daarmee verzacht. Dit komt de herkenbaarheid van het gebied ten goede.

Gelet erop dat de geplande herontwikkeling verpaupering en verloedering van de bestaande horecalocatie tegengaat, waarbij de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt en de leefbaarheid binnen het plangebied wordt vergroot, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan voldoet aan de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016'.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen', de 'Woonvisie 2021+' en met de 'Beleidsnota Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016'.

4.1.6 Nota Omgevingskwaliteit

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19  Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. De gemeente heeft aangeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek.

4.2.1 Provinciaal vooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst opgesteld van ruimtelijke initiatieven waarvoor geen vooroverleg (voorkantsamenwerking) noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie woningbouw onder kernen met een inwoneraantal van meer dan 1.000 inwoners, waardoor vooroverleg niet nodig is. Hierdoor is ook geen instemming of advies vereist.

Waterschap Vechtstromen

Op 03-04-2025 is er een watertoets uitgevoerd, zie Bijlage 9. Door beantwoording van de vragen is de korte procedure van toepassing verklaard. Daarbij is het opnemen van een standaard waterparagraaf (zie 5.12) voor het waterschap voldoende.

4.2.2 Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld en daarin is een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:

De mate waarin mensen worden betrokken bij een plan moet in verhouding staan tot het effect dat het bouwplan op de omgeving kan hebben. Over het algemeen geldt: hoe groter en uitgebreider het plan, hoe belangrijker participatie. Er kan worden gekozen om af te zien van participatie in de onderstaande situaties:

  • Het onderwerp staat te ver van inwoners/anderen af.
  • De kaders zijn zo krap of beperkend dat er geen ruimte is voor de inbreng en invloed van betrokkenen.
  • Het probleem is duidelijk en de oplossing ligt voor de hand: gewoon uitvoeren. Kijk of je bij de uitvoering inwoners kan betrekken.
  • Een thema leent zich niet voor participatie omdat er een bestuurlijk besluit noodzakelijk is.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Gelet op de geringe omvang van het voorgenomen plan is er gekozen om alleen de directe buren over het plan te informeren. In een persoonlijk gesprek is het plan toegelicht aan de directe buren. Hier heeft een individueel gesprek plaatsgevonden met de bewoners van respectievelijk de Ootmarsumseweg 180 (westzijde) en de Weemselerweg 2 (zuidzijde). Deze buren zijn naar de mening van de initiatiefnemer de enige belanghebbenden die zicht hebben of anderszins hinder zouden kunnen ondervinden van de herontwikkeling. Met name de reden dat er vier woningen komen in plaats van een horecafunctie met bijbehorende hindermogelijkheid en het feit dat de woningen gesitueerd worden naar de noord en oostzijde was een pré. De privacy van de bestaande woningen is met het huidige plan en de inrit aan de zuidzijde van het plangebied gewaarborgd. De buren hadden dan ook geen bezwaren

4.2.3 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 10 december 2025 ter inzage heeft gelegen. Er zijn geen zienswijzen zijn binnengekomen.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten OF voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Toets

Op basis van twee uitspraken van de ABRvS (11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 / 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) wordt geconclueerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling niet aangemerkt kan worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is immers sprake van een functiewijziging van horeca naar vier woningen.

Conclusie

De Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.

Ook als de Ladder niet van toepassing is, moet de behoefte aan de in het plan voorziene woningen worden gemotiveerd. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1.4 voorziet het plan in een behoefte.

5.2 M.e.r.-beoordeling

Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:

  • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten
  • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.

In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:

  • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
  • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob) zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.

De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Ob staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Ob.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Ob. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Ob. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als:
    • a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
    • b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Toets

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van vier woningen binnen het plangebied, waarvan twee nieuwbouw woningen. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een logische aansluiting kan echter wel worden gemaakt bij nummer J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is, kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.

Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, is gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

Voorliggend plan maakt de realisatie van vier woningen mogelijk binnen het plangebied, waarvan twee woningen in een bestaand voormalig horecapand en twee woningen zullen nieuw worden gebouwd. In de huidige planologische situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte circa 550 m2. In de toekomstige planologische situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte ongeveer net zo veel. Gelet op de afname van de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie in relatie tot bovenstaande uitspraak van de Raad van State, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11, van Bijlage V van het OB. Daarbij is een woonfunctie in tegenstelling tot de huidige horecafunctie niet milieubelastend voor de omgeving en vindt middels voorliggend plan geen onevenredige toename plaats in het aantal dagelijkse verkeersbewegingen.

Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

Conclusie

Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.

Verkeer

De nieuwbouw woningen worden middels een in-/uitrit ontsloten op de Weemselerweg. De twee woningen die binnen het voormalige horecapand gerealiseerd zullen worden, geldt het volgende: voor de westelijke woning wordt een in-/uitrit gerealiseerd en aangesloten op de Ootmarsumseweg waarvoor een procedure vereist is bij de provincie; en voor de oostelijke woning wordt een in/-uitrit gerealiseerd en aangesloten op de Weemselerweg.

De Weemselerweg is een erftoegangsweg (30 km/uur) en fungeert daarnaast als verzamelfunctie voor de ontsluiting van de achterliggende woonwijken. Het wegprofiel binnen de bebouwde kom bestaat uit een rijbaan van 5 meter met aan de westzijde een trottoir. De Weemselerweg ontsluit de achterliggende woonwijken op de Ootmarsumseweg. Deze provinciale weg ligt net binnen de bebouwde kom van Albergen en is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg 50 km/u. Het wegprofiel bestaat uit een rijbaan van 7,0 meter met 2x1 rijstrook, met aan de noord- en zuidzijde een vrijliggend éénrichtings(brom)fietspad.

De Weemselerweg sluit door middel van een voorrangskruispunt aan op de Ootmarsumseweg (N349). Op het drietakskruispunt is een brede middengeleider aanwezig. Door de middengeleider kan verkeer in twee etappes de Ootmarsumseweg (N349) op- en afrijden. Daarnaast fungeert de maatregel ook als attentie- en snelheidsmaatregel voor met name verkeer dat vanuit het oosten de kom van Albergen binnen rijdt. Rechtdoorgaand (brom)fietsverkeer aan de zuidzijde aan de zuidzijde van de Ootmarsumseweg (N349) heeft voorrang op verkeer van/naar de Weemselerweg.

Toets

Voor het berekenen van de dagelijkse verkeersgeneratie als gevolg van voorliggend plan is uitgegaan van kengetallen die zijn opgenomen in de CROW uitgave 381. Op basis van openbare bronnen wordt opgemerkt dat voor de gehele kern Albergen een niet stedelijke stedelijkheidsgraad geldt (minder dan 500 adressen per km2). Aangezien het plangebied in een overgangszone zit tussen bebouwde kom en buitengebied, wordt gesteld dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype 'rest bebouwde kom'.

De woningen binnen de bestaande bebouwing kunnen het beste worden beschouwd als een twee-onder-één-kap woning. Daarnaast worden er twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Voor de twee-onder-één-kap woning geldt een dagelijkse maximale verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit komt neer op 16,4 verkeersbewegingen (berekening: 8,2*2) voor twee woningen. Voor een vrijstaande woning geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal, wat neerkomt op 17,2 verkeersbewegingen (berekening: 8,6*2) voor twee woningen. De totale maximale verkeersgeneratie per dag bedraagt derhalve afgerond 34 verkeersbewegingen (berekening: 16,4+17,2).

In het kader van het bestemmingsplan 'Weemselerveld, fase 4 Albergen' (NL.IMRO.0183.ALBBPWEEMSVLD4-VG01) is een verkeersonderzoek uitgevoerd (kenmerk: N01-DO1-41090213-mhr). Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de intensiteit op het wegvak Weemselerweg Noord (naast het plangebied) 965 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Als gevolg van de realisatie van de woningbouw op Weemselerveld, fase 4 bedraagt de verkeersintensiteit op het wegvak Weemselerveld Noord 1.155 mvt/etmaal. In het verkeersonderzoek is aangegeven dat de geprognotiseerde wegvakintensiteiten als gevolg van het woningbouwplan Weemselerveld fase 4 vallen binnen de wenselijke capaciteit voor dergelijke wegen. Voor de Weemselerweg geldt voor het trajectdeel binnen de bebouwde kom, op basis van de inrichting van de rijbaan en de omgeving, een wenselijke capaciteit van circa 2.000 tot 3.000 mvt/etmaal.

Als gevolg van de realisatie van vier woningen binnen het plangebied neemt de verkeersgeneratie in het gebied toe met 34 verkeersbewegingen. Worst-case wordt deze toename toegerekend aan de Weemselerweg, aangezien het grootste gedeelte van de woningen op de Weemselerweg ontsloten worden. Daarmee bedraagt de verkeersintensiteit samen met het plan 'Weemselerveld, fase 4 Albergen' 1.197 mvt/etmaal wat ruimschoots binnen de wenselijke capaciteit voor deze weg valt. Daarin is bovendien niet meegewogen dat de bestaande horecafunctie en de daaraan gekoppelde dagelijkse verkeersgeneratie tevens middels voorliggend plan vervalt.

Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat het aspect 'verkeer' derhalve geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

Parkeren

Voor het parkeren hanteert de gemeente Tubbergen de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018'. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. Met het realiseren van voorliggende ontwikkeling zal de parkeerbehoefte afnemen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder het aspect 'verkeer' is aangegeven.

Toets

De beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' hanteert een parkeernorm van 2,20 parkeerplaatsen per woning voor een twee-onder-een-kapwoning en 2,30 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning. Het voorliggende plan maakt de realisatie van twee 2-onder-één-kap woningen en twee vrijstaande woningen mogelijk. De totale parkeernorm bedraagt daarom negen parkeerplaatsen (berekening: (2 * 2,20) + (2 * 2,30)).

Het stedenbouwkundig ontwerp dat in figuur 5.1 opgenomen is, toont aan dat er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt. Hiervan komen er twee parkeerplaatsen in de openbare ruimte, één carport op het achterste gedeelte van de kavel van de oostelijke woning in het horecapand en de rest wordt op eigen terrein gerealiseerd naast en achter de woning. Aan de Ootmarsumseweg zijn geen mogelijkheden voor het realiseren van openbare parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0014.png"

Figuur 5.1: situatietekening beoogde situatie plangebied (bron: Building Design Architectuur)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn vanuit de aspecten 'Verkeer en parkeren' voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Toets 

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 1 bij deze motivering. Daarnaast is er een oplegnotitie opgesteld, zie Bijlage 2. De wettelijke consequenties ten aanzien van soort- en gebiedsbescherming zijn identiek aan de consequenties, zoals voorheen in de quickscan natuurwaarden is vastgesteld voor de Wet natuurbescherming. De Omgevingswet leidt niet tot andere conclusies t.a.v. wet- en regelgeving voor de bescherming van soort- en gebieden.

De belangrijkste resultaten/conclusies zijn in de volgende alinea's opgenomen.

Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))

Het plangebied ligt op minimaal 1,04 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding (zie figuur 5.2) wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0015.png"

Figuur 5.2: ligging plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde NNN gronden (bron: quickscan natuurwaarden, Natuurbank Overijssel)

Aangezien de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent en het plangebied zich buiten het Natuurnetwerk Nederland bevindt, hoeft voorliggend plan niet te worden getoetst aan provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000-gebied

Het plangebied ligt op minimaal 6,43 kilometer afstand van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Springendal & Dal van de Mosbeek. Het plangebied ligt op minimaal 7,32 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lemselermaten en op minimaal 7,69 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Op onderstaande afbeelding (zie figuur 5.3) wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0016.png"

Figuur 5.3: ligging plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (bron: quickscan natuurwaarden, Natuurbank Overijssel)

Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen:

  • Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
  • Voor het bouwen is een bouwmelding nodig.
  • Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt.
  • Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met:
  • de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)
  • de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling)

Door middel van een stikstofberekening (AERIUS-berekening) opgenomen als Bijlage 3, wordt aangetoond dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en het gebruik van de woningen.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats.

Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen ook vogels (huismussen) waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Omdat nesten van huismussen het gehele jaar beschermd zijn dient een ontheffing aangevraagd te worden om de nestplaats van huismussen te mogen beschadigen en te vernielen. Om vast te stellen of huismussen daadwerkelijk onder de dakpannen van het restaurant nestelen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.

Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van het restaurant en bedrijfswoning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de bedrijfswoning en het restaurant vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden.

In de periode april - september 2024 is de bestaande bebouwing binnen het plangebied onderzocht op nestplaatsen van huismussen en verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij deze motivering. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld en ook geen nestplaatsen van huismussen.

Geconcludeerd wordt dat er geen vogels nestelen binnen het plangebied, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Tevens bezetten vleermuizen geen verblijfplaats binnen het plangebied. Om de bebouwing te mogen slopen, hoeft er geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Er geldt wel een algemene zorgplicht voor alle planten en dieren.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'Soortenbescherming en gebiedsbescherming' geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan en dat sprake is van een ETFAL.

5.5 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Het voorliggende plan betreft de realisatie van in totaal vier woningen in de nabijheid van een ontsluitingsweg. Op grond van artikel 5.53 in combinatie met artikel 5.54 van het BKL wordt geconcludeerd dat sprake is van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit omdat bij een enkele ontsluitingsweg pas bij 1.500 woningen sprake is van een project dat in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Conclusie

Vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.6 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel (zie figuur 5.4) zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0017.png"

Figuur 5.4: tabel standaardwaarden en grenswaarden (bron: BKL)

Geluid door activiteiten

In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk wordt gemaakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen

Toets

Wegverkeerslawaai en spoorwegen

Met dit plan worden vier nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen betreffen geluidsgevoelige gebouwen. Derhalve dient te worden nagegaan of ter sprake van de woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Het plangebied bevindt zich in het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N349 (Ootmarsumseweg) en de Weemselerweg, waarbij de maximumsnelheidsregime respectievelijk 50 km/u en 30 km/u bedraagt. Onderstaande weergave van de geluidszoneringskaart (zie figuur 5.5), waarop het plangebied globaal is aangegeven met een rode ster, brengt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze wegen duidelijk in beeld. Er is geen sprake van een spoorweg in de nabije omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0018.png"

Figuur 5.5: geluid wegverkeer Nederland (bron: Atlas Leefomgeving)

Gelet op dat de geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer binnen het plangebied tussen de 56 dB - 70 dB kunnen bedragen, vindt er mogelijk een overschrijding van de standaardwaarden plaats op de gevel(s) van de nieuw te bouwen woningen en op de gevel(s) van het horeapand dat wordt verbouwd tot twee woningen. Een akoestisch onderzoek is derhalve noodzakelijk om de daadwerkelijke geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer op de gevel(s) van de nieuwbouw woningen en het horecapand te bepalen.

Op 24 januari 2025 is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen bij deze motivering. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud verwezen naar Bijlage 5.

Uit het akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 50 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen wordt overschreden ter plaatse van alle bouwblokken.
  • Het hoogste geluid op de gevel bedraagt 64 dB ter plaatse van het bouwblok van de kavels 1 en 2;
  • De standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de gemeentelijke wegen wordt niet overschreden;
  • Voor de bouwblokken van de woningen van kavel 3 en 4 wordt de grenswaarde van 60 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen niet overschreden.
  • Aan de grenswaarde van 60 dB wordt voor de bouwblokken van kavel 3 en 4 aldus voldaan;
  • Maatregelen om het geluid op de gevel terug te dringen tot aan de standaardwaarde stuiten naar verwachting op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard;
  • Aan voorwaarde 1 uit het gemeentelijk geluidbeleid (geluidsklasse ‘lawaaiig’) wordt voldaan. Indien ook aan voorwaarde 2 wordt voldaan dan past het plan volledig binnen de het gemeentelijk geluidbeleid;
  • Voor de woningen van de kavels 1 en 2 kan verzocht worden om het toestaan van een hogere waarde van 64 dB, voor de woning van kavel 3 60 dB en voor de woning van kavel 4 54 dB ten gevolge van de geluidbronsoort provinciale wegen;
  • Uit de berekeningen blijkt dat het gezamenlijke geluid op de gevel de 53 dB overschrijdt op de noord-, oost- en westgevels van bouwblok kavel 1, 2 en 3 en op de noord- en oostgevel van bouwblok kavel 4. Daarmee wordt voor deze gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn voor deze gevels noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond.

Onderbouwing toestaan hogere waarde

Gronden voor het vaststellen van een hogere waarde

In de voorliggende situatie bedraagt de standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentelijke wegen 53 dB. Deze waarde wordt niet overschreden. Voor de geluidbronsoort provinciale wegen bedraagt de standaardwaarde 50 dB. De grenswaarde bedraagt 60 dB.

Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is (artikel 5.78s lid 2 Bkl) en houdt rekening met geluid van geluidbronnen samen (artikel 5.78s lid 1 Bkl). Het Bkl bevat een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (5.78s lid 3 en 4 en 5 Bkl). De systematiek bestaat uit standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een niet tijdelijk geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Bij meer geluid dan de standaardwaarde gelden eisen.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als het:

  • geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u lid 1a Bkl);
  • de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u lid 1 onder b Bkl). Het betrokken bestuursorgaan voorkomt een toename van het geluid zoveel mogelijk (inspanningsverplichting);
  • bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt, die financieel doelmatig zijn, en als er tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u lid 3 Bkl);
  • het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl);
  • het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl);
  • het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78ad Bkl).

Mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld: het toepassen van geluidsreducerend asfalt, het plaatsen van geluidsschermen of het aanhouden van voldoende afstand tussen de weg en de betreffende woningen.

Criteria voor het beoordelen van de situaties waarin een hogere waarde kan worden vastgesteld, liggen vast in het op 2 september 2008 door de gemeenteraad vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid.

Ontheffingscriteria uit het vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid worden betrokken bij het toekennen van een verzoek om hogere waarden.

Ontheffingscriteria gemeentelijk beleid

Het betreft hier nog niet geprojecteerde woningen (kavel 3 en 4) binnen de bebouwde kom die door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen.

De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van het geluid op de gevel is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen.

Bronmaatregelen

Door het toepassen van geluidreducerend wegdek kan een lagere geluidbelasting op de gevels van de toekomstige woningen bereikt worden. Indien een geluidreducerend wegdektype (bijv. dunne deklagen B) wordt toegepast, kan een geluidreductie van ten hoogste 4 dB bereikt worden. Het is hiermee niet mogelijk om de geluidbelasting op elke gevel te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Deze maatregel resulteert derhalve niet tot het gewenste doel.

Daarnaast is het toepassen van geluidreducerend wegdek in de nabijheid van rotondes of kruisingen niet gewenst in verband met optrekkende en remmende (zware) voertuigen. Het wegdek ondervindt hierdoor een grote belasting (bijv. wringing van wielen van vrachtwagens), waardoor het wegdek op relatief korte termijn aan onderhoud onderhevig is.

Overdrachtsmaatregelen

Vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt kan gesteld worden dat het realiseren van een geluidscherm langs de Ootmarsumseweg niet realiseerbaar is. Naast het feit dat het een lang scherm moet worden, zal het scherm daarnaast een aanzienlijke hoogte moeten krijgen om de geluidbelasting op de 1e verdieping te reduceren. Voor deze locatie kan gesteld worden dat een geluidscherm hier niet realiseerbaar is.

Vanwege de bestaande omliggende bebouwing, en de geringe ruimte op het kavel, is het niet mogelijk om de afstand van de woningen tot de weg dermate te vergroten dat aan de standaardwaarde wordt voldaan

Specifieke voorwaarden voor een hogere waarde gemeentelijk beleid

In het gemeentelijk gebiedsgericht geluidbeleid zijn specifieke voorwaarden opgenomen voor het verlenen van een hogere waarde dan de standaardwaarde.

Bij het toekennen van een verzoek om een hogere waarde voor geluidsgevoelige bestemmingen tot en met de geluidsklasse 'onrustig' worden aanvullend ook de volgende voorwaarden bij de afweging betrokken:

  • indien mogelijk bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere asfalttypen) treffen;
  • indien mogelijk de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe woning(en) vergroten;
  • in ieder geval dient bij woningen/appartementen de buitenruimte (tuin/balkon) te voldoen aande ambitiewaarde van het betreffende gebied;
  • het stedenbouwkundig ontwerp vormgeven waarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat;
  • vanaf de geluidsklasse 'onrustig' dient bij een aanvraag om bouwvergunning voor een woning en scholen een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bij het toekennen van een verzoek om een hogere waarde voor geluidsgevoelige bestemmingen tot en met de geluidsklasse; zeer onrustig' worden aanvullend ook de volgende voorwaarden bij de afweging betrokken:

  • bij eengezinswoningen minimaal drie verblijfsruimten in de woning aan de geluidsluwe zijde;
  • wanneer de woning een balkon heeft dan moet deze afsluitbaar zijn, zodat men zelf kan kiezen of men zich wil afzonderen van de hoge geluidsbelasting of niet;
  • bij een aanvraag behorend bij een bouwvergunning voor een woning en scholen dient een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bbl;
  • de buitenruimtes (tuin of balkon) worden bij voorkeur aan de geluidsluwe zijde gesitueerd.

Conclusie

Er wordt voldaan aan de ontheffingscriteria uit het vastgestelde Gebiedsgericht Geluidbeleid.

Het betreft hier het criterium:

  • dat nog niet geprojecteerde woningen (kavel 3 en 4) binnen de bebouwde kom, door de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen.

Aan specifieke voorwaarden voor een hogere waarde uit het gemeentelijk beleid wordt voldaan. Behalve aan de voorwaarde dat de buitenruimte van de woning op kavel 3 bij voorkeur aan de geluidluwe zijde wordt gesitueerd. Dit betreft niet de gehele buitenruimte. Het stedenbouwkundig ontwerp is zo vormgegeven dat de woning op kavel 4 wordt afgeschermd door de woning op kavel 3.

Gevelweringsonderzoek

Op 28 februari 2025 is een gevelweringsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud verwezen naar Bijlage 6.

Het gezamenlijk geluid op de woningen aan de Ootmarsumseweg 182 (Coophuys) is hoger dan de standaardwaarde, hiervoor is de karakteristieke geluidwering van de gevels berekend. Uit de resultaten (tabel 2.3.1 van het gevelweringsonderzoek) blijkt dat met de gehanteerde materialen (tabel 2.1.1 en tabel 2.2 van het gevelweringsonderzoek) of gelijkwaardig, voldaan is aan de vereiste karakteristieke geluidwering.

Het gezamenlijk geluid op de noordelijke vrijstaande woning is hoger dan de standaardwaarde, hiervoor is de karakteristieke geluidwering van de gevels van de maatgevende ruimtes berekend. Uit de resultaten (tabel 2.3.2 van het gevelweringsonderzoek) blijkt dat met de gehanteerde materialen (tabel 2.1 van het gevelweringsonderzoek) of gelijkwaardig, voldaan is aan de vereiste karakteristieke geluidwering.

Het gezamenlijk geluid op de zuidelijke woning aan de Weemselerweg is niet hoger dan de standaardwaarde op de geveldelen waar zich verblijfsruimtes bevinden. Hierdoor is toetsing van de karakteristieke geluidwering van de gevel niet uitgevoerd. De zuidelijke woning aan de Weemselerweg voldoen met de standaard detaillering aan de vereiste karakteristieke geluidwering.

Industrielawaai

In de nabijheid van het plangebied vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. Met uitvoering van dit plan worden geen activiteiten toegestaan die mogelijk effect hebben op de nabijgelegen gevoelige bestemmingen. Een onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk.

Geluid door belastende activiteiten

In de omgeving zijn er geen functies aanwezig die voor de woningen binnen het plangebied kunnen zorgen voor geluidhinder. De woningen zijn geen geluidbelastende objecten, waardoor deze geen geluidhinder zullen veroorzaken voor omliggende woningen. De nieuwe woningen kunnen wel als buffer dienen tussen de Ootmarsumseweg en de bestaande woning ten zuiden van het plangebied aan de Weemselerweg. Dit is een gunstig effect voor het de bestaande woning

De nieuwbouw woningen krijgen wel een warmtepomp installatie. De installaties zullen echter voldoen aan de daarvoor geldende vereisten vanuit het Bbl voor het bouwen. De intiatiefnemer kan dit te zijner tijd aantonen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat vanuit wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan, mits:

  • de uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (opgenomen als Bijlage 5) naar voren gekomen en benodigde hogere waarden voor de kavels 1, 2, 3 en 4 worden toegelaten;
  • de uit het gevelweringsonderzoek (opgenomen als Bijlage 6) naar voren gekomen geluidswerende voorzieningen toegepast worden in het ontwerp van de woningen, waarvoor deze nodig zijn om te voldoen aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB, zoals opgenomen in het Bbl;

Om dit juridisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bouw- en gebruiksregels van voorliggend TAM-omgevingsplan.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de realisatie van de woningen geen negatief geluidseffect heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.7 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets

Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de Kloosteresweg 21 in Albergen. Hier is een melkveehouderij aanwezig. De dieren die gehouden worden bij dit soort bedrijven hebben geen geuremissiefactoren. Er kan daarom worden uitgegaan van de wettelijke afstanden opgenomen in artikel 5.112 lid 1 van het Bkl.

Zoals eerder bij het toetsen aan de 'Nota inbreidingslocaties gemeente Tubbergen' is vastgesteld in paragraaf 4.1.5, ligt het plangebied in een gebied dat aangemerkt moet worden worden als buitengebied. Op grond van artikel 5.112 lid van het Bkl geldt in het buitengebied een wettelijke afstand van 50 meter die in acht genomen moet worden tussen een geurgevoelig gebouw en agarisch bedrijf. De onderliggende afstand tussen de functiegrens van de westelijke woning die in het pand aan de Ootmarsumseweg 182 wordt gerealiseerd en het agrarisch bouwvlak van het voornoemde agrarisch bedrijf bedraagt circa 35 meter. Dat betekent dat er niet voldaan wordt aan de wettelijke afstand van 50 meter. Om deze reden is op de geometrie (plankaart) behorende bij dit TAM-omgevingsplan een zone opgenomen binnen de functie 'Wonen'. Deze zone is opgenomen vanaf de uitertste grens van het agrarisch bouwvlak met een straal van 50 meter naar de functie 'Wonen' in het plangebied. De zone komt voor een deel binnen de functie 'Wonen' te liggen, waarin geurgevoelige bebouwing is uitgesloten. Buiten deze zone wordt voldaan aan de wettelijke afstand van 50 meter en is derhalve een geuronderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect 'Geur' geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan en dat sprake is van een ETFAL.

5.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets

Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Zie figuur 5.6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0019.png"

Figuur 5.6: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)

Zoals uit figuur 5.6 is af te leiden, ligt het plangebied op ruime afstand van mogelijke risicobronnen. Het plangebied ligt niet binnen het terrein van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, niet binnen een PR 10-6 contour en brandaandachtsgebied, waarbinnen het verantwoorden van het groepsrisico noodzakelijk is. Derhalve wordt gesteld dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie

Vanuit het aspect 'omgevingsveiligheid' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.9 Trillingen

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Anders dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Toets

Middels voorliggend plan worden vier woningen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Zoals hierboven beschreven, zijn gebouwen met een woonfunctie, trillingsgevoelige gebouwen. Er zijn verschillende soorten trillingen, met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen.

Bronnen van trillingen zijn:

  • verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens, treinen en trams);
  • machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren);
  • bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken).

De aard van de trilling is afhankelijk van de eigenschappen van de bron:

  • de massa (zwaardere machines of transport zorgen voor grotere trillingen);
  • de snelheid (snellere machines of transport zorgen voor grotere trillingen);
  • de versnelling (onregelmatige bewegingen of krachtige machines en voertuigen zorgen voor grotere trillingen).

Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 6,6 km vanaf de dichtstbijzijnde spoorweg. Trillingshinder binnen het plangebied als gevolg van het treinverkeer op de spoorweg is redelijkerwijs niet te verwachten. Daarnaast bevindt het plangebied zich op een afstand van circa 5 tot 30 meter vanaf de Ootmarsumseweg, waarover zwaar verkeer kan plaatsvinden. Gelet op dat het industrieterrein van Albergen aan de westzijde van de kern is gelegen en de Ootmarsumseweg geen logische verbinding heeft met andere industrieterreinen binnen omliggende kernen, wordt geacht dat het aantal zwaar verkeer dat langs het plangebied rijdt beperkt is. Hierdoor wordt trillingshinder binnen het plangebied als gevolg van het wegverkeer op de Ootmarsumseweg niet aanwezig geacht. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect 'trillingen' geen belemmering vormt voor de uitvoering van voorliggend plan.

5.10 Archeologie en Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets

Archeologie

Uit de archeologische verwachtings- en advieskaart waardenkaart van de gemeente Tubbergen blijkt dat er een archeologische verwachting op het plangebied ligt. In figuur 5.7 is een uitsnede opgenomen van de waardenkaart. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode ster.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0020.png"

Figuur 5.7: archeologische verwachting binnen het plangebied (bron: Archeologische verwachtings- en advieskaart)

Uit figuur 5.7 bijkt dat het plangebied in stuwwalhellingen met vochtige zandige kleiige bodems ligt. Op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid geldt hiervoor een middelmatige archeologische verwachting voor archeologische resten uit alle periodes. Tevens kans op archeologische resten uit de Late Middeleeuwen in de nabijheid van stuwwalhellingen met een plaggendek. Verder vermoedelijk hoofdzakelijk losse vondsten. Archeologische resten vlak onder het maaiveld en hierdoor vaak minder goed geconserveerd.

Conform het beleidsadvies is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebied groter dan 5.000 m², bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek.

Hoewel binnen het plangebied bodemingrepen zullen plaatsvinden, hebben deze geen betrekking op een gebied groter dan 5.000 m². Dat betekent dat er op basis van het beleidsadvies vrijstelling geldt voor archeologisch onderzoek.

Erfgoed

Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig.

Conclusie

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan. Tevens wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

5.11 Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets

Met dit plan worden nieuwe woonfuncties mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Daarbij zullen bodemingrepen plaatsvinden. Hiermee is sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie (functie).

Ten behoeve van voorliggend plan is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering, en een aanvullend asbestonderzoek, opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering. In onderstaande alinea's worden de belangrijkste bevindingen, resultaten en conclusies beschreven. Voor de concrete inhoud wordt kordtheidshalve verwezen naar de bijlagen.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek

Resultaten veldwerk

Ten behoeve van het verkennend (asbest)bodemonderzoek zijn 13 inspectiegaten gegraven en zijn er drie boringen verricht, waarvan twee boringen zijn afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zand en klei. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen. In de puinlaag in inspectiegat 7 is visueel asbesthoudende vlakke plaat waargenomen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in de peilbuizen gemiddeld aangetroffen op 2.68 meter min maaiveld.

Resultaten analyses

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

Deellocatie A - vetvangput

  • de bovengrond A - BG is licht verontreinigd met kwik en PAK;
  • de ondergrond (A - OG) is niet verontreinigd;
  • het grondwater uit peilbuis A1 is (zeer) licht verontreinigd met barium, nikkel en zink.

Overig terrein

  • de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met PAK;
  • de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met PAK;
  • de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd;
  • boring 5.1 (0.3 - 0.6 m-mv) is zeer licht verontreinigd met kwik, zink en PAK;
  • de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd;
  • de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd;
  • het mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend;
  • het mengmonster MM FF - 02 is niet asbesthoudend;
  • het mengmonster MM FF - puin is niet asbesthoudend;
  • het puin in inspectiegat 7 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte overschrijdt in ruime mate de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek;
    het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium en zink.

Hypothese

De hypothese "verdachte locatie" voor het erf kunnen worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond.

De hypothese "onverdachte locatie" voor de ondergrond kan worden aangenomen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond.

De hypothese "onverdachte locatie" voor het grondwater dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond.

Het hypohese asbestverdacht voor de bodem kan worden verworpen, aangezien geen asbest is aangetoond. De hypohese asbestverdacht voor de puinlaag onder het asfalt kan worden geaccepteerd, aangezien plaatselijk asbest is aangetoond.

Conclusies en aanbevelingen uit het onderzoeksrapport

In de bovengrond A - BG, BG I, BG II, Boring 5.1 (0.3-0.6 m-mv) en in het grondwater (PB A1 en PB 1) zijn enkele licht verhoogde concentraties aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG III), de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

De vetvangput heeft geen aantoonbare negatieve invloed op de bodemkwaliteit, aangezien geen verontreinigingen met de verdachte stoffen zijn aangetoond.

De 2 mengmonsters van de fijne fractie van de grond (MM FF - 01 en MM FF - 02) en het mengmonster van de fijne fractie van de puinlaag (MM FF - puin) zijn niet asbesthoudend.

In inspectiegat 7 is het gewogen asbestgehalte ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Een nader asbestonderzoek conform NEN5897 is noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van de asbestverontreiniging in de puinlaag en of sanering noodzakelijk is.

Conclusie rapport

Na nader asbestonderzoek van de asbesthoudende puinlaag ter plekke van inspectiegat 7 en (indien nodig) een eventuele sanering, zijn uit milieukundig oogpunt geen bezwaren tegen de beoogde planologische wijziging en het nieuwbouw plan, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren.

Aanvullend asbestonderzoek

Strategie

Om meer inzicht te krijgen in de omvang van de asbesthoudende puinlaag bij inspectiegat 7 zijn drie inspectiegaten met een diameter van 0.35 meter in een driehoekraster rondom inspectiegat 7 geboord. Het opgegraven puin is over 20 mm gezeefd. De grove fractie (>20 mm) is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. Eventuele asbesthoudende lagen zijn niet bemonsterd, wel is het asbesthoudend materiaal gewogen. Van de visueel asbestvrije puinlagen is minimaal één mengmonster van de fijne fractie samengesteld en geanalyseerd op asbest. De inspectiegaten zijn gecodeerd als G1, G2 en G3. De situering van de monsterpunten en de boorbeschrijvingen zijn weergegeven in de bijlagen.

Veldwerkzaamheden

Ten behoeve van het aanvullend asbestonderzoek zijn er in totaal drie inspectiegaten geboord met behulp van een kernboring. Vervolgens is de onderliggende puinlaag beoordeeld en bemonsterd.

Het puin in inspectiegat G1 is visueel asbesthoudend (74 gram vlakke plaat). Op basis van de hoeveelheid asbesthoudende grove fractie bedraagt het gewogen asbestgehalte minimaal 400 mg/kg d.s. Van de fijne fractie uit de gaten G2 en G3 is een mengmonster samengesteld. Vanwege het gebrek aan fijne fractie uit de dunne puinlagen is niet de vereiste hoeveelheid fijne fractie van minimaal 25 kilo (droog) verkregen (gewicht veldnatmonster 23.2 kilo). De invloed op de analyseresultaten als gevolg van deze afwijking wordt gering geacht.

Asbestanalyse

De asbestanalyse is uitgevoerd door een, door de Raad voor Accreditatie erkend, laboratorium voor vezelonderzoek. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is het mengmonster samengesteld, zoals in onderstaande tabel (zie figuur 5.8) staat omschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0021.png"

Figuur 5.8: tabel 1 - samenstelling mengmonster (bron: aanvullend asbestonderzoek)

Resultaten asbestanalyse

De gewogen asbestgehalten zijn weergegeven in onderstaande tabel (zie figuur 5.9). Het analyserapport en de concentratieberekeningen zijn als bijlage opgenomen in het aanvullend asbestonderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01_0022.png"

Figuur 5.9: tabel 2 - gewogen asbestconcentraties (mg/kg droge stof) (bron: aanvullend asbestonderzoek)

In de derde kolom van tabel 2 in figuur 5.9 is de volgende codering toegepast:

  • n.a. : Geen asbest aangetoond.
  • Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
  • Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. 

Conclusie rapport

De gewogen asbestconcentraties in de inspectiegaten G2 en G3 zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek en dit aanvullend asbestonderzoek lijkt de asbesthoudende puinlaag, in gehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek, zich te bepreken tot de uiterste noordoosthoek van het parkeerterrein.

Verder nader asbestonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aangenomen wordt dat de puinfundering onder het asfalt op het noordoostelijke deel van de parkeerplaats sterk asbesthoudend is. De omvang van de sterk asbestverontreiniging in de puinfundatie, binnen de eigendomsgrenzen, wordt geschat op circa 10 m 3 (45 m 2 x 0.2 meter). De geschatte interventiewaardecontour van de asbestverontreiniging is weergegeven in het boorplan.

Geadviseerd wordt een plan van aanpak op te stellen en deze ter goedkeuring aan het bevoegd gezag (Inspectie Leefomgeving en Transport, ILT) voor te leggen. Het saneren van sterke verontreinigde puinlagen met asbest mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd.

Het verminderen of verplaatsen van de sterke asbestverontreiniging is niet toegestaan, zonder toestemming van het bevoegd gezag. Geadviseerd wordt bij graafwerkzaamheden elders op het terrein alert te blijven op “asbestnesten”. Indien tijdens werkzaamheden indicaties zijn voor een sterke asbestverontreiniging, dient het werk te worden gestaakt en het bevoegd gezag in kennis te worden gesteld.

Conclusie

Na sanering van de asbestverontreiniging is het plangebied, voor zover dit betrekking heeft op de locatie rondom inspectiegat 7, geschikt voor het beoogd gebruik en de bouw van de nieuwe woningen. Aangezien de sanering pas kan plaatsvinden nadat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is verleend, is in de bouwregels van voorliggend TAM-Omgevingsplan een verbod opgenomen. Hiermee wordt juridisch geborgd dat eerst sanering moet plaatsvinden alvorens gebouwd kan worden. Vanuit het aspect 'bodem' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.12 Waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.

In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.

Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:

  • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
  • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
  • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem

WRP Water en Rioleringsprogramma) 2025-2030

In het WRP 2025-2030 (Water en Riolerings Programma) geeft gemeente Tubbergen aan hoe ze invulling geeft aan de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. Kort samengevat:

  • Afvalwater wordt met riolering ingezameld en getransporteerd naar de zuivering van het waterschap, behalve bij veraf gelegen percelen in het buitengebied. De afvoer van afvalwateruit de directe leefomgeving dient voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu en is mede bedoeld om stankoverlast tegen te gaan.
  • Hemelwater wordt steeds meer gescheiden gehouden van afvalwater, met de bedoeling het te infiltreren in de bodem of te lozen op oppervlaktewater. Door de klimaatverandering komen extreme buien vaker voor. Om de bewoonbaarheid van de leefomgeving te verzorgen zijn er nieuwe of grotere opgaven vanuit klimaatadaptatie.
  • Voor grondwater heeft de gemeente een beperkte rol. Bij grondwateroverlast wordt door de gemeente een afweging gemaakt om in te grijpen in de grondwaterstand.
  • Vanuit de zorgplicht voor hemelwater en grondwater heeft de gemeente ook watergangen in beheer die in verbinding staan met het regionale oppervlaktewatersysteem dat door het waterschap wordt beheerd.

Weging van het waterbelang in voorliggend plan

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • grondwater;
  • oppervlaktewater;
  • regenwater en;
  • afvalwater.

Toets

Op te merken is dat de functie 'wonen' niet leidt tot milieubelastende activiteiten, waardoor het grondwater kan worden vervuild. Er vindt daarbij ook geen lozing plaats van industrieel afvalwater. Bovendien is in de nabije omgeving geen oppervlaktewater aanwezig, waarop er kan worden geloosd.

Van de vier woningen betreffen er twee nieuwbouw, waarvoor een aanluiting op het gemeentelijke rioolstelsel nodig is. Voor de twee woningen in het bestaande pand geldt dat er geen veranderingen zullen zijn, aangezien kan worden gesteld dat het pand al is aangesloten op de gemeentelijke riool.

De bergingseis op basis van het WRP bedraagt 40 mm per m2 aan verhard oppervlak. Dit is 0,04 m3 per m2 aan verhard oppervlak. De kavels van de nieuwe vrijstaande woningen zijn voldoende groot, waardoor in principe infiltratie op eigen terrein mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat onder de huidige planologische mogelijkheden het gehele plangebied verhard mag worden. In de toekomstige situatie zal dit niet wijzigen. Het gehele plangebied mag wederom verhard worden. Het theoretisch verharde oppervlak neemt dus niet toe ten opzichte van de bestaande situatie.

Ten behoeve van het plan is nog de watertoets doorlopen. Door beantwoording van de vragen is naar voren gekomen dat de korte procedure toegepast moet worden. De resultaten van de watertoets zijn als Bijlage 9 bij deze motivering opgenomen. Hoewel bij een korte procedure geen overleg met het waterschap noodzakelijk is, heeft er wel een overleg plaatsgevonden met het waterschap. Het waterschap heeft geen bezwaren.

Gelet op het vorenstaande wordt geacht dat het waterbelang in voorliggend plan voldoende is afgewogen. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Vanuit het aspect 'water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen

Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.

De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.

In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Toets

De initiatiefnemer is voornemens om het horecapand te verbouwen tot twee woningen. Tevens is de initiatiefnemer voornemens om ter plaatse van de parkeerruimte twee vrijstaande woningen te realiseren. Hiervoor wordt de huidige horecafunctie die van toepassing is op het plangebied gewijzigd naar een woonfunctie.

Rond de woonfunctie zijn agrarische gronden aanwezig. Het omgevingsplan bevat voor die gronden geen verbod, waardoor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in principe is toegestaan. Echter dienen de eigenaren van de agrarische gronden al rekening te houden met de bestaande horecafunctie waar mensen kunnen komen naar het restaurant en woonfunctie. Met de wijziging van de horecafunctie naar alleen wonen, wordt het plangebied niet gevoeliger waardoor de eigenaren van de agrarische gronden extra rekening gehouden dienen te worden. Het opnemen van de spuitzone wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Vanuit het aspect 'Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

Hoofdstuk 6 Financiele haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.

Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal, de financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkeling en nadeelcompensatie.

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.

Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Toelichting op de regels

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-Omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het TAM-Omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Ootmarsumseweg 182 Albergen’ wordt de realisatie van twee nieuwbouw woningen en de realisatie van twee woningen in het bestaande horecapand mogelijk gemaakt. De horecafunctie wordt vervangen door een woonfunctie en de bij de horecagelegenheid behorende bijbehorende bouwwerken worden gesloopt.

Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

7.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM- Omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 31 december 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'Ootmarsumseweg 182 Albergen', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMGKALBOOTMARS182-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

7.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

7.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • Artikel 1 : In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 2: Dit artikel bevat de wijze van meten.
  • Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-Omgevingsplan.
7.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

7.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 bevat ook algemene bepalingen. Ook deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Artikel 7: Anti-dubbeltelregel.
  • Artikel 8: Planologische gebruiksactiviteiten. In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Daarnaast wordt hierin het gebruik dat strijdig is met dit omgevingsplan beschreven.
  • Artikel 9: Regels parkeren. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Dit artikel bevat tevens regels ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
  • Artikel 10: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-Omgevingsplan.
7.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Verkeer (Artikel 4)

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wegen, straten en paden en parkeervoorzieningen. Er mogen op deze gronden enkel gebouwd worden ten dienste van de deze functie. Het is verboden om binnen deze functie gebruiksactiviteiten te verrichten die betrekking hebben op het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, het bedrijfsmatig gebruiken van de gronden en evenementen.

Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 5)

Een locatie die op de verbeelding behorende bij het voorliggende TAM-Omgevingsplan als zodanig is aangewezen, is bedoeld voor het wonen, met daaraan ondergeschikt speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke)berging en infiltratie van hemelwater, parkeervoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen. In onderstaande alinea worden de voor deze functie belangrijkste regels beschreven. Voor de overige regels wordt kortheidshalve verwezen naar Artikel 5.

Binnen deze functie mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met deze functie. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden. Daarbij dient de op de plankaart aangegeven maatvoering met betrekking tot de maximum bouw- en goothoogte gehanteerd te worden. Hoofdgebouwen worden vrijstaand, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' woningen tevens aangebouwd mogen worden, in welk geval het ter plaatse van de aanduiding genoemde aantal ten hoogste aaneen gebouwd mag worden. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per hoofdgebouw / bedrijfswoning ten hoogste 50% van het bouwperceel bedragen met een maximum van 250 m².

Waarde - Archeologie ( Artikel 6 )

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Binnen deze functie is de bouw van nieuwe bouwwerken in beginsel niet toegestaan. Dit verbod is niet van toepassing op bouwwerken en -projecten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' met een oppervlakte van niet meer dan 5.000 m2, waarbij de bodem niet op een grotere diepte dan 0,4 m wordt verstoord, dan wel voor bouwprojecten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen en een archeologisch onderzoek is uitgevoerd waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld. Voor de overige regels wordt kortheidshalve verwezen naar Artikel 6.