| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Rötgerinksweg 9 Reutum en Ossendijk 45 Langeveen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIROTGW9OSSD45-VG01 |
Aan de Rötgerinksweg 9 te Reutum bevindt zich een erf. Op het bestaande erf zijn een woonhuis met bijgebouw te vinden, die in een wat verstrooide opzet zijn gesitueerd, passend bij zowel het aanwezige essenlandschap als het matenlandschap. Het erf bevindt zich in de overgang van deze landschappen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen.
Aan de Ossendijk 45 te Langeveen bevindt zich een voormalig agrarisch erf. Op het bestaande erf zijn meerdere gebouwen terug te vinden in een rechtlijnige structuur, passend bij het hoogveen ontginningslandschap waarin het erf is gelegen. De locatie maakt eveneens deel uit van het buitengebied.
Aan de Rötgerinksweg (hierna ook ‘bouwlocatie’ genoemd) heeft de initiatiefnemer de wens om op het bestaande erf een extra woning te realiseren inclusief bijbehorende bouwwerken. Ter plaatse heeft initiatiefnemer een veehandelsbedrijf. Dit betreft echter kleinschalige bedrijvigheid ondergeschikt aan de woonfunctie. Zodoende wordt de functie ter plaatse omgezet naar woonfunctie. Om de tweede woning te realiseren wordt gebruik gemaakt van de rood-voor-rood regeling. De benodigde sloopmeters (1.200 m2) worden verkregen van de locatie Ossendijk 45 te Langeveen (hierna ook ‘slooplocatie’ genoemd).
Aan de Ossendijk zullen na inbreng van de 1.200 m2 sloopmeters voor het rood voor rood-woonrecht nog te slopen meters (400 m2) overblijven. Daarvan wil de eigenaar nog 75 m2 gebruiken op zijn eigen erf en de overige 325 m2 worden volgens de sloopverhouding binnen de schuur voor schuur regeling verplaatst naar de Rötgerinksweg (dat levert aldaar 212 m2 extra maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op).
De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.
Ligging planlocaties
Deellocatie Rötgerinksweg
Het plangebied ligt aan de Rötgerinksweg, in het buitengebied van Reutum. De dorpskern van
Reutum ligt ten zuiden van de planlocatie. Tubbergen ligt ten westen van de planlocatie en Ootmarsum ten oosten ervan. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie Q met perceelnummers 1821 en 1822. Een overzichtskaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van omliggende plaatsen Tubbergen en Ootmarsum (bron: Map5 kaarten)
Deellocatie Ossendijk
Het plangebied ligt aan de Ossendijk 45 in Langeveen. De dorpskern van Langeveen ligt ten noorden van de planlocatie. Geesteren ligt op enige afstand ten zuidoosten van de planlocatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie A, perceelnummers 8171 en 8172. Een overzichtskaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding.
Afbeelding 1.2: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van omliggende plaatsen Langeveen en Geesteren (bron: Map5 kaarten)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Conclusie belangenafweging
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Het "TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Rötgerinksweg 9 Reutum en Ossendijk 45 Langeveen" bestaat uit de volgende stukken:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.
Rötgerinksweg 9 Reutum
Het erf is rond 1900 terug te zien op de topografische kaart. In de jaren ‘60 hebben ontwikkelingen plaatsgevonden op het erf waardoor er destijds een woonhuis is gerealiseerd met een bijgebouw. Het erf bevindt zich op de zuidoostflank van het stuwwallencomplex van Ootmarsum en Vasse, in een overgangsgebied tussen het essenlandschap en het maten- en flierenlandschap. Aan de westkant van de locatie is nog een kleine es (kamp) terug te zien. Het gebied meer westelijk van de
locatie werd in gebruik genomen als gras- en hooilanden.
Het huidige erf heeft een aantal cultuurhistorische kenmerken, zoals de robuuste bomenrij ten zuidoosten van het perceel. Van een landschapsgerichte bewoningsvorm is hier geen sprake. De ontwikkelingen op dit erf zijn een uitgelezen kans om de cultuurhistorie en verbinding met de westelijk gelegen kamp terug te brengen. Het landschap waarin het erf zich bevindt is kleinschalig en besloten. Een weergave van het huidig erf en directe omgeving is onderstaand zichtbaar.
Op het erf zijn een woonhuis met bijgebouw te vinden. Het woonhuis is parallel aan de weg gesitueerd, met het bijgebouw gedraaid ten opzichte van het woonhuis, wat in het essenlandschap passend is. Het erf is aan de zuidoost zijde door houtopstanden omrand. Ten zuidwesten van het woonhuis staat een authentieke eik die in de nieuwe situatie een onderdeel wordt van het erf.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie Rötgerinksweg (bron: PDOK.nl)
Ossendijk 45 Langeveen
De slooplocatie in Langeveen bevindt zich in een grootschalig hoogveen-ontginningsgebied. Verschillende kenmerken van dit landschap zijn terug te vinden op de planlocatie, zoals de rechtlijnige bebouwingsstructuur en het grillige patroon van wegen. Op de slooplocatie is een afwisseling te zien tussen open landerijen en meer gesloten gebieden met bomensingels langs wegen en op de perceelsgrenzen.
Afbeelding 2.2: recente luchtfoto planlocatie Ossendijk, ingeklemd tussen twee andere erven (bron: PDOK.nl)
Rötgerinksweg 9 Reutum
In onderstaande afbeelding is de nieuwe erfsituatie zichtbaar. In de nieuwe situatie zal de nieuwe woning (E) dienen als hoofdwoning in het geheel. Het hart van het erf zal zich dus verplaatsen in zuidelijke richting (G). De nieuwe woning zal gerealiseerd worden in boerderijmodel en op een cultuurhistorische manier in het landschap gesitueerd worden. Dit betekent dat door voorkant van de woning van de straat af ligt (K), zoals dat in het verleden ook gebruikelijk was in het essenlandschap.
De voorkant was het domein van de ‘boerin’, met de keuken richting de voorkant waar zich ook de moestuin, siertuin en boomgaard bevonden. De achterkant van de woonboerderij zal richting de straat en de es gekeerd zijn. Hier was vroeger het werkterrein van de ‘boer’ gelegen, waar zich ook de ‘niendeur’ (inrijdeur) bevond. Vanuit de essen kon de oogst gemakkelijk naar binnen worden gebracht. In de nieuwe situatie op deze locatie kan deze opzet prachtig worden terug gebracht, waardoor de relatie met de es (H) aan de overkant van de weg in ere wordt hersteld (J). De bestaande bijbehorende bouwwerken (B en C) hebben in de nieuwe situatie geen verbinding meer met het geheel, waardoor deze gesloopt zullen worden. Er zal een nieuw bijgebouw worden gerealiseerd (D), behorend bij woning A. De hoofdwoning (E) zal een bijgebouw krijgen in de vorm van een kapschuur (F). Deze is passend gepositioneerd aan de straatkant met de dichte kant richting het zuidwesten wat de overheersende windrichting is.
De bestaande houtsingels zullen worden behouden (L) en aan elkaar worden verbonden met nieuw aan te planten bomen (eik en linde) (M). Ook op het erf zelf zullen een aantal solitaire bomen worden aangeplant die ervoor zorgen dat het nieuwe erf wordt ingepast in het landschap (N). In het nieuwe geheel zal de bestaande boom (I) een prominente plek krijgen, waardoor deze nu betrokken wordt bij het erf.
Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Rötgerinksweg (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Ossendiijk 45
Op deze locatie wordt een viertal gebouwen gesloopt, met een totaaloppervlakte van ongeveer 1.600 m2. De sloop van de gebouwen en het verwijderen van een deel van de erfverharding zal ten goede komen aan de landschappelijke kwaliteit op de locatie. Daarnaast wordt het erf in de nieuwe situatie landschappelijk ingepast. Aan de noordkant van de woning wordt een nieuwe houtsingel aangelegd (J), die ervoor zorgt dat de landschapsstructuur vanaf de weg wordt doorgetrokken. Daarnaast dient de singel als afscheiding tussen het erf en het bedrijf van de buren aan de Ossendijk 47/47a. De bomen aan de noordwest zijde (H) worden verwijderd, omdat deze niet passend zijn in de nieuwe situatie. De overige houtopstanden (F en G) zullen behouden blijven.
Afbeelding 2.4: nieuwe landschappelijke situatie Ossendijk 45 (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Rötgerinksweg
De ontwikkeling op dit erf is een uitgelezen kans om het karakter van het essenlandschap terug te brengen. De nieuwe woning zal de uitstraling krijgen van een boerderij en deze gaat duidelijk te
herkennen zijn als de hoofdwoning. De boerderij wordt op een passende manier gesitueerd op het erf, met de ‘niendeur’ naar de straatkant en de voorkant richting het landschap. Van oudsher is dit
een kenmerkende opzet, waarbij het erf goed toegankelijk was vanaf de achterkant van de boerderij. Aan de voorkant was de keuken gelegen van waaruit het landschap te zien was. Aan deze kant van
de boerderij bevond zich ook de siertuin en/of een fruitgaard. In de nieuwe opzet van dit erf staan de bijbehorende bouwwerken in een verstrooide opzet op het erf, maar hebben allemaal binding met het erf. De bestaande woning wordt in het nieuwe erfensemble betrokken, vandaar dat ook het bestaande bijgebouw wordt gesloopt, deze past niet in de nieuwe erfopzet. Daarnaast wordt de verbinding met de es weer zichtbaar, doordat de nieuwe woning een duidelijke relatie heeft met de es aan de noordwest zijde. De robuuste houtopstanden zullen worden versterkt met nieuwe aanplant.
Ossendijk
Er is sprake van een half open landschap met robuuste groenstructuren zoals zware houtsingels, laanbeplanting of boscomplexen. De structuren benadrukken het rechtlijnige karakter van het landschap. In een nieuwe situatie moet het landschap niet verder verdichten. Het halfopen karakter is een belangrijk kenmerk dat behouden moet blijven. Het plan moet derhalve voornamelijk van behoud uitgaan.
Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een rood voor rood ontwikkeling op de locaties Rötgerinksweg 9 in Reutum en Ossendijk 45 in Langeveen. Op de locatie Rötgerinksweg is een bedrijfsbestemming toegekend. Hoewel deze bedrijfsacitviteiten nog steeds aanwezig zijn, betreft het hier een bedrijfsomvang dat ondergeschikt is aan de woonfunctie. Het omzetten naar een reguliere woonbestemming met aanduiding voor de bedrijvigheid is daarom gewenst.
Het bouwen van de compensatiewoning past daarnaast niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie Rötgerinksweg. Bovendien dient de sloop op de locatie Ossendijk 45 vastgelegd te worden, zodat deze oppervlakte aan bebouwing niet opnieuw kan worden teruggebouwd. Deze ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege met onderdelen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en het plan 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'.
Rötgerinksweg 9, Reutum
De locatie Rötgerinksweg is voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’, met de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 3” en 'Waarde - Archeologie 4'.
Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: omgevingswet.overheid.nl)
Ossendijk 45
Binnen het omgevingsplan van rechtswege is het erf voorzien van de bestemmingen 'Agrarisch - 1' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Tevens zijn een bouwvlak en de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' van toepassing.
Afbeelding 3.2: uitsnede verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: omgevingswet.overheid.nl)
Zoals in de aanleiding reeds aangegeven past het bouwen van de compensatiewoning niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Bovendien dient de sloop op de locatie Ossendijk 45 vastgelegd te worden, zodat deze oppervlakte niet opnieuw kan worden teruggebouwd. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een VAB-locatie, omdat een voormalig agrarisch erf wordt omgevormd naar regulier woonerf, waarbij landschapsontsierende bebouwing wordt gesaneerd, maar met behoud van de (agrarische) karakteristieken en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Geconstateerd is dat een extra woning op de bestaande erflocatie Rötgerinksweg 9 een logische functie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling.
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Doorwerking in onderhavig plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. De agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Ossendijk zijn beëindigd en daarom wordt de voormalige bedrijfsbebouwing nu deels gesaneerd en de functie omgezet. Hier in de plaats mag een woning worden gebouwd op basis van de rood voor rood-regeling en de keuze is gemaakt om deze aan de Rötgerinksweg 9 in Reutum te realiseren. Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5 Woonvisie Tubbergen 2021+. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locaties liggen buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van herontwikkeling, waarbij bestaande agrarische bebouwing wordt gesaneerd en een compensatiewoning wordt gebouwd. Er zijn een aantal redenen waarom de compensatiewoning op locatie Rötgerinksweg gerealiseerd kan worden:
Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit
In de toelichting bij omgevingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).
Beoordeling van het plan:
Voor het plangebied is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening.
Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In dit artikel wordt een generieke mogelijkheid geboden om onder voorwaarden nieuwe ontwikkelingen
toe te staan in de Groene Omgeving. Deze regeling wordt 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' genoemd, omdat van deze nieuwe ontwikkelingen wordt verwacht dat ze een extra impuls opleveren voor investeringen in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Beoordeling van het plan:
Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Tubbergen. Deze meerwaarde vertaalt zich in:
In het onderhavig geval betreft het de ontmanteling van een agrarische bedrijfslocatie aan de Ossendijk, sanering van de voormalige bedrijfsgebouwen en de realisatie van één compensatiewoning met bijbehorende bouwwerken aan de Rötgerinksweg. Dit is in Bijlage 1 nader uitgewerkt en akkoord bevonden door de gemeente. Met inachtneming van dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt voldaan aan artikel 4.11.
Artikel 4.14: woonafspraken
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van één compensatiewoning met bijbehorende bouwwerken op basis van de rood-voor-rood-regeling. Door de sloop van landschapsontsierende bebouwing wordt het recht voor één extra wooneenheid verkregen. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Zoals uit paragraaf 4.1.5 Woonvisie Tubbergen 2021+ blijkt is er in de gemeente Tubbergen ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55: Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen van de eigenaren van Rötgerinksweg 9 en Ossendijk 45 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan de ontwikkeling voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie Rötgerinksweg gezorgd voor een (behoud van) diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij respecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen, vergezeld van passend landschappelijke ingrepen. Aan de Ossendijk wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt, zodat een kleinschaliger (traditioneel meer passend) erfensemble blijft behouden. Bovendien wordt voldaan aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het landschap, mede gelet op de (extra) investering in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Voor het voorliggende plan is in het deel Rötgerinksweg het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.
Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, Rötgerinksweg in rood aangekruist. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities:
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
De ontwikkeling van de woonfunctie binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.Het omvormen van de agrarische bedrijfsfunctie naar een reguliere woonfunctie na beeindiging van het agrarisch bedrijf is een passende activiteit in het mixlandschap.
De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities.
Ossendijk 45
Voor het voorliggende plan is in het deel Ossendijk het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' van toepassing.
Afbeelding 4.2: ontwikkelingsperspectief, Ossendijk in rood aangekruist. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Het ontwikkelingsperspectief biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).
De plannen aan de Ossendijk zorgen niet voor beperking van de agrarische bedrijven in de omgeving. Juist daarom wordt gekozen om de compensatiewoning niet op dezelfde locatie terug te bouwen, maar te verplaatsen naar een locatie die daarvoor meer geschikt is. De plannen zijn niet contrair aan het toegekende ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen op de overgang van dekzandvlakte en ruggen naar beekdalen en natte laagtes. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat. Soms vlak bij elkaar, soms ver van elkaar verwijderd. Daardoor is er sprake van hoogteverschillen. In de jaren zijn hoogteverschillen geërodeerd door de wind. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw.
Afbeelding 4.3: uitsnede kaart natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)
Laag van cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
Afbeelding 4.4: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)
Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden zoals het plangebied. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de grootschalige open heidecomplexen die pas laat zijn ontgonnen door - in eerste instantie - gebrek aan kennis.
De open essen en eenmansesjes kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. Al dan niet werden randen van de es beplant met houtsingels (steilrand beplanting) of houtwallen met een - langs de randen van de es - kleinschaliger landschap tot gevolg. Afhankelijk van de grootte van de es werden meerdere boerderijen rondom een es gebouwd zoals dit het geval is rondom het plangebied. Bij de essen en kampenlandschap is er vaak sprake van grillige wegenpatronen met een aaneenschakeling van landschapselementen rondom de kampen of essen en verspreid liggende erven.
Het plangebied ligt daarbij op de grens met het ‘maten en flierenlandschap’. Het betreft laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant dat tevens diende als scheiding tussen de percelen voor de beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden.
De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven.
Laag van de beleving
Het plangebied is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en deze waar mogelijk nog donkerder te maken. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities, woonfuncties hebben normaliter geen onevenredige lichtuitstraling, en ook voorliggende plan zal rekening houden met de beperking van lichtvervuiling.
Afbeelding 4.5: uitsnede kaart laag van de beleving (bron: provincie Overijssel)
Conclusie
Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
Speerpunten
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema's 'Aantrekkelijk wonen' en 'Toekomstgerichte agrarische sector' van belang.
Goede staat van landschap en natuur
De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Tubbergen, willen we behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor:
Buitengebied in balans
De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn:
Beoordeling van de plannen:
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het slopen van landschapsontsierende bebouwing, waarbij de (agrarische) bedrijfsbestemmingen worden omgezet naar een woonbestemming. De compensatiewoning die hieruit gebouwd kan worden gaat naar de locatie Rötgerinksweg. Een deel van de sloopmeters wordt daarnaast naar ditzelfde erf verplaatst in het kader van schuur voor schuur.
Door middel van een Ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 wordt het plangebied landschappelijk ingepast. Hiermee wordt het verval en de verkrotting van het karakteristieke erven voorkomen en bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse fors versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen'.
Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen binnen de gemeenten Tubbergen en Dinkelland zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Mede vanwege de opgaven in het buitengebied zijn bepaalde onderdelen geactualiseerd en aangevuld.
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
De volgende passages uit het beleid zijn relevant:
De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs behandeld.
3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden:
3.5 Extra woningen (Rood voor Rood)
Voor het toestaan van extra woningen binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden:
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’
Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5.
Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.
Beoordeling van plannen:
3.5 Extra woningen (Rood voor Rood)
Ter compensatie van de sloop van tenminste 1.200 m² aan landschap ontsierende gebouwen en een investering in ruimtelijke kwaliteit, mag een woning met bijgebouw(en) worden gerealiseerd met een inhoud/oppervlakte conform het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2016". Uitgangspunt is dat de compensatiewoning teruggebouwd wordt op de slooplocatie, dat is met het voornemen niet het geval.
Uit dossieronderzoek naar de situatie is een totale sloopoppervlakte van meer dan 1.600 m² voort gekomen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de sloopnorm voor een compensatiewoning. De restmeters worden ingezet om de oppervlakte bijbehorende bouwwerken aan de Rötgerinksweg te vergroten en 75 m2 daarvan wordt behouden aan de Ossendijk 45.
Alle landschap ontsierende gebouwen op de slooplocatie moeten worden gesloopt. Het is de wens om aan de Ossendijk bijbehorende bouwwerken te behouden. In dat kader worden maatregelen getroffen om de ruimtelijke uitstraling van deze bijbehorende bouwwerken te verbeteren.
Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze moet worden teruggebouwd op een slooplocatie. Aan deze voorwaarde wordt in dit geval niet voldaan. Het erf aan de Ossendijk 45 ligt ingeklemd tussen bedrijvigheid, waardoor een compensatiewoning niet op een goede wijze ingepast kan worden op de locatie waarbij voldaan wordt aan de aan te houden milieuafstanden. Als alternatief is de Rötgerinksweg zeer geschikt. Er is aldaar sprake van een bestaande erf, waarin een extra woning passend is in een te creeëren erfensemble. De locatie wordt voorzien van een woonfunctie. De milieuvergunning en planologische mogelijkheden voor uitoefening van een agrarisch bedrijf aan de Ossendijk worden ingetrokken. Aan de Rötgerinksweg zal een kleinschalige bedrijvigheid ondergeschikt aan de woonfunctie worden toegekend in plaats van de huidige niet-agrarische bedrijfsbestemming.
Voor de beoordeling van de nieuwe erfopzetten is het plan voorgelegd aan het Kwaliteitsteam. Dat heeft goedkeuring verschaft aan de opzet. Het Ruimtelijke kwaliteitsplan in Bijlage 1 voorziet in een juiste verbetering van ruimtelijke kwaliteit op de planlocaties.
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’
In onderhavig geval is sprake van de bouw van een extra woning. Daarbij wordt voldaan aan de sloopcompensatie voor een woontitel. Daarnaast worden de erflocaties landschappelijk ingepast. Zoals bovenstaand reeds is benoemd worden daarnaast de milieuvergunningen en de planologische mogelijkheden voor het agrarisch bedrijf aan de Ossendijk ingetrokken. Aan de Rötgerinksweg worden de locaties eveneens bestemd voor wonen. Met inachtneming hiervan wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen.
3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Aan de Rötgerinksweg heeft de initiatiefnemer de wens om een woning te realiseren inclusief
bijgebouw. Om dit te realiseren zal de initiatiefnemer gebruik maken van de rood-voor-rood regeling. De benodigde sloopmeters (1.200 m2) worden verkregen aan de Ossendijk 45 te Langeveen. Echter zullen er aan de Ossendijk nog sloopmeters (400 m2) overblijven. Daarvan wil de betreffende eigenaar nog 75 m2 gebruiken of zijn eigen erf en de overige 325 m2 worden volgens de sloopverhouding binnen de schuur voor schuur regeling verplaatst naar de Rötgerinksweg. Dat levert 212 m2 extra schuur oppervlakte op conform de slooptabel. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden voor schuur voor schuur.
Resumerend
De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Tubbergen.
De provincie Overijssel heeft met de Twentse gemeenten (waaronder Tubbergen) woonafspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering binnen de regio Twente. Hierbij zijn afspraken gemaakt over de hoeveelheid woningen die gemeenten in de komende jaren gaan bouwen binnen deze regio.
Op 5 juli 2021 is de gemeentelijke woonvisie (Woonvisie 2021+) vastgesteld door de gemeenteraad van Tubbergen. De visie is een nadere uitwerking van MijnOmgevingsvisie omtrent het thema wonen. De hoofddoelen zijn volgens de woonvisie
In 2017 zijn de regionale woonafspraken Twente (RWP) gemaakt. Deze waren gebaseerd op Primos2017 en de LVDV en vormden voor de Twentse gemeenten het kader voor de woonprogrammering. Op basis van deze (in 2019 geactualiseerde) regionale afspraken is het gemeentelijk woningbouwprogramma opgesteld met een verdeling van het aantal te bouwen woningen over de kernen op basis van verwachte huishoudensgroei.
Voor de komende jaren gaat de gemeente uit van een woningbehoefte die een middeling is van verschillende prognoses (RWP, Companen, Primos2020, CBS Bovengrens-scenario en Companen - trendraming). Dit betekent dat we uitgaan van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. Ruim de helft van de woningbehoefte landt in de drie grotere kernen.
Een aantal van 40 woningen wordt gereserveerd voor woningen in het buitengebied. De overige 40 woningen worden niet op voorhand toegewezen maar kunnen vrij worden toegewezen aan kansrijke plannen die zich voor doen (knelpuntenpot).
Daarnaast blijven op beperkte schaal overige mogelijkheden voor woningbouw in het buitengebied. Die zijn vooral gekoppeld aan de rood voor rood regeling. Door de gestage daling van het aantal agrarische bedrijven is er in de afgelopen jaren een toename gezien in het aantal aanvragen voor de rood voor rood regeling. Woningbouw op deze plekken biedt de mogelijkheid om vrijgekomen agrarische bebouwing te verwijderen. Het is wel belangrijk dat de te realiseren woningen tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied leiden.
In de woonvisie is aangegeven dat de gemeente sterk inzet op de realisatie van koopwoningen voor starters en levensloopgeschikte woningen voor ouderen. Een (beperkt) deel van het woningbouwprogramma wordt gericht op de ontwikkeling van (koop)woningen voor gezinnen.
Beoordeling van de plannen:
Voorliggend omgevingsplan voorziet in de bouw van een compensatiewoning in het kader van de Rood voor Rood-regeling. Er is sprake van een concrete behoefte voor de woning. Daarnaast past de woning binnen de reservering van 40 woningen voor het buitengebied in het kader van Rood voor Rood. De compensatiewoning past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
Geconcludeerd wordt dat voorliggend voornemen in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart).
afbeelding 4.6: fragment van de cascokaart ter plaatse van Rötgerinksweg (bron: geo.overijssel.nl)
afbeelding 4.7: fragment van de cascokaart ter plaatse van Ossendijk (bron: geo.overijssel.nl)
Beoordeling van plannen:
Bouwlocatie Rötgerinksweg 9, Reutum
Op de planlocatie is sprake van een casco element aan de zuidoost kant van het erf. Echter, de ontwikkeling van het erf zal geen gevolgen hebben voor het bestaande casco element. Dit zal behouden blijven.
Slooplocatie Ossendijk 45, Langeveen
Op de slooplocatie zijn geen casco elementen te vinden die gevolgen zullen hebben voor de sloop van een aantal gebouwen op deze plek.
Resumerend
De ontwikkeling heeft daarom geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.
De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval van toepassing, omdat het beelkwaliteitsplan voor rood voor rood is vastgesteld als aanvulling op de nota. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning.
Voor het plan geldt het standaard beeldkwaliteitsplan voor rood voor rood-projecten. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is:
Voor de onderhavige ontwikkeling zijn omwonenden van beide locaties benaderd om de plannen te bespreken. Voor beide locaties geldt dat de reacties vanuit omwonenden positief zijn. Aan de Rötgerinksweg geldt dat omwonenden blij zijn dat de jongere generatie de kans krijgt om te blijven wonen in deze omgeving.
Initiatiefnemers zijn blij met de de gegeven input. De gemaakte opmerkingen op dit moment geven geen aanleidingen om planwijzigingen aan te brengen.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Uit artikel 5.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en conform de rood voor rood regeling één compensatiewoning gebouwd mag worden. Deze woning wordt gerealiseerd aan de Rötgerinksweg. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien geeft het plan invulling aan een ruimte voor ruimte-regeling.
Conclusie
Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De voorgenomen activiteit voor het saneren van landschapsontsierende bebouwing en het in plaats hiervan bouwen van één compensatiewoning staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Het voorliggend plan voorziet in de sanering van een agrarisch erf aan de Ossendijk en de nieuwbouw van een compensatiewoning aan de Rötgerinksweg. Aan de Ossendijk is geen sprake van toename aan verkeersbewegingen.
Aan de Rötgerinksweg zal sprake zijn van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (8,4 verkeersbewegingen) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van één extra woning.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Tubbergen dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval wordt in de nieuwe situatie een vrijstaande woning gebouwd. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4) afgerond drie parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving, doordat er op eigen erf wordt voorzien in de parkeervoorziening.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Door Natuurbank Overijssel is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de wet- en regelgeving voor wat betreft ecologie waaronder gebiedsbescherming. Het rapport is opgenomen in Bijlage 5. De bevindingen worden onderstaande paragrafen benut.
Het plangebied (beide deelgebieden) behoort niet tot Natura 2000-gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiks- en ontwikkelfase voor het deelgebied Rötgerinksweg 9. Voor het deelgebied Ossendijk 45 geldt dat een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten kan worden voor de ontwikkelfase. In de nieuwe situatie vinden geen extra verkeersbewegingen van en naar het deelgebied Ossendijk 45 plaats. Er wordt immers enkel een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en het niet toenemen van verkeersbewegingen in de nieuwe situatie, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor de gebruiksfase in dit deelgebied niet nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen voor beide deelgebieden uitgesloten worden.
Stikstofdepositie
Voor de ontwikkeling is in AERIUS een berekening gemaakt naar de gevolgen voor stikstofdepositie. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 6 en de bevindingen zijn onderstaand samengevat.
Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden te weten: Ossendijk 45 te Langeveen en Rötgerinksweg 9 te Reutum. Het voornemen bestaat om aan de Ossendijk 45 de stallen en de schuur te slopen en vervolgens aan Rötgerinksweg een nieuwe woning met twee bijbehorende bouwwerken te realiseren. Tevens wordt er een bijgebouw gerealiseerd aan de Ossendijk 45. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur.
Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000-gebied(en).
In het bijgevoegde rapport worden de gehanteerde uitgangspunten voor het berekenen van de emissie/depositie tijdens de ontwikkelfase- en gebruiksfase besproken, evenals de berekende depositie in Natura 2000-gebied.
Resultaten ontwikkelfase
De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 42,7 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,4 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage aan het rapport toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkelfase.
Resultaten gebruiksfase
De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 0,1 kg/jaar en een NH3-emissie van 12,1 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage 2 toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de gebruiksfase.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
Ossendijk 45
Het plangebied ligt op minimaal 1,19 kilometer van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomogeving.nl/kaarten).
Rötgerinksweg 9
Het plangebied ligt op minimaal 414 meter van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomogeving.nl/kaarten).
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat beide deelgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet
getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
Conclusie
De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Situatie plangebied
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. In het deelgebied Ossendijk 45 nestelen mogelijk vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieen een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in dit deelgebied, maar benutten het wel als foerageergebied. Het deelgebied Rötgerinksweg wordt door beschermde vogel-, amfibie-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten uitsluitend benut als foerageergebied.
Als gevolg van het slopen van de schuur (met kapschuur), het verwijderen van beplanting en het verwijderen van nestkast tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied
bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en
voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging
vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten samengevat:
Het aspect soortenbescherming met inachtneming van vorenstaande staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
Situatie plangebied
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Rötgerinksweg en de bouw van een compensatiewoning op de locatie. Daarom is bekeken wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit een vrijstaande woning bijdraagt. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 5.2: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
Een nadere beschouwing van de geluidsbelasting voor deze onderdelen is daarom noodzakelijk.
De Rötgerinksweg betreft een 60 km/u weg die wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een behoorlijk aangehouden afstand ten opzichte van de weg voor de nieuwe woning.
De nieuwe woning komt namelijk op grotere afstand van de weg dan de huidige bestaande woning. De geluidskaart in de Atlas Leefomgeving laat dan ook zien dat er geen waarden boven de 48 dB zijn te verwachten ter hoogte van de nieuwe woning. Zo wordt bijvoorbeeld voor de voorgevel van de huidige woning slechts een geluidsbelasting van maximaal 45 dB aangegeven. Zie onderstaande fragment uit de geluidskaart.
Afbeelding 5.1: fragment geluidskaart wegverkeerslawaai, plangebied aangepijld (bron: Atlas Leefomgeving)
Een goed woon- en leefklimaat wordt hierbij gegarandeerd doordat de verkeersintensiteiten op de Rötgerinksweg laag zijn, de nieuwe woning op circa 30 meter uit de weg gesitueerd wordt en er geen metingen boven de voorkeurgrenswaarde gedaan zijn volgens de geluidskaarten wegverkeerslawaai uit de Atlas leefomgeving. Voor wat betreft railverkeer geldt dat geen spoortraject in de nabijheid aanwezig is.
Industrielawaai
Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.
Soliaire bedrijvigheid
De dichtstbijzijnde geluidspoducerende activiteit buiten het plangebied betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf waarvan het bedrijfsperceel op circa 175 meter van het onderhavig plangebied ligt. Het is een bedrijf waarop de activiteit 'Akker-en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (niet intensief)' uitgeoefend kan worden met een maximale score van 1 voor geluid.
Voor geluid geldt dat er score 1 een indicatieve afstand geldt van 50 meter voor geluidsactiviteiten. Het bedrijf ligt op fors grotere afstand, zodoende wordt het bedrijf niet belemmerd en voldoet de ontwikkeling aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Beoordeling van de plannen:
Onderhavige plannen maken een transformatie op het erf Rötgerinksweg 9 in Reutum mogelijk en voorzien dit erf van een extra woning. De betreffende ontwikkeling beoogd daarmee om een nieuw geurgevoelig object te realiseren. Aan de Ossendijk is enkel sprake van behoud van een bestaande woning en wijzigt daarmee voor het aspect geur niets.
Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf nabij Rötgerinksweg 9 betreft het erf Snoeymansweg 31 in Reutum. De locatie ligt op minstens 175 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. De onderlinge afstand is ruim meer dan de benodigde vaste afstand van 50 meter conform artikel 5.112 van het Bkl. Tevens ligt aan de Snoeymansweg 22 een intensief agrarisch bedrijf op een afstand van 290 meter van de nieuw te bouwen woning. Gezien de ruime onderlinge afstand worden belemmeringen vanuit geur niet voorzien. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 5.3: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 200 m van de nieuwe woning de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een opslag van propaan. De compensatiewoning ligt echter buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Situatie plangebied
Voorliggend project heeft betrekking op een ruimte-voor-ruimte regeling. Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
Conclusie
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Situatie plangebied
Op de locatie Ossendijk worden geen nieuwe bodemingrepen gepleegd. Bestaande gebouwen worden gesaneerd op grond van de rood voor rood-regeling. Grond ter plaatse van deze bebouwing is reeds geroerd, daarmee heeft het aspect archeologie geen gevolgen voor de locatie Ossendijk.
Onderstaand is voor de Rötgerinksweg een uitsnede van de gemeente verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeelding 5.4: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, planlocatie aangegeven met blauw (bron: gemeente Tubbergen)
Binnen het plangebied gelden alle vier bodemtypen voor wat betreft archeologie.De meest hoge waarde komt toe aan dekzandhoogten en -ruggen. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is vanaf 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. De plannen in het kader van rood voor rood overschrijden deze oppervlakte en diepte niet. De bodemingrepen binnen het plangebied blijven ruim beneden de 2.500 m2. Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft.
Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat binnen het plangebied enkele gebouwen aanwezig zijn die karakteristieke elementen bevatten. Daarmee is behoud van deze gebouwen op het erf gewenst. De gebouwen worden ook niet meegenomen in de sloop en blijven behouden.
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Situatie plangebieden
Rötgerinksweg
Op een locatie gelegen aan de Rötgerinksweg 9 te Reutum, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: Q, nummer(s): 1821, 1822 is op 21 mei 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2.
De locatie betreft een woning met twee schuren, tuin en landbouwgrond. Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen en nieuwbouw te realiseren op de locatie. De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest.
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740.
Gehele locatie
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet
noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Ossendijk
Op een locatie gelegen aan de Ossendijk 45 te Langeveen, kadastraal bekend gemeente: Tubbergen, Sectie: A, nummer(s): 8171, 8172 is op 23 en 24 mei 2024 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707/5897 uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd in Bijlage 3.
De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Op de locatie is een woning met een viertal varkensschuren aanwezig; een jongveestal, machineberging en een kapschuur. Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen van agrarisch naar wonen en een deel van de schuren te slopen.
Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht
beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.
Verkennend bodemonderzoek NEN5740
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een
bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.
Gehele locatie
Vml dieseltank
Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" & NEN5897 “asbest in puin”
Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie asbestverdachte materialen
op het maaiveld aangetroffen in de machineberging. De asbesthoudende materialen dienen tijdens
de sanering van de opstallen middels handpicking verwijderd te worden.
Gehele locatie
Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de
aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Druppelzones
Ter plaatse van de druppelzones zijn twee inspectiesleuven gegraven. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond.
Eindconclusie
Op basis van verrichtte onderzoek wordt nader bodemonderzoek voor de planlocaties niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocaties zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Watertoetsproces
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 27-06-2024 de digitale watertoets uitgevoerd voor de locatie Rötgerinksweg, bijgevoegd in Bijlage 4. Voor de locatie Ossendijk geldt dat aldaar enkel landschapsontsierende bebouwing gesloopt wordt, de bestemming wordt omgezet naar wonen en de hoeveelheid verharding wordt verminderd. Dit is niet in strijd met de uitgangspunten van het waterschap, maar draagt juist bij aan doelstellingen voor wat betreft waterhuishouding.
De procedure in het kader van de watertoets is voor de Rótgerinksweg goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan.
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het perceel wordt in de toekomstige situatie omgeven door groenstructuren en agrarische onbebouwde gronden. Hemelwater vanaf de verharding kan daarmee vertraagd infilteren in de omgeving, waarvoor voldoende ruimte bestaat. Afvalwater wordt conform de huidige voorziening aan de Rötgerinksweg 9 verwerkt, daarin wordt zodoende geen wijziging aangebracht. Voor het overige hebben de functies en de grootte van het plan een geringe invloed op de waterhuishouding.
Het aspect water vormt met inachtneming van vorenstaande geen belemmering voor het planvoornemen.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering'.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag wordt gehanteerd. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
Voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van voormalig agrarische bebouwing aan de Ossendijk 45 en de realisatie van een compensatiewoning aan de Rötgerinksweg 9. De sloop van de landschapsontsierende bebouwing en de verdere ontwikkelingen aan de Ossendijk brengen geen onoverkomenlijke verandering qua milieuzonering. Juist wordt een agrarische bedrijfsbestemming gesaneerd, waardoor gunstige milieueffecten ontstaan voor de omgeving van de planlocatie.
Beoordeling van de plannen:
Rötgerinksweg
Met de beoogde toevoeging van de extra woonfunctie binnen het plangebied aan de Rötgerinksweg worden in feite geen onoverkomelijke wijzigingen aangebracht als het gaat om milieuzonering. De omgeving kenmerkt zich als buitengebied met verspreide (woon)erven. Deze erven ondervinden geen hinder vanuit de nu voorliggende ontwikkeling.
De functie wonen kent namelijk geen milieucategorie c.q. milieubelasting. Binnen de woonfunctie aan de Rötgerinksweg 9 wordt in de toekomstige situatie een kleinschalige bedrijvigheid ondergeschikt aan de woonfunctie uitgevoerd in de vorm van een veehandelsbedrijf. Voor dit bedrijf vindt eigenlijk enkel opslag van daarvoor benodigde materialen en voertuigen plaats op de planlocatie. De veehandel houdt in dat vee verhandeld wordt, daarvoor vinden transportbewegingen elders plaats.
Qua bedrijvigheid op de planlocatie wordt daarom de meeste aansluiting gevonden bij enkel de opslag en stalling hiervoor. De activitieit 'Opslaggebouwen' is daarom de activiteit waarbij de meeste aansluiting wordt gevonden. Deze activiteit kent een lage milieubelasting (score 1 voor geluid en functiemenging voor geur). De nieuwe woning op hetzelfde erf evenals de omliggende gevoelige objecten (woningen) - op minimaal 100 meter van de het plangebied - ondervinden geen hinder van deze bedrijvigheid. Te meer omdat ten opzichte van de huidige situatie wordt afgeschaald vanaf een bedrijfsbestemming (met bredere bedrijfsmogelijkheden) naar een ondergeschikte bedrijfsfunctie. Er wordt één compensatiewoning toegevoegd binnen het plangebied Rötgerinksweg, waarbij ook de bestaande woning op de locatie gehandhaafd blijft.
Ossendijk
Op de locatie Ossendijk wordt de mogelijkheid voor agrarische bedrijvigheid verwijderd. De bestaande bedrijfswoning wordt daarmee omgevormd naar een reguliere woning. Beide woningen genieten echter bescherming tegen omliggende bedrijvigheid, daarmee is er geen sprake van een wijziging voor wat betreft milieuzonering.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
Ossendijk
Op de locatie Ossendijk is sprake van een bestaande agrarische bedrijfswoning waarvan uitsluitend de functie wijzigt in wonen. Op basis hiervan kan de situatie aangemerkt worden als een bestaande situatie waarvoor een spuitzone niet nodig is.
Rötgerinksweg
Voor de bestaande en nieuwe woning zijn aparte functievlakken 'Wonen' opgenomen in het plan. Voor de bestaande woning geldt hetzelfde als voor de locatie Ossendijk dat er sprake is van een bestaande woning.
Voor de nieuwe woning geldt in principe dat een spuitzone van 50 meter opgenomen dient te worden rond het functievlak van de nieuwe woning. Op in eigendom zijnde gronden wordt de spuitzone op de verbeelding opgenomen. Voor overige omliggende percelen kan het volgende gemotiveerd worden:
Conclusie
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegelaten op de in eigendom zijnde gronden binnen een zone van 50 meter bij de nieuwe woning. In de regels is dat tot uitdrukking gebracht door een gebiedsaanwijzing voor de genoemde gronden op te nemen.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Rötgerinksweg 9 in Reutum en Ossendijk 45 in Langeveen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIROTGW9OSSD45-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocaties opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functies:
- Artikel 6 Waarde - Archeologie 3
- Artikel 7 Waarde - Archeologie 4
- Artikel 8 Overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan
- Artikel 9 Overige zone - vrijwaringszone radarverstoringsgebied
Zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het te verwijderen deel van het bouw- of bestemmingsvlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten voor zover nodig. Voor het overige blijven de bepalingen van toepassing verklaard.
Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied
De locaties aan de Ossendijk en Rötgerinksweg zijn voorzien van een woonfunctie. De planregels komen vanuit het omgevingsplan van rechtswege en zijn op enkele punten gespecificeerd op de planvorming.
De nieuwe woning en het bijbehorende bouwwerk zijn specifiek aangeduid om zo de beoogde erfsituatie te garanderen. Bovendien past deze opzet van bijgebouw voor de woning niet bij recht binnen de planregels. Bij de huidige woning aan de Rötgerinksweg is de extra oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken vastgelegd.
Op de locatie Ossendijk is de resterende oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken vastgelegd om te voorkomen dat te slopen bebouwing teruggebouwd kan worden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 11 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 12 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In artikel 11 zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.