| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Buitengebied Kupersweg 14 Tubbergen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIKUPERSWEG14-VG01 |
Er is sprake van nieuwe ontwikkelingen op het voormalig agrarisch erf aan de Kupersweg 14 in Tubbergen. Op het erf is een cultuurhistorisch waardevolle boerderij aanwezig die niet meer als woning in gebruik is, maar als bijbehorend bouwwerk fungeert bij de huidige woning.
Het voornemen is om de huidige woning los te koppelen van de voormalige boerderij. De wens is om de karakteristieke boerderij te behouden en deze om te vormen naar een reguliere woning via de daarvoor opgenomen regeling in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. Daarmee zijn er in de toekomstige situatie twee woningen aanwezig op het erf. De bijbehorende bouwwerken blijven behouden.
De genoemde ontwikkelingen zijn in het huidig omgevingsplan van rechtswege niet zonder meer mogelijk of kunnen niet geborgd worden. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader beoogd om de plannen mogelijk te maken. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling en toetst deze aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Ligging planlocatie
Een topografische kaart met daarop het plangebied aangegeven met een rode stip is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het erf.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met Kupersweg 14 rood aangegeven ten opzichte van nabijgelegen kern Tubbergen (bron: arcgis.com)
Het plangebied ligt aan de Kupersweg 14 in Tubbergen, ten noorden van de kern Tubbergen. De locatie Kupersweg 14 staat kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie L met perceelnummers 1610, 2153 en 2154. Dit is weergegeven op afbeelding 1.2.
Afbeelding 1.2: Weergave van kadastrale percelen Kuperswewg 14 (bron: kadastralekaart.com)
De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Met een TAM-IMRO omgevingsplan kan het omgevingsplan gewijzigd worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overlegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Conclusie belangenafweging
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
In het buitengebied van Tubbergen is het erf van de initiatiefnemer gelegen. Het erf ligt in afwisselend landschap van het grootschalig dekzandgebied en de beekdalen. Er is een samenkomst van meerdere landschappen, het kampenlandschap, het matenlandschap en de nabijgelegen voormalige heidevelden. Het erf is gelegen in een uitloper van het kampenlandschap. De essen- en kampenlandschappen behoren tot de oudste van Nederland. Nadat de grotere essen in gebruik waren genomen, volgden de kleinere essen of kampen die gebruikt werden door één boer. De essen en kampen werden voornamelijk gebruikt voor graan, de beekdalen voor gras en hooi, en de heide leverde plaggen voor de potstal. De boerderijen bij de kampen waren kleiner. Boerderijen bij de grote essen waren relatief groot, met ruimte voor veel vee, hooi en bewoning. Vaak stonden er meerdere bijgebouwen op het erf.
De boerderij staat al op kaarten van 1850 en heeft kenmerken uit die tijd, zoals de achtergevel met die uitzondering dat er kenmerken zijn dat de muren aangesmeerd zijn geweest met leem. De boerderij staat nog altijd op dezelfde plek en is zaken zoals brand of sloop bespaard gebleven. Vaak worden zulke boerderijen gesloopt, maar de huidige eigenaar wil dit historische erfgoed en het verhaal van het Twentse landschap juist behouden en waar mogelijk het erf herstellen.
Het landschap
Het plangebied ligt ten noorden van Tubbergen in een grootschalig dekzandgebied wat door beekdalen wordt doorsneden. De beekdalen voeren het water van de hogere delen af. De overgangsgebieden van hoog naar laag bleken geschikt als landbouwgronden en om erven te stichten. De grond was er vruchtbaar en mensen konden hier veilig en droog wonen. Het beekdal was essentieel om als gras- en hooiland te dienen.
Huidige indeling
Het erf is op historische kaartbeelden van voor 1850 te herkennen. Er is sprake van een cultuurhistorische opzet: de boerderij staat nog altijd op dezelfde plek. De boerderij is in de jaren ten dele verbouwd, maar belangrijke cultuurhistorische kenmerken zijn bewaard gebleven. Zo is bijvoorbeeld de achtergevel nog grotendeels in originele staat. Later is het erf aangevuld met enkele schuren en een nieuwbouwwoning. Deze hebben geen verbinding met het verleden, maar vormen wel een compact erfensemble. Er liggen kansen om het erf deels te herstellen.
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie en omliggende gronden Kupersweg 14 (bron: Streetsmart)
Afbeelding 2.2: vogelvlucht aanzicht huidige erfsituatie Kupersweg 14 (bron: Streetsmart)
Met de ontwikkeling wordt er een reguliere woning toegevoegd door de karakteristieke boerderij te renoveren. Daarmee is er sprake van twee woningen op het erf.
Er is reeds sprake van een zeer acceptabele compacte erfopzet. Er is geen reden om dat aan te passen en dus blijven de woning (A in afbeelding 2.3), boerderij (B) en 2 bijbehorend bouwwerken (C) staan. De gebouwen A en B zijn onderling met elkaar verbonden met een corridor. De boerderij is van ver voor 1900 en heeft nog altijd originele delen daarvan. Om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren wordt er enkel een bijgebouw gesaneerd (D).
Over het algemeen zijn de grotere boerderijen voorzien van een nieuwe invulling, maar de zogeheten keuterboerderijtjes zijn nagenoeg allemaal verdwenen. De inhoud c.q. de omvang was te klein en/of de staat te slecht. De Kupersweg 14 herbergt nog zo'n keuterboerderijtje (B) in redelijke staat. Om het verhaal van het oorspronkelijke landschap te kunnen blijven vertellen wil de gemeente karakteristieke panden behouden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente afgesproken dat er een nieuw (extra) woonrecht kan worden toegekend als de karakteristiek behouden blijft.
De totale inhoud van de boerderij is circa 650 m3. Het aanhangende bijbehorende bouwwerk kan multifunctioneel worden gebruikt en dus ook in te zetten als extra kantoor- of bergruimte. De huidige woonfunctie blijft gehandhaafd.
Nieuwe situatie erf
Om de erfsituatie kwalitatief te verbeteren worden er verschillende verbeteringen doorgevoerd. Aan de achterzijde van de boerderij (kant van de niendeur) wordt een winterlinde aangeplant (J), om op termijn het achtererf karakter te geven. Aan de voorzijde van de boerderij wordt een 'moestuin' (G) aangebracht met haagelement en een drietal fruitbomen die op informele wijze worden aangeplant. Aan de oostzijde van de boerderij wordt een walnoot aangeplant (J) relatief kort bij een paardenkastanje. De laatstgenoemde heeft veel last van de kastanjebloedingsziekte.Vanwege deze ziekte wordt voorgesteld om zijn vervanger al aan te planten. Daardoor kan de nieuwe boom, een walnoot, alvast op sterkte komen om op termijn de beeldbepalende en karakteristieke waarde over te nemen. De bestaande houtopstanden (K) blijven behouden en worden al dan niet aangevuld met heestersoorten voor een hogere biodiversiteit. Tevens blijft een knotlinde (H) en een paardenkastanje (I) behouden.
Rondom de woning worden op termijn gebakken waalformaten aangebracht (F). Tot slot wordt op de middellange termijn het beton op het erf vervangen door een gebakken product. Daarin worden accenten van een karrespoor gelegd om de cultuurhistorie nog verder te benadrukken.
Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke erfsituatie (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Onderstaand is de karakteristieke boerderij (B op de situatietekening) zichtbaar vanaf het erf, oftewel de noordgevel, en vanaf de zuidgevel. De onderste afbeelding geeft de nieuwe situatie weer voor beide gevels.
Afbeelding 2.4: aanzicht huidige karakteristieke boerderij, noordgevel (boven) en zuidgevel (onder)
Afbeelding 2.5: Schets nieuwe situatie noordgevel (boven) en zuidgevel (onder) karakteristieke boerderij (bron: Buro Anno 1998)
Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit
De volgende maatregelen worden genomen t.b.v. de ruimtelijke kwaliteit:
Met de voorgenomen ontwikkeling kan voldaan worden aan het gestelde beleid.
Het landschap rondom het plangebied is aanvankelijk erg kleinschalig geweest. De kampen waren vanzelfsprekend open, maar rondom was er een aaneenschakeling van houtwallen en -singels met daaraan gekoppeld de verspreid liggende erven. Het kenmerkende coulissenlandschap rondom het plangebied is ten dele gesneuveld door de jaren heen, maar desondanks is het gebied nog herkenbaar door belangrijke landschappelijke dragers. Vooral de meer robuuste elementen langs wegen of met een functie zijn bewaard gebleven. Met het voorliggend plan wordt herstel van de landschapskenmerken toegepast. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in een inpassing die aansluit bij deze karakteristieken.
Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een herontwikkeling van het erf Kupersweg 14. Op de planlocatie is een woonfunctie toegekend. De bedrijfsactiviteiten zijn in het verleden al gestaakt. Het omvormen van de karakteristieke boerderij naar een reguliere woning is gewenst met de bouw- en gebruiksmogelijkheden die invulling kunnen geven aan het toekomstig gebruik.
Het gebruiken van de huidige karakteristieke (voormalige) boerderij als woning past bijvoorbeeld niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de planlocatie. Bovendien dient de huidige bebouwingsoppervlakte aan bijbehorende bouwwerken vastgelegd te worden.
Deze gezamenlijke ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'. Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie.
Het plangebied Kupersweg 14 heeft de functies 'Wonen' en 'Waarde - Archeologie 4'. Het omvormen van een karakteristiek pand naar een woning is binnen de functie zonder meer niet toegestaan, aangezien er slechts één woning is toegestaan. Er is hierbij geen omgevingsplanactiviteit binnen het geldend kader die het voornemen alsnog mogelijk kan maken. Het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan is daarvoor noodzakelijk.
Afbeelding 3.1: uitsnede verbeelding vanuit het omgevingsplan van rechtswege, Kupersweg 14 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de
Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de
afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn rellevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Beoordeling van het plan:
Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een karakteristieke locatie, omdat de voormalige boerderij wordt omgevormd naar een reguliere woning, waarbij de cultuurhistorische kenmerken behouden blijven en hersteld worden. Er is een zorgvuldige landschappelijke inpassing gekozen.
Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling.
Provinciale omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
Doorwerking plan:
In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:
Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Beoordeling van het plan:
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. Op het woonerf wordt karakteristieke bebouwing benut voor de toekomstige erfsituatie en het gebruik omgezet ten behoeve van een reguliere woning. Op basis van de karakteristieke regeling mag de voormalige boerderij omgevormd worden naar woning. De bestaande woning blijft behouden.
Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2)
Lid 2
Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:
Beoordeling van het plan:
De locatie Kupersweg 14 ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van herontwikkeling, waarbij karakteristieke bebouwing blijft behouden. Het functievlak wonen blijft ongewijzigd. Op het erf worden enkele groene elementen toegevoegd.
Concluderend blijft de bestaande bebouwing behouden waar dat passend en mogelijk is, en wordt er gebruik gemaakt van de regeling om de boerderij om te zetten naar een reguliere woning. Daarmee is het erf en de mogelijkheden in combinatie van functies optimaal benut. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit
Lid 1
Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
Beoordeling van het plan:
Voor de plangebieden is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld (Bijlage 1) dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze gebiedskenmerken worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening.
Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie verderop in deze paragraaf). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel.
Artikel 4.13 Klimaatrobuust water- en bodemsysteem
1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Beoordeling van het plan:
Met de ontwikkeling wordt er vrij beperkt nieuwe verharding aangelegd, de nieuwe bebouwing bestaat enkel uit een kleine verruiming van de bestaande woning. Daarmee is er meer capaciteit in de omgeving om het hemelwater op te nemen.
Aanvullend wordt er een walnoot aangeplant en onderbeplanting gerealiseerd. Ook voorziet het plan in de aanleg van een moestuin met een haag en enkele fruitbomen. Dit zorgt voor een toename in biodiversiteit in het gebied. Een hogere biodiversiteit draagt bij aan een veerkrachtiger landschap en daarmee een versterkt water- en bodemsysteem.
Artikel 4.14 (woonafspraken)
1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
2. Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.
Beoordeling van het plan:
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 1 nieuwe wooneenheid in de karakteristieke boerderij op basis van de karakteristieke regeling. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Zoals uit paragraaf 4.1.5 blijkt is er in de gemeente Tubbergen ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55: Nationaal landschap Noordoost-Twente
Lid 1
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
Lid 2
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Lid 3
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Beoordeling van het plan:
De plannen aan de Kupersweg 14 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie gezorgd voor een (behoud van) diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij gerespecteerd door in een herkenbaar erfensemble te behouden, vergezeld van passende landschappelijke ingrepen. Bovendien wordt de ruimtelijke kwaliteit en de herkenbaarheid van het landschap versterkt door middel van de landschappelijke inpassing, ook toegelicht in Bijlage 1.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het volgende ontwikkelingsperspectief voor de locatie van toepassing.
Afbeelding 4.2: kaart ontwikkelingsperspectieven, planlocatie rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities:
Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.
Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
De ontwikkeling van de reguliere woning in een karakteristieke boerderij is passend binnen dit ontwikkelingsperspectief. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities, aangezien initiatiefnemer de cultuurhistorische boerderij en daarbijhorende kenmerken van het landschap behoudt en versterkt. Daarmee is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er is op goede wijze invulling gegeven aan dit ontwikkelingsperspectief.
Bovendien worden omliggende functies niet geschaad in de mogelijkheden. Met inachtneming hiervan voldoet het plan aan de toegekende ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten en beekdalen met beperkte reliëfverschillen. De reliëfverschillen zijn ontstaan door het agrarisch gebruik als essen en eenmansesjes, oftewel oude hoeven. Door de jaren heen zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen.
De planlocatie is aangeduid als 'dekzandvlakte en ruggen' en 'beekdalen en natte laagtes'.
Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. In dit geval is de fysieke impact van de ontwikkeling klein, waardoor er geen aantasting plaatsvind. Juist wordt het aanwezige landschap versterkt.
Afbeelding 4.3: uitsnede kaart natuurlijke laag Kupersweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van agrarisch cultuurlandschap
Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Dit gebeurde onder meer in de kleinschalige kampenlandschappen.
De open essen en kampen kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. In de lagere (beekdal) gebieden waren de gronden onder meer geschikt voor hooilanden. Het kampenlandschap, maar ook het matenlandschap was van oorsprong zeer kleinschalig. Door de schaalvergroting is dat sterk afgenomen, maar nog altijd zorgen belangrijke landschappelijke dragers in het gebied voor de herkenning van het gebied. Het plangebied is gelegen op de overgang van het kampenlandschap naar het ontginningslandschap. Kenmerkend zijn daarom hier de rechte wegen, open tot half open landschap en robuuste beplantingsstructuren. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De bestaande kenmerkende structuren blijven behouden en worden waar mogelijk versterkt.
Afbeelding 4.4: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap Kupersweg, plangebied met rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)
Laag van de beleving en stedelijke laag
Het plangebieden heeft voor wat betreft de laag van de beleving en de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze lagen buiten beschouwing.
Beoordeling van de plannen:
Met de toetsing aan genoemde lagen van de provincie Overijssel kan gesteld worden dat de voorgenomen plannen geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Hiermee is het plan volledig in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid en regelgeving uit de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie Overijssel.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. Die vier principes zijn:
Buitengebied in balans
De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht.
Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat:
Beoordeling van de plannen:
Op grond van MijnOmgevingsvisie Tubbergen valt het plangebied Kupersweg onder lage landschapswaarde. In afbeelding 4.5 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. De planlocatie ligt in de zone 'gericht op ontwikkeling door lage waarde en hoge dynamiek'. De waarden omvatten voornamelijk openheid, efficiënt agrarisch landschap met moderne erfopzet, kavelsloten, en wegen met bomenrijen. Er wordt ingespeeld op de schaal van het landschap, het agrarische karakter, gemengde functies, heldere structuren met geclusterde bebouwing, verbeteren van de biodiversiteit en vasthouden van water.
Afbeelding 4.5: Waardenkaart van de Omgevingsvisie, plangebied Kupersweg met paars aangeduid (bron: Regelsopdekaart)
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van het erf Kupersweg 14, waarbij er een karakteristieke boerderij gerenoveerd wordt en er een landschappelijke inpassing zorgvuldig wordt ingepast.
Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden ontwikkelingen uitgelegd en landschappelijk ingepast. Hiermee wordt het verval en de verkrotting van het karakteristieke erf voorkomen en bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied. Daarmee is de ontwikkeling passend in het aanwezige kenmerk 'Gericht op ontwikkeling'.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen'.
In 2022 is door de gemeente Tubbergen het Ruimtelijk beleid buitengebied 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie.
Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende onderdelen van dit beleid zijn van belang:
Algemene randvoorwaarden
Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Dit betreffen bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op 'een goede ruimtelijke ordening' of een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' ingeval de Omgevingswet inwerking is getreden. Deze randvoorwaarden zijn hieronder opgenomen.
Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen die we als gemeenten willen behouden voor het landschap komen onder voorwaarden in aanmerking voor een woonfunctie. Voor de beoordeling of bebouwing valt in de categorie karakteristiek of in de categorie monumentaal, hebben de gemeenten Tubbergen en Dinkelland het 'Toetsingskader ruimtelijke kwaliteit gebouwen' uitgewerkt dat is opgenomen als bijlage 2 bij de beleidsnotitie. Deze bijlage wordt gehanteerd bij de toetsing of een gebouw valt in de categorie karakteristiek of valt in de categorie monumentaal of valt in een van de overige categorieën. Dit is van belang omdat alleen gebouwen die vallen onder de categorieën karakteristiek en monumentaal in aanmerkingen kunnen komen voor het opnieuw toekennen van een woonfunctie. Voor de indeling in een categorie kan de gemeente zich laten adviseren door het gemeentelijke kwaliteitsteam.
Niet enkel de voormalige boerderij komt in aanmerking voor het bewonen daarvan, maar ook overige bebouwing, die als karakteristiek of monumentaal wordt aangemerkt, zoals oude schöppes, hooischuren en degelijke, die de minimale inhoud hebben, kunnen worden bewoond. Veldschuren komen niet in aanmerking voor deze regeling.
Voorwaarden deelname wonen in karakteristieke bebouwing
Om te komen tot een woning in karakteristieke gebouwen of monumentale gebouwen gelden de volgende voorwaarden:
Dit alles wordt geborgd in de regels van het omgevingsplan.
In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied.
Beoordeling van de plannen
Algemene voorwaarden
Aan de algemene voorwaarden wordt voldaan. De ontwikkeling zorgt juist voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, gezien de fysieke kenmerken zoals passend binnen het gebied worden versterkt.
De wijziging is van relatief kleine omvang en zal daarom zeer beperkte invloed hebben op het landschappelijke beeld. De aanbouw beslaat maximaal 95 m3, daarmee wordt voldaan aan de bestaande regeling.
Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie tot gevolg en is geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden, zoals blijkt uit hoofdstuk 5 van deze toelichting.
Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen
Het betreffende gebouw op het erf betreft een voormalige boerderij dat in de loop der jaren in gebruik is genomen als schuur. Het gebouw is door de gemeente gecategoriseerd in categorie 4: karakteristieke bebouwing. Daarmee komt het gebouw in de basis in aanmerking voor renovatie met behoud van de karakteristieke waarden. Voor initiatiefnemer is een cultuurhistorische waardestelling en renovatieplan opgesteld dat als Bijlage 2 bij dit omgevingsplan is gevoegd. In het rapport zijn de karakteristieke delen beoordeeld, een voorstel gedaan voor de renovatie en zijn de concrete maatregelen voor deze renovatie uitgewerkt. Onderstaand is met kleuren weergegeven wat vanuit de transformatie te behouden, te wijzigen of toe te voegen is en in hoeverre dit vanuit karakteristiek te verantwoorden is. Tevens bijgevoegd zijn tekeningen van de bestaande situatie en toekomstige situatie (Bijlage 4).
Afbeelding 4.6: Doorsnede karakteristieke woning met te behouden delen (bron: Buro Anno)
Afbeelding 4.7: Zuidgevel karakteristieke woning met te behouden en gewijzigde delen delen (bron: Buro Anno)
De inhoud van de boerderij betreft circa 650 m3, waardoor voldaan wordt aan de minimale inhoudsmaat van 450 m3 voor één woning. Dit gebouw zal worden behouden en daarmee is dus sprake van renovatie. Het gebouw wordt geintegreerd in een nieuwe erfopzet voor de planlocatie, waarbij andere bestaande bebouwing behouden blijft en berruiming van een bestaande woning op een passende wijze gebeurt. Hiermee geeft het plan invulling aan de gestelde voorwaarden onder 3.6.
Op 5 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Tubbergen de Woonvisie 2021+ vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen.
Meer woningen
De komende jaren gaat de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300.
Voor de komende jaren gaan de gemeente uit van een woningbehoefte tussen de +440 en +755 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie gaan de gemeente uit van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat uitgegaan wordt van een woningbehoefte van 640 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houden we ook rekening met de instroom van vestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren.
De gemeente wil een ruimere plancapaciteit aan houden dan enkel koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat. Willen we tijdig kunnen inspelen op de behoefte dan is een programma van 130% reëel; zo'n 830 woningen (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd).
In het buitengebied worden 40 woningen gereserveerd.
Beoordeling van de plannen:
Het toevoegen van een woning binnen de karakteristieke bebouwing past binnen deze programmering. In de brief als reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Tubbergen aangegeven dat een woning is gereserveerd voor de betreffende ontwikkeling.
De compensatiewoningen past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Geconcludeerd wordt dat het initiatief is in overeenstemming is met de Woonvisie 2021+.
In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Beoordeling van de plannen
Afbeelding 4.6: fragment van de cascokaart aan de Kupersweg 14 (bron: geo.overijssel.nl)
Ten noorden van de planlocatie Kupersweg 14 zijn casco elementen aanwezig, deze zullen behouden blijven. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bestaande casco elementen. Bovendien geldt dat er een nieuwe investering wordt verricht in het aanbrengen van nieuwe (passende) landschapselementen.
Geconcludeerd wordt dat er met de ontwikkeling volledig wordt voldaan aan de doelstellingen van het Casco-beleid.
Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.
In onderhavig geval gaat het om een deels om functiewijziging van bestaande bebouwing. Voor de karakteristieke bebouwing is een renovatieplan (Bijlage 2) opgesteld, dat ook aan een erfgoeddeskundige ter goedkeuring is voorgelegd. Voor de overige bouwactiviteiten geldt dat de criteria uit de nota omgevingskwaliteit van toepassing zijn. Hieraan wordt op later moment getoetst in het kader van de daadwerkelijke bouwaanvraag.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
De ontwikkeling aan de Kupersweg 14 omvat een renovatie van bestaande bebouwing voor een reguliere woning en het toevoegen van een woonrecht en valt hiermee niet in de uitzonderingenlijst. Vooroverleg met de provincie is hiervoor benodigd. Derhalve is er vooroverleg geweest met de provincie.
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen.
Beoordeling van het plan
Het participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 5.
De initiatiefnemer heeft de bewoners van zes omliggende adressen gevraagd om reacties op de voorgenomen ontwikkeling. De bewoners waren positief over de ontwikkeling en blij dat het ging om 'Tubbergernaren'. Als gevolg van de ontwikkelingen zijn er geen wijzigingen doorgevoerd.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
Algemeen
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling
In voorliggend geval wordt een voormalige boerderij omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en de karakteristieke boerderij behouden en gerenoveerd. Er wordt in feite één woning aan het erf toegevoegd in een bestaande boerderij. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder is niet vereist.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling van de plannen:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit voor het omvormen van karakteristieke bebouwing naar een reguliere woning en het saneren van een bijbehorend bouwwerk staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.
Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018, waarbij het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning.
Beoordeling van de plannen:
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
Het voorliggend plan voorziet in de omzetting van een voormalige boerderij naar een reguliere woning aan de Kupersweg 14 in Tubbergen.
Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen licht toenemen, vanwege het toevoegen van een extra wooneenheid op het perceel. Hiermee is er in de worst-case verkeersontwikkeling sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen (8,2 verkeersgeneratie) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe.
Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woonfunctie. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Parkeren
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Tubbergen dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval worden in het plangebied op de nieuwe situatie één woning toegestaan. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4 per woning) afgerond 5 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien.
Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebieden
De Natuurbank heeft een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (Quickscan), in deze paragraaf zijn de resultaten beschreven. De volledige rapportages zijn bijgevoegd als Bijlage 6.
Het plangebied ligt op minimaal 2,53 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied is Springendal & Dal van de Mosbeek. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het deelgebied Kupersweg 14. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de mintgroene en gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Beoordeling stikstof
Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase, kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden.
Conclusie
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging op 2,5 km afstand van het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen eveneens worden uitgesloten.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Beoordeling van de plannen
Het plangebied ligt op minimaal 713 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het deelgebied. De ligging van het deelgebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de mintgroene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).
Beschermingsregime
De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Toetsing aan provinciaal beleid
Omdat het deelgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
Algehele conclusie
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiks- en ontwikkelfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Beoordeling van de plannen
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde amfibie-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied.
Als gevolg van het verbouwen van de boerderij tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Beoordeling van de plannen:
Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Kupersweg 14 in Tubbergen. Bekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit één extra vrijstaande woning bijdraagt. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 5.1: NIBM-tool worst-case berekening als gevolg van de ontwikkeling (bron: Informatiepunt leefomgeving)
De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'.
Conclusie
Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.2:Standaardwaarden geluidgevoelige gebouwen (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Beoordeling van de plannen:
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
De locatie ligt nabij de Denekamperweg. Het erf is niet direct aan deze weg gelegen, maar is middels eigen toerit bereikbaar. De betreffende weg is een 60 km/u weg welke wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een forse aangehouden afstand ten opzichte van deze weg voor de nieuwe erfinpassing. De nieuwe woning heeft op basis van de geluidskaart wegverkeer van de Atlas Leefomgeving een geluidsbelasting van 49 (dB) op de dichtstbijzijnde gevel. Dit voldoet aan de standaardwaarde.
Afbeelding 5.3: geluidskaart omgeving plangebied wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving)
Situatie plangebied, industrielawaai
Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
Aan de Denekamperweg 87 in Tubbergen geldt dat een agrarisch bedrijf is gelegen op 146 meter van het functievlak voor Kupersweg 14, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geluid. De onderlinge afstand is ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie.
Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.
Conclusie
Geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan vanuit zowel de initiatiefnemer zelf als van andere bedrijven op de initiatiefnemer.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Beoordeling van de plannen:
Voor het omvormen van de karakteristieke boerderij naar een reguliere woning vind er geen verandering plaats in geur. De nieuwe ontwikkeling vormt dan ook geen hinder voor de omliggende erven en bedrijven.
Aan de Denekamperweg 87 in Tubbergen geldt dat een niet-intensief agrarisch bedrijf is gelegen op 146 meter van de functie wonen van de Kupersweg 14, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Conform artikel 5.112 van het Bkl geldt voor geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur en een agrarische activiteit een afstand van 50 meter. De onderlinge afstand is ruim voldoende. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie.
Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan niet voorziet in een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom vormen de omliggende bedrijven geen hinder voor de betreffende locatie. Er zijn geen belemmeringen voor het plan als het gaat om het aspect geur.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 5.4: uitsnede risicokaart ter plaatse van Kupersweg 14 (bron: Atlas Leefomgeving)
Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 733,5 m van de nieuwe woning de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een buisleiding van de NAM. De nieuwe woning ligt echter ver buiten de aandachtsgebieden of risico contouren als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen.
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat de planvorming in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Beoordeling van de plannen:
Voorliggend project heeft betrekking op een extra woning in een bestaand karakteristiek gebouw.
Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen.
De planlocatie aan de Kupersweg 14 is zichtbaar op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen, zie onderstaande afbeelding. De locatie ligt in het kenmerk 'beekdalen en overige laagten'. Tevens is de aanduiding 'Waarde – Archeologie 4' van toepassing op de planlocatie.
Afbeelding 5.5: uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart, locatie met blauw omcirkeld (gem. Tubbergen)
Archeologisch onderzoek is binnen deze gebieden noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De betreffende ontwikkeling ten behoeve van de schuur blijft ruim beneden de 5000 m2 aan bodemingrepen, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Juist is het voornemen om cultuurhistorische elementen te behouden en te versterken.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan, gezien het behoud van de aanwezige cultuurhistorische bebouwing, geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Beoordeling van de plannen
Door Kruse Groep is voor de Kupersweg een bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportages zijn bijgevoegd als Bijlage 7. Hieronder wordt de samenvatting en conclusie uit de bodemonderzoeken weergegeven.
Algemeen
In opdracht van N+L Landschapsontwerpers is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 450 m² aan de Kupersweg 14 in Tubbergen. De onderzoekslocatie is grotendeels bebouwd met een tot woning te verbouwen schuur. Het onbebouwde deel is deels verhard met beton, klinkers en tegels en deels onverhard en begroeid met planten en struiken (tuin).
De aanleiding van dit onderzoek is de verbouwing van de schuur tot woning en de uitbreiding aan de oostzijde daarvan.
Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Op basis van dit vooronderzoek wordt de bovengrond conform het beid van de Omgevingsdienst Twente en het historische gebruik van de locatie
(agrarisch) als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden vooralsnog als onverdacht beschouwd.
Slotconclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het ODT heeft dit onderzoek beoordeeld en verwacht dat de bodemkwaliteit geen belemmering is voor het TAM-omgevingsplan (zie Bijlage 8).
Standaard slotopmerkingen
Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Hoewel voldaan wordt aan de geldende weten regelgeving, wordt tijdens een verkennend of nader bodemonderzoek een beperkt aantal boringen, inspectiegaten of inspectiesleuven verricht.
Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen.
Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Resumerend
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen
5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Beoordeling van de plannen:
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 11-09-2025 de digitale watertoets uitgevoerd voor de locatie, bijgevoegd in Bijlage 9. Hieruit is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De ruimtelijke wateraspecten van dit plan zijn gering en/of tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.
Als gevolg van de plannen is er geen sprake van toename van verharding, juist een afname. Er zijn geen veranderingen aan verhard oppervlak. In de huidige situatie wordt hemelwater op het erf geleidelijk geïnfiltreerd of loopt vertraagd weg naar de in de omgeving aanwezige sloten. Dit blijft ook in de toekomstige situatie het geval.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied
Er zijn meerdere locatiespecifieke omstandigheden waardoor het opnemen van een spuitvrije zone niet noodzakelijk is.
Aan de Kupersweg 14 bevindt zich momenteel al een woonfunctie met daarop een bestaande woning welke via een tussenlid verbonden is aan de voormalige boerderij. De situering van de bestaande woonfunctie wijzigt niet. De afstanden tot de omliggende agrarische gronden wijzigen niet.
Voorts is van belang dat de situering van de gebouwen en bijbehorende bouwwerken niet wijzigen. Het hoofdgebouw vormde al een gevoelige functie waar in het agrarisch gebruik rekening mee moest worden gehouden. Het bijbehorend bouwwerk aan de noordzijde vormt reeds een belemmering voor eventuele drift.
Verder is van belang dat aan de westzijde van de functie wonen ook niets wijzigt en de situering van de bestaande woning niet wijzigt. De woning in het karakteristieke gebouw is nieuw, maar wordt gerealiseerd achter de bestaande woning. In redelijkheid mag worden aangenomen dat een agrariër al rekening moet houden met de bestaande woning en dat de woning achter de bestaande woning niet leidt tot een extra belemmering.
Verder is van belang dat op de gronden ten zuidoosten van de woonfunctie wordt alsnog een spuitvrijezone opgenomen aangezien dit de gronden zijn die het dichtst op de gevoelige functies zijn gelegen en waar de nieuwe woning in het karakteristieke gebouw wordt gevestigd. Voor de volledigheid wordt benoemd dat deze gronden in eigendom zijn van initiatiefnemer.
Conclusie
Het aspect spuitvrije zones gewasbeschermingsmiddelen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Kupersweg 14 in Tubbergen waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMBUIKUPERSWEG14-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocatie opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functies:
- Artikel 5 Wonen - Wonen in het buitengebied
- Artikel 6 Waarde - Archeologie 4
zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen of omdat deze liggen op het (een deel van) het bouw- of functievlak. Inhoudelijk worden bebouwingsmogelijkheden van gebouwen uitgesloten of toegekend voor zover nodig.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 8 Algemene ruimtelijke bouwregels
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 9 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik waaronder spuitzones en overige activiteiten.