| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Buitengebied Hardenbergerweg 81 Geesteren |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMBUIHARDENBWEG81-VG01 |
Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Tubbergen met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van het beëindigen van de melkveehouderij aan de Hardenbergerweg 81 te Geesteren en het uitsluiten van het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren. Initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bedrijfsactiviteiten op de locatie voort te zetten in de vorm van akkerbouw. Daarmee blijft sprake van een agrarisch gebruik van de gronden, zij het zonder het houden van vee.
Het bedrijf is aangemeld voor de Landelijk beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Op 29 mei 2024 is de subsidieaanvraag goedgekeurd en is de beschikking afgegeven. De beschikking is getekend op 15 november 2024. Dit betekent dat uiterlijk op 15 november 2025:
Uiterlijk op 15 maart 2027 moeten alle stallen gesloopt zijn en dient de (gedeeltelijke) intrekking van de milieu- en natuurvergunning afgerond te zijn.
Het plangebied is gelegen aan ten oosten van Geesteren en ten noordwesten van Tubbergen in het landelijk gebied van gemeente Tubbergen. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Tubbergen, sectie K, nummers 4.173, 7.318, 7.321 en 9.497.
In de volgende figuur is een luchtfoto van de huidige situatie en de begrenzing van het plangebied weergegeven. In het plangebied is in totaal 2.337 m² aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. In januari 2025 is de sloopmelding geaccepteerd en in mei 2025 is alle bebouwing gesloopt. In de huidige situatie zijn er dus geen gebouwen meer aanwezig op de locatie.
Figuur 1. Luchtfoto huidige situatie (bron: satellietdataportaal.nl)
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
- de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;
- de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
- eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.
Na beëindiging van de melkveehouderij en het slopen van de stallen wordt één nieuw bedrijfsgebouw van 1.827 m² gerealiseerd voor akkerbouwactiviteiten. Voor akkerbouw heeft het bedrijf 38 hectare grond in eigendom. Ook wordt nog eens 17 hectare gehuurd.
Samenwerking akkerbouwer en melkveehouder
Voor een deel van de eigendomsgronden wordt een samenwerking aangegaan met een lokale akkerbouwer en melkveehouder. De samenwerking is voornamelijk bedoelt voor het toepassen van gewasrotatie. De melkveehouder heeft meer grond voor zijn bedrijfsvoering nodig voor mestafzet, productie ruwvoer en toekomstige extensiveringsverplichtingen. De akkerbouwer heeft belang bij gewassenrotatie. Door de samenwerking kunnen de gronden optimaal worden gebruikt.
Samenwerking Twentse bouwboeren
Naast het verhuren van grond aan een akkerbouwer en melkveehouder wordt ook een samenwerking aangegaan via Twentse bouwboeren. Het voornemen is om ongeveer 8 hectare grond in te gaan zetten voor het telen van gewassen die gebruikt kunnen worden voor het maken van bouwmaterialen (zoals isolatiemateriaal). Daarbij is het voornemen om in beginsel vezelhennep te gaan telen.
Samenwerking tuinder
Daarnaast wordt ook nog een samenwerking aangegaan met een lokale tuinder. Dit bedrijf is gespecialiseerd is in ontwerp, aanleg, renovatie en onderhoud van tuinen en buitenterreinen. Ook is dit bedrijf actief in grond- en straatwerk en heeft het een eigen boomkwekerij.
In de bestaande sleufsilo's wordt (eigen) agrarisch groenafval opgeslagen en gecomposteerd. De compost wordt uiteindelijk opgeslagen in de loods en zal dan door de tuinder wordt gebruikt voor de aanleg van tuinen. De grondstoffen die voor het composteren worden gebruikt, zijn grotendeels afkomstig van de eigen agrarische gronden van initiatiefnemer. Hiermee wordt een gesloten kringloop op nagestreefd, waarbij organische reststromen op duurzame wijze worden hergebruikt. Verder wordt er ook hout versnipperd en opgeslagen in de loods. Deze tuinder heeft op eigen locatie te weinig ruimte om alle materialen op te kunnen slaan.
Daarnaast zal ook ongeveer 8 hectare grond in gebruik genomen gaan worden voor boom- en sierteelt. Dit zal uitsluitende op eigendomsgonden gebeuren.
Energieproductie
Op de voormalige ligboxenstal lagen ongeveer 1.000 zonnepanelen. Het voornemen is om deze zonnepanelen te gaan hergebruiken en deze dus terug te leggen op de nieuwe loods. Ook zal in de toekomst onderzocht worden of het haalbaar en mogelijk is om de energie op te slaan in accu's. Op deze manier kan de stroom geleverd worden wanneer de vraag naar stroom het grootst is.
Al met al wordt de akkerbouwloods dus gebruikt voor de opslag van verschillende akkerbouwproducten, compost en houtsnippers. Daarnaast wordt akkerbouwloods voor de helft gebruikt voor de stalling van de aanwezige machines en werktuigen.
De agrarische functie blijft behouden. In de regels wordt het houden van landbouwhuisdieren uitgesloten.
In de volgende figuur is het ontwerp van de nieuwe akkerbouwloods weergeven. Een volledige situatietekening op schaal is al bijlage 1 bij deze motivering gevoegd.
Figuur 2. Ontwerp akkerbouwloods (bron: DLV Advies).
In de volgende figuur is een 3D visualisatie weergeven van de nieuwe akkerbouwloods.
Figuur 3. 3D tekening akkerbouwloods (bron: DLV Advies).
De nieuwe akkerbouwloods wordt gerealiseerd binnen de contouren van het bestaande erf. Ook zal de loods binnen het bestaande bouwvlak worden gebouwd. Rondom de loods is aan alle zijden 10 meter verharding getekend. Met het oog op de bedrijfsvoering is dit noodzakelijk om machines en werktuigen goed in en uit de loods te kunnen laten manoeuvreren. Hierdoor is de afstand tussen de loods en de bestaande bebouwing op het erf wat groter. Ook omdat de initiatiefnemer graag wat groen wil hebben tussen de loods (werken) en de overige gebouwen op het erf (wonen). Omdat er sprake is van een actief agrarisch bedrijf is deze keuze goed te verantwoorden.
De locatie wordt reeds omgeven door groen. De landschappelijke inpassing bestaat uit de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van de sloop van 2.337 m² aan landschapontsierende bebouwing. Het bestaande groen wordt langs de sleufsilo's aangevuld met een houtwal. Ook wordt in de zuidwestelijke hoek van het bouwvlak groen aangeplant. Dit zorgt er voor dat de nieuwe akkerbouwloods van 1.786 m² voor een groot deel aan het zicht onttrokken wordt en dat de ter plaatse aanwezige bestaande groenstructuren versterkt worden.
In de volgende figuur is de landschappelijke inpassingstekening weergeven. Een volledige tekening op schaal is als bijlage 2 bij deze motivering gevoegd.
Figuur 4. Landschappelijk inpassing (bron: DLV Advies).
Burgers, bedrijven en overheden kunnen activiteiten uitvoeren, die de fysieke leefomgeving beïnvloeden. In de Omgevingswet staan regels over deze activiteiten. In hoofdstuk 2 is reeds een beschrijving gemaakt van de beoogde ontwikkeling, dit hoofdstuk richt zich specifiek op de beoogde activiteiten.
Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten:
Sloop activiteit
Een sloopactiviteit bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar halen van een bouwwerk. Ook het verwijderen van asbest behoort hiertoe. Het slopen van bedrijfsbebouwing en binnen meerdere plandelen behoort tot deze activiteit. Het is verboden om een sloopactiviteit te verrichten zonder een melding te doen. Dit staat in artikel 7.10, lid 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Technische bouwactiviteit
De technische bouwactiviteit omvat het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Het bouwen van nieuwe bijbehorende bouwwerken valt onder deze activiteit en vindt plaats binnen meerdere plandelen.
Afwijken van regels in het omgevingsplan
Sommige activiteiten zijn niet toegestaan op grond van de regels van het omgevingsplan. Omdat de beoogde activiteiten soms wel wenselijk zijn kan in dergelijke gevallen van het omgevingsplan worden afgeweken of het omgevingsplan worden gewijzigd om de beoogde activiteiten toch toe te staan.
Met het initiatief wordt de agrarische functie behouden en behoeve van akkerbouwactiviteiten en worden gebouwen gesloopt en opgericht. Ook wordt het houden van landbouwhuisdieren uitgesloten. Dit is een vereiste vanuit de Lbv-regeling. Daarnaast worden verhuuractivitieten ten behoeve van het agrarisch gebruik en het opslaan en composteren van agrarisch groenafval als nevenactiviteit in de bestaande sleufsilo's mogelijk gemaakt.
Om dit planologisch vast te leggen, worden de regels van het omgevingsplan gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in die wijziging.
Ruimtelijke bouwactiviteit
Een aantal bouwactiviteiten zijn vergunningvrij en mogen dus altijd worden uitgevoerd. Deze door het Rijk aangewezen activiteiten aan/voor bouwwerken, staan in artikel 2.29 Bbl. De regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten in het omgevingsplan zijn niet van toepassing op deze vergunningvrije (ver)bouwactiviteiten. Het betreft hier bouwactiviteiten met een kleine ruimtelijke impact en/of een groot maatschappelijk belang.
De bouwactivteiten van voorliggend plan vallen niet onder de vergunningvrije bouwactiviteiten. Het huidige planolgische regime staat echter de bouw van een akkerbouwloods al toe. De regels van het omgevingsplan hoeven hiervoor niet te worden gewijzigd.
Ter plaatse van het plangebied geldt het 'Omgevingsplan gemeente Tubbergen'. Het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016" maakt hier van rechtswege onderdeel van uit.
Het initiatief bestaat uit de sloop van de bedrijfsgebouwen in het kader van de Lbv-regeling en het realiseren van een nieuwe akkerbouwloods. Hiervoor zijn voldoende mogelijkheden binnen het huidige planologische regime.
Er is echter geen mogelijkheid om het houden van landbouwhuisdieren uit te sluiten. Om deze aanpassingen mogelijk te maken dient het Omgevingsplan te worden gewijzigd.
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan deze regels voldaan.
De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen geotoetst in hoofdstuk 5 van dit TAM-omgevingsplan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In voorliggende situatie is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Dit aangezien ter plaatse enkel sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd en kleinschalige nieuwbouw plaatsvindt. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
Provinciale Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Figuur 5. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Doorwerking in het onderhavige plan
Artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel. Ook is er geen sprake van een toename van planologische bouwmogelijkheden.
De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is geen sprake van een extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving.
Artikel 4.9 (onderbouwing Ruimtelijke kwaliteit)
Lid 1
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.9 lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Per saldo is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant. Hier mee wordt ter plaatse de ruimtelijke kwaliteit versterkt.
Op dit punt wordt geconcludeerd dat het initiatief niet is met bovenstaand artikel.
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Voor de locatie is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.
'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'
Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Toetsing aan het ontwikkelingsperspectief
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Per saldo is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
Gelet op de kleinschaligheid van het voornemen wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de ontwikkelingsperspectieven ter plaatse.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Gelet op de ligging van het plangebied in combinatie met de voorgenomen ontwikkeling worden de 'Stedelijke Laag' en de 'Lust en leisurelaag;' buiten beschouwing gelaten omdat er geen gebiedskenmerken van de 'Stedelijke Laag' van toepassing zijn naast dat het voornemen geen toename oplevert wat betreft het kunstlicht. Hierna wordt nader op de 'Natuurlijke Laag' en de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' ingegaan.
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkeling op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in de stad en dorp.
In de natuurlijke laag is de locatie gelegen in de 'Dekzandvlakte en ruggen'.
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk, door de wind gevormd, zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkingsrichting) van het landschap, gevormd door afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toetsing aan de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Per saldo is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling mede vanwege de kleinschaligheid van het voornemen in overeenstemming is met de 'Natuurlijke laag'.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden, en worden, gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als 'consumptielandschap' voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. Veel mensen hechten aan de rust, de ruimte, de mogelijkheden om te fietsen, wandelen, etc. En aan de kwaliteit: vooral de herkenbaarheid, de contrasten en de afwisseling van verschillende landschapstypen worden gewaardeerd. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit.
In de laag van het agrarische cultuurlandschap is de locatie gedeeltelijk gelegen in het 'Oude Hoevenlandschap' en het 'Maten en Flierenlandschap'.
Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.
Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden. Het betreft een laaggelegen kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Per saldo is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
Daarmee is de gewenste ontwikkeling in overeenstemming met de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.
Artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)
Lid 1.
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op:
Het eerste lid is niet van toepassing op:
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.11
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Daarmee betreft het de bedrijfsontwikkeing van een agrarische bedrijf en is de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving niet van toepassing.
Artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem)
Lid 1.
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Lid 2
In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.13
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het wateradvies. Op 9 september 2025 heeft het waterschap per mail aangegeven geen bezwaren te hebben tegen dit plan
Artikel 4.55 (nieuwe ontwikkelingen in Nationaal landschap Noordoost-Twente)
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.
De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:
Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente en met Bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteitenNationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.55
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
In die zin betreft het geen nieuwe ontwikkeling. E is immers sprake van een bouwontwikkeling die volgens het huidige planologische kader nu al mogelijk is. Daarmee kan dit artikel als niet van toepassing zijnde worden verklaar. Echter is het goed oom te geven dan waar mogelijk wel de kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente worden versterkt.
Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. Daarmee wordt in ieder geval de mate van kleinschaligheid behouden. De locatie is in de huidige situatie al goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
De ontwikkeling sluit daarmee aan op de gestelde regels van artikel 4.55.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de in het onderhavige plan mogelijk gemaakte ruimtelijke initiatief niet strijdig is met het provinciale beleid. Het initiatief is in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente Tubbergen wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn;
Toetsing van het initiatief Omgevingsvisie
De locatie is in de waardenkaart gelegen in een gebied met een donkergroene kleur. Dit gebied is gericht op behouden vanwege hoge waarde en beperkte dynamiek
Waarden:
Speel in op:
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
Per saldo is er sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is sprake van sloop en nieuwbouw op nagenoeg de zelfde locatie op het erf. Daarmee wordt het erf toekomstbestendig ingericht.
De locatie is in de huidige situatie goed ingepast in de omgeving. Rondom de nieuwe loods en de bestaande voer opslagvoorzieningen worden aanvullende groensingels (inheemse soorten) aangeplant.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen activiteit in overeenstemming is met mijnOmgevingsvisie Tubbergen en geen negatieve invloed uitoefent op de omgeving.
De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toetsing initiatief aan nota
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel.
De nieuw te bouwen loods komt in een bestaand Casco-vlak. De nieuwe agrarische functie zal niet leiden tot het verwijderen van het bestaande casco-element.
Er worden geen bomen gekapt en middels de landschappelijke ontwikkeling vindt versterking plaats. Voor de wijze van inpassing wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan zoals bijgevoegd als Bijlage 2 Landschappelijke inpassingsplannen. Met de compensatie is sprake van overeenstemming met het casco-beleid.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
Dit TAM-omgevingsplan maakt de oprichting van bouwwerken mogelijk. Deze bouwwerken moeten voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk wordt getoetst of de bouwwerken voldoen aan de welstandseisen.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college van B&W een principe-uitspraak heeft gedaan. Daarmee heeft de gemeente aangegeven mee te willen werken aan de voorgenomen ontwikkeling.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
In deze lijst is voor ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen in het buitengebied (de Groene Omgeving) opgenomen dat nieuwe ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen in het buitengebied moeten passen binnen de geldende gebiedskenmerken. Ook moeten zij de ruimtelijke kwaliteit versterken in lijn met deze gebiedskenmerken.
Onder het kopje 'Agrarische bebouwing' wordt aangegeven dat geen vooroverleg met de provincie nodig is wanneer:
Nb. Voor grootschalige uitbreidingen is de Kwaliteitsimpuls Agro & food van toepassing, hierover is wel vooroverleg nodig.
Toetsing initiatief
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De nieuwe bebouwing wordt dus opgericht op een bestaand agrarische bedrijfsperceel op de plek van de voormalige dierverblijven. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die al mogelijk is binnen het huidige planologische kader. Daarmee kan de ontwikkeling getypeerd worden als een kleinschalige uitbreiding van een bestaand en bestemd agrarisch bedrijf.
In het kader van vooroverleg hoeft het TAM-Omgevingsplan niet met de provincie gedeeld te worden.
Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Op 9 september 2025 heeft het waterschap per mail het volgende aangegeven:
De laatste wijziging betreft het scheiden van water van de compostering van het hemelwater van schoon verhard oppervlak. Het schone hemelwater wordt afgevoerd naar de wadi. Het water van de compostering wordt afgevoerd naar een ondergrondse wateropslag van 30m3. Afstroming naar oppervlaktewater wordt hiermee voorkomen. Als u deze aanpassing opneemt in uw plan heeft waterschap Vechtstromen geen bezwaar tegen dit plan
De ruimtelijk relevante wateraspecten zijn hiermee voldoende belicht en besproken.
Voor de gehele wateradvies wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze motivering.
Naar aanleiding van het normale advies heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden. Er is een plan opgesteld waarbij het vuilwater van de compostering wordt afgevoerd naar een ondergrondse wateropslag en waarbij hemwelwater wordt afgevoerd naar een wadi. Daarmee wordt het schone en vuile water gescheiden afgevoerd. Afstroming naar oppervlakte water wordt hiermee voorkomen.
Door initiatiefnemers is geparticipeerd met de omgeving. Er is geen aparte bijeenkomst belegd om de nieuwe plannen kenbaar te maken in de buurt. Wel zijn de buren aan de Hardenbergerweg 75,75a,78,82,82a,83,85,85a en Denekamperweg 62 geïnformeerd over de ontwikkelingen. Dit is gedaan tijdens informele regulier gesprekken en visites die gebruikelijk plaatsvinden in de buurt.
In de buurt komt men namelijk standaard ongeveer 1 keer per 3 maanden met de hele groep bij elkaar op de visite. Tijdens deze bezoeken zijn de buren al in eerder stadium geïnformeerd over de plannen om te stoppen met de melkkoeien, maar later ook over de nieuwe plannen en welke nieuwe initiatieven de initiatiefnemers willen ontwikkelen op het bedrijf. Soms proactief maar vaak ook n.a.v. vragen die de buren hadden.
Vragen zoals "Weten jullie al wat je gaat doen als de koeien straks weggaan?" , "Komt er nog een nieuwe schuur terug als oude gesloopt wordt"?, "Hoe groot wordt de schuur en waar komt die te staan? " en "Wat gaan jullie met de nieuwe schuur doen"?.
In eerder stadium hebben de initiatiefnemers deze vragen mondeling beantwoord maar recent zijn ook de tekeningen van te bouwen schuur meegenomen en is ook het landschappelijk inpassingsplan gedeeld. Er werd enkel positief gereageerd door de buren op de plannen die er liggen. Men wenst de initiatiefnemers veel succes met de nieuwe activiteiten. Vanuit de buren zijn geen bezwaren te verwachten.
Wel zijn er wat vragen geteld over hoe het grondgebruik er uit gaat zien de komende jaren. Een aantal buren geven aan dat ze grasland mooier vinden dan aardappels maar het ook te begrijpen dat het grondgebruik uit financieel oogpunt veranderd. De initiatiefnemers hebben aangegeven hoe dat er voor de komende jaren uit gaat zien nu zij gaan samenwerken met akkerbouwer en melkveehouder en een deel in beheerpakketten van agrarisch natuur beheer gaan doen. De buren geven aan dat ze geen probleem hebben met de akkerbouw gewassen maar dat ze ook wel blij zijn dat er dit jaar weer een groot deel van de grond wordt ingezaaid met gras in het kader van gewasrotatie.
Er zijn geen bezwaren tegen het voorgenomen plan.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt een wijziging van het Omgevingsplan alleen wordt vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Artikel 5.129g lid 1 geeft invulling aan het begrip stedelijke ontwikkeling, waarbij de term substantieel wordt gebruikt. Ook de jurisprudentie is duidelijk hierin, vanaf 11 woningen is pas sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gelet op de beschrijving van het artikel en de jurisprudentie wordt gesteld dat de voorgestelde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling betreft.
De ontwikkeling voorziet namelijk in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. De ontwikkeling is relatief kleinschalig en past daarmee qua schaal goed binnen het plangebied. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of
programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op het afwijken van de gebruiksfunctie van een maatschappelijke voorziening, zodat deze regulier bewoond kan worden. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414).
Met de ontwikkeling is geen sprake van activiteiten en projecten die op grond van bijlage V m.e.r.-plichtig zijn. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de verwachte milieuhinder, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 5 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de mer-beoordeling, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan deze vergunning.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaats. in de nieuwe akkerbouwloods worden compost uit de sleufsilo's en houtsnippers opgeslagen voor de samenwerking met de tuinder. Daarnaast worden verschillende akkerbouwproducten opgeslagen en wordt de loods voor de helft gebruikt voor de stalling van de aanwezige machines en werktuigen.
Door de beëindiging van de melkveehouderij zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Er is geen sprake meer van de aan- en afvoer van dieren, mest- en voer. De verkeersbewegingen ten behoeve van een akkerbouwbedrijf vallen aanzienlijk lager uit doordat er voornamelijk sprake is van opslag activiteiten in de loods. Enkel door de samenwerking met de tuinder zal er een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ontstaan. De tuinder komt namelijk de compost/houtsnippers ophalen voor de aanleg van tuinen. Het is nog niet exact bekent om hoeveel verkeersbewegingen dit zal gaan. Wel zal het aantal verkeersbeweging aanzienlijk lager uitvallen dan de huidige verkeersbewegingen te aanzien van de melkveehouderij.
Daarnaast zal de parkeerbehoefte niet wijzigen. Op eigen terrein is meer dan voldoende ruimte om te parkeren.
Het plan voldoet aan het parkeerbeleid. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Springendal & Dal van de Mosbeek, is gelegen op een afstand van ongeveer 3,8 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.
Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
In het kader van de ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek (voortoets) uitgevoerd voor de sloop- aanleg en gebruiksfase. Uit dit stikstofdepositieonderzoek volgen de volgende conclusies:
Het volledige stikstofdepositieonderzoek is opgenomen al bijlage 3 bij deze motivering.
Voor het melkveebedrijf is een natuurvergunning verleend. In het kader van de Lbv-regeling mag er maximaal 15% van de voorheen toegestane stikstofemissie worden ingezet als referentie voor de beoogde situatie. Voor de natuurvergunning is een intrekkingsverzoek gedaan, waarbij de vergunning tot 85% wordt ingetrokken en voor de overige 15% een nieuwe vergunning wordt aangevraagd. Er is daarbij sprake van intern salderen als mitigerende maatregel.
Deze procedure loopt los van deze functiewijziging.
Conclusie
Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied is op een afstand van ongeveer 1,4 kilometer van de locatie gelegen.
Uitsnede kaart NNN
Bron: Atlas Leefomgeving
Conclusie
Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situtie plangebied
In het kader van de ontwikkeling is in januari 2025 een sloopmelding geaccepteerd door de omgevingsdienst Twente. In mei 2025 zijn alle gebouwen gesloopt. In het kader van deze procedure is derhalve geen quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de volgende figuur is een foto weer geven van de huidige situatie ter plaatse.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot soorten- en gebiedsbescherming, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goede luchtkwaliteit.
De verkeersgeneratie zal als gevolg van de ontwikkeling nagenoeg niet toenemen en draagt niet in betekende mate bij aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Er zal sprake zijn van een afname in verkeersbewegingen doordat de aan- en afvoerbewegingen van dieren, mest- en voer zullen verdwijnen.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
verzorgingstehuizen,psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaatst.
Het plan voorziet niet in een toevoeging van een geluidsgevoelig object, maar betreft het vervangen van de dierverblijven voor een akkerbouwloods. Er is en blijft een agrarisch bedrijfsmatige functie toegestaan. Deze kennen een richtafstand m.b.t. industrie lawaai.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype buitengebied. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde rustig en de bovengrens redelijk rustig.
Situatie plangebied
Op een geluidskaart worden de geluidsniveaus van de bronnen wegverkeer, railverkeer en bedrijven weergegeven. In het schema hiernaast zijn geluidsniveaus vertaald in geluidsklassen, die zijn weergegeven met een getal, een woord en een kleur. Per geluidsklasse staan bij iedere geluidssoort verschillende getallen. Dit heeft te maken met het feit dat het geluid van verschillende bronnen verschillend wordt ervaren.
Als dosismaat is voor weg- en railverkeer Lden 5 gekozen. Dit is de dosismaat die na 1 januari 2007 in de gewijzigde Wet geluidhinder wordt gebruikt. De dosismaat voor het geluid van bedrijven is Letmaal.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaatst.
Het houden van landbouwhuisdieren wordt uitgesloten. Er is dus geen sprake meer van geurhinder aan de omgeving door het houden van vee. In de beoogde situatie is er sprake van een akkerbouwbedrjf met als nevenactiviteit het opslaan en composteren van agrarisch groenafval. De grondstoffen die voor het composteren worden gebruikt, zijn grotendeels afkomstig van de eigen agrarische gronden van initiatiefnemer. Hiermee wordt een gesloten kringloop op nagestreefd, waarbij organische reststromen op duurzame wijze worden hergebruikt.
Voor het composteren of opslaan van groenafval geld in ieder geval:
De instructieregels staan in artikel 5.125 van het Bkl.
Het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw betreft de woning aan de Hardenbergerweg 78 en is gelegen buiten de bebouwingscontour geur. De feitelijke afstand tussen de woning en de opslagvoorziening voor het composteren betreft 54 meter. Daarmee wordt voldaan aan de vaste afstand voor geur.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaatst.
Het plangebied is gelegen buiten de aandachtsgebieden. Er vindt geen toename plaats wat betreft de persoonsdichtheid ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden en gebruiksmogelijkheden plaatse. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Het aspect trillingen is niet relevant voor de ontwikkeling omdat deze niet in de nabijheid van spoorlijnen of andere bedrijven is gelegen en de activiteiten zelf geen trillingen veroorzaken.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Archeologie en Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaats.
Ter beoordeling van de archeologie is gebruik gemaakt van de archeologische beleidskaart.
Figuur 6. Uitsnede archeologische beleidskaart
Het plangebied kent de kenmerken van dekzandhoogten en -ruggen en beekdalen en overige laag. Voor dekzandhoogten en -ruggen geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebied groter dan 2500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Het kenmerk beekdalen en overige laagten kent een lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Hier is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm.
De ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van een akkerbouwloods van 1.827 m². Daarmee wordt de vrijstellingsgrens van 2.500 m² niet overschreden. Tevens is in de huidige situatie sprake van mestkelders. Onder de nieuwe loods zijn deze niet aanwezig waarmee geen sprake zal zijn van verstoring in de bodem dieper dan de bestaande situatie. Om die reden is geen archeologisch onderzoek nodig.
Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoeliggebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaats.
De functie wijzigt niet in voorliggend plan. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit is niet noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot bodem, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is.
Voor de gehele wateradvies wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze motivering.
Naar aanleiding van het normale advies heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden. Er is een plan opgesteld waarbij het vuilwater van de compostering wordt afgevoerd naar een ondergrondse wateropslag en waarbij hemwelwater wordt afgevoerd naar een wadi. Daarmee wordt het schone en vuile water gescheiden afgevoerd. Afstroming naar oppervlakte water wordt hiermee voorkomen. In de volgende afbeelding is het afvoerplan schematisch weergeven.
Op 9 september 2025 heeft het waterschap per mail aangegeven geen bezwaren te hebben tegen dit plan. De ruimtelijk relevante wateraspecten zijn hiermee voldoende belicht en besproken.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot het waterbelang, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt.
De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van de melkveehouderij en het slopen van de dierverblijven in het kader van de Lbv-regeling. Het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren wordt uitgesloten.
Vervolgens wordt op het erf een nieuwe akkerbouwloods opgericht. De agrarische functie blijft behouden. Er vindt dus uitsluitend vervanging van bedrijfsbebouwing plaats.
Als gevolg van het verwijderen van de veehouderijfunctie verdwijnt de ammoniak, geur- en fijnstofbelasting op de omgeving.
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het voorgaande is het onderhavige initiatief financieel uitvoerbaar.
Vanuit de Uniforme Voorbereidingsprocedure heeft het ontwerp van het voorliggende plan van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na deze datum worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Hardenbergerweg 81 in Geesteren waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestandNL.IMRO.0183.TAMBUIHARDENBWEG81- VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. de planlocaties opgenomen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMROomgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de geldende begrippen voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 3 Toepassingsbereik
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
De functies:
Artikel 4 Agrarisch - 1
Bovenstaande functie is overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege en blijft geldig ter plaatse van het nieuwe akkerbouwbedrijf. Ter aanvulling zijn enkele regels opgenomen over de borging en uitvoering van de landschappelijke inpassing. Daarnaast is in het kader van de Lbv-regeling het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren uitgesloten.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 en Artikel 6 Waarde - Archeologie 4
Bovenstaande waarden zijn overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied omdat deze liggen op een deel van het bouw- of functievlak.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 8 Ruimtelijke bouwactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 9 Planologische gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
Artikel 10 Regels parkeren
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen, waarbij als uitgangspunt geldt dat op eigen erf in voldoende mate is voorzien in de benodigde parkeerruimte.
Artikel 11 Overige regels
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.5.2 al aanvraagvereisten. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaart op een omgevingsvergunning die voortkomen uit dit TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
Artikel 12 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.