direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Burgemeester van Wijngaardenstraat 27 IJhorst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0180.TAMOPH22c-VS01

Regels

Dit plan beoogt het vervormen van een bouwvlak ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Burgermeester van Wijngaardenstraat 27, zodat de bestaande ligboxenstal richting de voorzijde van het perceel kan worden uitgebreid en een bestaande bedrijfswoning elders kan worden herbouwd. Juridisch vormt het plan een nieuw hoofdstuk (te lezen als hoofdstuk 22) van het omgevingsplan van de gemeente Staphorst. De hoofdstukken van dit TAM-omgevingsplan dienen gelezen te worden als paragrafen van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Staphorst. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c’ gelezen worden.

Dus:

  • Hoofdstuk 1 (Inleidende regels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22c, paragraaf 1;
  • artikel 8 van hoofdstuk 2 moet worden gelezen als artikel 22c.
  • bijlages (bij locatie noemen) moet worden gelezen als bijlage 1 etc. bij 22c.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Burgemeester van Wijngaardenstraat 27 IJhorst' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan.
  • 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Burgemeester van Wijngaardenstraat 27 IJhorst', tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijden van daken en dakkapellen;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgermeester van Wijngaardenstraat 27, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0180.TAMOPH22c-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

  • a. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven functies en/of gebiedsaanwijzingen;
  • b. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie Agrarisch.

6.2 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie ‘Agrarisch’ mogen worden benut voor:

  • a. agrarisch cultuurgrond;
  • b. een grondgebonden agrarisch bedrijf, al dan niet met een neventak intensieve veehouderij;
  • c. dagrecreatief medegebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. wonen in een bedrijfswoning ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, waarbij het aantal bedrijfswoningen per agrarisch bedrijf ten hoogste één zal bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal' niet meer dan het ter plaatse aangeduide aantal bedrijfswoningen is toegestaan, al dan niet in combinatie met:
    • 1. een aan huis verbonden beroep;
    • 2. aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten;
    • 3. aan huis verbonden kantooractiviteiten;
    • 4. een bed and breakfast;
  • e. bestaande kampeerterreinen (kamperen bij de boer);

alsmede voor:

  • f. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden;

met de daarbij behorende:

  • g. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen;
  • h. bedrijfswoningen;
  • i. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen;
  • j. mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • l. landbouwwegen, (kavel)paden, en overige infrastructurele voorzieningen;
  • m. tuinen, erven en terreinen;
  • n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • o. groenvoorzieningen;
  • p. nutsvoorzieningen;

met dien verstande dat:

  • q. het aantal agrarische bedrijven per bouwperceel niet meer bedraagt dan één dan wel het bestaande aantal.

Het opwekken van elektriciteit door middel van (co-)vergisting is uitsluitend toegestaan voor zover de opgewekte energie wordt geproduceerd door het ter plaatse aanwezige bedrijf en tevens wordt ingezet op dit bedrijf.

6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;

6.3.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. er mogen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;
  • b. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situering en afmetingen;
  • c. de afstand van een bedrijfswoning ten opzichte van de weg zal ten minste 20 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
  • d. per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen worden gebouwd ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf;
  • e. bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen dienen minimaal 5 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning te worden gebouwd, met uitzondering van bestaande situaties;
  • f. het bebouwd oppervlak ten behoeve van de intensieve veehouderij als neventak bij een grondgebonden agrarisch bedrijf bedraagt ten hoogste 250 m², met dien verstande dat in het geval dat het bestaande oppervlak meer dan 250 m² bedraagt, het bebouwd oppervlak ten hoogste 2.000 m² mag bedragen. De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het stallen van vee mag uitsluitend worden vergroot indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf;
  • g. het aantal bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste één per agrarisch bedrijf, dan wel het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'aantal' niet meer dan het ter plaatse aangeduide aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
  • h. de inhoud van een bedrijfswoning (inclusief aangebouwde of vrijstaande bijgebouwen, niet zijnde bedrijfsgebouwen) bedraagt niet meer dan 1.100 m³, dan wel de bestaande inhoud, indien deze meer bedraagt;
  • i. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedragen respectievelijk niet meer dan 4 m en 10 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
  • j. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning bedragen respectievelijk niet meer dan 3 m en 6 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
  • k. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen bedragen respectievelijk niet meer dan 6 m en 12 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
  • l. de dakhelling van bedrijfsgebouwen bedraagt ten minste 18°, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt;
  • m. de dakhelling van bedrijfswoningen bedraagt ten minste 30° en de dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning bedraagt ten minste 20°, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt.

6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s mogen alleen binnen het bouwvlak op minimaal 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning worden gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situatie;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, binnen het bouwvlak bedraagt niet meer dan 12 m, met uitzondering van torensilo's waarvan de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt buiten het bouwvlak ten hoogste 1,5 m en binnen het bouwvlak ten hoogste 2 m;
  • d. de bouwhoogte van lichtmasten zal ten hoogste 4 m bedragen, met dien verstande dat buiten het bouwvlak uitsluitend bestaande lichtmasten zijn toegestaan;
  • e. de bouwhoogte van omheiningen van paardenbakken zal ten hoogste 1,8 m bedragen, met dien verstande dat een omheind oppervlak niet meer mag bedragen dan 1.200 m²;
  • f. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt niet meer dan 2 m.

6.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwings- en landschapsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;

en maatwerkvoorschriften stellen aan:

  • de plaats en situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • een goede landschappelijke inpassing en de compensatie ten behoeve van landschap en natuur;
  • de (transparante) vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met name afrasteringen en omheiningen.

6.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.5.1 Algemene beoordelingsregel afwijkingen
  • a. Een omgevingsvergunning op basis van lid 6.5.2 tot en met 6.5.12 kan uitsluitend worden verleend indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk is gedaan aan:
    • 1. de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische, ecologische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 2. het bebouwings- en landschapsbeeld (met name met het oog op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing);
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. Het gestelde onder a wordt aangetoond met een erfinrichtingsplan. Hierin wordt onder andere aandacht besteed aan het landschap en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt rekening gehouden met de richtlijnen van het gemeentelijk landschapsplan en de investering in ruimtelijke kwaliteit is evenredig met de geboden ontwikkelingsruimte. De uitvoering en instandhouding van het plan voor landschappelijke inpassing dienen te zijn gegarandeerd. Er dient een inrichtingsplan te worden opgesteld waaruit duidelijk blijkt wat het onderscheid is tussen het voor- en achtererf. Dit komt tot uitdrukking in de situering van bebouwing en opslag. Daarnaast moet het inrichtingsplan blijk geven van een goede overgang van erf naar omgeving, waarbij landschappelijke kenmerken en verkavelingsstructuur het uitgangspunt zijn.

6.5.2 Bouwen bijgebouwen voor het stallen van middelen van landschapsonderhoud, dan wel het hobbymatig houden van vee
  • a. Vergunningplicht bijgebouw landschapsonderhoud / hobbymatig houden vee

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een bijgebouw voor het stallen van middelen landschapsonderhoud, dan wel het hobbymatig houden van vee, te bouwen.

  • b. Beoordelingsregels bijgebouw landschapsonderhoud / hobbymatig houden vee

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.2 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de activiteiten niet vergunningplichtig of meldingsplichtig mogen zijn krachtens de milieuwetgeving;
  • 2. de afstand tussen de voorzijde van het bijgebouw en het dichtst bij zijnde punt van het achterste gebouw ten opzichte van de openbare weg niet meer dan 15 m mag bedragen;
  • 3. er maximaal één bijgebouw mag worden gebouwd;
  • 4. de oppervlakte van het bijgebouw maximaal 150 m2 mag bedragen;
  • 5. de lengte van het bijgebouw ten minste tweemaal de breedte dient te bedragen;
  • 6. de goot- en bouwhoogte van het bijgebouw niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 6,6 m, met dien verstande dat een hogere goothoogte kan worden toegestaan in het geval in de vorm van een kapschuur wordt gebouwd;
  • 7. middels een erfinrichtingsplan dient te worden aangetoond hoe de kwaliteit van het gehele erf wordt verbeterd, dan wel in stand wordt gehouden;
  • 8. bij de situering van het bijgebouw moet worden aangesloten bij de ruimtelijke structuur van de woning;
  • 9. de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend als de uitvoering van het inrichtingsplan is gegarandeerd.

6.5.3 Bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
  • a. Vergunningsplicht bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een niet voor bewoning bestemd gebouw ten behoeve van agrarische bedrijven buiten het bouwvlak te bouwen.

  • b. Beoordelingsregels bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.3 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de oppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 250 m² bedraagt en met dien verstande dat de gevraagde omgevingsvergunning maximaal eenmaal binnen de planperiode voor een bepaald bouwperceel kan worden verleend;
  • 2. de overschrijding van een bestaand bouwvlak maximaal 25 m bedraagt;
  • 3. de gebouwen worden gebouwd op ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • 4. is aangetoond dat binnen het bouwvlak redelijkerwijs geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding, en is aangetoond dat bouwen binnen het bouwvlak op grond van bedrijfseconomische redenen/efficiëntie niet mogelijk is;
  • 5. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en het bebouwingsbeeld;
  • 6. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm.

6.5.4 Bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
  • a. Vergunningsplicht bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een niet voor bewoning bestemd gebouw of bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven buiten het bouwvlak te bouwen.

  • b. Beoordelingsregels bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.4 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de oppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 10% van het bouwvlak bedraagt;
  • 2. de overschrijding van een bestaand bouwvlak maximaal 20 m bedraagt;
  • 3. de gebouwen en/of bouwwerken voor opslag worden gebouwd op ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • 4. in het geval van opslag tevens de in lid 3.6, onder f genoemde omgevingsvergunning is verleend;
  • 5. is aangetoond dat er sprake is van kwaliteitsverbetering doordat alle landschapsontsierende bebouwing gelegen voor de achtergevel van de bedrijfswoning wordt gesloopt en alle aanwezige opslag voor de achtergevel van de bedrijfswoning wordt beëindigd;
  • 6. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en het bebouwingsbeeld;
  • 7. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm.

6.5.5 Verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning
  • a. Vergunningsplicht verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning.

  • b. Beoordelingsregels verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.5 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. deze afwijking voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • 2. de Omgevingskamer positief adviseert.

6.5.6 Vergroten van het bebouwd oppervlak voor het stallen van vee
  • a. Vergunningsplicht vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee.

  • b. Beoordelingsregels vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.6 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • 1. aangetoond is dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudings-doelstelling van een Natura 2000-gebied als gevolg van ammoniakdepositie.

6.5.7 Vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2
  • a. Vergunningsplicht vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2.

  • b. Beoordelingsregels vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.7 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • 1. het bestaande oppervlak ten behoeve van de neventak reeds meer dan 250 m² bedraagt;
  • 2. het bestaande aantal dieren niet toeneemt en de vergroting noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, dan wel op basis van andere duurzame of innovatieve marktconcepten wordt bijgedragen aan een beter welzijn van de dieren en waarbij een groter leefoppervlakte benodigd is;
  • 3. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. is aangetoond dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudings-doelstelling van een Natura 2000-gebied als gevolg van ammoniakdepositie.

6.5.8 Afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal
  • a. Vergunningsplicht afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 af te wijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal.

  • b. Beoordelingsregels afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.8 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • 1. een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt dan wel de ruimtelijke kwaliteit beter is gediend bij het realiseren van een afwijkende bouwvorm;
  • 2. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

6.5.9 Lagere dakhelling bijgebouwen en overkappingen bedrijfswoningen
  • a. Vergunningplicht lagere dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een lagere dakhelling te realiseren van bijgebouwen en overkappingen bij woningen.

  • b. Beoordelingsregels lagere dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.9 sub a kan worden verleend mits hierbij wordt aangesloten bij de dakhelling van de reeds bestaande bebouwing en de dakhelling minimaal 15° bedraagt.

6.5.10 Lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)
  • a. Vergunningplicht lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een lagere dakhelling te realiseren van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid).

  • b. Beoordelingsregels lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.10 sub a kan worden verleend.

6.5.11 Mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak
  • a. Vergunningplicht mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak indien er geen geschikte plaats binnen het bouwvlak aanwezig is voor opslag en deze opslag noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.

  • b. Beoordelingsregels mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.11 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • 1. de bouwhoogte van een mestsilo ten hoogste 4 m zal bedragen;
  • 2. de hoogte van de overige bouwwerken ten hoogste 2,5 m zal bedragen;
  • 3. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • 4. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.5.12 Verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak
  • a. Vergunningplicht verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak.

  • b. Beoordelingsregels verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.12 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de bouwhoogte en oppervlakte niet meer bedragen dan die van de bestaande mestsilo, mestbassin, kuilvoerplaat of sleufsilo;
  • 2. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • 3. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.6 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
6.6.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

In overeenstemming met de functieomschrijving is:

  • a. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen voor kleinschalige dagrecreatieve activiteiten en/of kleinschalige zorgactiviteiten, gericht op dagbesteding, mits:
    • 1. de agrarische bedrijfsvoering als activiteit blijft fungeren;
    • 2. het agrarische bedrijf een minimale omvang heeft meer dan 10 nge;
    • 3. er een aantoonbare relatie bestaan tussen de dagrecreatieve activiteiten c.q. zorgactiviteiten en het agrarisch bedrijf;
    • 4. voorzieningen worden gerealiseerd binnen bestaande agrarische bedrijfsbebouwing tot een maximum oppervlakte van 150 m²;
  • b. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen voor agrarische educatieve activiteiten en/of agrarische detailhandel, mits de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 100 m² bedraagt;
  • c. het gebruik van de bedrijfswoning met behorende bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijfs- of kantooractiviteiten, uitsluitend voor zover de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan. Dit betekent dat:
    • 1. de woonfunctie van de bedrijfswoning in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
    • 2. aan huis verbonden activiteiten uitsluitend inpandig mogen worden verricht;
    • 3. maximaal 75 m² van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten;
    • 4. degene die de gebruiker is van de woning ook degene moet zijn die het aan huis verbonden beroep uitoefent;
    • 5. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden beroep, geen detailhandel mag plaatsvinden;
    • 6. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op eigen terrein;
  • d. het gebruik van de gronden ten behoeve van een paardrijbak, mits:
    • 1. de paardrijbak binnen het bouwvlak en op ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gesitueerd;
    • 2. een minimale afstand van 30 m wordt aangehouden tot woningen of (agrarische) bedrijven van derden;
  • e. het gebruik van verlichting voor een paardrijbak, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. er mag niet meer dan 60 lux/m² worden geproduceerd, gemeten 1 m boven de bodem van de paardrijbak;
    • 2. de verlichting mag niet worden gebruikt tussen 23.00 uur en 07.00 uur;
  • f. het gebruik van de bedrijfswoning ten behoeve van een bed and breakfast;
  • g. het in gebruik nemen van een oorspronkelijk inpandig bedrijfsgedeelte in een oorspronkelijke boerderij ten behoeve van woongebruik, waarbij een waarbij een overschrijding van lid 3.2, sub a, onder 8 is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de uiterlijke verschijningsvorm als boerderij dient te worden gehandhaafd;
    • 2. dit niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
    • 3. geen extra woningen mogen ontstaan;
  • h. het gebruik van agrarische bedrijfsgebouwen voor de opslag en stalling van niet-agrarische statische producten (zoals caravanstalling) in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, mits:
    • 1. de agrarische bedrijfsvoering als activiteit blijft fungeren;
    • 2. het agrarisch bedrijf een minimale omvang heeft van 10 nge;
    • 3. de opslag plaatsvindt binnen de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing met een maximumomvang van 200 m2 ;
  • i. het gebruik van de agrarische bedrijfsgebouwen voor de ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij), mits:
    • 1. de agrarische bedrijfsvoering als hoofdactiviteit blijft fungeren;
    • 2. de bedrijfsoppervlakte niet meer bedraagt dan 200 m2 ;
    • 3. het agrarisch bedrijf een minimale omvang heeft van 10 nge.
6.6.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik met deze functie wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid, anders dan de in lid 6.2 en 6.6.1 toegelaten nevenactiviteiten;
  • b. het splitsen van een bedrijfswoning in meer dan één woning;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan agrarische detailhandel en de in 6.6.1, sub c, onder 5 toegelaten detailhandel;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, anders dan de in lid 6.2 en 6.6.1 toegelaten voorzieningen;
  • e. permanente bewoning van vrijstaande bijgebouwen of bedrijfsgebouwen;
  • f. het stallen van (sloop)auto's, (sloop)caravans, boten, sloopafval, bouwmaterialen en hiermee vergelijkbare zaken, anders dan in gebouwen, indien deze stalling geen direct verband houdt met de bedrijfsvoering ter plekke;
  • g. het opslaan van mest, bermmaaisel, producten die vrijkomen bij het schoonmaken van sloten, hooibalen en/of andere agrarische producten buiten het bouwvlak, anders dan tijdelijke opslag en anders dan bestaande opslag;
  • h. het opslaan van mest, bermmaaisel, producten die vrijkomen bij het schoonmaken van sloten, hooibalen en/of andere agrarische producten binnen het bouwvlak voor zover het gronden betreft die zijn gelegen op minder dan 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • i. het gebruik van de gronden ten behoeve van bosbouw, sierteelt, houtteelt of andere hoogopgaande teeltvormen, anders dan de bestaande situatie;
  • j. het gebruik van gebouwen ten behoeve van gestapelde stallen;
  • k. de aanleg van en het gebruik van gronden voor paardrijbakken anders dan bedoeld in lid 6.6.1, sub e;
  • l. het gebruik van verlichting voor een paardrijbak anders dan bedoeld in lid 6.6.1, sub f;
  • m. het gebruik van gronden buiten het bouwvlak als erf of tuin;
  • n. het aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak, anders dan bestaand;
  • o. het gebruik van gronden als sport-, wedstrijd-, speel- parkeer- en/of kampeerterrein;
  • p. het gebruik van gronden voor het beproeven van motorvoertuigen of voor het beoefenen van gemotoriseerde snelheids- en/of behendigheidssporten en de (model-) vliegsport;
  • q. het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de lin lid 6.2 opgenomen functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van het in Bijlage 2 opgenomen landschappelijk inpassingsplan;
  • r. in afwijking van het bepaalde onder e mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt indien en voorzover binnen twee jaar na vaststelling van dit TAM-omgevingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van het in Bijlage 2 opgenomen lanschappelijk inpassingsplan;
  • s. Het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in 6.2 opgenomen functieomschrijving, het (ver)bouwen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied is enkel toegestaan mits er ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar de verblijfplaatsen van vleermuizen en eventueel daaruit voorkomende mitigerende maatregelen zijn getroffen.

6.7 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
6.7.1 Algemene beoordelingsregel afwijkingen

Een omgevingsvergunning op basis van lid 6.7.2 tot en met 6.7.9 kan uitsluitend worden verleend indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk is gedaan aan:

  • de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische, ecologische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • het bebouwings- en landschapsbeeld (met name met het oog op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing);
  • de verkeersveiligheid.

6.7.2 Gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning
  • a. Vergunningplicht gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 een tweede bedrijfswoning te gebruiken als plattelandswoning.

  • b. Beoordelingsregels gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.2 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. bij het agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfswoning deel uit maakte in de toekomst geen nieuwe bedrijfswoning mag worden gerealiseerd;
  • 2. het behoud van de ruimtelijke uitstraling wordt gegarandeerd, hetgeen aangetoond wordt middels een erfinrichtingsplan;
  • 3. de bouwregels voor bedrijfswoningen van overeenkomstige toepassing blijven;
  • 4. moet worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen onder huidige wetgeving.

6.7.3 Uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij
  • a. Vergunningplicht uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 een agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij uit te oefenen.

  • b. Beoordelingsregels uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.3 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de agrarische bedrijfsvoering als hoofdactiviteit blijft fungeren;
  • 2. is aangetoond dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  • 3. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden en de verkeersveiligheid.

6.7.4 Gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg
  • a. Vergunningplicht gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg.

  • b. Beoordelingsregels gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.4 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de behoefte aan mantelzorg blijkt uit een schriftelijke verklaring van een zorginstelling, dan wel de mantelzorgbehoevende ouder is dan 75 jaar;
  • 2. de geluidsbelasting op de woning in het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de daarvoor geldende voorkeurswaarde of een hoger verkregen grenswaarde, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;
  • 3. er ter plekke een acceptabel woon- en leefklimaat valt te garanderen;
  • 4. de omgevingsvergunning mag geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;
  • 5. gegarandeerd wordt dat na beëindiging van de mantelzorgbehoefte het betreffende gebouw als bijgebouw in gebruik wordt genomen;
  • 6. in aanvulling van de binnenplanse afwijking een overeenkomst wordt gesloten.

6.7.5 Bedrijfsgebouwen worden gebruikt ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie
  • a. Vergunningplicht gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie.

  • b. Beoordelingsregels gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.5 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de agrarische bedrijfsvoering als hoofdactiviteit blijft fungeren;
  • 2. de realisering van deze kampeerboerderij/groepsaccommodatie binnen één bestaand agrarisch bedrijfsgebouw plaatsvindt, waarbij inpandige verbouwing is toegestaan;
  • 3. de kampeerboerderij/groepsaccommodatie een maximum oppervlakte heeft van 200 m²;
  • 4. de recreatieve activiteit uitsluitend plaatsvindt in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;
  • 5. het agrarische bedrijf een minimum omvang heeft van 10 nge;
  • 6. wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit en met dien verstande dat een combinatie van een kampeerboerderij en/of groepsaccommodatie samen met boerderijkamers niet is toegestaan.

6.7.6 Bedrijfsgebouwen gebruiken ten behoeve van boerderijkamers
  • a. Vergunningplicht bedrijfsgebouwen gebruiken ten behoeve van boerderijkamers

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van bedrijfsgebouwen ten behoeve van boerderijkamers.

  • b. Beoordelingsregels gebruik van bedrijfsgebouwen ten behoeve van boerderijkamers.

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.6 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de activiteit plaatsvindt binnen de bestaande bebouwing;
  • 2. het minimum aantal boerderijkamers per agrarisch bedrijf twee en het maximum aantal vijf bedraagt;
  • 3. vestiging plaats dient te vinden in één bedrijfsgebouw dat binnen een afstand van maximaal 25 m van het hoofdbedrijfsgebouw of de bedrijfswoning is gesitueerd;
  • 4. de vloeroppervlakte per boerderijkamer maximaal 50 m² zal bedragen en de gezamenlijke vloeroppervlakte van meerdere boerderijkamers maximaal 200 m² zal bedragen;
  • 5. de recreatieve activiteit uitsluitend plaatsvindt in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;
  • 6. middels een bedrijfsplan inzicht wordt geboden in de bedrijfsmatige exploitatie en geen permanente bewoning plaatsvindt;
  • 7. er wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit en met dien verstande dat een combinatie van boerderijkamers samen met een kampeerboerderij en/of groepsaccommodatie niet is toegestaan.

6.7.7 Gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast
  • a. Vergunningplicht gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast.

  • b. Beoordelingsregels gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.7 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. vestiging dient plaats te vinden in één bedrijfsgebouw dan wel bijgebouw dat binnen een afstand van maximaal 25 m van het hoofdbedrijfsgebouw of de bedrijfswoning is gesitueerd;
  • 2. de uiterlijke kenmerken van het bijgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd.

6.7.8 Mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak
  • a. Vergunningplicht mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak.

  • b. Beoordelingsregels mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.8 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. solitaire opslag zoveel mogelijk wordt voorkomen doordat aansluiting wordt gezocht bij reeds bestaande mestopslag in de omgeving;
  • 2. moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie (waaronder geurhinder), de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 3. in het geval van mestopslag voldoende bodembeschermende voorzieningen worden getroffen in de vorm van een vloeistofkerende vloer met opstaande randen.

6.7.9 Aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak
  • a. Vergunningplicht aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak.

  • b. Beoordelingsregels aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.9 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. is aangetoond dat de ontsluiting op grond van bedrijfseconomische redenen/efficiëntie noodzakelijk is;
  • 2. er wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit;
  • 3. aangetoond is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.8 Beoordelingsregels overige activiteiten
6.8.1 Vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:

  • a. het afgraven, het ophogen of het egaliseren van gronden;
  • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, opslagplaatsen en stortplaatsen buiten een bouwvlak;
  • c. het aanleggen van bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen;
  • d. het verrichten van exploratieboringen;
  • e. het kappen, vellen en rooien van houtgewas;
  • f. het dempen van beken, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur en waterhuishouding;
  • g. het aanleggen van drainage ten behoeve van agrarische doeleinden;
  • h. het graven van greppels en watergangen;
  • i. de aanplant van singels.
6.8.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 6.8.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. op basis van het voorheen geldende plan niet vergunningplichtig waren en die reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds
  • d. verleende vergunning;
  • e. op archeologisch, dan wel ecologisch onderzoek zijn gericht, dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van het natuurgebied.
6.8.3 Beoordelingsregels

De in 6.8.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:

  • a. geen ovenevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke, de geomorfologische, cultuurhistorische en de archeologische waarden;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 6

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 6.

7.2 Gebiedsomschrijving

De gronden binnen het gebied 'Waarde - Archeologie 6' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie, mede bestemd voor het behoud van lage archeologische verwachtingswaarden.

7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 7.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwactiviteiten uit te voeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm beneden het maaiveld.

7.3.2 Toegestane bouwactiviteiten

De in lid 7.3.1 genoemde vergunningplicht is niet van toepassing indien de bouwactiviteiten betrekking hebben op:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 1,5 ha wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 1,5 ha ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen.

7.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.4.1 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 kan worden verleend, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  • c. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten wel onevenredig kunnen worden geschaad, hetgeen met toepassing van in artikel 7.4.2 opgenomen maatwerkvoorschriften kan worden voorkomen.
7.4.2 Maatwerkvoorschriften
  • a. Indien artikel 7.4.1 sub c van toepassing is kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 worden verleend door hieraan één of meer van de volgende maatwerkvoorschriften te verbinden:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  • b. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 7.4.2 sub a wordt hiertoe een archeologisch deskundige om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de vergunning
    niet verleend.

7.5 Beoordelingsregels overige activiteiten
7.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 7.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 1,5 ha en dieper dan 40 cm;
  • b. het graven van watergangen;
  • c. het graven van sleuven breder dan 50 cm en dieper dan 40 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
7.5.2 Toegestane overige activiteiten

De in lid 7.5.1 genoemde vergunningplicht is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van dit plan;
  • b. het normale onderhoud betreffen. Onder normaal onderhoud van drainage wordt in elk geval verstaan het vervangen van drainage in inmiddels gedraineerde percelen;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • d. op archeologisch onderzoek zijn gericht.

7.6 Specifieke beoordelingsregels overige activiteiten
7.6.1 Beoordelingsregels overige activiteiten

De omgevingsvergunning al bedoeld in artikel 7.5.1 kan worden verleend, mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  • c. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten wel onevenredig kunnen worden geschaad, hetgeen met toepassing van in artikel 7.6.2 opgenomen maatwerkvoorschriften kan worden voorkomen.
7.6.2 Maatwerkvoorschriften
  • a. Indien artikel 7.6.1 sub c van toepassing is kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1 worden verleend door hieraan één of meer van de volgende maatwerkvoorschriften te verbinden:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de bouw van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
  • b. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder 7.6.2 sub a wordt hiertoe een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan (omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit) waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene beoordelingscriteria bouwactiviteiten

9.1 Beoordelingsregels grootschalige uitbreiding

Voor elke uitbreiding van 500 m² of meer aan verstening dient een erfinrichtingsplan te worden opgesteld, welke door burgemeester en wethouders dient te zijn goedgekeurd, met uitzondering van bebouwing in de functies Agrarisch, Agrarisch met waarden – Elzensingellandschap, Agrarisch met waarden – Kleinschalig, Agrarisch met waarden – Landschap en Agrarisch met waarden – Landschap en Natuur.

Artikel 10 Algemene beoordelingscriteria gebruiksactiviteiten

10.1 Beoordelingscriteria tijdelijk gebruik gronden als stort- en opslagplaats

Het tijdelijk gebruik van gronden als stort- en opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, is toegestaan, behoudens voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden zoals vervat in Bijlage 3 Beleidsnota tijdelijke grondopslagen gemeente Staphorst.

10.2 Algemeen verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijvingen,waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, behalve op de gronden waar een kampeerterrein voor (kleinschalig) kamperen is toegestaan;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor overige verblijfsrecreatie, anders dan bestaand;
  • c. het gebruik van gronden voor het beproeven van motorvoertuigen of voor het beoefenen van gemotoriseerde snelheids- en/of behendigheidssporten en de (model-) vliegsport;
  • d. het gebruik of laten gebruiken van gronden en/of gebouwen voor een seksinrichting;
  • e. het storten van puin en/of afvalstoffen;
  • f. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;
  • g. het gebruik van een woning ten behoeve van inwoning, anders dan in het omgevingsplan toegestane mantelzorg dan wel bestaande inwoning;

Artikel 11 Algemene beoordelingscriteria parkeeractiviteiten

11.1 Parkeergelegenheid

Indien de omvang of de bestemming van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, dient ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat:

  • a. daarbij voor alle functies uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals opgenomen in de door de gemeenteraad op 27 november 2018 vastgestelde nota parkeerkengetallen gemeente Staphorst of zo deze naderhand zijn of worden gewijzigd.

De in 11.1 onder a genoemde regeling doet zich in ieder geval voor in het geval van:

  • b. een feitelijke gebruiksverandering;
  • c. het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen;
  • d. het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in dit plan opgenomen afwijkingen;

11.2 Laden en lossen

Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

11.3 Afwijkingsbevoegdheid
11.3.1 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.1 en 11.2.

11.3.2 Beoordelingsregels

Burgemeester en wethouders verlenen de in 11.1 bedoelde omgevingsvergunning indien:

  • a. het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit;
  • b. voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Artikel 12 Algemene beoordelingscriteria overige activiteiten

12.1 Algemene beoordelingsregels afwijkende activiteiten
12.1.1 Vergunningplicht algemene afwijkende activiteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het gestelde in dit TAM-omgevingsplan voor:

  • a. het in geringe mate aanpassen van het beloop of profiel van wegen, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daar aanleiding voor geven;
  • b. het aanleggen van nieuwe fiets- en/of wandelpaden;
  • c. het overschrijden van functiegrenzen- en/of bouwgrenzen, indien een meetverschil hier aanleiding voor geeft;
  • d. het bouwen van antennemasten tot een maximale hoogte van 25 meter;
  • e. het bouwen van openbare nutgebouwen, wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes met een maximale inhoud van 50 m3 en een maximale bouwhoogte van 3,5 m worden gebouwd;
12.1.2 Beoordelingscriteria algemene afwijkende activiteiten

De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.1.1 kan worden verleend mits:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. wordt voldaan aan de in 12.1 opgenomen algemene beoordelingsregels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
13.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
13.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van artikel 13.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 13.1.1 met maximaal 10%.

13.1.3 Uitzondering

Artikel 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik
13.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

13.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

13.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 13.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

13.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.