6.2 Functieomschrijving
Gronden binnen de functie ‘Agrarisch’ mogen worden benut voor:
-
a. agrarisch cultuurgrond;
-
b. een grondgebonden agrarisch bedrijf, al dan niet met een neventak intensieve veehouderij;
-
c. dagrecreatief medegebruik;
met daaraan ondergeschikt:
-
d. wonen in een bedrijfswoning ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, waarbij het aantal bedrijfswoningen per agrarisch bedrijf ten hoogste één zal bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal' niet meer dan het ter plaatse aangeduide aantal bedrijfswoningen is toegestaan, al dan niet in combinatie met:
-
1. een aan huis verbonden beroep;
-
2. aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten;
-
3. aan huis verbonden kantooractiviteiten;
-
4. een bed and breakfast;
-
e. bestaande kampeerterreinen (kamperen bij de boer);
alsmede voor:
-
f. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
met de daarbij behorende:
-
g. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen;
-
h. bedrijfswoningen;
-
i. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen;
-
j. mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s;
-
k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
-
l. landbouwwegen, (kavel)paden, en overige infrastructurele voorzieningen;
-
m. tuinen, erven en terreinen;
-
n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
-
o. groenvoorzieningen;
-
p. nutsvoorzieningen;
met dien verstande dat:
-
q. het aantal agrarische bedrijven per bouwperceel niet meer bedraagt dan één dan wel het bestaande aantal.
Het opwekken van elektriciteit door middel van (co-)vergisting is uitsluitend toegestaan voor zover de opgewekte energie wordt geproduceerd door het ter plaatse aanwezige bedrijf en tevens wordt ingezet op dit bedrijf.
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.3.1 Toepassingsbereik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor bouwactiviteiten de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels;
6.3.2 Gebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
-
a. er mogen uitsluitend gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van agrarische bedrijven met bijbehorende functies worden gebouwd;
-
b. gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situering en afmetingen;
-
c. de afstand van een bedrijfswoning ten opzichte van de weg zal ten minste 20 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
-
d. per bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen worden gebouwd ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf;
-
e. bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen dienen minimaal 5 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning te worden gebouwd, met uitzondering van bestaande situaties;
-
f. het bebouwd oppervlak ten behoeve van de intensieve veehouderij als neventak bij een grondgebonden agrarisch bedrijf bedraagt ten hoogste 250 m², met dien verstande dat in het geval dat het bestaande oppervlak meer dan 250 m² bedraagt, het bebouwd oppervlak ten hoogste 2.000 m² mag bedragen. De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het stallen van vee mag uitsluitend worden vergroot indien er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf;
-
g. het aantal bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste één per agrarisch bedrijf, dan wel het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
-
1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
-
2. ter plaatse van de aanduiding 'aantal' niet meer dan het ter plaatse aangeduide aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
-
h. de inhoud van een bedrijfswoning (inclusief aangebouwde of vrijstaande bijgebouwen, niet zijnde bedrijfsgebouwen) bedraagt niet meer dan 1.100 m³, dan wel de bestaande inhoud, indien deze meer bedraagt;
-
i. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedragen respectievelijk niet meer dan 4 m en 10 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
-
j. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning bedragen respectievelijk niet meer dan 3 m en 6 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
-
k. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen bedragen respectievelijk niet meer dan 6 m en 12 m, dan wel niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen;
-
l. de dakhelling van bedrijfsgebouwen bedraagt ten minste 18°, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt;
-
m. de dakhelling van bedrijfswoningen bedraagt ten minste 30° en de dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning bedraagt ten minste 20°, dan wel de bestaande dakhelling voor zover deze minder bedraagt.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
-
a. mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s mogen alleen binnen het bouwvlak op minimaal 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning worden gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situatie;
-
b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, binnen het bouwvlak bedraagt niet meer dan 12 m, met uitzondering van torensilo's waarvan de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt;
-
c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt buiten het bouwvlak ten hoogste 1,5 m en binnen het bouwvlak ten hoogste 2 m;
-
d. de bouwhoogte van lichtmasten zal ten hoogste 4 m bedragen, met dien verstande dat buiten het bouwvlak uitsluitend bestaande lichtmasten zijn toegestaan;
-
e. de bouwhoogte van omheiningen van paardenbakken zal ten hoogste 1,8 m bedragen, met dien verstande dat een omheind oppervlak niet meer mag bedragen dan 1.200 m²;
-
f. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt niet meer dan 2 m.
6.4 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
- het bebouwings- en landschapsbeeld;
- de verkeersveiligheid;
en maatwerkvoorschriften stellen aan:
- de plaats en situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
- een goede landschappelijke inpassing en de compensatie ten behoeve van landschap en natuur;
- de (transparante) vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met name afrasteringen en omheiningen.
6.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.5.1 Algemene beoordelingsregel afwijkingen
-
a. Een omgevingsvergunning op basis van lid 6.5.2 tot en met 6.5.12 kan uitsluitend worden verleend indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk is gedaan aan:
-
1. de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische, ecologische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
2. het bebouwings- en landschapsbeeld (met name met het oog op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing);
-
3. de verkeersveiligheid.
-
b. Het gestelde onder a wordt aangetoond met een erfinrichtingsplan. Hierin wordt onder andere aandacht besteed aan het landschap en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt rekening gehouden met de richtlijnen van het gemeentelijk landschapsplan en de investering in ruimtelijke kwaliteit is evenredig met de geboden ontwikkelingsruimte. De uitvoering en instandhouding van het plan voor landschappelijke inpassing dienen te zijn gegarandeerd. Er dient een inrichtingsplan te worden opgesteld waaruit duidelijk blijkt wat het onderscheid is tussen het voor- en achtererf. Dit komt tot uitdrukking in de situering van bebouwing en opslag. Daarnaast moet het inrichtingsplan blijk geven van een goede overgang van erf naar omgeving, waarbij landschappelijke kenmerken en verkavelingsstructuur het uitgangspunt zijn.
6.5.2 Bouwen bijgebouwen voor het stallen van middelen van landschapsonderhoud, dan wel het hobbymatig houden van vee
-
a. Vergunningplicht bijgebouw landschapsonderhoud / hobbymatig houden vee
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een bijgebouw voor het stallen van middelen landschapsonderhoud, dan wel het hobbymatig houden van vee, te bouwen.
-
b.
Beoordelingsregels bijgebouw landschapsonderhoud / hobbymatig houden vee
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.2 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de activiteiten niet vergunningplichtig of meldingsplichtig mogen zijn krachtens de milieuwetgeving;
-
2. de afstand tussen de voorzijde van het bijgebouw en het dichtst bij zijnde punt van het achterste gebouw ten opzichte van de openbare weg niet meer dan 15 m mag bedragen;
-
3. er maximaal één bijgebouw mag worden gebouwd;
-
4. de oppervlakte van het bijgebouw maximaal 150 m2 mag bedragen;
-
5. de lengte van het bijgebouw ten minste tweemaal de breedte dient te bedragen;
-
6. de goot- en bouwhoogte van het bijgebouw niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 6,6 m, met dien verstande dat een hogere goothoogte kan worden toegestaan in het geval in de vorm van een kapschuur wordt gebouwd;
-
7. middels een erfinrichtingsplan dient te worden aangetoond hoe de kwaliteit van het gehele erf wordt verbeterd, dan wel in stand wordt gehouden;
-
8. bij de situering van het bijgebouw moet worden aangesloten bij de ruimtelijke structuur van de woning;
-
9. de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend als de uitvoering van het inrichtingsplan is gegarandeerd.
6.5.3 Bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
-
a.
Vergunningsplicht bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische
bedrijven, buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een niet voor bewoning bestemd gebouw ten behoeve van agrarische bedrijven buiten het bouwvlak te bouwen.
-
b.
Beoordelingsregels bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van agrarische
bedrijven, buiten het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.3 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de oppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 250 m² bedraagt en met dien verstande dat de gevraagde omgevingsvergunning maximaal eenmaal binnen de planperiode voor een bepaald bouwperceel kan worden verleend;
-
2. de overschrijding van een bestaand bouwvlak maximaal 25 m bedraagt;
-
3. de gebouwen worden gebouwd op ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
-
4. is aangetoond dat binnen het bouwvlak redelijkerwijs geen ruimte meer is voor de benodigde uitbreiding, en is aangetoond dat bouwen binnen het bouwvlak op grond van bedrijfseconomische redenen/efficiëntie niet mogelijk is;
-
5. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en het bebouwingsbeeld;
-
6. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm.
6.5.4 Bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
-
a.
Vergunningsplicht bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor opslag
ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een niet voor bewoning bestemd gebouw of bouwwerken voor opslag ten behoeve van agrarische bedrijven buiten het bouwvlak te bouwen.
-
b.
Beoordelingsregels bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken voor
opslag ten behoeve van agrarische bedrijven, buiten het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.4 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de oppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 10% van het bouwvlak bedraagt;
-
2. de overschrijding van een bestaand bouwvlak maximaal 20 m bedraagt;
-
3. de gebouwen en/of bouwwerken voor opslag worden gebouwd op ten minste 10 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
-
4. in het geval van opslag tevens de in lid 3.6, onder f genoemde omgevingsvergunning is verleend;
-
5. is aangetoond dat er sprake is van kwaliteitsverbetering doordat alle landschapsontsierende bebouwing gelegen voor de achtergevel van de bedrijfswoning wordt gesloopt en alle aanwezige opslag voor de achtergevel van de bedrijfswoning wordt beëindigd;
-
6. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en het bebouwingsbeeld;
-
7. de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm.
6.5.5 Verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning
-
a.
Vergunningsplicht verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de
bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de
bedrijfswoning
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning.
-
b.
Beoordelingsregels verkleinen van de afstand van bedrijfsgebouwen, vrijstaande bijgebouwen bij de
bedrijfswoning en overkappingen tot 2 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de
bedrijfswoning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.5 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. deze afwijking voor een goede bedrijfsvoering noodzakelijk is;
-
2. de Omgevingskamer positief adviseert.
6.5.6 Vergroten van het bebouwd oppervlak voor het stallen van vee
-
a.
Vergunningsplicht vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee.
-
b.
Beoordelingsregels vergoten van het bebouwd oppervalk voor het stallen van vee
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.6 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
-
1. aangetoond is dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudings-doelstelling van een Natura 2000-gebied als gevolg van ammoniakdepositie.
6.5.7 Vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2
-
a.
Vergunningsplicht vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve
veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2.
-
b.
Beoordelingsregels vergroten van het bebouwd oppervlak ten behoeve van de neventak intensieve
veehouderij, tot boven de maximaal toegestane 2.000 m2
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.7 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
-
1. het bestaande oppervlak ten behoeve van de neventak reeds meer dan 250 m² bedraagt;
-
2. het bestaande aantal dieren niet toeneemt en de vergroting noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, dan wel op basis van andere duurzame of innovatieve marktconcepten wordt bijgedragen aan een beter welzijn van de dieren en waarbij een groter leefoppervlakte benodigd is;
-
3. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
4. is aangetoond dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudings-doelstelling van een Natura 2000-gebied als gevolg van ammoniakdepositie.
6.5.8 Afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal
-
a.
Vergunningsplicht afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 af te wijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal.
-
b.
Beoordelingsregels afwijken van de dakhellingsvereisten ten behoeve van een serre- of boogstal
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.8 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
-
1. een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt dan wel de ruimtelijke kwaliteit beter is gediend bij het realiseren van een afwijkende bouwvorm;
-
2. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
6.5.9 Lagere dakhelling bijgebouwen en overkappingen bedrijfswoningen
-
a.
Vergunningplicht lagere dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een lagere dakhelling te realiseren van bijgebouwen en overkappingen bij woningen.
-
b.
Beoordelingsregels lagere dakhelling van bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.9 sub a kan worden verleend mits hierbij wordt aangesloten bij de dakhelling van de reeds bestaande bebouwing en de dakhelling minimaal 15° bedraagt.
6.5.10 Lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)
-
a.
Vergunningplicht lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij
bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 een lagere dakhelling te realiseren van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid).
-
b.
Beoordelingsregels lagere dakhelling van ondergeschikte bijgebouwen en overkappingen bij
bedrijfswoningen (zoals carports, garages en een tussenlid)
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.10 sub a kan worden verleend.
6.5.11 Mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak
-
a.
Vergunningplicht mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak indien er geen geschikte plaats binnen het bouwvlak aanwezig is voor opslag en deze opslag noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.
-
b.
Beoordelingsregels mestsilo's, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo's aansluitend het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.11 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
-
1. de bouwhoogte van een mestsilo ten hoogste 4 m zal bedragen;
-
2. de hoogte van de overige bouwwerken ten hoogste 2,5 m zal bedragen;
-
3. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
-
4. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.5.12 Verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak
-
a.
Vergunningplicht verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s
gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.3.2 en 6.3.3 verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak.
-
b.
Beoordelingsregels verplaatsen bestaande mestsilo´s, mestbassins, kuilvoerplaten en sleufsilo´s
gelegen buiten het bouwvlak direct aansluitend het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.12 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de bouwhoogte en oppervlakte niet meer bedragen dan die van de bestaande mestsilo, mestbassin, kuilvoerplaat of sleufsilo;
-
2. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
-
3. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.7 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
6.7.1 Algemene beoordelingsregel afwijkingen
Een omgevingsvergunning op basis van lid 6.7.2 tot en met 6.7.9 kan uitsluitend worden verleend indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk is gedaan aan:
- de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische, ecologische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- het bebouwings- en landschapsbeeld (met name met het oog op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing);
- de verkeersveiligheid.
6.7.2 Gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning
-
a.
Vergunningplicht gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 een tweede bedrijfswoning te gebruiken als plattelandswoning.
-
b.
Beoordelingsregels gebruik bestaande tweede bedrijfswoning als plattelandswoning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.2 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. bij het agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfswoning deel uit maakte in de toekomst geen nieuwe bedrijfswoning mag worden gerealiseerd;
-
2. het behoud van de ruimtelijke uitstraling wordt gegarandeerd, hetgeen aangetoond wordt middels een erfinrichtingsplan;
-
3. de bouwregels voor bedrijfswoningen van overeenkomstige toepassing blijven;
-
4. moet worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen onder huidige wetgeving.
6.7.3 Uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij
-
a.
Vergunningplicht uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 een agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij uit te oefenen.
-
b.
Beoordelingsregels uitoefening agrarisch bedrijf gecombineerd met een zorgboerderij
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.3 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de agrarische bedrijfsvoering als hoofdactiviteit blijft fungeren;
-
2. is aangetoond dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
-
3. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden en de verkeersveiligheid.
6.7.4 Gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg
-
a.
Vergunningplicht gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van mantelzorg.
-
b.
Beoordelingsregels gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning in het kader van
mantelzorg
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.4 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de behoefte aan mantelzorg blijkt uit een schriftelijke verklaring van een zorginstelling, dan wel de mantelzorgbehoevende ouder is dan 75 jaar;
-
2. de geluidsbelasting op de woning in het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de daarvoor geldende voorkeurswaarde of een hoger verkregen grenswaarde, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;
-
3. er ter plekke een acceptabel woon- en leefklimaat valt te garanderen;
-
4. de omgevingsvergunning mag geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;
-
5. gegarandeerd wordt dat na beëindiging van de mantelzorgbehoefte het betreffende gebouw als bijgebouw in gebruik wordt genomen;
-
6. in aanvulling van de binnenplanse afwijking een overeenkomst wordt gesloten.
6.7.5 Bedrijfsgebouwen worden gebruikt ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie
-
a.
Vergunningplicht gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een
groepsaccommodatie
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een groepsaccommodatie.
-
b.
Beoordelingsregels gebruik bedrijfsgebouwen ten behoeve van een kampeerboerderij en/of een
groepsaccommodatie
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.5 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de agrarische bedrijfsvoering als hoofdactiviteit blijft fungeren;
-
2. de realisering van deze kampeerboerderij/groepsaccommodatie binnen één bestaand agrarisch bedrijfsgebouw plaatsvindt, waarbij inpandige verbouwing is toegestaan;
-
3. de kampeerboerderij/groepsaccommodatie een maximum oppervlakte heeft van 200 m²;
-
4. de recreatieve activiteit uitsluitend plaatsvindt in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;
-
5. het agrarische bedrijf een minimum omvang heeft van 10 nge;
-
6. wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit en met dien verstande dat een combinatie van een kampeerboerderij en/of groepsaccommodatie samen met boerderijkamers niet is toegestaan.
6.7.6 Bedrijfsgebouwen gebruiken ten behoeve van boerderijkamers
-
a.
Vergunningplicht bedrijfsgebouwen gebruiken ten behoeve van boerderijkamers
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van bedrijfsgebouwen ten behoeve van boerderijkamers.
-
b.
Beoordelingsregels gebruik van bedrijfsgebouwen ten behoeve van boerderijkamers.
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.6 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. de activiteit plaatsvindt binnen de bestaande bebouwing;
-
2. het minimum aantal boerderijkamers per agrarisch bedrijf twee en het maximum aantal vijf bedraagt;
-
3. vestiging plaats dient te vinden in één bedrijfsgebouw dat binnen een afstand van maximaal 25 m van het hoofdbedrijfsgebouw of de bedrijfswoning is gesitueerd;
-
4. de vloeroppervlakte per boerderijkamer maximaal 50 m² zal bedragen en de gezamenlijke vloeroppervlakte van meerdere boerderijkamers maximaal 200 m² zal bedragen;
-
5. de recreatieve activiteit uitsluitend plaatsvindt in de periode 15 maart tot en met 31 oktober;
-
6. middels een bedrijfsplan inzicht wordt geboden in de bedrijfsmatige exploitatie en geen permanente bewoning plaatsvindt;
-
7. er wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit en met dien verstande dat een combinatie van boerderijkamers samen met een kampeerboerderij en/of groepsaccommodatie niet is toegestaan.
6.7.7 Gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast
-
a.
Vergunningplicht gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and
breakfast
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and breakfast.
-
b.
Beoordelingsregels gebruik van bijgebouwen dan wel bedrijfsgebouwen ten behoeve van bed and
breakfast
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.7 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. vestiging dient plaats te vinden in één bedrijfsgebouw dan wel bijgebouw dat binnen een afstand van maximaal 25 m van het hoofdbedrijfsgebouw of de bedrijfswoning is gesitueerd;
-
2. de uiterlijke kenmerken van het bijgebouw moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd.
6.7.8 Mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak
-
a.
Vergunningplicht mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak.
-
b.
Beoordelingsregels mestopslag of de opslag van agrarische producten buiten het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.8 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. solitaire opslag zoveel mogelijk wordt voorkomen doordat aansluiting wordt gezocht bij reeds bestaande mestopslag in de omgeving;
-
2. moet zijn aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie (waaronder geurhinder), de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
-
3. in het geval van mestopslag voldoende bodembeschermende voorzieningen worden getroffen in de vorm van een vloeistofkerende vloer met opstaande randen.
6.7.9 Aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak
-
a.
Vergunningplicht aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in lid 6.6.2 aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak.
-
b.
Beoordelingsregels aanleggen van een agrarische bedrijfsontsluiting buiten het bouwvlak
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.7.9 sub a kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
-
1. is aangetoond dat de ontsluiting op grond van bedrijfseconomische redenen/efficiëntie noodzakelijk is;
-
2. er wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit;
-
3. aangetoond is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.