direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Uiterdijkenweg 29 Luttelgeest
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en beschrijving wijziging

Initiatiefnemer is voornemens om aan de Uiterdijkenweg 29 te Luttelgeest in de gemeente Noordoostpolder de agrarische activiteiten, die inmiddels zijn beëindigd, te wijzigen naar een woonactiviteit. Bovendien wordt de bestaande woning inpandig gesplitst naar twee woningen. Hiernaast wenst initiatiefnemer om op het perceel hobbymatig (maximaal 4) paarden te houden. Tot slot is de wens kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen: het gaat om een coachingspraktijk, een hoveniersbedrijf (als ZZP'er) en een bedrijf in de weginfrastructuur (als ZZP'er). Met de wijziging van het omgevingsplan worden enkel de gebruiksactiviteiten gewijzigd, er worden geen nieuwe bouwactiviteiten mogelijk gemaakt.

De percelen zijn oorspronkelijk vastgelegd in het geldende plan Beheersverordening Landelijk Gebied (vastgesteld op 21 maart 2016). Sinds 26 februari 2024 maakt dit bestemmingsplan van rechtswege integraal deel uit van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder'. De beoogde wijziging van de bestaande gebruiksactiviteit is niet mogelijk op basis van het (tijdelijk) omgevingsplan. Dit betekent dat voor de beoogde uitbreiding een wijziging van het omgevingsplan dient te worden opgesteld.

1.2 Regeling in (tijdelijk) omgevingsplan

1.2.1 Geldend (tijdelijk) omgevingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt sinds 1 januari 2024 het 'Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder'. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter hoogte van het voorliggende plangebied de volgende bestemmingsplannen van kracht.

 
Type plan   Plannaam   Datum vaststelling  
Beheersverordening   Partiële herziening beheersverordening Wonen   11-12-2023  
Bestemmingsplan   Parapluplan parkeren   08-07-2019  
Beheersverordening   Beheersverordening landelijk gebied   21-03-2016
 

Beheersverordening landelijk gebied

Voor de beoogde ontwikkeling gelden de bestemmingen en bijbehorende regels die deel uitmaken van de Beheersverordening landelijk gebied, zoals op 21 maart 2016 is vastgesteld door de gemeenteraad van Noordoostpolder. Onderdeel van deze Beheersverordening en van toepassing op het plangebied is het 'Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2004'. In figuur 1.1 is een uitsnede van dit bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0001.png"

Figuur 1.1 - Uitsnede Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2004 (plangebied aangegeven met paarse ster) (bron: Omgevingsloket: Regels op de kaart)

Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch gebied - openheid van het landschap'. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf en instandhouding van de openheid van het landschap. In een bebouwingsvlak behorende bij deze bestemming mag uitsluitend bij een agrarisch bedrijf horende bebouwing gebouwd, hieronder begrepen kassen en één woning (zijnde de bedrijfswoning) en daarbij behorende bijgebouwen.

Het planvoornemen is strijdig met deze bestemming omdat;

  • wordt voorzien in woonactiviteiten;
  • wordt voorzien in een tweetal woningen binnen het plangebied;
  • deze woningen geen bedrijfswoningen zijn.

Partiële herziening beheersverordening Wonen

Ten behoeve van een nadere toelichting van het begrip 'Wonen' in bestemmingsplannen waarin deze toelichting ontbrak is de 'Partiële herziening beheersverordening Wonen' vastgesteld op 11 december 2023. Deze beheersverordening geeft een nadere definitie van het begrip 'Wonen' om kamerverhuur te reguleren.

Omdat het planvoornemen niet voorziet in de verhuur van losse kamers is heeft deze beheersverordening geen gevolgen voor de voorliggende ontwikkeling.

Parapluplan parkeren

Voor alle geldende bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Noordoostpolder is op 8 juli 2019 het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' vastgesteld. Met het bestemmingsplan zijn de regels op het gebied van parkeren gewijzigd voor alle bestemmingsplannen in de gemeente.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden aangetoond dat een ontwikkeling aan de parkeerbehoefte, in de basis, op eigen terrein kan voldoen. In paragraaf 4.2.3.4 (fiets)Parkeerbehoefte wordt aangetoond dat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan.

Bodemkwaliteitkaart en bodemfunctieklassenkaart

De bodemkwaliteitskaart (ook wel ontgravingskaart genoemd) is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Noordoostpolder heeft een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer.

In paragraaf 4.11.3 Situatie plangebied wordt nader op dit aspect ingegaan. Er is geen sprake van strijdigheid.

Bruidsschat

In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

In hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt nader op de regels ingegaan.

1.3 Wijziging omgevingsplan

1.3.1 Motivering

Voor de voorliggende ontwikkeling heeft gemeente Noordoostpolder als bevoegde overheid aangegeven dat de voorliggende ontwikkeling geregeld dient te worden met een wijziging van het omgevingsplan.

Voor de uitgebreide motivering wordt verwezen naar de hoofdstukken 3 voor beleid en 4 voor de beleidsparagraaf en de milieutoetsing.

1.3.2 Vereiste participatie

In hoofdstuk 8 is een beschrijving opgenomen van de uitgevoerde participatie.

1.3.3 Delegatie

De gemeenteraad van Noordoostpolder heeft in haar besluit van 16 december 2024 activiteiten aangewezen waarin voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht advies van de raad nodig is. Ook zijn er uitzonderingsgevallen waarvoor geen adviesrecht nodig is. In dit geval valt het project niet onder één van de aangewezen activiteiten waarvoor bindend advies nodig is.

Het projectvoornemen betreft een functiewijziging naar van agrarisch naar wonen en is daarnaast kleinschalig/perceelsgebonden van aard. Uit de toetsing van het initiatief aan de milieuaspecten in hoofdstuk 4 blijkt dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.

1.4 Leeswijzer

De motivering is als volgt opgebouwd:

  • Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven opgevolgd door een beschrijving van de gewenste situatie.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder beschreven en getoetst.
  • In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue en worden deze getoetst.
  • In hoofdstuk 5 wordt geconcludeerd of de gewenste ontwikkeling voldoet aan de vereisten van een evenredige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
  • Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten van het plan.
  • In hoofdstuk 7 wordt de financiële haalbaarheid aangetoond.
  • Hoofdstuk 8 geeft een beschrijving van de van toepassing zijnde vorm van participatie.
  • In Hoofdstuk 10 wordt beschreven hoe de toezicht en de handhaving van de regels plaatsvindt.
  • In het laatste hoofdstuk 11 volgt tot slot een evaluatie van het plan als onderdeel van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

2.1 Bestaande activiteiten (huidige situatie)

Het plangebied ligt in Luttelgeest in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder. De agrarische activiteiten in het plangebied zijn beëindigd en daarnaast wordt er momenteel gewoond in de bedrijfsboerderij. Het plangebied wordt omgeven door percelen met een agrarische bestemming en maatschappelijke bestemming. In de omliggende boerderijen bevinden zich onder andere een paardenhouderij/ akker- en tuinbouwbedrijf (Uiterdijkenweg 31) en een kinderdagverblijf/BSO/zorgboerderij (Uiterdijkenweg 30/32). Het plangebied wordt ontsloten door de Uiterdijkenweg. De maximumsnelheid op de Uiterdijkenweg is 60 km/uur. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1. De kadastrale gegevens zijn weergegeven in figuur 2.2. In figuur 2.3 is een vooraanzicht opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0002.png"

Figuur 2.1 - Globale ligging plangebied (aangegeven met paarse ster)(bron: pdok)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0003.png"

Figuur 2.2 - Toont de kadastrale percelen (Noordoostpolder, sectie B, nummer 2104 en 2063) waar het plangebied deel van uitmaakt. Het plangebied wordt ontsloten via de Uiterdijkenweg (bron: kadastralekaart)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0004.png"

Figuur 2.3 - Vooraanzicht plangebied in de huidige situatie (bron: Google Streetview)

2.2 Beoogde situatie

Het planvoornemen behelst het veranderen van de functie 'agrarisch' naar de functie 'wonen' en hier komen geen sloop- of bouwwerkzaamheden bij te pas. Zoals benoemd in paragraaf 1.1 is er de wens om, als onderdeel van de wijziging van het omgevingsplan, de bestaande woning te splitsen in twee woningen en enkele ondergeschikte activiteiten in het plangebied toe te staan, hieronder te verstaan een;

  • Coachingspraktijk;
  • Hoveniersbedrijf (als ZZP'er);
  • Bedrijf in de weginfrastructuur (als ZZP'er).

De gemeente Noordoostpolder heeft enkele voorwaarden gesteld waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de gewenste wijziging van het omgevingsplan en de realisatie van een tweede woning (inpandig) op het perceel. Belangrijke voorwaarde voor het mogelijk maken van deze extra woning, die is gesitueerd in het achterste deel van de Zeeuwse boerderij, is dat de bedrijfsactiviteiten niet volwaardig mogen zijn (dus kleinschalig, milieucategorie van maximaal 3.2, een beperkte verkeersaantrekkende werking en afgestemd met de provincie). Hieronder worden puntsgewijs de onderliggende voorwaarden benoemd;

  • omzetten van de agrarische activiteit naar de activiteit wonen op het gehele erf;
  • het herstellen van de erfsingel;
  • het hobbymatig houden van maximaal 4 paarden;
  • de hieronder genoemde bedrijfsmatige activiteiten ondergeschikt blijven aan de woonactiviteit:
    • 1. een coaching praktijk van maximaal 75 m2;
    • 2. een hoveniersbedrijf van maximaal 75 m2;
    • 3. een bedrijf in weginfrastructuur van maximaal 75 m2;

Tot slot dient, in het kader van een goed woonklimaat, in de wijziging van het omgevingsplan een aanduiding te worden opgenomen die de woonactiviteit van de strook tussen de Zeeuwse boerderij op het adres Uiterdijkenweg 31 en de erfgrens van het plangebied uitsluit van een (vergunningsvrije) woonfunctie (de gemeente Noordoostpolder legt dit in de regels vast).

2.3 Stedelijke en landschappelijke inpassing

Om de gewenste wijziging van het omgevingsplan mogelijk te kunnen maken moet kunnen worden aangetoond op welke manier de erfsingel wordt behouden, dan wel opnieuw aangeplant. In dit kader is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke is terug te vinden in bijlage 1.

Rondom het erf is een robuuste erfsingel aanwezig, met een wisselende breedte. Dit komt mede omdat het erf aan tweezijde wordt begrensd door een (woon)erf. Deze singel blijft behouden. Daar waar nodig wordt deze aangevuld met nieuwe bomen en struiken. De gemeente Noordoostpolder heeft beleid voor erfsingels

Dit beleid wordt waar mogelijk nagevolgd;

  • de erfsingel dient 6 meter breed te zijn;
  • de singel bestaat uit minimaal 5 rijen beplanting;
  • de onderlinge afstand tussen de beplanting bedraagt 1,5 meter;
  • de maatvoering (hoogte) van de aan te brengen beplanting is 60 -100 cm;
  • per 2,25 m2 wordt tenminste een boom/struik geplant;
  • de buitenste rij staat gemiddeld circa 2 meter vanuit het aangrenzende hart van de sloot;
  • tussen de binnenste rij beplanting is er een bebouwingsvrije zone van minimaal 4 meter.

2.4 Gezondheid (ontwerpopgave)

Dit aspect is niet voor de voorliggende ontwikkeling niet ruimtelijk relevant. Er is geen sprake van ingrepen in de openbare ruimte en het gaat om een kleinschalige ontwikkeling. Wel wordt, in het kader van de milieutechnische uitvoerbaarheid, op het eigen terrein door middel van een aanduiding opgenomen dat woonfuncties niet worden toegestaan op een strook tussen de Zeeuwse boerderij en de erfgrens. Hiermee worden eventuele negatieve gevolgen voor de gezondheid voorkomen.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid en (instructie)regels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
    Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
    Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
    Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
    Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan NOVI

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in strijd is met de NOVI.

3.1.2 Instructieregels Rijk (Amvb's)

Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als:

  • a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
  • b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
  • c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling. Per onderwerp vindt een toetsing plaats.

3.1.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. in beginsel is pas sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij plannen meer dan 11 woningen of bij een functiewijziging of toevoeging van bebouwing met een andere stedelijke functie vanaf 500 m2 bvo. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

3.1.2.2 Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking

Op basis van voorliggende plannen wordt de bestaande woning gesplitst in twee woningen; een netto toename met één woning. Aangezien er geen sprake is van een plan waarmee en er meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt maakt dat het voorliggende plan niet ladderplichtig is.

Verder worden met de ontwikkeling binnen de bestaande bebouwing ongeschikte activiteiten (maximaal 3 x 75 m2) mogelijk gemaakt. Er is dus geen sprake van een toename van bebouwing. Ook deze activiteiten kunnen dus niet worden beschouwd als ladderplichtig.

3.1.2.3 Dienstenrichtlijn

Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a. Het begrip 'dienst' moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn. Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking.

Iedere verplichting, verbod, voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn. De beperkingen aan het vrij verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen of het instellen van een vergunningsstelsel, is alleen gerechtvaardigd als die voldoen aan:

  • het verbod van discriminatie. De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats;
  • de voorwaarde van noodzakelijkheid. De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang;
  • de voorwaarde van evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden.

Conclusie

Met de voorliggende ontwikkeling worden nieuwe diensten mogelijk gemaakt. Het plan is niet in strijd met de dienstenrichtlijn omdat de beperkingen die aan deze diensten worden opgelegd worden opgelegd in het kader van de bescherming van de woonactiviteiten, hetgeen kan worden aanschouwd als een reden van algemeen belang.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

In deze paragraaf 3.1 komt naar voren dat het initiatief passend volgens de uitgangspunten van het relevante rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid en (instructie)regels

3.2.1 Omgevingsvisie
3.2.1.1 Algemeen

De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven:

  • Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving).
  • Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving).
  • Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).

Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven:

  • Duurzame Energie.
  • Regionale Kracht.
  • Circulaire Economie.
  • Landbouw: Meerdere Smaken.

3.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan provinciale omgevingsvisie

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het ontwikkelen van extra woning (inpandig) bij Luttelgeest, waarmee invulling wordt gegeven aan de lokale woningbehoefte. Gelet op vorenstaande sluit het voornemen goed aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie FlevolandStraks (specifiek ‘Het Verhaal van Flevoland’).

3.2.2 Omgevingsverordening

Elke provincie moet een Omgevingsverordening vaststellen waarin zij instructieregels kan opnemen voor andere bestuursorganen. In hoofdstuk 7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over de onderwerpen die in de provinciale omgevingsverordening moeten worden opgenomen. Deze instructieregels kan de provincie in haar verordening uitwerken naar direct werkende regels. De provincie kan er ook voor kiezen om de uitwerking van haar beleid met een instructieregel aan de gemeente door te leggen naar regels in het omgevingsplan.

Instructieregels kunnen ingezet worden om de omgevingswaarden uit de provinciale verordening of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Bij het opstellen van delen van het omgevingsplan moet worden nagegaan welke instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening van toepassing zijn op de activiteiten in het gebied en hoe deze worden verwerkt.

De Provincie Flevoland heeft in haar Omgevingsverordening in totaal zeven instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op het omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder;

  • stiltegebieden;
  • grondwater (waaronder brijnwater);
  • windmolens;
  • zonne-energie;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • geitenhouderijen;
  • schaliegas.

Deze instructieregels verschillen wat betreft aard. Afhankelijk van de aard van de instructieregel zal de uitwerking daarvan dus ofwel in de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan, ofwel in concrete planregels plaatsvinden.

3.2.2.1 Toetsing van het initiatief aan provinciale omgevingsverordening

In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met de instructieregels van de provincie Flevoland.

3.2.3 Omgevingsprogramma

De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. De komende jaren wordt een forse leegstand van agrarische bedrijfslocaties verwacht. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij. In Flevoland is tussen nu en 2030 sprake van 400 tot 600 bedrijfsbeëindigingen. Recente berekeningen van Alterra laten zien dat er tot 2030 naar verwachting in Flevoland zo’n 1,3 miljoen vierkante meter agrarische bebouwing beschikbaar komt: in totaal een grotere oppervlakte dan de nu leegstaande kantoren. Zo’n 70% hiervan bevindt zich in de gemeente Noordoostpolder. Door ruimte te bieden voor invulling van vrijkomende agrarische bebouwing wil de provincie de unieke structuur van Flevoland behouden.

De vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning, waarbij wordt uitgegaan van één woning per (voormalig) agrarisch bouwperceel. In het experimentenkader ‘Extra woningen op erven’ is een uitzondering gemaakt voor de toevoeging van extra woningen in het landelijk gebied op erven in de gemeente Noordoostpolder (max. vier woningen per erf). Nieuwe (agrarische) bouwpercelen worden in principe niet toegestaan. De provincie Flevoland heeft hiervoor een experimenteel kader vastgesteld in een beleidsregel.

3.2.4 Beleidsregel Ontwikkelingen landelijk gebied Flevoland

De beleidsregel 'ontwikkelingen landelijk gebied Flevoland' is de opvolger van de beleidsregel 'kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied'. De beleidsregel biedt het kader voor verschillende ontwikkelingen in het landelijk gebied. Indien het beleidskader van het omgevingsplan en deze beleidsregel te beperkend blijken voor ontwikkelingen die bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied, dan is de provincie bereid dat kader op experimentele basis te verruimen.

Voor dit plan is de beleidsregel te beperkend. Per (voormalig) agrarisch bouwperceel wordt namelijk uitgegaan van één woning. Het planologisch regime wordt daarom op experimentele basis verruimd. Voorwaarde is dan wel dat hieraan een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal plan voor dat gebied ten grondslag ligt, waarin een kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond. Dit plan moet inzicht bieden in:

  • 1. de ambities voor het versterken van de vitaliteit van het landelijk gebied;
  • 2. het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied (natuur, landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, extensieve vormen van recreatie), bijvoorbeeld door eisen van verevening en randvoorwaarden voor nieuwe functies te stellen;
  • 3. de wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan;
  • 4. de wijze waarop hierbij omgegaan wordt met natuurwaarden (saldo benadering);
  • 5. de wijze waarop het experiment past binnen de ontwikkelingsvisie 2030 en bijdraagt aan de provinciale opgaven voor de speerpunten.

De ambitie voor het onderhavige gebied is helder, namelijk een herontwikkeling van een voormalig agrarisch, naar een woonperceel, zonder afbreuk te doen aan het karakter van het landelijk gebied. Dit volgt zowel uit het omgevingsplan als uit het beleid van de gemeente Noordoostpolder (zie paragraaf 3.3). Hiermee wordt voldaan aan punt één van de beleidsregel.

De kwaliteit van het landelijk gebied wordt verbeterd/ blijft behouden door een herstructureringslocatie een nieuwe invulling te geven die qua aard en schaal past in de omgeving en bovendien op een goede manier landschappelijk wordt ingepast. Het erf behoud in de toekomstige situatie zijn oorspronkelijke omvang (zie paragraaf 2.3) Hiermee wordt voldaan aan punt twee van de beleidsregel.

Bestaande functies worden niet benadeeld door de ontwikkeling. Agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand van de woonfunctie (zie hoofdstuk 4). Ook wordt geen afbreuk gedaan aan natuurwaarden in de omgeving. Dit wordt in paragraaf 4.13 beschreven. Hiermee wordt voldaan aan punt drie en vier van de beleidsregel.

De gemeente Noordoostpolder heeft, door toepassing van het experimentenkader van het omgevingsplan Flevoland waarbij afgeweken kan worden van het provinciale omgevingsbeleid, in 2016 een verzoek bij de provincie ingediend om met haar beleidsuitwerking voor extra woningen op vrijkomende agrarische erven mee te werken. Hiermee wordt voldaan aan punt vijf van het beleidskader.

Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voldaan wordt aan de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

3.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Geconcludeerd kan worden dat de het provinciale beleid niet belemmerd werkt voor de voorliggende ontwikkeling.

3.3 Gemeentelijk beleid en regels

3.3.1 Omgevingsvisie
3.3.1.1 Algemeen

De omgevingsvisie (vastgesteld op 30 september 2024) is de routekaart naar de toekomst van Noordoostpolder, tot stand gekomen samen met inwoners die op verschillende manieren participeerden.

De doelen tot 2050 staan beschreven in de drie kernopgaven;

  • groei en bloei van dorpen en wijken;
  • vitaal landelijk gebied;
  • aantrekkelijke regio.

Deze drie kernopgaven zijn vertaald naar veertien deelopgaven. Om de doelen in de omgevingsvisie te realiseren maakt de uitvoeringsagenda de deelopgaven concreet.

3.3.1.2 Ambities

Kernopgave 1: Groei en bloei van dorpen en wijken

De sociale kracht is van oorsprong sterk in de Noordoostpolder. Tegelijkertijd is er een woningbehoefte, staan voorzieningen onder druk en moeten er blijvend worden gewerkt aan kansengelijkheid en perspectief voor alle inwoners. Hierom wordt ingezet op de menselijke maat: nieuwe woonbuurtjes, die zorgen voor versterking van bestaande en nieuwe voorzieningen, prettige omgangsvormen en individuele ontplooiing.

Kernopgave 2 Vitaal landelijk gebied

De Noordoostpolder heeft van meet af aan ten dienste gestaan van de landbouw- en voedselproductie in de regio en het land. Tegelijkertijd spelen uitdagingen zoals bodemdaling, stikstofopgave en duurzame energieopwekking. hierom wordt ruimte geboden voor (agrarisch) ondernemen, passend bij een goed en duurzaam woon- en leefklimaat, een gezond bodem- en watersysteem, een vitaalkrachtige natuur, het kenmerkende landschap en een aantrekkelijk recreatie- en toerismeaanbod.

Kernopgave 3 Aantrekkelijke regio.

De Noordoostpolder biedt veel voor huidige en toekomstige inwoners, voor ondernemers, voor bezoekers. Hierom wordt er gewerkt aan het bieden van voorwaarden en voorzieningen om een aantrekkelijke, toekomstbestendige en unieke regio te zijn.

3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie

Het plangebied ligt in het landelijk gebied van Luttelgeest. Het planvoornemen sluit aan bij kernopgave 2 Vitaal landelijk gebied en Kernopgave 3 Aantrekkelijke regio omdat het toevoegen van een woning en kleinschalige bedrijfsactiviteiten, zoals benoemd in paragraaf 1.1, versterkend werkt voor het voorzieningenniveau en daarmee de vitaliteit van het landelijk gebied. Daarnaast bewijst hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving dat wordt voldaan een goed woon- en leefklimaat.

3.3.2 Verordening fysieke leefomgeving

De provincie Flevoland wil anticiperen op de Omgevingswet en daarom is de Omgevingsverordening provincie Flevoland opgesteld. Dit betekent dat alle regels met betrekking tot omgevingsrecht (in dit geval de provinciale) in één regeling worden gebundeld. De verordening bestaat uit drie soorten regels;

  • 1. Algemene regels en vergunningstelsels gericht op burgers;
  • 2. Regels gericht tot bestuur zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor aanvragen en;
  • 3. Als derde instructieregels over uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen.

De Omgevingsverordening ziet net als de Omgevingswet op alle regels inzake de fysieke leefomgeving (bouwen, infra, water, bodem, lucht, landschap, natuur en cultureel erfgoed). Volgens Regels op de kaart zijn meerdere instructieregels geldend in het plangebied. In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met de instructieregels van de provincie Flevoland.

3.3.3 Beleidsuitwerking 'Extra woningen op erven'

Als reactie op de toenemende leegstand van agrarische erven is aangegeven ruimte te willen bieden aan extra woningen op erven. Door middel van een experimentenkader geven provincie en gemeente samen aan hoe dit mogelijk is en bij kan dragen aan een vitaal platteland. In het experimentenkader staat beschreven dat het op kleine schaal is toegestaan om extra woningen op erven te realiseren.

Voorliggend voornemen voorziet naast de functiewijziging van ‘Agrarisch gebied’ naar ‘Wonen’ in het realiseren van één extra woning op het bestaande erf. De extra woning zal worden gerealiseerd in bestaande bebouwing namelijk de Zeeuwse boerderij. Tevens wordt de erfsingel rond het perceel in oorspronkelijke staat hersteld en behouden. Aan de voorwaarden van de beleidsmogelijkheid tot het wonen in vrijgekomen agrarische bebouwing wordt getoetst in paragraaf 3.2.3. Daarnaast past de ontwikkeling binnen het experimentenkader voor het realiseren van extra woningen op erven. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het ‘Experimentenkader extra woningen op erven’.

Gelet op het vorenstaande wordt voldaan aan het experimentenkader.

3.3.4 Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken

De gemeente Noordoostpolder kiest voor het verminderen van eisen voor het uiterlijk van bouwwerken. Hoewel hierdoor bestuurlijk minder wordt gestuurd op esthetische kwaliteiten van bebouwing, is flankerend beleid nodig. De gemeente Noordoostpolder wil met de Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken sturen op het behoud en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.

De beleidsregel geldt voor de hele Noordoostpolder, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Daarnaast geldt voor sommige gebieden een beeldkwaliteitsplan, waarin eisen zijn gesteld voor het uiterlijk van bouwwerken in dat specifieke gebied, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Het kan zijn dat een toets aan uiterlijk van de bouwwerken noodzakelijk is of advies op beeldkwaliteit.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen die niet gelegen zijn in de aanwezen gebieden, maar die wel een grote impact hebben op de omgeving kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan vaststellen voor dat gebied. Nu de gemeente voor grote gebieden geen specifieke regels stelt, zoals in het buitengebied, ligt het voor de hand dat het voorschrijven van een beeldkwaliteitsplan terughoudend wordt ingezet. Een beeldkwaliteitsplan kan worden ingezet bij in- en uitbreidingslocaties en entreegebieden.

Het projectgebied is niet gelegen in een aangewezen gebied waarvoor regels zijn opgesteld of een beeldkwaliteitsplan van kracht is.

Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

De volgende thema's komen aan bod:

  • Gezondheid
  • Water
  • Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren
  • Geluid
  • Luchtkwaliteit
  • Geur
  • Spuitzones
  • Trilling
  • Omgevingsveiligheid
  • Hinder wind, licht en (slag)schaduw
  • Bodem
  • Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
  • Flora en Fauna (waaronder stikstof)
  • Duurzaamheid en Klimaatadaptatie
  • M.e.r. beoordeling - Milieueffectrapportage

Omgevingswaarden 

Per thema wordt ook ingegaan op eventuele omgevingswaarden. Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:

  • de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats;
  • de toelaatbare belasting door activiteiten;
  • de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.

4.1 Water

4.1.1 Algemeen

Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als 'Weging van het waterbelang'. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.

Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig.

4.1.2 Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer(kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

4.1.2.1 Internationaal

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden).

4.1.2.2 Nationaal

Het rijksbeleid gaat over ruimte voor water, over het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Zo is de kern van Waterbeleid 21ste eeuw (WB21) dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Hierin worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • Vasthouden, bergen en afvoeren en
  • Schoonhouden, scheiden en zuiveren.


De Omgevingswet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan in omgevingsvisies en omgevingsplannen die gemeenten en provincies opstellen. Deze komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden.


De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierin zijn de verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet.


Het beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen worden door het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten uitgewerkt in programma's. Hierin staan vastgestelde korte termijnmaatregelen om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma's zich vaak op slechts één of enkele onderdelen van de fysieke leefomgeving. Centraal staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

4.1.2.3 Regionaal

De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de Stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in:

  • afvoerblokkering in natuurgebieden;
  • vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied;
  • realisatie van duurzame oevers.

Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.

Waterschappen nemen regels over waterstaatswerken op in de Waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken. Ook bevat het regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen.

In haar Watervisie verbindt Waterschap Zuiderzeeland waterthema's en maatschappelijke opgaven met elkaar. Hierin staan een waterrobuuste, klimaatbestendige inrichting centraal. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Investeringen in het watersysteem zorgen ook in de toekomst voor voldoende water bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

4.1.2.4 Gemeente Noordoostpolder

De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Als aanvulling op dit plan hebben waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Hierin staan afspraken over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld.

4.1.3 Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland

Op 1 januari 2024 is de Waterschapsverodening Zuiderzeeland in werking getreden. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer van het watersysteem, inclusief oppervlaktewateren, waterkeringen, grondwater en waterstaatkundige kunstwerken zoals geregeld in de Omgevingswet. Deze wet beoogt samenhangende regels te stellen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met als doel een veilige en gezonde omgeving te waarborgen en te voorzien in maatschappelijke behoeften.

De waterschapsverordening, als onderdeel van de stelselherziening van het omgevingsrecht, draagt bij aan het verbeteren van het omgevingsrecht door onder meer regels te stellen voor activiteiten die invloed hebben op de watersystemen. Dit vervangt onder andere de keur en algemene regels en omvat nu ook regels voor lozingen.

Omgevingswaarden worden vastgesteld voor waterstaatswerken zoals waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen, om de gewenste staat of kwaliteit van het water weer te geven. Monitoring van deze omgevingswaarden is verplicht volgens Europese richtlijnen.

Het waterschap is ook verantwoordelijk voor het beheren van oppervlaktewaterpeilen, het verdelen van water tijdens droogte volgens een vastgestelde reeks van prioriteiten, en het bieden van calamiteitenzorg voor het watersysteem in het beheergebied.

4.1.4 Situatie plangebied

Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 23 mei 2024 een digitale watertoets uitgevoerd. Zie bijlage 2 Digitale watertoets. Op basis hiervan is de korte procedure van toepassing. Het resultaat hiervan is verwerkt in deze waterparagraaf.


Voor de weging van het waterbelang zijn drie beleidsthema's van toepassing:

  • waterveiligheid,
  • voldoende water en
  • schoon water.

Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt.

Waterveiligheid

Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Voldoende water

Wateroverlast

Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing sinds 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.

Het plangebied ligt in het landelijk gebied en ter hoogte van het plangebied krijgt een perceel een andere bestemming en wordt er een nieuwe woning inpandig mogelijk gemaakt. Er vinden geen bouwwerkzaamheden plaats en het initiatief blijft daarmee onder de vrijstellingsgrens van 2.500 m2 voor het landelijk gebied. Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan.

Goed functionerend watersysteem
Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.

De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.

Schoon water

Goede oppervlaktewaterkwaliteit

Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Er wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron.

Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een uitstroomvoorziening zoals een drain of buis (waterstaatswerk) wordt aangebracht is meldingsplichtig. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Het plan voorziet niet in het gebruik van uitlogende materialen. Het plangebied ligt in een wateraanvoergebied. Het waterschap adviseert om niet in de wateraanvoerende watergang ten oosten van het plangebied te lozen, maar een eventueel lozingspunt (uitstroomvoorziening) in de erfsloot te realiseren. In de bestaande situatie wordt het regenwater van de daken etc. apart afgevoerd richting het oppervlaktewater bij huisnummer 29A/B. In de toekomst als het dak en de regenafvoer van de woningen wordt vervangen is het voornemen om aan te sluiten bij het verzoek van het waterschap. De exacte ligging van de nieuwe uitstroomvoorziening zal t.z.t. door de initiatiefnemer kortgesloten worden met het waterschap.

Goed omgaan met afvalwater

Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met regulering of behandeling van afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) dat deze verontreinigingen op het ontvangend oppervlaktewater zoveel mogelijk worden voorkomen. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Gestreefd wordt om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen.

Het plangebied is gelegen in een zone zonder riolering. Voor de toekomstige woning zal een nieuwe zuiveringsvoorziening worden aangelegd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Met de realisatie van 1 nieuwe inpandige woning zal de hoeveel afvalwater toenemen met circa 3 vervuileenheden.

4.1.5 Conclusie

Het plan is getoetst aan het relevante beleid van het Waterschap Zuiderzeeland. Uit de toetsing van het voornemen in het plangebied komt naar voren dat aspect water geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling vormt.

Het plangebied is niet aangesloten op het vuilwater riool, voor de nieuwe woning zal een zuiveringsvoorziening worden aangelegd.

4.2 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.2.1 Algemeen

In paragraaf 5.1.7 van het Bkl zijn diverse onderwerpen benoemd waarvoor de staat en werking moet worden behoed. Het gaat hier om onderwerpen die zien op landsverdediging en nationale veiligheid, de elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, apparatuur voor de burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.

Uit artikel 5.162 Bkl blijkt dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

4.2.2 Beleidskader
4.2.2.1 Gemeentelijk beleid en instructieregels

Het relevante gemeentelijke geleid voor dit omgevingsaspect bestaat uit de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016, opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen. In 4.2.3.4 wordt dit verder uitgewerkt.

4.2.3 Situatie plangebied
4.2.3.1 Bereikbaarheid openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf het plangebied is gelegen op circa 3.15 kilometer loopafstand aan de Brink in Luttelgeest. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 76 tussen Marknesse en Oldemarkt lijn 675 naar Emmeloord.

4.2.3.2 Verkeersgeneratie en ontsluiting

De verkeersgeneratie is berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 381). Hierbij wordt onder andere gekeken naar de stedelijkheidsgraad van de omgeving en de locatie van het plangebied. Op basis van een 'weinig stedelijke gemeente' en een ligging in het 'buitengebied' bedraagt de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling worst-case als volgt:

  • 2x Koop, huis, twee-onder-een-kap = kencijfer CROW 7,8 mvt = 15,6 mvt/etmaal;

De verkeersgeneratie in de huidige situatie bedraagt:

  • 1x Koop, huis, vrijstaand = kencijfer CROW 8,2 mvt = 8,2 mvt/etmaal;
  • 373m2 bvo Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersintensief, kencijfer 0,1 m2 bvo = 37,3 mvt/etmaal.

Het plan leidt tot minder motorvoertuigbewegingen (mvt) ten opzichte van de huidige situatie. Er kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen daarmee niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling of een afname van de verkeersveiligheid of de oversteekbaarheid.

4.2.3.3 Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer

Een verkeerstoename mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid of bijvoorbeeld de oversteekbaarheid. Het plangebied wordt ontsloten door middel van de Uiterdijkenweg, een weg met een maximumsnelheid van 60 km/u. In westelijke richting kruist deze weg met de Blankenhammerweg. In oostelijke richting kan rechtsaf worden geslagen richting de Kalenbergerweg. De dichtstbijzijnde provinciale wegen zijn de N351 ten westen van het plangebied en de N333 ten oosten van het plangebied.

Gezien de goede ontsluiting en de geringe toename van het verkeer zal de toename niet leiden tot onveilige verkeerssituaties of knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling.

4.2.3.4 (fiets)Parkeerbehoefte

De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. De gemeente Noordoostpolder heeft de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016 opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen.

In de nota wordt voor een twee-onder-een-kap woning in het buitengebied het parkeerkencijfer 2,2 gehanteerd, de totale parkeerbehoefte voor het plangebied wordt hiermee 4,4 dus 5. Hierbij moet worden opgemerkt dat de verkeergeneratie ten gevolge van kleinschalige bedrijvigheid is verwerkt in de parkeernorm met de hoofdfunctie wonen.

Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden geregeld. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de onderliggende bedrijfsactiviteiten.

4.2.4 Conclusie

In deze paragraaf wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de relevante regels van het Bkl en het gemeente beleid parkeerbeleid. Het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en (fiets)parkeren vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.3 Geluid door wegen, spoorwegen en industrie

4.3.1 Algemeen

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

4.3.2 Beleidskader

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.

Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3.3 Situatie plangebied

Door de gemeente zijn nog geen bge's vastgesteld. Op basis van overgangsrecht ligt het plangebied daarmee binnen het geluidaandachtsgebied (200 meter) van de Uiterdijkenweg,

De Uiterdijkenweg is een lokale 60 km/uur-weg met in hoofdzaak bestemmingsverkeer. In het kader van een geluidonderzoek naar het perceel UIterdijkenweg 36 (tegenover het plangebied) is in 2020 door de gemeente een etmaalintensiteit opgegeven van 60 mvt/etmaal in 2030. Voor een toekomstig maatgevend jaar zal dit niet meer zijn dan 200-300 mvt/etmaal.

Vanwege de geringe verkeersintensiteit op de Uiterdijkenweg en de afstand van de (boerderij)woning tot de weg, kan zonder berekening worden gesteld dat er wordt voldaan aan de standaardwaarde van Lden = 53 B voor gemeentewegen. Daarnaast geldt dat de bestaande boerderijwoning al is toegestaan.

4.3.4 Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een aanvaardbare situatie. Omdat er aan de standaardwaarde wordt voldaan, is het niet nodig om het gezamenlijk geluid te bepalen en/of vast te leggen.

4.4 Geluid door activiteiten

4.4.1 Algemeen

Op basis van de instructieregels van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 1 en 2.

Tabel 4.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   70 dB(A)   70 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   65 dB(A)   65 dB(A)  

Tabel 4.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  

Voor in een omgevingsplan toegestane activiteiten zijn in het omgevingsplan geluidregels opgenomen vanuit de Bruidsschat.

4.4.2 Situatie plangebied

In de directe omgeving is al een aantal activiteiten aanwezig en toegestaan op basis van het omgevingsplan. Het aspect geluid is daarmee geregeld vanuit de Bruidsschat. De bestaande woning op het perceel geldt vanuit de Bruidsschat als een geluidgevoelig gebouw. De extra woning zal om die reden niet belemmerend zijn voor de omliggende activiteiten.

De geluidregels van de Bruidsschat komen getalsmatig grotendeels overeen met die van tabel 1/2. Daarmee kan er vanuit worden gegaan dat bij de extra woning ook sprake is van een aanvaardbare situatie.

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn kleinschalig en vinden niet direct plaats op de locatie. In het omgevingsplan worden regels opgenomen ten aanzien van geluid. Zolang er nog sprake is van het tijdelijk deel met Bruidsschat regels kan hierbij worden aangesloten. Indien de gemeente van plan is de geluidregels aan te passen op basis van het Bkl, kan hierop worden voorgesorteerd.

4.4.3 Conclusie

Het aspect geluid vanwege activiteiten is geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan. Ter plaatse van de extra woning is sprake van een aanvaardbare situatie.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

In deze paragraaf wordt beschreven welk effect de voorgenomen ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
4.5.2 Situatie plangebied

De gemeente Noordoostpolder is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Conform artikel 5.51 Bkl geldt geen verplichting om onderzoek te doen of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

Wel is voor dit aspect de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat er, kijkende naar de WHO advieswaarden, ter hoogte van het plangebied sprake is van een goede luchtkwaliteit (minder dan 10 microgram NO2 concentratie per m3). Uit de gegevens van paragraaf 4.2 komt naar voren dat er sprake is van een afname van het aantal voertuigbewegingen per etmaal. Er is hiermee hiermee logischerwijs geen sprake van activiteiten in het plan die behoren tot een categorie van gevallen die in betekenende mate bijdragen en leiden daarmee niet tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder.

4.5.3 Conclusie

Voor het aspect luchtkwaliteit wordt aan de instructieregels voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt ook geen belemmering om te kunnen doen voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6 Geur

4.6.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen.

Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen

onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.

De Bruidsschat bevat regels over:

  • geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandseisen (bebouwingscontour geur)
  • Randvoorwaarden

Geurgevoelige gebouwen

In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
4.6.2 Beleidskader

In de Ontwerp Omgevingsvisie van de gemeente Noordoostpolder (26 februari 2024) wordt in drie kernopgaven beschreven hoe, in samenspraak met inwoners, de toekomst van de Noordoostpolder moet worden vormgegeven. Kernopgave 2: 'Vitaal landelijk gebied', raakt de ambitie omdat een acceptabel geurniveau noodzakelijk is voor een vitaal landelijk gebied. Uit de volgende subparagraaf blijkt ook dat dit het geval is voor het aspect geur.

4.6.3 Situatie plangebied

In de nabije omgeving zijn veehouderijen aanwezig. Voor agrarische geur moet worden gekeken of de afstandseisen en geurnormen met betrekking tot veehouderijen in acht genomen kunnen worden. Daarnaast dient gekeken te worden of het initiatief geen beperking vormt voor de veehouderijen.

Naast geurnormen voor dierenverblijfplaatsen van dieren met een emissiefactor stelt het (tijdelijk) omgevingsplan ook (vaste) afstanden. De afstanden gelden voor dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter van het emissiepunt tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Naast dierverblijven kennen agrarische bedrijven ook andere geur emitterende activiteiten zoals mestopslag en kuilvoer.

Uiterdijkenweg 31

Op nummer 31 is naast een paardenfokkerij ook agrarische bedrijvigheid toegestaan met een grotere milieu-impact, zoals melkveehouderij of intensieve veehouderij. De eigenaren van nummer 31 zijn echter niet van plan deze intensieve vormen uit te voeren en de vergunning van het melkveebedrijf is ingetrokken. Eventuele nieuwe agrarische activiteiten dienen na vaststelling van het plan rekening te houden met de geprojecteerde woningen. Naast geur aftanden voor de dierverblijfplaatsen gelden op basis van het omgevingsplan ook geur afstanden voor andere geur emitterende agrarische activiteiten zoals mest opslag en kuilvoer of is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan een aanvaardbaar geurniveau (artikel 5.92 Bkl). Om milieuruimte te houden voor nieuwe agrarische bedrijvigheid wordt in het plangebied aan de zijde van nummer 31 een woningvrije zone aangewezen van circa 25 meter. Hiermee wordt geborgd dat nieuwe agrarische bedrijvigheid mogelijk blijft op het perceel van nummer 31 (eventueel met maatwerk) en woningen niet dichterbij komen te liggen. De woningrije zone draagt bij aan een ETFAL.

Uiterdijkenweg 30 en 32

Aan de overzijde van de Uiterdijkenweg is een zorgboerderij gevestigd met op nummer 30 de bijbehorende agrarische activiteiten. De stallen liggen op meer dan 55 meter van de (geprojecteerde) woningen in het plangebied. Verder kent het agrarische bedrijf geen grote opslag van mest of andere significante geur emitterende activiteiten. De afstand is voldoende om ter plaatse van de woningen in het plangebied een aanvaardbare geur te garanderen. Met het wijzigingsbesluit komen geen woningen dichterbij te liggen, de zorgboerderij wordt niet beperkt in haar bedrijfsmogelijkheden.

Hobbymatig gebruik paarden

Tot slot moet nog worden opgemerkt dat er de wens is op het perceel van het plangebied hobbymatig 4 paarden te houden. Omdat lid 2 van subparagraaf 22.3.6.2 van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder aangeeft dat een dergelijke ontwikkeling niet valt binnen het toepassingsbereik van de verplichte richtafstanden is hierbij geen sprake van belemmering voor de andere ontwikkelingen op het perceel.

4.6.4 Conclusie

Aan de geldende regels vanuit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder wordt voldaan waarmee voldaan wordt aan de instructieregels uit het Bkl.

Door een zone van 25 meter aan de zijde van het perceel van Uiterdijkenweg 31 woningvrij te houden, indien zin dat er geen bouwwerken of andere bouwwerken kan worden gerealiseerd, wordt bijgedragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Gewasbeschermingsmiddelen

4.7.1 Algemeen

De Noordoostpolder is bij uitstek een akkerbouwgebied. Dit betekent dat er op akkers fruitteelt, sierteelt en reguliere akkerbouw plaatsvindt. Bij het toevoegen van gevoelige functies in de nabijheid van akkers is aandacht nodig voor de mogelijke invloed van gewasbeschermingsmiddelen op de gezondheid. In dit kader worden woningen, tuinen en alle andere functies waar langdurig mensen kunnen verblijven aangemerkt als gevoelige functies.

De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen vindt meestal plaats door te spuiten. Bij dit spuiten raakt een gedeelte van de gewasbeschermingsmiddelen verneveld (kleine druppeltje). Dit noemen we drift. Langdurige blootstelling aan drift moet gelet op de volksgezondheid en het voorzorgsbeginsel zoveel als mogelijk worden vermeden.

Er zijn geen wettelijke regels voor de afstand tussen de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast worden en gevoelige functies. Wel zijn er regels die bepalen welke gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan, hoe de gewasbeschermingsmiddelen moeten worden toegepast en regels die bepalen op welke afstand tot watergangen gespoten mag worden. Vanuit het voorzorgsbeginsel zoals opgenomen in de omgevingswet moet in het kader van gezondheid bij het inzichtelijk maken van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ondanks het ontbreken van wettelijke regels, weldegelijk aandacht zijn voor de invloed van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige functies. In de rechtsspraak is een vaste lijn ontwikkeld die uitgaat van een richtafstand van 50 meter. Op een grotere afstand kan aangenomen worden dat er geen gevaarlijke blootstelling aan drift is. Van de richtafstand kan aan de hand van locatiespecifiek onderzoek gemotiveerd worden afgeweken.

De gemeente Noordoostpolder kiest in situaties waar een kortere afstand dan 50 meter tussen akkers en een locatie waar een nieuwe gevoelige functie wordt toegestaan voor een twee-sporen-oplossing. Dit doen we in de eerste plaats om de gezondheid van de gebruikers van de nieuwe gevoelige functie in voldoende mate te garanderen en in de tweede plaats om de naburige agrariërs niet onevenredig te beperken in hun bedrijfsvoering. In het landelijk gebied van de Noordoostpolder is in het omgevingsplan grondgebonden agrarische bedrijvigheid toegestaan. Het omgevingsplan grijpt hiervoor terug op het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004'. In dit plan is bij recht een breed scala aan teelten toegestaan. Dit is de planologische ruimte waarbij het toestaan van nieuwe functies in beginsel rekening gehouden moet worden. Daar waar nu een gewas staat waarop geen, lichte of weinig gewasbeschermingsmiddelen toegepast worden mag in theorie het volgende jaar ook een meer intensief bespoten gewas geteeld worden.

Bij sierteelt en fruitteelt worden in de praktijk het meeste en het vaakst gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bij fruiteelt wordt daarnaast vaak ook nog vanaf een grotere hoogte of zijwaarts gespoten wordt waardoor er meer kans op drift is. Voor reguliere akkerbouw geldt dat er doorgaans minder en minder vaak gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Bij reguliere akkerbouw en sierteelt worden gewasmiddelen toegepast doormiddel van neerwaarts spuiten.

Locatiespecifiek onderzoek

Afwijken van aandachtsafstanden kan op basis van locatiespecifiek onderzoek naar driftblootstelling. Om een kortere onderlinge afstand tussen teeltpercelen en driftgevoelige functies te rechtvaardigen, dient te worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet) waarbij rekening gehouden moet worden met:

  • het belang van het beschermen van de gezondheid in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling (artikel 2.1, lid 4 van de Omgevingswet);
  • het voorkomen van potentiële toekomstige beperkingen voor de omgeving, met name als het gaat om de inzet van gewasbeschermingsmiddelen bij de agrarische exploitatie van gronden.

Drift, gezondheid, aandachtafstanden

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken. Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). Vooralsnog kan ervan worden uitgegaan dat deze rechtspraak ook relevant blijft onder het nieuwe recht.

In deze rechtspraak wordt een aandachtzone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd 'locatiespecifiek onderzoek'.

Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen of aanzienlijk minder sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen).

Onderhavige motivering beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd.

Invulling van de maximale planologische mogelijkheden

Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat, waaronder ook de invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, te worden uitgegaan van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt. Enkel bij wijze van uitzondering kan worden uitgegaan van een invulling die niet de maximale planologische situatie vertegenwoordigt.

Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de bestemde teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies.

Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn).

Locatiespecificiteit

In deze context is de vraag in welke zin sprake dient te zijn van een locatiespecifiek onderzoek. Aangezien moet worden uitgegaan van een maximale invulling van de planologische situatie, zal immers sprake zijn van een abstractie van de feitelijk aanwezige situatie. Niet de actuele teelten van de betrokken eigenaar/gebruiker en de gewasbeschermingsmiddelen die daarbij worden gebruikt zijn relevant, maar de teelten, middelen en spuitmethoden die maximaal zijn vanuit een oogpunt van het gebruik van gewasbescherming (spuithoogte, spuitfrequentie e.d.).

Op dit vlak geldt uiteraard ook dat de regelgeving omtrent toepassing van gewasbescherming landelijk geldt en dus niet locatiespecifiek is. Consequentie hiervan is dat zowel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en toegelaten spuitapparatuur een algemene grootheid vormen. Er mogen per slot van rekening alleen toegelaten middelen worden gebruikt welke enkel mogen worden aangebracht met spuitapparatuur die voldoet aan de voorgeschreven technische eisen.

Ook de beoogde ontwikkeling zal vanuit de abstractie van de maximale planologische mogelijkheden moeten worden beschouwd.

Locatiespecifieke aspecten hebben kortom betrekking op aspecten:

  • De planologie als zodanig;
  • Grondsoort, wateraspecten en teelten op relevante percelen en in de verdere omgeving;
  • Vorm, afmetingen en onderlinge situering gewaspercelen en driftgevoelige functie(s);
  • Lokale windomstandigheden.

Uiteraard zullen ook te treffen voorzorgmaatregelen locatiespecifiek zijn.

4.7.2 Situatie plangebied
4.7.2.1 Locatie en omgeving plangebied
4.7.2.1.1 Bestaande situatie

Rondom Uiterdijkenweg 29 heeft in de afgelopen 10 jaar aan verschillende kanten (noord, zuidwest) reguliere akkerbouw en sierteelt plaatsgevonden. Op het erfbezoek op 6 november 2025 heeft de gemeente vast kunnen stellen dat ook op het gedeelte van het achterliggende kavel recht achter het erf bloembollen gepoot werden. In figuur # is met een rode lijn aangegeven vanaf waar sierteelt heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden. Er heeft ter plaatse geen fruitteelt plaatsgevonden. Dit is vastgesteld aan de hand van de kaarten 'Gewaspercelen' beschikbaar op ESRI Nederland. Deze kaarten zijn gevuld met gegevens uit de Basisregistratie percelen (BRP) en geven per jaar het geteelde gewas per landbouwperceel weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0005.png"

Figuur 4.1

4.7.2.1.2 Beoogde situatie

Met voorliggend plan wordt een functieverandering van agrarisch naar reguliere bewoning toegestaan. In oorspronkelijke Zeeuwse boerderij worden twee woningen voor reguliere bewoning toegestaan.

Deze beide woningen liggen (deels) in de zone op minder dan 50 meter van de akkers waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen worden. De kortste afstand van deze woningen tot de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen worden is ca. 38 meter. Bepalend is echter niet de afstand van de akker tot de gevel van de woning maar van de gevoelige functie (waar langdurige blootstelling aan drift plaats kan vinden) tot aan de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen. Er moet dus ook gekeken worden naar de gronden die als tuin gebruikt mogen worden.

Omdat er gevoelige functies mogelijk gemaakt worden op een afstand van minder dan 50 meter is locatiespecifiek onderzoek nodig naar de invloed van de toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe gevoelige functies.

4.7.2.1.3 Planologie van de omliggende gronden

Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle onder het oude recht in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan.

Er gelden voor het plangebied en de directe omgeving dezelfde planologische regelingen:

  • Paraplubestemmingsplan Wonen - 22 april 2024
  • Parapluplan parkeren - 8 juli 2019
  • Bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' - 29 september 2005

Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' bevat de relevante planregeling voor het plangebied en de agrarische gronden ten rondom het perceel. Dit plan staat agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf toe. Een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gedefinieerd als een veehouderij-, akkerbouw-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel.

4.7.2.1.4 Agrarisch grondgebruik

Fruitteelt is wel toegestaan maar gelet op de bodemgesteldheid, verdiencapaciteit en de huidige bedrijfsvoering van naastgelegen agrariër dermate onwaarschijnlijk dat de gemeente van mening is dat hier met het vaststellen van de reële maximale planinvulling geen rekening gehouden hoeft te worden. Fruitteelt concentreert zich in de tuindersgebieden rondom Kraggenburg en Marknesse. Het is niet aannemelijk dat er in de nabijheid van Uiterdijkenweg 29 een transformatie plaats zal vinden naar fruitteelt.

In het geval van Uiterdijkenweg 29 is gedurende gesprekken ter voorbereiding van het initiatief niet gebleken van voornemens van de naastgelegen agrariërs om wel fruitteelt te gaan doen. Daarom gaat de gemeente bij de beoordeling van voorliggend initiatief uit van reële maximale planinvulling gebaseerd op neerwaarts spuiten. Dit betreffen uitsluitend teelten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast middels neerwaarts spuiten. Gelet op een en ander kan vanuit het oogpunt van de planologisch maximale situatie rekening gehouden worden met laagblijvende eenjarige teelten.

4.7.2.2 Regelgeving
4.7.2.2.1 Europees beoordelings- en toelatingskader

De toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door de Europese verordeningen 1107/2009/EU, 396/20054/EU, 2017/6255/EU en 1185/20096/EU en 528/2012/EU. In deze context is Verordening 528/2012/EU (hierna ook: de Biocidenverordening) het meest relevant welke aanvullend geldt op verordening 1107/2009/EU. Daarnaast geldt richtlijn 2009/128/EU (sustainable use of pesticides - SUD), welke verder aan de orde komt in paragraaf 4.7.2.2.2.

Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening).

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.

Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening 528/2012/EU).

Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico's beoordeeld1, ook gezondheidsrisico's op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening).

Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift.

Dit is anders in de context van planologische besluitvorming, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.2.1.

4.7.2.2.2 Aanvullende regelgeving

Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen.

Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand).

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op de geldende Nederlandse regelgeving.

Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) en het daarop gebaseerde Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was sprake van aanvullende ecologische bescherming door het aanhouden van zogenaamde teeltvrije zones langs oppervlaktewater. Deze bepalingen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat is gebaseerd op de Omgevingswet. Hierbij is evenwel gespecificeerd dat bepaalde bepalingen zijn bedoeld ter bescherming van zowel ecologie als volksgezondheid.

Besluit activiteiten leefomgeving

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken.

In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald.

In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop.

In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.

Op grond van artikel 4.723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast worden.

De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid.

Overig 

Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen2 c.q. een alternatieve bestrijding van plagen), dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. In het kader van deze notitie dient echter het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen3 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden.

Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine).

4.7.2.2.3 Evaluatie en herziening milieuregelgeving

Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 20164 en 20 mei 20205, zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen6 gepaard gaat met risico's voor de menselijke gezondheid, waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 20187 en 20208 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie9, waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM10 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico's wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR11 . Nu in Duitsland ook het Unierecht geldt voor toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, is de situatie in Duitsland representatief te noemen voor Nederland.

De Gezondheidsraad12 komt op basis van internationale epidemiologische literatuur tot de conclusie dat gewasbescherming met chemische middelen gepaard kan gaan met gezondheidsschade bij mensen. In lijn daarmee pleit de Gezondheidsraad ervoor dat beter invulling wordt gegeven aan de eisen op basis van het Unierecht bij toelating en herbeoordeling van middelen. Op dit vlak is relevant dat de gevolgtrekkingen van de Gezondheidsraad onvoldoende zijn toegesneden op de locatiespecifieke omstandigheden in Nederland. Er kan hierbij worden gewezen op de volgende verschillen ten opzichte van de door de Gezondheidsraad aangehaalde internationale studies:

  • Toegelaten middelen;
  • Toepassingsvoorschriften (hoeveelheid en concentratie per behandeling, behandelfrequentie etc.);
  • Wijze van toepassing (zoals met 75% driftreductie, dan wel (worst case) met sproeivliegtuig);
  • Betreding van gewassen (wandelpaden door gewaspercelen, spelende kinderen in gewaspercelen).

Gelet hierop vormt het advies van de Gezondheidsraad goede aanleiding om in Nederlandse context te kiezen voor toepassing van het voorzorgbeginsel in de context van planologische besluitvorming waarbij het aspect driftblootstelling een rol kan spelen. Los hiervan is uiteraard positief indien beter wordt toegezien op naleving van voorschriften bij toelating van middelen, maar het advies vormt geen aanleiding om te concluderen dat in Nederlandse context sprake is van nadelige effecten voor de gezondheid v.w.b. blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.

Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht, mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland. Zoals al gebleken is uit paragraaf 3.1, gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies. Bij toelating van middelen wordt namelijk uitgegaan van een hoog beschermingsniveau, waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden, gekoppeld aan worst-case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t.a.v. extra driftreductie).

Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde 'Green Deal' de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie13, niet op afstandseisen14 of de genoemde aandachtzone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd.

4.7.2.2.4 Conclusies

Gelet op het voorgaande is sprake van een omvattend wettelijk stelsel voor toelating en herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, met bijbehorende gebruiksvoorschriften en voorzorgen die bij toepassing in acht moeten worden genomen.

In het kader van dat stelsel wordt, zoals ook blijkt uit de aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie15 een open gezondheidsnorm gehanteerd, welke kortom zeer uitdrukkelijk ook rekening houdt met mogelijk nadelige gezondheidseffecten die op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten relevant kunnen worden.

Met andere woorden biedt dit stelsel voldoende basisveiligheid als het gaat om de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

Mate van bescherming

In de Europese verordeningen is geen verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. De Europese milieuregelgeving kent de volgende beschermingscategorieën:

  • Consumenten;
  • Toepassers;
  • Omwonenden (waaronder begrepen passanten e.d.).

Omwonenden worden gelijkelijk beschermd, ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De milieuregelgeving kent geen groepen van mensen aan wie een verminderde bescherming toekomt, maar hanteert enkel het uitgangspunt dat de blootstelling van kwetsbare groepen normbepalend is (artikel 19, lid 1b onder iii van de Biocidenverordening).

De vraag of omwonenden wonen of werken bij een bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast, dan wel bij een ander bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooien maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben.

Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe, ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.

Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast. Evenmin is kortdurend verblijf noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van verminderde bescherming.

De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen, d.w.z. dat aan één persoon evenveel bescherming toekomt als aan honderd personen.

In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus geen lager beschermingsniveau worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd te worden16 .

Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn, is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is c.q. niet kan worden uitgesloten dat zich veranderingen voordoen qua:

  • de verblijftijd van personen17 ;
  • de verblijfswijze (zoals binnen of buiten);
  • de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving, kinderen e.d.).

Los daarvan volgt uit het voorzorgbeginsel dat bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk moet worden voorkomen dat middel terecht komt op buurpercelen waarop zich andere teelten bevinden. In dezelfde zin dient in principe te worden voorkomen dat middel terecht komt in beschermde natuur.

Mate van kwetsbaarheid – bestaande potentiële beperkingen

In de onderhavige situatie is relevant dat sprake is van een perceel dat thans bestemd is voor agrarische functies, wat concreet in ieder geval de (bestaande) de bestaande bedrijfswoning maar ook het uitoefen van de reguliere bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf betreft. De geldende agrarische bestemming sluit regulier menselijk verblijf niet uit.

De beoogde ontwikkeling brengt in zoverre geen verandering in deze bestaande situatie, aangezien regulier menselijk verblijf binnen 50 meter vanaf de agrarische gronden reeds mogelijk is.

In de bestaande situatie kan het hier ook mensen met een bijzondere kwetsbaarheid betreffen (kinderen, zwangeren, ouden van dagen etc.).

Op dit vlak kan dus worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een verdergaande potentiële beperking zal kunnen inhouden aan de exploitatie van aanliggende agrarische gronden.

Overige potentiële beperkingen

De al aanwezige bedrijfswoning op het erf kan dus worden beschouwd als potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Omliggende agrarische bestemmingen dienen echter ook te worden beschouwd als een bestaande potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, nu de gronden ook gebruikt mogen worden voor extensief recreatief medegebruik. Immers uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden dient rekening te worden gehouden met menselijke aanwezigheid op deze gronden. Hierbij kan in aanmerking worden genomen dat recreatief gebruik in de regel overdag en bij droog weer aan de orde zal zijn, dus in de periode waarin ook gewasbescherming zal worden toegepast (er mag niet worden gespoten bij sterke wind, maar toepassing bij regen of op gewas dat nog nat is door dauw of regen vindt evenmin bespuiting plaats want dit zal de effectiviteit van de behandeling sterk aantasten omdat middel verdund zal worden en/of zal wegspoelen).

Verder is van belang dat op grond van het voorzorgbeginsel ook naburige agrarische percelen als mogelijke beperking dienen te worden beschouwd bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Immers als spuitmiddel dat wordt toegepast op het ene perceel ook terecht zou komen op een ander gewas op een naburig perceel, dan kan die oogst worst-case worden afgekeurd voor menselijke consumptie. Op grond van bijlage 1 artikel 1 onder 3a en 3c van richtlijn 2009/128/EU vormt het voorkomen van het gezondheidsrisico dat kan ontstaan door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen die niet op het doelgewas terecht zijn gekomen een concrete uitwerking van het voorzorgbeginsel, waar bijvoorbeeld ook aandacht voor dient te bestaan in het kader van de vakbekwaamheidseisen die gelden om gewasbescherming te mogen toepassen (artikel 5 van genoemde richtlijn jo. artikel 17, lid 1 onder c van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

Dit betekent dat, uitgaande van de bestemde mogelijkheden, de ontwikkeling niet zal kunnen leiden tot een toename van mogelijke beperkingen voor omliggende agrarische gronden. Mogelijke beperkingen zijn inherent verbonden met het toepassen van gewasbescherming.

In het navolgende wordt verder ingegaan op het gezondheidsaspect.

Gezondheidscriteria 

De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening), waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid, mogen, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming.

Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd, bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht op landbouwpercelen wonen, zoals geur en/of neerslag van stof (bijvoorbeeld op het wasgoed). Hier zijn geen gevalideerde modellen voor, want bij dat soort risico's speelt het aspect gezondheid geen rol18.

4.7.2.3 Beoordeling gezondheidsaspecten
4.7.2.3.1 Verspreidings- en blootstellingsmodellen

Uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt, dat voorhanden modellen waarmee blootstelling aan drift kan worden geprognosticeerd, niet worden geaccepteerd voor planologische besluitvorming. Gewezen kan worden op de zaak Houten19, welke betrekking had op het zogenaamde PRI model. Verder kan worden gewezen op de uitspraak Asdonkterrein Beuningen20 over het zogenaamde EFSA-OPEX model. In andere uitspraken is bevestigd dat het PRI model en het EFSA-OPEX model in het kader van planologische besluitvorming niet worden geaccepteerd.

Gelet hierop zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren.

4.7.2.3.2 Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling

Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd.

In een uitspraak van de Afdeling21 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in een situatie dat een agrarisch perceel22 zal grenzen aan een perceel met een gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd23.

De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd24. Ook in een uitspraak van 19 maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd25.

In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. Het plaatsen, onderhoud en instandhouding dient ruimtelijk te worden verzekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan.

In een andere uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag, maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte erfafscheiding kan bieden26 . In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek), dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing, dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen. Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden.

 

In de context van de geldende regelgeving dient verder te worden afgewogen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door voor bestaande functies heel andere gezondheidscriteria te hanteren dan voor nieuwe functies en of het niet nemen van een planologisch besluit tot een evenwichtiger toedeling kan leiden dan het wel nemen van dat besluit27.

4.7.2.3.3 Aandachtzones

Zoals aangegeven in paragraaf 4.7.1 hanteert de Afdeling rechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 200228 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de 'Handreiking bestemmingsplannen' uit 1996)29 .

Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c.q. het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen.

Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden.

In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse gewasbehandelingen, kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt, is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling30 . Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d.w.z. afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtafstand en niet als normafstand.

4.7.2.3.4 Conclusies

Gelet op paragraaf 4.7.2.2 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt niet accepteert. In het kader van planologische besluitvorming worden aanvullende maatregelen geëist, onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving en/of uitspraken van de civiele rechter.

Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende maatregel. Tot slot is gebleken dat de Afdeling akkoord is gegaan met afscherming over een kortere afstand (bijvoorbeeld alleen de gedeelde perceelgrens met een gewasperceel), zodat de 50 meter niet kan worden geïnterpreteerd als afschermingsafstand of normafstand.

4.7.2.4 Omgevingsaspecten
4.7.2.4.1 Relevante teelsituaties

Zoals beschreven in paragraaf 4.7.2.1.1 is sprake van aangrenzende agrarische gronden waar rekening gehouden wordt met eenjarige laagblijvende teelten.

Bij laagblijvende teelten is sprake van neerwaarts spuiten. Bij neerwaarts spuiten is sprake van relatief gering risico op verspreiding van druppeldrift. Dit vanwege de lagere spuithoogten, waardoor wind minder snel vat op de druppels zal kunnen krijgen, en het feit dat laagblijvende gewassen minder te behandelen (blad)oppervlak hebben dan opgaande gewassen. Verder wordt met de zwaartekracht meegespoten, in tegenstelling tot zijwaarts en opwaarts spuiten, waarbij om die reden het risico op druppelverspreiding groter is.

Er zit naast de wijze van toepassing ook verschil in de intensiteit van het gebruik van gewasbescherming. Zo hebben aardappelen een aanzienlijk hogere intensiteit dan bijvoorbeeld tarwe31.

4.7.2.4.2 Effect driftreductie

Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht, terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht, botsingen druppels met gewas etc.). Echter uitgaande van de wettelijke 75% driftreductie kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts/zijwaarts spuiten, waarbij extra driftreductie ook betekent dat minder damp- en aerosoldrift zal kunnen ontstaan.

Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden (ook) gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid, zeker vanuit het perspectief van de toepassers–. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aerosolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht en daar onder invloed van zonlicht e.d. afbreken.

4.7.2.4.3 Wind

Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4.723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland, geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen, zelfs als rekening wordt gehouden met de gemiddelde windrichting per seizoen. De positie van een teeltperceel ten opzichte van een gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling.

Hierbij is verder relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden. Bij hogere windsnelheden zal de drift groter zijn, maar zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht.

Zie de afbeeldingen 4.2.1 en 4.2.2, waarbij weerstation Marknesse is aangehouden als meest representatief voor de locatie Uiterdijkenweg 29 te Luttelgeest.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0006.png"

Afb. 4.2.1: Windroos (bron: KNMI)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0007.png"

Afb. 4.2.2: Gemiddelde windrichting per maand in % tussen 1991 en 2020 (bron: Weerplaza)

4.7.3 Conclusie

Door het aanhouden van extra onderlinge afstand tussen gewaspercelen en driftgevoelige functies invulling worden gegeven aan het voorzorgbeginsel. Zoals aangegeven wordt door de Europese Commissie gedacht aan een onderlinge afstand van 3 meter tussen gewaspercelen en driftgevoelige functies32 .

Op basis van uitsluitend de juridische uitgangspunten waarop de 50 meter aandachtzone is gebaseerd (dus zonder gebruikmaking van wetenschappelijke gegevens welke de Afdeling heeft afgekeurd voor gebruik in planologische context) kan op dit vlak worden evenwel uitgegaan van een veiligheidsafstand van 25 meter voor scenario's waarin sprake is van teelt in boomgaarden en 12,5 meter in geval van teelten waar uitsluitend sprake zal zijn van neerwaarts spuiten.

Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.2.3.3. Het aanhouden van deze afstanden, die zijn geëxtrapoleerd uit de eigen jurisprudentie van de Afdeling, kan in relatie tot de afstand die de Europese Commissie al als veilig beschouwd dus als alleszins worst-case worden beschouwd.

Gelet op bovenstaande kan in voorliggend geval waarbij uitgegaan wordt van neerwaarts spuiten bij teelten anders dan sierteelt en fruitteelt gemotiveerd afgeweken worden van de in de rechtspraak aangehouden 'aandachtsafstand' van 50 meter. Op grond van de redenering omschreven in paragraaf 4.7.2.3.3kan in plaats daarvan een afstand van 12,5 meter aangehouden worden. Deze afstand komt precies overeen met de breedte van de functie 'Groen - groenactiviteiten erfsingel – toegestaan' (12,0 meter) plus de teeltvrije zone op grond van artikel 4.723d Bal (minimaal 0,5m).

Binnen de functie 'Groen – groenactiviteiten erfsingel – toegestaan' is in de planregels op verblijf gericht gebruik nadrukkelijk uitgesloten. Bovendien is in de regels nadrukkelijk opgenomen dat deze gronden geen onderdeel uitmaken van het gebouwerf waar vergunningvrij bijbehorende bouwwerken bij de woonfunctie kunnen landen.

De teeltvrije zone is minimaal 0,5m maar kan afhankelijk van teelt en wijze van toepassen van de middelen ook groter zijn.

Ter plaatse van de reeds bestaande schuur is de functie 'Groen – groenactiviteit erfsingel – toegestaan' door een historisch gegroeide situatie iets minder breed dan 12m. Respectievelijk ca. 7m (noordwestzijde) en ca.10m (noordoostzijde). Blootstelling in een gebouw is (zie: paragraaf 4.7.1) echter niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen of aanzienlijk minder sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling. De muur van het gebouw vormt een afdoende barrière.

Daarmee is de evenwichtige toedeling van functies voor het aspect gewasbeschermingsmiddelen voldoende aangetoond. Ook worden de naastgelegen agrariërs niet onevenredig beperkt in hun bedrijfsvoering. Met deze wijze van regelen wordt aan hen planologisch gezien geen extra beperkingen opgelegd ten opzichte van de huidige situatie.

Daarbovenop is rondom het gehele erf (met uitzondering van de naar de weg gekeerde zijde) in het kader van de landschappelijke inpassing het aanleggen en instandhouden van een volwaardige erfsingel bedongen. Deze erfsingel is niet jaarrond groen en de soortenmix is niet afgestemd om het maximaal afvangen van drift. Hiermee is het niet een wetenschappelijk onderbouwde maatregel die als 'vanggewas' kan dienen. Desalniettemin zal deze (middels een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgde) erfsingel als maatregel ten overvloede onmiskenbaar een positieve bijdrage leveren aan de blootstelling aan drift op het betreffende erf. Dit sterkt de gemeente in de belangenafweging zoals die hierboven is omschreven.

Initiatiefnemer heeft met de pachter van de achterliggende kavel een privaatrechtelijke afspraak gemaakt die hem het gebruik geeft van een strook grond achter het erf (zie: figuur 4.3). Dit is gedaan om als buffer te dienen ten opzichte van de gronden waar sierteelt plaatsvindt. Ook deze afspraak is gelet op bovenstaande motivering een argument ten overvloede maar draagt in algemene zin wel ten positieve bij in de belangenafweging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0008.png"

Figuur 4.3 Perceel waar een privaatrechtelijke overeenkomst ligt die initiatiefnemer het gebruik geeft over deze strook.

4.8 Trilling

4.8.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden.

  • 1. Toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie.
    In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
  • 2. Toevoeging van een trillinggevoelig gebouw.
    De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Wat is een trillinggevoelig gebouw?

Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Weg- en spoorverkeer

Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen

Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Hiervoor gelden geen instructieregels van het Rijk.

4.8.2 Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen. Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen.

4.8.3 Conclusie

Aan de relevante instructieregels van zowel de het omgevingsplan als het Bkl is voldaan. Het aspect trillingen vormt geen belemmering om te kunnen voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Omgevingsveiligheid

4.9.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises.

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

Voor een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl)

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Naast door het werken met, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de Veiligheidsregio's zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen:

  • bluswater en bereikbaarheid;
  • natuurbranden;
  • windturbines;
  • overstroming en klimaatadaptatie;
  • evenementen;
  • het gebruik van gebouwen en;
  • rookoverlast.

Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand- of explosieaandachtsgebieden.

4.9.2 Niet gesprongen explosieven

De provincie Flevoland heef een Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten, zie figuur 4.1. Hieruit blijkt dat het plangebied is aangewezen als een onverdacht gebied, hier zijn geen of onvoldoende aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hier hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor grondroerende werkzaamheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0009.png"

Figuur 4.1 - Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten (plangebied aangegeven met zwarte ster) (bron: Provincie Flevoland)

4.9.3 Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.2 is de veiligheidskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0010.png"

Figuur 4.2 - Uitsnede veiligheidskaart met het plangebied (paarse ster) (bron: Atlas leefomgeving)

Uit voorgaande figuur blijkt dat het plangebied zich niet bevindt:

  • binnen de plaatsgebonden risicocontour van milieubelastende activiteiten;
  • binnen een brand-, explosie-, gifwolkaandachtgebied van nabij gelegen water, spoor, wegen, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
  • Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd.

In het geval van een ramp is het van belang dat er sprake is van een goede bestrijdbaarheid door hulpdiensten. Paragraaf 4.2.3.3 Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer toont aan dat er sprake is van een goede bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer. Daarnaast is er rondom het plangebied voldoende open oppervlaktewater dat door de brandweer gebruikt kan worden voor de bestrijding van branden.

4.9.4 Conclusie

In en rondom het plangebied is sprake van een veilige omgeving en wordt er voldaan aan de relevante regels van het Bkl. Het aspect omgevingveiligheid vormt hiermee geen belemmering om te kunnen voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Hinder wind, licht en (slag)schaduw

4.10.1 Windhinder

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. Er wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt  Gezien dit feit is het aspect windhinder niet relevant. 

4.10.2 Lichthinder
4.10.2.1 Kassen

In artikel 3.205 Besluit activiteiten leefomgeving wordt het telen van gewassen in kassen aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarbij moet voldaan worden aan de regels die zijn gesteld in paragraaf 4.75 over assimilatiebelichting.

In paragraaf 4.75 geeft artikel 4.790 (lichthinder) voorschriften voor het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas. Het voorschrift is hieronder opgenomen. Dit voorschrift is overeenkomstig artikel 3.56 t/m 3.59 van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden opgenomen in het omgevingsplan.

4.10.2.2 Sportvelden

In de Bruidsschat is artikel 22.239 opgenomen ter voorkomen van lichthinder door sportvelden. Dit is overeenkomstig artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. Ons voorstel is om deze regel te behouden en op te nemen in hoofdstuk 11 Milieuaspecten van activiteiten. De gemeente kan voor het begrip lichthinder de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) gebruiken en op basis daarvan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld hoe sportverlichting moet worden uitgevoerd. Wanneer er nu geen problemen zijn ten aanzien van lichthinder, wordt geadviseerd voorlopig alleen de basisregel op te nemen.

4.10.3 Slagschaduw

Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.

In de (directe) omgeving van het plangebied zijn geen windturbines aanwezig. Gezien dit feit zal het aspect slagschaduw geen belemmeringen opleveren.

4.10.4 Conclusie

Door de realisatie van het de nieuwe inpandige woning ondervindt de fysieke omgeving geen nadelige effecten. Vanuit het aspect schaduw- en windhinder is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Bodem

4.11.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Bodemgevoelig gebouw

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

4.11.2 Beleidskader
4.11.2.1 Provinciale omgevingsverordening

In paragraaf 6.4.1.1 van de POV zijn instructieregels opgenomen m.b.t. activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging (is zowel water- als bodemaspect; grondwater maakt deel uit van de bodem), zoals bij het thema water is toegelicht. In paragraaf 6.4.1.2 zijn instructieregels opgenomen m.b.t. lozen op of in de bodem.

4.11.2.2 Gemeentelijke Nota Bodembeheer

De onderdelen bodemfunctieklassenkaart en het door de gemeente vastgesteld gebiedsspecifiek beleid maken zoals gezegd deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Omdat het overgangsrecht alleen zorgt voor een juridische gelijkstelling, wordt dit niet vanzelf zichtbaar in het DSO (de gemeente moet dit zelf zichtbaar maken in het DSO). Uiteindelijk moet de gemeente deze onderdelen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan overzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan door deze om te zetten in maatwerkregels. Hiervoor heeft de gemeente tot uiterlijk 31 december 2031 de tijd.

4.11.3 Situatie plangebied

Met de wijzing van het omgevingsplan wordt de activiteit ‘wonen’ mogelijk gemaakt. Deze nieuwe activiteit is volgens het Bkl een bodemgevoelige activiteit. Het is daarom noodzakelijk om een verkennend bodemonderzoek te verrichten om te bepalen of de grond schoon genoeg is voor de activiteit ‘wonen’.

Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is door Mateboek Milieutechniek op 24 juni 2024 een verkennend bodemonderzoek opgeleverd (B0243977/SK) . Dit rapport is als bijlage bij deze motivering worden opgenomen, zie bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek. Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Bodemkwaliteitskaart

Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan maakt de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Noordoostpolder hier deel van uit. Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de bodemfuncties aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor:

  • het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen;
  • het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming.

Op basis van artikel 5.89p (Bkl) moet in een omgevingsplan de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld worden. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. De landbodem kan worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen Landbouw/natuur, Wonen en Industrie.

Voor het plangebied is de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur van toepassing. Echter, omdat in het verkennend bodemonderzoek wordt aangetoond dat de milieuhygienische kwaliteit van de bodem acceptabele is vormt deze bodemfunctieklasse geen belemmering voor het voorliggende plan dat voorziet in het toevoegen van woonactiviteiten.

4.11.4 Conclusie

Door middel van het verkennend bodemonderzoek is aantoont dat is voldaan aan regels rondom bodem in het Bkl. De bodem is van voldoende kwaliteit en het aspect vormt geen belemmering om te kunnen voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 Archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed

4.12.1 Algemeen

De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Bkl. In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:

  • a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten;
  • b. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
  • c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden;
  • d. het voorkomen van aantasting van:
    • 1. de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en
    • 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en
  • e. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed heeft een Handreiking opgesteld met voorbeeldregels voor het omgevingsplan voor een aantal aspecten van cultureel erfgoed. Bij deze regels kan worden aangesloten, waarbij de regels moeten passen in het casco omgevingsplan Noordoostpolder. Het gaat om voorbeeldregels voor gemeentelijke monumenten, beeldbepalende of karakteristieke gebouwen, archeologische (gemeentelijke) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.

In Noordoostpolder is veel cultureel erfgoed aanwezig. Het gaat om:

  • a. rijks, provinciale en gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden;
  • b. de omgeving van de monumenten, genoemd onder a.;
  • c. het beschermde dorpsgezicht;
  • d. archeologische monumenten (gemeentelijke archeologische monumenten en de archeologische verwachtingswaarden).
  • e. UNESCO werelderfgoed.
4.12.2 Beleidskader

Onder archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten,e panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.12.3 Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van het Bkl een archeologische zorgplicht bij plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.12.4 Cultuurhistorie en cultureel erfgoed

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

4.12.5 Situatie plangebied

Archeologie

Om na te gaan of sprake is van archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied is de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder geraadpleegd, zie figuur 4.3. Op deze kaart is het plangebied aangewezen als zijnde een gebied met een ‘Waarde – archeologie 6’. Pas bij bodemingrepen die groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm zijn in archeologisch onderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0011.png"

Figuur 4.3 - Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder (bron: Gemeente Noordoostpolder/RAAP)

Met het voorliggende plan worden geen bodemingrepen verrichten, waardoor het niet noodzakelijk is om en onderzoek te verrichten. In het geval er toch archeologische vondsten worden aangetroffen in het plangebied geldt er een meldingsplicht bij de (archeologische dienst van de) gemeente.

Cultuurhistorie en cultureel erfgoed

De gemeente Noordoostpolder heeft de bedrijfswoning aangewezen als een 'Zeeuwse boerderij'. Een Zeeuwse boerderij ofwel Brabantse Langgevelboerderij (omdat de Langgevelboerderij voornamelijk bewoond werd door boeren die uit Zeeland afkomstig waren) is een traditioneel type boerderij dat veel voorkomt in Noord-Brabant en Limburg. Het kenmerkt zich door een lange gevel die parallel loopt aan de weg, waarbij woonhuis, stal en schuur onder één dak zijn samengebracht. De boerderij heeft een rechthoekige plattegrond en is meestal gebouwd met baksteen en een zadeldak. Deze boerderijen vertegenwoordigen het agrarische erfgoed van de regio en worden tegenwoordig vaak gerestaureerd voor woon- of recreatiedoeleinden.

In de regels van de wijziging van het omgevingsplan worden specifieke regels vastgelegd voor de bestaande bebouwing. Het exterieur van de boerderij zal nagenoeg intact blijven. Met het inpandig toevoegen van een woning zullen uiterlijke wijzigingen beperkt blijven tot het toevoegen van een deur en een paar ramen. Dit zorgt niet voor een afbreuk van de cultuurhistorische waarden. Daarnaast wordt ook een bebouwingsvrij zone opgenomen om het aangezicht van de boerderij in stand te houden.

In het kader van de landschappelijke inpassing van het plan kan worden geconcludeerd dat, vanwege het uitblijven van de realisatie van nieuwe bouwwerken, het huidige open landschap onveranderd blijft.

4.12.6 Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit de toetsing van het aspect archeologie en cultuur komt naar voren dat aan de regels gesteld in het Bkl kan worden voldaan. Archeologische en cultuurhistorische waarden worden in het planvoornemen niet aangetast dan wel voldoende beschermd.

4.13 Natuur

4.13.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

4.13.2 Gebiedsbescherming
4.13.2.1 Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

4.13.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Een wijziging van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels in artikel 7.109 opgenomen.

4.13.3 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.13.4 Situatie plangebied

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt in buitenstedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van 1,9 kilometer van het plangebied (zie figuur 4.5). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Weerribben, bedraagt circa 1,9 kilometer (zie figuur 4.4).

Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0012.png"

Figuur 4.4 - Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden (plangebied aangegeven met paarse ster) (bron: Atlasleefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0760-VS01_0013.png"

Figuur 4.5 - Uitsnede kaart Natuurnnetwerk Nederland (NNN) (plangebied aangegeven met paarse ster) (bron: Atlasleefomgeving)

Stikstof

Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is terug te vinden in bijlage 4. Door middel van een Aerius-berekening is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van depositie van stikstof op omliggende Natura-2000 gebieden en in welke mate.

Uit deze berekening blijkt dat nergens een depositie neervalt die hoger dan 0,00 m/ha/jaar is. De kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten verslechterd niet. Het plan heeft geen significant verstorend effect. Het omgevingsaspect ecologie gebiedsbescherming zal de voorgenomen ontwikkeling niet belemmeren.

Soortenbescherming

Bij bouwwerkzaamheden, het dempen van slopen of het kappen van bomen kan het leefgebied van beschermde plant,- en diersoorten worden aangetast. Met de voorliggende ontwikkeling is hiervan geen sprake, aangezien alleen het gebruik van de gronden wijzigt en eerdergenoemde bouwwerkzaamheden niet worden verricht. Het is daarom niet noodzakelijk om een onderzoek te verrichten.

4.13.5 Conclusie

Uit de toetsing van het deelaspect gebiedsbescherming blijkt dat het planvoornemen geen negatieve aspecten heeft voor Natura-2000 en NNN gebieden in de omgeving van het plangebied. Uit de toetsing van het deelaspect soortenbescherming komt naar voren dat, vanwege het uitblijven van bouw- en sloopwerkzaamheden er geen sprake kan zijn van een bedreiging van soorten. Het aspect natuur vormt hiermee geen belemmering om te kunnen voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.14.1 Beleidskader

Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.

4.14.2 Situatie plangebied

Het initiatief behelst het toevoegen van een inpandige woning. In verband met de wijziging van de activiteiten van de boerderij zal deze worden geïsoleerd en worden er zonnepanelen geplaatst. Aanvullende eisen rondom duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn niet noodzakelijk.

4.14.3 Conclusie

Vanuit het de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.15 Gezondheid (toetsing regels)

4.15.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten komen in de hierna volgende paragrafen aan de orde.

Het is wenselijk om naast de beoordeling van de diverse milieuaspecten ook aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigen van het omgevingsplan is meegenomen.

4.15.2 Situatie plangebied

Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het bijvoorbeeld om de aspecten geluid, geur, spuitzones en omgevingsveiligheid. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 4 wordt duidelijk dat binnen het plangebied geen sprake is van significante milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie.

Daarnaast kan worden gesteld dat het planologisch beëindigen van agrarische activiteiten een positieve ontwikkeling is voor de gezondheid van omwonenden. De beoogde ontwikkeling is hiermee vanuit gezondheidsoogpunt aanvaardbaar.

4.15.3 Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.16 Milieueffectrapportage

4.16.1 Algemeen

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan.

Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.

4.16.2 Situatie plangebied

De beoogde ontwikkelingen, het mogelijk maken van nieuwe woonactiviteiten op een agrarisch perceel en het toestaan van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt aangevraagd, komen niet voor in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob). Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het project is niet project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig. De ontwikkeling heeft geen onaanvaardbaar effect op de onderliggende gronden of andere functies in de omgeving. De landschappelijke elementen rondom het projectgebied worden behouden. Overigens blijkt uit de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten die in hoofdstuk 5 zijn beschreven dat er geen negatieve milieugevolgen zullen optreden als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.16.3 Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Conclusie ETFAL

  • 1. De volgende activiteiten zijn getoetst: het wijzigen van de activiteiten behorende tot de functie 'Agrarisch gebied - openheid van het landschap' naar 'Wonen';
  • 2. Getoetst is aan het beleidskader, hieruit blijkt dat het planvoornemen is lijn is met het relevante beleid;
  • 3. Getoetst is aan de instructieregels uit Afdeling 5.1 van het Bkl, hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen;
  • 4. Getoetst is aan de instructieregels uit Afdeling 5.2 van het Bkl, hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen;
  • 5. Ontheffing van de instructieregels uit Afdeling 5.3 van het Bkl is niet nodig;
  • 6. Getoetst is aan de instructieregels van de provincie, hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen;
  • 7. De activiteit 'Wonen' kan gelet op het bovenstaande worden toegestaan.

Hoofdstuk 6 Wijzigingsplan: Hoe gaan we het regelen

In dit hoofdstuk is de koppeling gemaakt van het beleid en de planuitgangspunten naar de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem van het omgevingsplan, maar ook op de afzonderlijke activiteiten. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen worden gemotiveerd. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.

Het planvoornemen betreft de wijziging van het bestaande agrarische bedrijfserf aan de Uiterdijkenweg 29 te Luttelgeest naar een woonerf. Hiertoe dienen aan het erf regels ten behoeve van de activiteit wonen toegekend te worden.

Bovendien wordt de bestaande woning inpandig gesplitst naar twee woningen. Hiernaast worden op het perceel hobbymatig (maximaal 4) paarden te houden en worden er kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen: het gaat om een coachingspraktijk, een hoveniersbedrijf (als ZZP'er) en een bedrijf in de weginfrastructuur (als ZZP'er).

De erfsingel rond het perceel is behoudenswaardig. In de inrichtingstekening is de ligging en beplanting van de erfsingel vastgelegd. In de regels wordt de locatie van de erfsingel vastgelegd en de instandhouding ervan geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting.

6.1 Uitwerking in de regels

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder worden opgenomen.

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder worden opgenomen. Het volledige erf, dat in de huidige situatie is bestemd als agrarisch gebied met een bebouwingsvlak ter plaatse van het erf, wordt gewijzigd naar wonen - Woonactiviteiten - toegestaan.

Ter plaatse van de bestaande woning geldt een vergunningsplicht voor het bouwen van het hoofdgebouw, waarbinnen twee wooneenheden zijn toegestaan met de bestaande maatvoeringen als maximum.

Op een strook van 25 meter vanaf de perceelgrens van de Uiterdijkenweg 31 zijn bijbehorend bouwwerk en andere bouwwerken uitgesloten. De hieronder genoemde bedrijfsmatige activiteiten moeten ondergeschikt blijven aan de woonactiviteit en worden uitgeoefend door de bewoners zelf:

    • 1. een eenmanszaak in de vorm van een hoveniersbedrijf;
    • 2. een eenmanszaak in de vorm van oor bedrijfsactiviteiten voor weginsfrastructuur; en
    • 3. therapeutische coaching al dan niet met ondersteuning van paarden die hobbymatig worden gehouden.

Hoofdstuk 7 Kostenverhaal

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

7.1 Regels kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

7.2 Situatie plangebied

Niet van toepassing, geen financiering vanuit de gemeente.

7.3 Overeenkomst nadeelcompensatie

Tussen de gemeente Noordoostpolder en de initiatiefnemer is een kostenafspraak gemaakt. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd.

Hoofdstuk 8 Participatie en keten

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject er voor de beoogde ontwikkeling uit ziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd. Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit.

8.1 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

De intitiatiefnemer heeft met de omwonenden en andere belanghebbenden het planvoornemen besproken. Daaruit zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt.

8.2 Vooroverleg instanties

8.2.1 Het Rijk

De ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Overleg met het rijk is daarom niet aan de orde.

8.2.2 Provincie Flevoland

De provincie Flevoland beschikt over een lijst met gevallen van provinciaal belang. Het inpandig realiseren van een woning in het buitengebied valt niet aan te merken als een geval waarin de provincie belang en daarmee beslisrecht heeft.

8.2.3 Waterschap Zuiderzeeland

Via het volgen van de procedure van de watertoets en het toesturen van te waterparagraaf is voldaan aan het vooroverleg met het waterschap Zuiderzeeland.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerp omgevingsplan heeft conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegen, zowel elektronisch via de landelijke website (LVBB) als analoog. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.

Ten opzichte van het ontwerp omgevingsplan zijn de regels van het vastgestelde omgevingsplan ambtshalve aangepast. De aanpassingen zijn beschreven in de in bijlage 5 opgenomen Nota ambtshalve aanpassingen.

Hoofdstuk 9 Overgangsrecht

Met de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van overgangsrecht. Nadat het plan is vastgesteld door de gemeenteraad en onherroepelijk is geworden treedt het plan direct in werking.

Hoofdstuk 10 Toezicht en handhaving

Met het toezicht op de naleving en de handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wijziging van het omgevingsplan zijn belast: de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 11 Evaluatie

Monitoring en evaluatie zijn belangrijke fundamenten voor wie werkt aan de continue verbetering van de leefomgeving. Monitoringsinformatie helpt om goede besluiten te kunnen nemen over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ambities in de omgevingsvisie werken door in het omgevingsplan, omgevingsprogramma's en de vergunningverlening.