direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Marknesserweg 28 Marknesse
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en beschrijving wijziging

Aan het Marknesserweg 28 te Marknesse is het planologisch toegestaan om de gronden en gebouwen in gebruik te nemen voor maatschappelijke doeleinden waaronder een dierenpension. Op het perceel is een bedrijfswoning aanwezig en meerdere bijgebouwen die in gebruik zijn genomen ten behoeve van het dierenpension.

De initiatiefnemer is voornemens om het perceel aan de Marknesserweg 28 inclusief de bijgebouwen in gebruik te nemen voor reguliere bewoning. Ter plaatse van het plangebied zullen geen maatschappelijke activiteiten meer plaatsvinden.

De huidige woning heeft de aanduiding 'bedrijfswoning'. Het is niet toegestaan om in deze bedrijfswoning te bewonen als de (toekomstige) bewoner geen relatie heeft met de bedrijfsactiviteit die wordt uitgevoerd op het perceel. Door het stoppen van de bedrijfsactiviteit, is het feitelijk planologisch nog steeds niet toegestaan om in de bedrijfswoning te gebruiken voor reguliere bewoning.
In overleg met de gemeente is dan ook besloten om de bestemming 'Maatschappelijk' te laten vervallen en ter plaatse de activiteit 'Wonen' toe te staan.

De ontwikkeling voorziet alleen in een wijziging van de activiteiten. Er is geen sprake van bouwactiviteiten, sloopactiviteiten of andere activiteiten.

1.2 Regeling in (tijdelijk) omgevingsplan

Het omgevingsplan gemeente Noordoostpolder bevat regels in het tijdelijk deel. De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 Omgevingswet):

  • de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder:
    • 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening
    • 2. de volgende verordeningen:
      • a. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
      • b. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;
      • c. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening;
  • de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet;
  • de Bruidsschat.
1.2.1 Geldende bestemmingen

Ter plaatse van het plangebied geldt sinds 1 januari 2024 het 'Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder'. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter hoogte van het voorliggende plangebied de volgende (paraplu)bestemmingsplannen opgenomen, namelijk: Marknesse, Parapluplan parkeren en Paraplubestemmingsplan Wonen. 

1.2.1.1 Marknesse

Dit bestemmingsplan bestemd de gronden aan de Marknesserweg als 'Maatschappelijk'. Deze betreffende gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met als ondergeschikte functie de daarbij behorende horeca. Aanvullend beschikt het plangebied over de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension' waardoor het is toegestaan om een dierenpension uit te baten. Bovendien beschikt het plangebied over de aanduiding 'bedrijfswoning'. Het is daarom toegestaan om te wonen in een bedrijfswoning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0001.png"

Figuur 1.1. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Marknesse' (bron: regels op de kaart)

1.2.1.2 Parapluplan parkeren

Voor het gehele grondgebied binnen de gemeente Noordoostpolder is op 8 juli 2019 het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' vastgesteld. Met het bestemmingsplan zijn de regels op het gebied van parkeren gewijzigd voor alle bestemmingsplannen, die nu onderdeel uitmaken van het omgevingsplan, in de gemeente Noordoostpolder.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden aangetoond dat een ontwikkeling, in de basis, aan de parkeerbehoefte op eigen terrein kan voldoen. In paragraaf 4.4.2.2 (fiets)Parkeerbehoefte wordt aangetoond dat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan.

1.2.1.3 Parapluplan Wonen

Om kamerverhuur te kunnen reguleren is het nodig om het begrip 'Wonen' binnen de verschillende geldende bestemmingsplannen eenduidig te definiëren. Voor de bestemmingsplannen waarin de nadere definiëring ontbrak is op 22 april 2024 het 'Paraplubestemmingsplan Wonen' vastgesteld.

Omdat het wenselijk is de bestaande regels uit dit parapluplan te laten gelden voor deze wijziging van het omgevingsplan zullen de bijbehorende regels van dit plan worden overgenomen.

1.2.2 Verordeningen

Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld.

De gemeente Noordoostpolder heeft een deel van haar verordeningen vertaald naar de Verordening Fysieke Leefomgeving. Deze verordening bevat regels over onder andere wegen en water, erfgoed, monumenten & uiterlijk van bouwwerken, kabels en leidingen enzovoort. De verordening is geraadpleegd en daaruit is gebleken dat de regels niet van invloed zijn op de ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met deze verordening.

1.2.3 Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart

De bodemkwaliteitskaart (ook wel ontgravingskaart genoemd) is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Noordoostpolder heeft een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer.

De bodemfunctieklassenkaart maakt deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. In paragraaf 4.12.2 wordt nader op dit aspect ingegaan. Voor de ontwikkeling geldt dat een wijziging van de bodemklasse niet noodzakelijk is.

1.2.4 Bruidsschat

In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

De bruidsschat is geanalyseerd en daaruit is gebleken dat het plan niet in strijd is met de regels van de bruidsschat.

1.3 Wijziging omgevingsplan

1.3.1 Motivering

Gemeenten kunnen de TAM-IMRO techniek toepassen totdat zij het omgevingsplan-instrument wel op basis van de STOP/TPOD-standaard kunnen publiceren, bekendmaken en beschikbaar stellen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met een TAM-IMRO omgevingsplan wordt gemeenten de mogelijkheid geboden een omgevingsplan op basis van de techniek van de oude Wet ruimtelijke ordening (de RO-Standaarden 2012) te maken.

Technisch blijft een omgevingsplan op basis van TAM-IMRO dan ook een bestemmingsplan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het met IMRO2012 opgestelde omgevingsplan moet, net als andere bestemmingsplannen, uiteindelijk worden verwerkt in het omgevingsplan op basis van de STOP/TPOD standaard. Juridisch gezien is een TAM-IMRO omgevingsplan een volwaardige wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Inhoudelijk moet deze wijziging van het omgevingsplan voldoen aan de eisen vanuit de Omgevingswet.

Voor de uitgebreide motivering wordt verwezen naar de hoofdstukken 3 voor beleid en 4 voor de milieutoetsing.

1.3.2 Vereiste participatie

De initiatiefnemer verzorgd zelf de participatie en dit verslag wordt later toegevoegd aan de motivering. In hoofdstuk 8 Participatie en keten is een beschrijving opgenomen van de uitgevoerd participatie.

1.4 Leeswijzer

De motivering is als volgt opgebouwd:

  • Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven opgevolgd door een beschrijving van de gewenste situatie.
  • In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder beschreven en getoetst.
  • In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue en worden deze getoetst.
  • In hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat de gewenste ontwikkeling voldoet aan de vereiste van een 'evenredige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)'.
  • Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten van het plan.
  • In hoofdstuk 7 wordt de financiële haalbaarheid aangetoond.
  • Hoofdstuk 8 geeft een beschrijving van de van toepassing zijnde vorm van participatie.
  • Hoofdstuk 9 Overgangsrecht

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

2.1 Bestaande activiteiten (huidige situatie)

Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Marknesse. De functionele structuur van de directe omgeving kenmerkt zich voornamelijk door woonfuncties en een groene structuur.

Aan de zuidzijde van het plangebied zijn woningen gelegen en het plangebied zelf wordt omringt door groen. Ten noorden van het plangebied is de Marknesserweg gesitueerd en aan der overzijde van deze weg zijn twee agrarische bedrijven gesitueerd.

Het plangebied zelf bestaat uit een bedrijfswoning en meerdere aaneengebouwde bijgebouwen. In deze bijgebouwen is het dierenpension gevestigd. Tussen de woning en de bijgebouwen is het erf gesitueerd met meerdere parkeerplaatsen. Het perceel wordt vanaf de Marknesserweg ontsloten.

Achter de parkeerplaatsen zijn meerdere rennen aanwezig voor de opvang van honden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0002.png"

Figuur 2.1: ligging plangebied (bron: pdok)

2.2 Beoogde situatie

De ontwikkeling voorziet enkel in een wijziging van het gebruik van de gronden. Met voorliggend wijziging omgevingsplan komt de maatschappelijke activiteit ter vervallen en wordt de activiteit 'Wonen' toegestaan. De bedrijfswoning wordt met voorliggende wijziging daarom een reguliere woning.

De ontwikkeling voorziet niet in sloopwerkzaamheden of bouwwerkzaamheden.

Hoofdstuk 3 Beleid

De ontwikkeling is getoetst aan het beleid en de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AmvB's, de provincie in de omgevingsverordening en aan het gemeentelijke beleid. De toetsing is in dit hoofdstuk beschreven. Ook is beschreven welke instructieregel overgenomen en/of uitgewerkt wordt in het omgevingsplan.

3.1 Rijksbeleid en (instructie)regels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan NOVI

Het betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling waarbij sprake is van het vervallen van de maatschappelijke activiteit en de activiteit wonen wordt toegestaan. Vanwege het aard en de omvang van de ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat het plan geen rijksbelangen raakt.

Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen niet in strijd is met de NOVI.

3.1.2 Instructieregels Rijk (Amvb's)

3.1.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving

In het besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en de decentrale overheden, waaronder de gemeente in het omgevingsplan.
In het Bkl worden in hoofdstuk 5 instructieregels gegeven aan de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt getoetst aan de instructieregels uit het Bkl wanneer deze relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling.

Per aspect vindt in Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving de toetsing plaats.

3.1.2.2 Dienstenrichtlijn

In het omgevingsplan staan regels over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Zo kunnen ook bij de beoordeling of een brancheringsregeling voldoet aan de vereisten uit de Dienstenrichtlijn meer motieven dan sec de ruimtelijke afweging een rol spelen. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel en horeca.
Voor een nadere uitleg over de werking van de Dienstenrichtlijn wordt verwezen naar de Handreiking Dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening, opgesteld voor de Retailagenda.

Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a Het begrip 'dienst' moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn. Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking.

Iedere verplichting, verbod, voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn. De beperkingen aan het vrij verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen of het instellen van een vergunningsstelsel, is alleen gerechtvaardigd als die voldoen aan:

  • het verbod van discriminatie. De eisen mogen geen direct of indirect onderscheid maken naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats;
  • de voorwaarde van noodzakelijkheid. De eisen moeten gerechtvaardigd zijn vanwege dwingende redenen van algemeen belang;
  • de voorwaarde van evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, ze mogen niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel kan niet met minder vergaande beperkingen bereikt worden.

Toetsing aan de Dienstenrichtlijn

Met voorliggende ontwikkeling wordt de activiteit 'wonen' toegestaan. Het plan bevat geen regels in de vorm van een verplichting, verbod, voorwaarde of beperking aan het uitvoeren van dienstenactiviteiten. Derhalve is nadere toetsing niet noodzakelijk en is het plan niet in strijd met de Dienstenrichtlijn.

3.1.3 Overige relevant rijksbeleid

3.1.3.1 Aanwijzing als wederopbouw gebied

De gemeente Noordoostpolder is een van de 30 wederopbouwgebieden van nationaal belang. Het beleidsdocument Noordoostpolder - 'Toonbeeld van de wederopbouw' is opgesteld naar aanleiding van het deelprogramma Wederopbouw van de visie Erfgoed en ruimte en is een nadere uitwerking van de kernkwaliteiten zoals genoemd in de Visie Erfgoed en Ruimte van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De kernkwaliteiten van het landelijk gebied van de Noordoostpolder zijn;

  • grootschalige droogmakerij met verspreide, rationeel geordende agrarische bebouwing en erven;
  • ring van dorpen rond de hoofdkern Emmeloord;
  • functioneel patroon van wegen en waterwegen met bijbehorende beplantingsprofielen.

Toetsing aan de aanwijzing als wederopbouw gebied

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in het wijzigen van het gebruik van de gronden waardoor de activiteit 'Wonen' wordt toegestaan. De fysieke bebouwing en structuren blijven ongewijzigd met het wijziging omgevingsplan, waardoor de ontwikkeling geen kenkwaliteiten aantast.

3.1.3.2 Unesco werelderfgoed Schokland

In de Noordoostpolder ligt het voormalige eiland Schokland. Een UNESCO Werelderfgoed locatie met archeologische rijksmonumenten die het verhaal van 10.000 jaar bewoning en het leven met water vertellen.

Toetsing aan Unesco werelderfgoed Schokland
Het plangebied is geen onderdeel van het voormalig eiland Schokland. Om deze reden wordt er niet getoetst aan dit beleid.

3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

In deze paragraaf 3.1 komt naar voren dat het initiatief passend volgens de uitgangspunten van het relevante rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid en (instructie)regels

De provincie Flevoland heeft een Omgevingsvisie (zie paragraaf 3.2.1) en een Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) vastgesteld.

In de motivering van het plan wordt aangegeven welke onderdelen van de Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening van toepassing en of het plan binnen de kaders van de provincie Flevoland past.

3.2.1 Omgevingsvisie
3.2.1.1 Algemeen

De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven:

  • Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving);
  • Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving);
  • Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).

Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven:

  • Duurzame Energie;
  • Regionale Kracht;
  • Circulaire Economie;
  • Landbouw: Meerdere Smaken.

3.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan provinciale omgevingsvisie

Het betreft een zeer kleinschalige ontwikkeling die voorziet in een wijzing van een maatschappelijke functie naar een woonfunctie. Gezien het karakter van de ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat het geen belangen raakt zoals opgenomen in de Omgevingsvisie FlevolandStraks.

3.2.2 Omgevingsverordening

Elke provincie moet een Omgevingsverordening vaststellen waarin zij instructieregels opnemen voor andere bestuursorganen. In de omgevingsverordening staan de regels hoe de provincie Flevoland omgaat met de fysieke leefomgeving. Het zijn de regels die gaan over onder andere (vaar)wegen, grondwater, watersysteem, zwemwater, stilte, grondwaterbeschermingsgebieden, natuur, ontgrondingen, borden in het landelijk gebied, duurzame energie, geitenhouderijen en schaliegas.

3.2.2.1 Toetsing van het initiatief aan de provinciale omgevingsverordening

In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels.

In dit hoofdstuk wordt aangetoond op welke wijze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt voldaan aan de relevante instructieregels van de provincie Flevoland.

3.2.3 Flevolandse Woonagenda
3.2.3.1 Algemeen

Provinciale Staten stelde deze woonagenda vast op woensdag 13 oktober 2021. De Flevolandse Woonagenda moet er aan bijdragen dat er meer balans komt op de woningmarkt binnen Flevoland. Het gaat om méér dan alleen goede woningen. Het gaat ook om wonen op een plek van waaruit je makkelijk je werk, scholen en andere voorzieningen kunt bereiken, maar ook een mooie (natuurlijke) omgeving.

In de Flevolandse woonagenda beschrijft de provincie actiepunten die hieraan bijdragen. Gelet op deze lokale verantwoordelijkheid heeft de provincie Flevoland deze woonagenda samen met de gemeenten opgesteld.

De ambitie van de provincie is het realiseren van een volwaardige kwalitatieve ontwikkeling van het wonen in Flevoland. Hierbij richt de provincie zich op:

  • aandacht geven aan de (ruimtelijke en sociale) kwaliteit van bestaande woongebieden;
  • inzetten op een goed en volwaardig woonklimaat om een bredere groep aan Flevoland te binden;
  • kansen bieden aan Flevolandse woningzoekenden door meer variatie in woonaanbod.

3.2.3.2 Toetsing aan de Flevolandse Woonagenda

Voorliggend wijziging omgevingsplan voorziet in het mogelijk maken van de activiteit 'Wonen' en hierdoor komt de oorspronkelijke bestemming 'Maatschappelijk' te vervallen. Dit houdt ook in dat de bestaande bedrijfswoning een reguliere woning wordt. Voorliggend plan maakt geen andere wijzigingen mogelijk. Met de ontwikkeling neemt het aantal woningen niet toe en daarom is het plan niet in strijd met Flevolandse Woonagenda.

3.2.4 Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Geconcludeerd kan worden dat planvoornemen in lijn is met het relevante provinciale beleid. In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt nader aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan de diverse instructieregels.

3.3 Regionaal beleid

De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld.

3.3.1 Regionale woondeal ZUND-gemeenten

Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het Nationale programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (middenhuur waarvan 50.000 door woningcorporaties, en koopwoningen onder de 355.000 euro) nodig. Gemeenten, provincies en Rijk maken samen afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen.

De nationale opgave is vastgesteld in de Nationale Woon en Bouw Agenda en de onderliggende programma’s en is uitgewerkt in wederkerige bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau (zie paragraaf 3.2.3) en op regionaal niveau tussen de gemeente ZUND-gemeenten (Zeewolde, Urk, Noordoostpolder en Dronten) in deze woondeal.

Toetsing aan de Regionale woondeal ZUND-gemeenten

Voorliggend wijziging omgevingsplan voorziet in het mogelijk maken van de activiteit 'Wonen' en hierdoor komt de oorspronkelijke bestemming 'Maatschappelijk' te vervallen. Dit houdt ook in dat de bestaande bedrijfswoning een reguliere woning wordt. Voorliggend plan maakt geen andere wijzigingen mogelijk. Met de ontwikkeling neemt het aantal woningen niet toe en daarom is het plan niet in strijd met de Regionale woondeal ZUND-gemeenten.

3.3.2 Conclusie toetsing initiatief aan het regionale beleid

De voorliggende ontwikkeling is in lijn met het relevante regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid en regels

3.4.1 Omgevingsvisie

3.4.1.1 Algemeen

De omgevingsvisie is de routekaart naar de toekomst van Noordoostpolder, tot stand gekomen samen met inwoners die op verschillende manieren participeerden.

De doelen tot 2050 staan beschreven in de 3 kernopgaven;

  • 1. groei en bloei van dorpen en wijken;
  • 2. vitaal landelijk gebied;
  • 3. aantrekkelijke regio.

3.4.1.2 Ambities

Kernopgave 1: Groei en bloei van dorpen en wijken

De sociale kracht is van oorsprong sterk in de Noordoostpolder. Tegelijkertijd is er een woningbehoefte, staan voorzieningen onder druk en moeten er blijvend worden gewerkt aan kansengelijkheid en perspectief voor alle inwoners. Hierom wordt ingezet op de menselijke maat: nieuwe woonbuurtjes, die zorgen voor versterking van bestaande en nieuwe voorzieningen, prettige omgangsvormen en individuele ontplooiing.

Kernopgave 2: Vitaal landelijk gebied

De Noordoostpolder heeft van meet af aan ten dienste gestaan van de landbouw- en voedselproductie in de regio en het land. Tegelijkertijd spelen uitdagingen zoals bodemdaling, stikstofopgave en duurzame energieopwekking. hierom wordt ruimte geboden voor (agrarisch) ondernemen, passend bij een goed en duurzaam woon- en leefklimaat, een gezond bodem- en watersysteem, een vitaalkrachtige natuur, het kenmerkende landschap en een aantrekkelijk recreatie- en toerismeaanbod.

Kernopgave 3: Aantrekkelijke regio.
De Noordoostpolder biedt veel. Voor huidige en toekomstige inwoners, voor ondernemers, voor bezoekers. Hierom wordt er gewerkt aan het bieden van voorwaarden en voorzieningen om een aantrekkelijke, toekomstbestendige en unieke regio te zijn.

3.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

Met voorliggende ontwikkeling wordt het mogelijk maakt om voor een toekomstige bewoner te gaan wonen op het perceel aan de Marknesserweg 28. Het meewerken aan voorliggende ontwikkeling draagt bij de opgave om een aantrekkelijke regio te zijn voor toekomstige bewoners.

3.4.2 Woonvisie Gemeente Noordoostpolder 2020: Kansen grijpen

3.4.2.1 Algemeen

De gemeenteraad heeft in 2020 een nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie heeft als subtitel “kansen grijpen” en dat is precies wat de gemeente wil gaan doen. De gemeente wil aan de huidige behoeften kunnen voldoen en tegelijkertijd inspelen op de toekomst. Dat betekent dat de gemeente inspeelt op de markt en ruimte bieden voor experimenten en nieuwe woonvormen. Dit draagt bij aan de variatie in het woonaanbod, waardoor Noordoostpolder voor meer mensen aantrekkelijker wordt.

Kwantitatieve behoefte

Uitgangspunt voor de programmering is de bevolkingsprognose van de gemeente. Tegelijk is het beeld dat de groei hoger uit kan vallen. De ambitie van de gemeente is dan ook om aan die grotere behoefte te voldoen. Dat betekent dat er een flexibele programmering is, waarbij een jaarlijkse bijstelling van prognose en planning nodig is. Het doel is om meerjarig te voldoen aan de kwantitatieve behoefte die wordt afgeleid van de huishoudensprognose. Dat betekent dat er de komende 10 jaar in ieder geval de ruimte is om 1.000 woningen toe te voegen.

Dat aantal staat los van de intentie van de provincie Flevoland om in het kader van het project “Flevoland bouwt voor Nederland” in de provincie tot 2050 100.000 woningen extra te bouwen. Het is van belang zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de provinciale vraag te voldoen. Er zijn geen harde cijfers per kern om zo de programmering flexibel te houden en in te kunnen spelen op de behoefte.

Kwalitatieve behoefte

De kwalitatieve woningprogrammering kent drie invalshoeken:

  • 1. de vraag en tekorten van vandaag;
  • 2. de behoefte van morgen;
  • 3. zelfstandige kwaliteitsdoelstellingen.

Bij het bouwen van nieuwe woningen wordt gekeken naar inbreidingsmogelijkheden, transformatie van bestaand vastgoed en uitbreiding.

De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Een dergelijk programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen.

Betaalbaarheid

De basisstrategie is, om door middel van het stimuleren van doorstroming, de betaalbare woningen in de voorraad beschikbaar te krijgen voor de groepen die daaraan behoefte hebben. Bijvoorbeeld door het toevoegen van seniorenwoningen waardoor betaalbare woningen in de bestaande voorraad beschikbaar komen.

Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten er andere maatregelen genomen worden om woningen beschikbaar te krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan een middenhuurprogramma of levensloopgeschikte woningen maken van woningen die nu voor starters zijn.

Daarnaast is het doel om voor de groepen die tussen de sociale huurmarkt en de koopmarkt vallen, te komen tot een nieuw middenhuurprogramma.

Duurzaamheid

Landelijk doel is om in 2050 een energie neutrale woningvoorraad te hebben. De gemeente heeft daarbij als subdoelstellingen de betaalbaarheid van het wonen én de kwaliteit van de bestaande voorraad. Vooral in de goedkopere delen van de koopvoorraad ligt hier een belangrijke opgave.

De komende jaren moet op gebiedsniveau invulling worden gegeven aan deze doelstelling. Vooruitlopend daarop is het doel te leren van experimenten en met die experimenten ook draagvlak onder de bevolking te creëren.

Bijzonder aandachtspunt is dat de verwachting dat op het moment dat de strategie voor de energietransitie in een afrondende fase komt daar de nieuwe opgave van de circulaire transitie overheen komt. De oplossingen voor de energietransitie kunnen strijdig zijn met die van circulair bouwen. Parallel zijn er ook de opgaven van de klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het doel is om tijdig met de nieuwe opgaven rekening te houden in het formuleren van de strategieën.

3.4.2.2 Toetsing initiatief aan de Woonvisie Gemeente Noordoostpolder 2020: Kansen grijpen

Voorliggende ontwikkeling voorziet in een wijziging van het gebruik van de gronden waardoor een bedrijfswoning een reguliere woning wordt. Het aantal woningen zal niet toenemen. Daarnaast zal het plan geen invloed hebben op het aspect 'betaalbaarheid' en 'duurzaamheid'.

Hiermee kan worden geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

3.4.3 Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken
3.4.3.1 Algemeen

De gemeente Noordoostpolder kiest voor het verminderen van eisen voor het uiterlijk van bouwwerken. Hoewel hierdoor bestuurlijk minder wordt gestuurd op esthetische kwaliteiten van bebouwing, is flankerend beleid nodig. De gemeente Noordoostpolder wil met de Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken sturen op het behoud en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.

De beleidsregel geldt voor de hele Noordoostpolder, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Daarnaast geldt voor sommige gebieden een beeldkwaliteitsplan, waarin eisen zijn gesteld voor het uiterlijk van bouwwerken in dat specifieke gebied, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Het kan zijn dat een toets aan uiterlijk van de bouwwerken noodzakelijk is of advies op beeldkwaliteit.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen die niet gelegen zijn in de aanwezen gebieden, maar die wel een grote impact hebben op de omgeving kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan vaststellen voor dat gebied. Nu de gemeente voor grote gebieden geen specifieke regels stelt, zoals in het buitengebied, ligt het voor de hand dat het voorschrijven van een beeldkwaliteitsplan terughoudend wordt ingezet. Een beeldkwaliteitsplan kan worden ingezet bij in- en uitbreidingslocaties en entreegebieden.

3.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken

De ontwikkeling voorziet niet in het mogelijk maken van het wijzigen van de bestaande bouwwerken. Derhalve heeft de ontwikkeling geen invloed op de ruimtelijke kwaliteit en is nadere toetsing aan de 'Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken' niet relevant.

3.4.4 Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder
3.4.4.1 Algemeen

In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder.

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).

Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018.

Een gemeente kan een ontheffing verlenen, waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas.

3.4.4.2 Toetsing aan de duurzaamheidsvisie Noordoostpolder

Voorliggend plan voorziet niet in het wijzigen van de bestaande bebouwing, maar alleen in een wijziging van functies. Derhalve is nadere toetsing aan de 'Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder' niet relevant.

3.4.5 Nota Parkeernormen 2016

Bij de ontwikkeling dienen de parkeernormen, zoals opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen 2016’, in acht te worden genomen. Parkeergelegenheid op eigen terrein, zoals opritten en garages, telt daarbij gedeeltelijk mee bij het parkeeraanbod. Ook hiervoor wordt verwezen naar de 'Nota Parkeernormen 2016'.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Noordoostpolder waarin het Parapluplan Parkeren is opgenomen dient getoetst te worden aan dit parapluplan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de normen die zijn opgenomen in de 'Nota Parkeernormen 2016'.

Een plan dient in beginsel op eigen terrein aan de parkeerplaatsverplichting te voldoen. In de ‘Nota Parkeernormen 2016’ is aangeven dat de gemeente Noordoostpolder qua stedelijkheidsgraad in de categorie ‘matig stedelijk’ valt. De hoogte van de parkeernorm wordt bepaald door te kijken naar de zone van een gebied. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Marknesse en valt daarom in de categorie 'Overige Kernen'.

In paragraaf 4.4 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren wordt inhoudelijk ingegaan op dit aspect. Er wordt geconcludeerd dan wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

3.4.6 Verordening fysieke leefomgeving (VFL)

In 2023 is door de raad een Verordening fysieke leefomgeving (VFL) vastgesteld voor de onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen. Deze blijft in de periode tot en met 2032 naast het omgevingsplan gelden. De regels uit de VFL worden na 2032 als wijziging van het omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied opgenomen in het omgevingsplan.

In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Noordoostpolder, aangezien het plan niet leidt tot fysieke gevolgen voor de leefomgeving.

Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

De volgende thema's komen aan bod:

  • Ladder voor duurzame verstedelijking
  • gezondheid (paragraaf 4.2);
  • water (paragraaf 4.3);
  • verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren (paragraaf 4.4);
  • geluid (paragraaf 4.5)
  • luchtkwaliteit (paragraaf 4.6);
  • geur (paragraaf 4.7);
  • gewasbeschermingsmiddelen (paragraaf 4.8;
  • trilling (paragraaf 4.9);
  • omgevingsveiligheid (paragraaf 4.10);
  • hinder wind, licht en (slag)schaduw (paragraaf 4.11);
  • bodem (paragraaf 4.12);
  • archeologie, cultuurhistorie en erfgoed (paragraaf 4.13);
  • flora en Fauna (waaronder stikstof) (paragraaf 4.14);
  • duurzaamheid en Klimaatadaptatie (paragraaf 4.15);
  • milieueffectrapportage (paragraaf 4.16).

Omgevingswaarden 

Per thema wordt ook ingegaan op eventuele omgevingswaarden. Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:

  • de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats;
  • de toelaatbare belasting door activiteiten;
  • de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.

Instructieregels

Voor meerdere thema's gelden instructieregels die opgenomen zijn in het Bkl. Naast deze instructieregels zijn ook de provinciale instructieregels van belang. De instructieregels van het Bkl zijn opgenomen in het algemene toetsingskader, onder het kopje 'algemeen'. Voor bepaalde aspecten zijn provinciale instructieregels van toepassing. Deze hebben een eigen subparagraaf per aspect.

4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.1.1 Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

4.1.2 Situatie plangebied

De ontwikkeling maakt een functiewijziging mogelijk waardoor het mogelijk is om de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen voor reguliere bewoning. Met de ontwikkeling neemt het aantal woningen niet toe. Gesteld wordt dat het plan niet ladderplichtig is.

4.1.3 Conclusie

Het aspect duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk.

4.2 Gezondheid

4.2.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten komen in de hiernavolgende paragrafen aan de orde.

Het is wenselijk om naast de beoordeling van de diverse milieuaspecten ook aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigen van het omgevingsplan is meegenomen.

Provinciale instructieregels

De provincie Flevoland heeft in artikel 17.1 regels opgenomen met het oog op het verbieden van nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen om daarmee gezondheidseffecten in de omgeving te voorkomen.

4.2.2 Situatie plangebied

Gezondheidsbescherming (milieu hygiënische situatie)

Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het om de aspecten geluid, luchtkwaliteit, geur, spuitzones, trilling, omgevingsveiligheid, hinder wind, licht en slagschaduw en bodem. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat binnen het plangebied geen sprake is van significante (negatieve) milieueffecten voor de gezondheid.

Met voorliggende ontwikkeling vervalt de maatschappelijke functie en dus het hondenpension. Door het vervallen van de bedrijfsmatige activiteiten vervalt ook de milieuhinder van dit bedrijf. De nieuwe functie, wonen, is geen activiteit die leidt tot hinder op de omgeving. Gesteld wordt dat de nabije omgeving minder hinder zal ondervinden van het plan en het plan draagt daarom op een positieve manier bij aan de gezondheid.

Bovendien is het plan niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening, aangezien de ontwikkeling geen geitenhouderij mogelijk maakt.

4.2.3 Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels en/of het beleid. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk.

4.3 Water

4.3.1 Algemeen

De watertoets dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, is onder de Omgevingswet bekend als 'Weging van het waterbelang'. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.

Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure 'geen waterschapsbelang' kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De 'korte procedure' is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De 'normale procedure' is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding.
Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig.

4.3.2 Waterschapsverordening

De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Op 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland in werking getreden.

De regels in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en
  • d. het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk.
4.3.3 Provinciale omgevingsverordening

De provincie heeft regels opgenomen in hoofdstuk 4 voor grondwaterbeschermingsgebieden. De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

4.3.4 Situatie plangebied

De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van een functiewijziging van 'maatschappelijk' naar 'wonen'. Aangezien het enkel gaat om een functiewijziging, waarbij geen wijzigingen plaatsvinden ten aanzien van de aanwezige verharding en de waterstructuur in het plangebied, kan worden uitgesloten dat het plan nadelige effecten heeft op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

Voor het plan geldt de procedure geen waterschapsbelang.

Het is daarom ook uitgesloten dat het plan in strijd is met de Waterschapsverordening en de Provinciale omgevingsverordening.

4.3.5 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels en/of het beleid. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk.

4.4 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.4.1 Algemeen

Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied.

Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.

Het relevante gemeentelijke beleid voor dit omgevingsaspect bestaat uit de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2016, zoals beschreven in paragraaf 3.4.5 en opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen. Deze parkeernota is juridisch geborgd in het 'Parapluplan parkeren' en dit parapluplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Noordoostpolder. In 4.4.2.2 wordt het planvoornemen getoetst aan de nota.

4.4.2 Situatie plangebied
4.4.2.1 Verkeersgeneratie en ontsluiting

De ontwikkeling maakt de nieuwe activiteit 'Wonen' mogelijk en daardoor vervalt de maatschappelijke functie en dus ook het hondenpension. Door het verdwijnen van het hondenpension, verdwijnt ook de verkeersgeneratie van deze functie.

In de huidige situatie is een bedrijfswoning aanwezig en dit wordt omgezet naar een reguliere woning. Hierdoor zal per saldo het aantal verkeersbewegingen niet toenemen vanwege deze woning.

Gezien het feit dat de bedrijfsactiviteiten komen te vervallen, kan worden gesteld dat de verkeersgeneratie afneemt als gevolg van de ontwikkeling.

4.4.2.2 (fiets)Parkeerbehoefte

De bedrijfswoning wordt een reguliere woning. Als gevolg van de ontwikkeling zal voor deze woning de parkeerbehoefte niet toenemen.

Zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.1, verdwijnen de bedrijfsactiviteiten ter plaatse als gevolg van voorliggend plan en wordt de activiteit 'Wonen' toegestaan. Hierdoor verdwijnt ook de parkeerbehoefte van het hondenpension. Geconcludeerd wordt dat daarom de parkeerbehoefte afneemt in de toekomstige situatie.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'verkeersgeneratie, - afwikkeling en (fietsparkeren) is voldoende geborgd in het planvoornemen. Uit de toetsing is gebleken dat het plan niet in strijd is met de (instructie)regels en het beleid. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.5 Geluid

4.5.1 Algemeen

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.

Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Provinciale instructieregels

De provincie Flevoland heeft alleen instructieregels met betrekking tot geluid voor aangewezen stiltegebieden.

4.5.2 Situatie plangebied

Geluid door activiteiten

In de nabije omgeving zijn geen activiteiten gesitueerd die geluid produceren

Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen aan de Marknesserweg. Dit is een asfaltweg waar een maximumsnelheid geldt van 80 km per uur. De afstand van de weg tot aan de gevel van de woning bedraagt 27 meter. Het betreft een bestaande bedrijfswoning wat een reguliere woning wordt. Er zijn geen verbouwplannen bekend. Gezien de afstand van de woning tot aan de weg en het feit dat het nu al planologisch toegestaan is dient de wegbeheerder (de provincie) reeds rekening te houden met deze woning. De provincie geeft aan dat de bestaande geluidbelasting op de gevel hoger dan 60 dB Lden bedraagd.

Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is beoordeeld wat de huidige geluidbelasting op de gevel van de woning is. De geluidbelasting bedraagd 61 dB Lden. Op basis van de vrije veldberekening die gemaakt is (inclusief 2 dB aftrek conform artikel 110g Wgh) wordt zowel de voorkeusgrenswaarde als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 53 dB overschreden. In figuur 4.1 is een uitsnede van het model opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0003.png"

Figuur 4.1 uitsnede geluidmodel

Volgens het Bbl geldt in het geval van een bestaand gebouw voor de benodigde gevelwering het van rechtens verkregen niveau (het beschermingsniveau dat gold op het eerste moment dat er een bouwvergunning is afgegeven). Vanwege de oorspronkelijke functie van de bedrijfswoning betekent volgens het maatwerkvoorschrift over artikel 5.23, eerste lid onder b, dat de waarde tot ten hoogste 38 dB mag worden versoepeld. Versoepelen naar 38 dB is mogelijk indien het treffen van voorzieningen stuit op technische of financiële bezwaren. In dat laatste geval dient de karakteristieke geluidwering ten minste GA;k = 63-38 = 25 dB te bedragen voor de aan de wegzijde gesitueerde gevel.

In de regels van het omgevingsplan wordt de maximale geluidbelasting van 61 dB op de gevel van de woning vastgelegd.

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied en daarom is nadere toetsing aan de provinciale instructieregels voor dit aspect niet van toepassing.

4.5.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' is voldoende geborgd in het planvoornemen. Uit de toetsing is gebleken dat het plan niet in strijd is met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.6 Luchtkwaliteit

4.6.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

In deze paragraaf wordt beschreven welk effect de voorgenomen ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Provinciale instructieregels

In de omgevingsverordening zijn voor luchtkwaliteit instructieregels opgenomen voor ontgassing in de binnenvaart.

4.6.2 Situatie plangebied

De gemeente Noordoostpolder is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) volgens het Bkl. Conform artikel 5.51 Bkl geldt geen verplichting om onderzoek te doen of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

De ontwikkeling leidt bovendien niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse, gezien het gaat om een wijzig van het gebruik van de gronden naar de functie 'Wonen'. Deze wijziging draagt niet bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.

Provinciale instructieregels

Voorliggende ontwikkeling maakt geen ontgassing in de binnenvaart mogelijk. De provinciale instructieregels zijn niet van toepassing voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' is voldoende geborgd in het planvoornemen. Uit de toetsing is gebleken dat het plan niet in strijd is met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.7 Geur

4.7.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen.

Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.

De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals onder andere het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

In subparagraaf 22.3.6.2 van het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over;

  • geurnormen in het omgevingsplan;
  • rekenen;
  • afstandseisen (bebouwingscontour geur);
  • randvoorwaarden.

Geurgevoelige gebouwen

In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
4.7.2 Situatie plangebied

Het plan voorziet in een wijziging van het gebruik van de gronden en maakt de activiteit 'Wonen' mogelijk. Volgens artikel 5.91 lid a van het Bkl is een woonfunctie een geurgevoelig gebouw.

Aan de overzijde van de Marknesserweg zijn twee agrarische bedrijven gesitueerd. Dit betreffen bedrijven die niet vallen in de categorie 'geitenhouderij' of onder 'intensieve veehouderij'. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde stal bedraagt 65 meter. Deze bedrijven liggen op een dusdanige afstand van het plangebied, dat geurhinder kan worden uitgesloten.

4.7.3 Conclusie

Het aspect 'geur' is voldoende geborgd in het planvoornemen. Uit de toetsing is gebleken dat het plan niet in strijd is met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.8 Gewasbeschermingsmiddelen

4.8.1 Algemeen

De Noordoostpolder is bij uitstek een akkerbouwgebied. Dit betekent dat er op akkers fruitteelt, sierteelt en reguliere akkerbouw plaatsvindt. Bij het toevoegen van gevoelige functies in de nabijheid van akkers is aandacht nodig voor de mogelijke invloed van gewasbeschermingsmiddelen op de gezondheid. In dit kader worden woningen, tuinen en alle andere functies waar langdurig mensen kunnen verblijven aangemerkt als gevoelige functies.

De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen vindt meestal plaats door te spuiten. Bij dit spuiten raakt een gedeelte van de gewasbeschermingsmiddelen verneveld (kleine druppeltje). Dit noemen we drift. Langdurige blootstelling aan drift moet gelet op de volksgezondheid en het voorzorgsbeginsel zoveel als mogelijk worden vermeden.

Er zijn geen wettelijke regels voor de afstand tussen de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast worden en gevoelige functies. Wel zijn er regels die bepalen welke gewasbeschermingsmiddelen zijn toegestaan, hoe de gewasbeschermingsmiddelen moeten worden toegepast en regels die bepalen op welke afstand tot watergangen gespoten mag worden. Vanuit het voorzorgsbeginsel zoals opgenomen in de omgevingswet moet in het kader van gezondheid bij het inzichtelijk maken van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ondanks het ontbreken van wettelijke regels, weldegelijk aandacht zijn voor de invloed van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige functies. In de rechtsspraak is een vaste lijn ontwikkeld die uitgaat van een richtafstand van 50 meter. Op een grotere afstand kan aangenomen worden dat er geen gevaarlijke blootstelling aan drift is. Van de richtafstand kan aan de hand van locatiespecifiek onderzoek gemotiveerd worden afgeweken.

De gemeente Noordoostpolder kiest in situaties waar een kortere afstand dan 50 meter tussen akkers en een locatie waar een nieuwe gevoelige functie wordt toegestaan voor een twee-sporen-oplossing. Dit doen we in de eerste plaats om de gezondheid van de gebruikers van de nieuwe gevoelige functie in voldoende mate te garanderen en in de tweede plaats om de naburige agrariërs niet onevenredig te beperken in hun bedrijfsvoering. In het landelijk gebied van de Noordoostpolder is in het omgevingsplan grondgebonden agrarische bedrijvigheid toegestaan. Het omgevingsplan grijpt hiervoor terug op het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004'. In dit plan is bij recht een breed scala aan teelten toegestaan. Dit is de planologische ruimte waarbij het toestaan van nieuwe functies in beginsel rekening gehouden moet worden. Daar waar nu een gewas staat waarop geen, lichte of weinig gewasbeschermingsmiddelen toegepast worden mag in theorie het volgende jaar ook een meer intensief bespoten gewas geteeld worden.

Bij sierteelt en fruitteelt worden in de praktijk het meeste en het vaakst gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bij fruiteelt wordt daarnaast vaak ook nog vanaf een grotere hoogte of zijwaarts gespoten wordt waardoor er meer kans op drift is. Voor reguliere akkerbouw geldt dat er doorgaans minder en minder vaak gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Bij reguliere akkerbouw en sierteelt worden gewasmiddelen toegepast doormiddel van neerwaarts spuiten.

Locatiespecifiek onderzoek

Afwijken van aandachtsafstanden kan op basis van locatiespecifiek onderzoek naar driftblootstelling. Om een kortere onderlinge afstand tussen teeltpercelen en driftgevoelige functies te rechtvaardigen, dient te worden beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toekenning van functies aan locaties (artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet) waarbij rekening gehouden moet worden met:

  • het belang van het beschermen van de gezondheid in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling (artikel 2.1, lid 4 van de Omgevingswet);
  • het voorkomen van potentiële toekomstige beperkingen voor de omgeving, met name als het gaat om de inzet van gewasbeschermingsmiddelen bij de agrarische exploitatie van gronden.

Drift, gezondheid, aandachtafstanden

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken. Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). Vooralsnog kan ervan worden uitgegaan dat deze rechtspraak ook relevant blijft onder het nieuwe recht.

In deze rechtspraak wordt een aandachtzone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd 'locatiespecifiek onderzoek'.

Een reguliere aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen of aanzienlijk minder sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen).

Onderhavige motivering beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd.

Invulling van de maximale planologische mogelijkheden

Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat, waaronder ook de invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, te worden uitgegaan van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt. Enkel bij wijze van uitzondering kan worden uitgegaan van een invulling die niet de maximale planologische situatie vertegenwoordigt.

Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de bestemde teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies.

Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn).

Locatiespecificiteit

In deze context is de vraag in welke zin sprake dient te zijn van een locatiespecifiek onderzoek. Aangezien moet worden uitgegaan van een maximale invulling van de planologische situatie, zal immers sprake zijn van een abstractie van de feitelijk aanwezige situatie. Niet de actuele teelten van de betrokken eigenaar/gebruiker en de gewasbeschermingsmiddelen die daarbij worden gebruikt zijn relevant, maar de teelten, middelen en spuitmethoden die maximaal zijn vanuit een oogpunt van het gebruik van gewasbescherming (spuithoogte, spuitfrequentie e.d.).

Op dit vlak geldt uiteraard ook dat de regelgeving omtrent toepassing van gewasbescherming landelijk geldt en dus niet locatiespecifiek is. Consequentie hiervan is dat zowel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en toegelaten spuitapparatuur een algemene grootheid vormen. Er mogen per slot van rekening alleen toegelaten middelen worden gebruikt welke enkel mogen worden aangebracht met spuitapparatuur die voldoet aan de voorgeschreven technische eisen.

Ook de beoogde ontwikkeling zal vanuit de abstractie van de maximale planologische mogelijkheden moeten worden beschouwd.

Locatiespecifieke aspecten hebben kortom betrekking op aspecten:

  • De planologie als zodanig;
  • Grondsoort, wateraspecten en teelten op relevante percelen en in de verdere omgeving;
  • Vorm, afmetingen en onderlinge situering gewaspercelen en driftgevoelige functie(s);
  • Lokale windomstandigheden.

Uiteraard zullen ook te treffen voorzorgmaatregelen locatiespecifiek zijn.

4.8.2 Situatie plangebied
4.8.2.1 Locatie en omgeving plangebied
4.8.2.1.1 Bestaande situatie

Nabij Marknesserweg 28 heeft in de afgelopen 10 jaar, op minder dan 50 meter van beoogde gevoelige functies, alleen reguliere akkerbouw plaatsgevonden. Er heeft geen sierteelt of fruitteelt plaatsgevonden. Dit is vastgesteld aan de hand van de kaarten 'Gewaspercelen' beschikbaar op ESRI Nederland. Deze kaarten zijn gevuld met gegevens uit de Basisregistratie percelen (BRP) en geven per jaar het geteelde gewas per landbouwperceel weer.

Gedurende de participatie heeft de aan de overzijde van de weg actieve agrariër echter aangegeven niet beperkt te willen in zijn mogelijkheden om dit op termijn toch sierteelt te gaan doen. Daarom is in de analyse rondom het aspect gewasbeschermingsmiddelen wel rekening gehouden met de mogelijkheid om sierteelt uit te oefenen. In figuur 4.2 is met een rode lijn de rand van de betreffende akker aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0004.png"

Figuur 4.2

4.8.2.1.2 Beoogde situatie

Met voorliggend plan wordt een functieverandering van maatschappelijk naar reguliere bewoning toegestaan. In oorspronkelijke bedrijfswoning wordt reguliere bewoning toegestaan.

De woning ligt in de zone op minder dan 50 meter van de akkers waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen worden. De kortste afstand van deze woningen tot de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen worden zijn respectievelijk is ca. 47 meter. Bepalend is echter niet de afstand van de akker tot de gevel van de woning maar van de gevoelige functie (waar langdurige blootstelling aan drift plaats kan vinden) tot aan de plek waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen. Er moet dus ook gekeken worden naar de gronden die als tuin gebruikt worden.

Omdat er gevoelige functies mogelijk gemaakt worden op een afstand van minder dan 50 meter is locatiespecifiek onderzoek nodig naar de invloed van de toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen op de nieuwe gevoelige functies.

4.8.2.1.3 Planologie van de omliggende gronden

Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle onder het oude recht in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan.

Er gelden voor het plangebied en de directe omgeving dezelfde planologische regelingen:

  • Paraplubestemmingsplan Wonen - 22 april 2024
  • Parapluplan parkeren - 8 juli 2019
  • Bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' - 29 september 2008
  • Bestemmingsplan 'Marknesse'- 22 maart 2012

Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' bevat de relevante planregeling voor de agrarische gronden aan de overzijde van de weg. Dit plan staat agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf toe. Een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gedefinieerd als een veehouderij-, akkerbouw-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel.

4.8.2.1.4 Agrarisch grondgebruik

Fruitteelt is wel toegestaan maar gelet op de bodemgesteldheid, verdiencapaciteit en de huidige bedrijfsvoering van naastgelegen agrariër dermate onwaarschijnlijk dat de gemeente van mening is dat hier met het vaststellen van de reële maximale planinvulling geen rekening gehouden hoeft te worden. Fruitteelt concentreert zich in de tuindersgebieden rondom Kraggenburg en ten oosten van Marknesse. Het is niet aannemelijk dat er in de nabijheid van Marknesserweg 28 een transformatie plaats zal vinden naar fruitteelt.

In het geval van Marknesserweg 28 is gedurende gesprekken ter voorbereiding van het initiatief niet gebleken van voornemens van de naastgelegen agrariërs om wel fruitteelt te gaan doen. Hij wil de optie voor sierteelt wel graag openhouden. Daarom gaat de gemeente bij de beoordeling van voorliggend initiatief uit van reële maximale planinvulling gebaseerd op neerwaarts spuiten. Dit betreffen uitsluitend teelten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast middels neerwaarts spuiten. Gelet op een en ander kan vanuit het oogpunt van de planologisch maximale situatie rekening gehouden worden met laagblijvende eenjarige teelten.

4.8.2.2 Regelgeving
4.8.2.2.1 Europees beoordelings- en toelatingskader

De toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door de Europese verordeningen 1107/2009/EU, 396/20054/EU, 2017/6255/EU en 1185/20096/EU en 528/2012/EU. In deze context is Verordening 528/2012/EU (hierna ook: de Biocidenverordening) het meest relevant welke aanvullend geldt op verordening 1107/2009/EU. Daarnaast geldt richtlijn 2009/128/EU (sustainable use of pesticides - SUD), welke verder aan de orde komt in paragraaf 4.8.2.2.2.

Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening).

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld. Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.

Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening 528/2012/EU).

Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico's beoordeeld1 , ook gezondheidsrisico's op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening).

Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift.

Dit is anders in de context van planologische besluitvorming, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 4.8.2.1.

4.8.2.2.2 Aanvullende regelgeving

Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen.

Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand).

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op de geldende Nederlandse regelgeving.

Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) en het daarop gebaseerde Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was sprake van aanvullende ecologische bescherming door het aanhouden van zogenaamde teeltvrije zones langs oppervlaktewater. Deze bepalingen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving dat is gebaseerd op de Omgevingswet. Hierbij is evenwel gespecificeerd dat bepaalde bepalingen zijn bedoeld ter bescherming van zowel ecologie als volksgezondheid.

Besluit activiteiten leefomgeving

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken.

In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald.

In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop.

In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.

Op grond van artikel 4.723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast worden.

De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid.

Overig 

Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen2 c.q. een alternatieve bestrijding van plagen), dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. In het kader van deze notitie dient echter het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen3 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden.

Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine).

4.8.2.2.3 Evaluatie en herziening milieuregelgeving

Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 20164 en 20 mei 20205, zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen6 gepaard gaat met risico's voor de menselijke gezondheid, waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 20187 en 20208 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie9, waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM10 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico's wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR11 . Nu in Duitsland ook het Unierecht geldt voor toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, is de situatie in Duitsland representatief te noemen voor Nederland.

De Gezondheidsraad12 komt op basis van internationale epidemiologische literatuur tot de conclusie dat gewasbescherming met chemische middelen gepaard kan gaan met gezondheidsschade bij mensen. In lijn daarmee pleit de Gezondheidsraad ervoor dat beter invulling wordt gegeven aan de eisen op basis van het Unierecht bij toelating en herbeoordeling van middelen. Op dit vlak is relevant dat de gevolgtrekkingen van de Gezondheidsraad onvoldoende zijn toegesneden op de locatiespecifieke omstandigheden in Nederland. Er kan hierbij worden gewezen op de volgende verschillen ten opzichte van de door de Gezondheidsraad aangehaalde internationale studies:

  • Toegelaten middelen;
  • Toepassingsvoorschriften (hoeveelheid en concentratie per behandeling, behandelfrequentie etc.);
  • Wijze van toepassing (zoals met 75% driftreductie, dan wel (worst case) met sproeivliegtuig);
  • Betreding van gewassen (wandelpaden door gewaspercelen, spelende kinderen in gewaspercelen).

Gelet hierop vormt het advies van de Gezondheidsraad goede aanleiding om in Nederlandse context te kiezen voor toepassing van het voorzorgbeginsel in de context van planologische besluitvorming waarbij het aspect driftblootstelling een rol kan spelen. Los hiervan is uiteraard positief indien beter wordt toegezien op naleving van voorschriften bij toelating van middelen, maar het advies vormt geen aanleiding om te concluderen dat in Nederlandse context sprake is van nadelige effecten voor de gezondheid v.w.b. blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.

Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht, mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland. Zoals al gebleken is uit paragraaf 3.1, gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies. Bij toelating van middelen wordt namelijk uitgegaan van een hoog beschermingsniveau, waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden, gekoppeld aan worst-case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t.a.v. extra driftreductie).

Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde 'Green Deal' de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie13 , niet op afstandseisen14 of de genoemde aandachtzone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd.

4.8.2.2.4 Conclusies

Gelet op het voorgaande is sprake van een omvattend wettelijk stelsel voor toelating en herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, met bijbehorende gebruiksvoorschriften en voorzorgen die bij toepassing in acht moeten worden genomen.

In het kader van dat stelsel wordt, zoals ook blijkt uit de aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie15 een open gezondheidsnorm gehanteerd, welke kortom zeer uitdrukkelijk ook rekening houdt met mogelijk nadelige gezondheidseffecten die op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten relevant kunnen worden.

Met andere woorden biedt dit stelsel voldoende basisveiligheid als het gaat om de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

Mate van bescherming

In de Europese verordeningen is geen verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. De Europese milieuregelgeving kent de volgende beschermingscategorieën:

  • Consumenten;
  • Toepassers;
  • Omwonenden (waaronder begrepen passanten e.d.).

Omwonenden worden gelijkelijk beschermd, ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De milieuregelgeving kent geen groepen van mensen aan wie een verminderde bescherming toekomt, maar hanteert enkel het uitgangspunt dat de blootstelling van kwetsbare groepen normbepalend is (artikel 19, lid 1b onder iii van de Biocidenverordening).

De vraag of omwonenden wonen of werken bij een bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast, dan wel bij een ander bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooien maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben.

Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe, ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.

Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast. Evenmin is kortdurend verblijf noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van verminderde bescherming.

De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen, d.w.z. dat aan één persoon evenveel bescherming toekomt als aan honderd personen.

In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus geen lager beschermingsniveau worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd te worden16 .

Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn, is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is c.q. niet kan worden uitgesloten dat zich veranderingen voordoen qua:

  • de verblijftijd van personen17 ;
  • de verblijfswijze (zoals binnen of buiten);
  • de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving, kinderen e.d.).

Los daarvan volgt uit het voorzorgbeginsel dat bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk moet worden voorkomen dat middel terecht komt op buurpercelen waarop zich andere teelten bevinden. In dezelfde zin dient in principe te worden voorkomen dat middel terecht komt in beschermde natuur.

Mate van kwetsbaarheid – bestaande potentiële beperkingen

In de onderhavige situatie is relevant dat sprake is van een perceel dat thans bestemd is voor agrarische functies, wat concreet in ieder geval de (bestaande) de bestaande bedrijfswoning maar ook het uitoefen van de reguliere bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf betreft. De geldende agrarische bestemming sluit regulier menselijk verblijf niet uit.

De beoogde ontwikkeling brengt in zoverre geen verandering in deze bestaande situatie, aangezien regulier menselijk verblijf binnen 50 meter vanaf de agrarische gronden reeds mogelijk is.

In de bestaande situatie kan het hier ook mensen met een bijzondere kwetsbaarheid betreffen (kinderen, zwangeren, ouden van dagen etc.).

Op dit vlak kan dus worden uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een verdergaande potentiële beperking zal kunnen inhouden aan de exploitatie van aanliggende agrarische gronden.

Overige potentiële beperkingen

De al aanwezige bedrijfswoning op het erf kan dus worden beschouwd als potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Omliggende agrarische bestemmingen dienen echter ook te worden beschouwd als een bestaande potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, nu de gronden ook gebruikt mogen worden voor extensief recreatief medegebruik. Immers uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden dient rekening te worden gehouden met menselijke aanwezigheid op deze gronden. Hierbij kan in aanmerking worden genomen dat recreatief gebruik in de regel overdag en bij droog weer aan de orde zal zijn, dus in de periode waarin ook gewasbescherming zal worden toegepast (er mag niet worden gespoten bij sterke wind, maar toepassing bij regen of op gewas dat nog nat is door dauw of regen vindt evenmin bespuiting plaats want dit zal de effectiviteit van de behandeling sterk aantasten omdat middel verdund zal worden en/of zal wegspoelen).

Verder is van belang dat op grond van het voorzorgbeginsel ook naburige agrarische percelen als mogelijke beperking dienen te worden beschouwd bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Immers als spuitmiddel dat wordt toegepast op het ene perceel ook terecht zou komen op een ander gewas op een naburig perceel, dan kan die oogst worst-case worden afgekeurd voor menselijke consumptie. Op grond van bijlage 1 artikel 1 onder 3a en 3c van richtlijn 2009/128/EU vormt het voorkomen van het gezondheidsrisico dat kan ontstaan door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen die niet op het doelgewas terecht zijn gekomen een concrete uitwerking van het voorzorgbeginsel, waar bijvoorbeeld ook aandacht voor dient te bestaan in het kader van de vakbekwaamheidseisen die gelden om gewasbescherming te mogen toepassen (artikel 5 van genoemde richtlijn jo. artikel 17, lid 1 onder c van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden).

Dit betekent dat, uitgaande van de bestemde mogelijkheden, de ontwikkeling niet zal kunnen leiden tot een toename van mogelijke beperkingen voor omliggende agrarische gronden. Mogelijke beperkingen zijn inherent verbonden met het toepassen van gewasbescherming.

In het navolgende wordt verder ingegaan op het gezondheidsaspect.

Gezondheidscriteria 

De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening), waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid, mogen, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming.

Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd, bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht op landbouwpercelen wonen, zoals geur en/of neerslag van stof (bijvoorbeeld op het wasgoed). Hier zijn geen gevalideerde modellen voor, want bij dat soort risico's speelt het aspect gezondheid geen rol18.

4.8.2.3 Beoordeling gezondheidsaspecten
4.8.2.3.1 Verspreidings- en blootstellingsmodellen

Uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt, dat voorhanden modellen waarmee blootstelling aan drift kan worden geprognosticeerd, niet worden geaccepteerd voor planologische besluitvorming. Gewezen kan worden op de zaak Houten19 , welke betrekking had op het zogenaamde PRI model. Verder kan worden gewezen op de uitspraak Asdonkterrein Beuningen20 over het zogenaamde EFSA-OPEX model. In andere uitspraken is bevestigd dat het PRI model en het EFSA-OPEX model in het kader van planologische besluitvorming niet worden geaccepteerd.

Gelet hierop zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren.

4.8.2.3.2 Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling

Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd.

In een uitspraak van de Afdeling21 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in een situatie dat een agrarisch perceel22 zal grenzen aan een perceel met een gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden. Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd23.

De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd24. Ook in een uitspraak van 19 maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd25.

In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. Het plaatsen, onderhoud en instandhouding dient ruimtelijk te worden verzekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan.

In een andere uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag, maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte erfafscheiding kan bieden26 . In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek), dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing, dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen. Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden.

 

In de context van de geldende regelgeving dient verder te worden afgewogen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door voor bestaande functies heel andere gezondheidscriteria te hanteren dan voor nieuwe functies en of het niet nemen van een planologisch besluit tot een evenwichtiger toedeling kan leiden dan het wel nemen van dat besluit27.

4.8.2.3.3 Aandachtzones

Zoals aangegeven in paragraaf 4.8.1 hanteert de Afdeling rechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 200228 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de 'Handreiking bestemmingsplannen' uit 1996)29 .

Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c.q. het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen.

Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden.

In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse gewasbehandelingen, kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt, is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling30. Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d.w.z. afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtafstand en niet als normafstand.

4.8.2.3.4 Conclusies

Gelet op paragraaf 4.8.2.2 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt niet accepteert. In het kader van planologische besluitvorming worden aanvullende maatregelen geëist, onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving en/of uitspraken van de civiele rechter.

Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende maatregel. Tot slot is gebleken dat de Afdeling akkoord is gegaan met afscherming over een kortere afstand (bijvoorbeeld alleen de gedeelde perceelgrens met een gewasperceel), zodat de 50 meter niet kan worden geïnterpreteerd als afschermingsafstand of normafstand.

4.8.2.4 Omgevingsaspecten
4.8.2.4.1 Relevante teelsituaties

Zoals beschreven in paragraaf 4.8.2.1.1 is sprake van aangrenzende agrarische gronden waar rekening gehouden wordt met eenjarige laagblijvende teelten.

Bij laagblijvende teelten is sprake van neerwaarts spuiten. Bij neerwaarts spuiten is sprake van relatief gering risico op verspreiding van druppeldrift. Dit vanwege de lagere spuithoogten, waardoor wind minder snel vat op de druppels zal kunnen krijgen, en het feit dat laagblijvende gewassen minder te behandelen (blad)oppervlak hebben dan opgaande gewassen. Verder wordt met de zwaartekracht meegespoten, in tegenstelling tot zijwaarts en opwaarts spuiten, waarbij om die reden het risico op druppelverspreiding groter is.

Er zit naast de wijze van toepassing ook verschil in de intensiteit van het gebruik van gewasbescherming. Zo hebben aardappelen een aanzienlijk hogere intensiteit dan bijvoorbeeld tarwe31.

4.8.2.4.2 Effect driftreductie

Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht, terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht, botsingen druppels met gewas etc.). Echter uitgaande van de wettelijke 75% driftreductie kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts/zijwaarts spuiten, waarbij extra driftreductie ook betekent dat minder damp- en aerosoldrift zal kunnen ontstaan.

Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden (ook) gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid, zeker vanuit het perspectief van de toepassers–. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aerosolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht en daar onder invloed van zonlicht e.d. afbreken.

4.8.2.4.3 Wind

Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4.723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland, geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen, zelfs als rekening wordt gehouden met de gemiddelde windrichting per seizoen. De positie van een teeltperceel ten opzichte van een gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling.

Hierbij is verder relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden. Bij hogere windsnelheden zal de drift groter zijn, maar zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht.

Zie de afbeeldingen 4.2.1 en 4.2.2, waarbij weerstation Marknesse is aangehouden als meest representatief voor de locatie Marknesserweg 28 eveneens te Marknesse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0005.png"

Afb. 4.2.1: Windroos (bron: KNMI)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0006.png"

Afb. 4.2.2: Gemiddelde windrichting per maand in % tussen 1991 en 2020 (bron: Weerplaza)

4.8.3 Conclusie

Door het aanhouden van extra onderlinge afstand tussen gewaspercelen en driftgevoelige functies invulling worden gegeven aan het voorzorgbeginsel. Zoals aangegeven wordt door de Europese Commissie gedacht aan een onderlinge afstand van 3 meter tussen gewaspercelen en driftgevoelige functies32 .

Op basis van uitsluitend de juridische uitgangspunten waarop de 50 meter aandachtzone is gebaseerd (dus zonder gebruikmaking van wetenschappelijke gegevens welke de Afdeling heeft afgekeurd voor gebruik in planologische context) kan op dit vlak worden evenwel uitgegaan van een veiligheidsafstand van 25 meter voor scenario's waarin sprake is van teelt in boomgaarden en 12,5 meter in geval van teelten waar uitsluitend sprake zal zijn van neerwaarts spuiten.

Verwezen wordt naar paragraaf 4.8.2.3.3. Het aanhouden van deze afstanden, die zijn geëxtrapoleerd uit de eigen jurisprudentie van de Afdeling, kan in relatie tot de afstand die de Europese Commissie al als veilig beschouwd dus als alleszins worst-case worden beschouwd.

Gelet op bovenstaande kan in voorliggend geval waarbij uitgegaan wordt van neerwaarts spuiten bij teelten anders dan sierteelt en fruitteelt gemotiveerd afgeweken worden van de in de rechtspraak aangehouden 'aandachtsafstand' van 50 meter. Op grond van de redenering omschreven in paragraaf 4.8.2.3.3 kan in plaats daarvan een afstand van 12,5 meter aangehouden worden. De verkeersfunctie ten noorden van het perceel Marknesserweg 28 is ca. 25 meter breed. Er kan dus ruimschoots aan de afstand van 12,5m voldaan worden. Zelfs indien de naastgelegen agrariër op termijn fruitteelt wenst toen dan is dat op basis van bovenstaande motivering gewoon mogelijk. Door de verplichte toepassing van driftreductie is het goede woon- en leefklimaat op het gehele perceel Marknesserweg 28 voldoende veiliggesteld.

Daarmee is de evenwichtige toedeling van functies voor het aspect gewasbeschermingsmiddelen voldoende aangetoond. Ook worden de naastgelegen agrariërs niet onevenredig beperkt in hun bedrijfsvoering. Met deze wijze van regelen wordt aan hen planologisch gezien geen extra beperkingen opgelegd ten opzichte van de huidige situatie.

Initiatiefnemer is voornemens om de oorspronkelijke bedrijfswoning als burgerwoning te gaan gebruiken. Feitelijk veranderd de situatie dus niet ten opzichte van wat er nu al zonder nadere afweging is toegestaan. Ter plaatse is immers al de huisvesting van één huishouden toegestaan. Het onthouden van medewerking aan het initiatief zou ofwel betekenen dat er zonder nadere afweging een gelijk samengesteld huishouden zou kunnen gaan wonen ten dienste van een maatschappelijke functie dat zonder aanvullende maatregelen blootgesteld kan worden aan gewasbeschermingsmiddelen. Een andere mogelijkheid is leegstand. De gemeente weegt dit mee in de belangenafweging.

4.9 Trilling

4.9.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden.

  • 1. Toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie.
    In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
  • 2. Toevoeging van een trillinggevoelig gebouw.
    De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Wat is een trillinggevoelig gebouw?

Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Weg- en spoorverkeer

Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen

Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Hiervoor gelden geen instructieregels van het Rijk.

4.9.2 Situatie plangebied

Woningen worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen, zoals spoorlijnen of bedrijfsmatige activiteiten. De enige bron van mogelijke trillingen is de Marknesserweg. De afstand van de Marknesserweg tot aan de woning is dusdanig groot dat trilhinder door wegen kan worden uitgesloten.

Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen. De omgeving zal daarom geen trilhinder ervaren door de beoogde ontwikkeling.

4.9.3 Conclusie

Het aspect 'trillingen' is voldoende geborgd in het planvoornemen. Uit de toetsing is gebleken dat het plan niet in strijd is met de (instructie)regels en het beleid. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.10 Omgevingsveiligheid

4.10.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises.

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl)

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Naast door het werken met, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de Veiligheidsregio's zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen:

  • bluswater en bereikbaarheid;
  • natuurbranden;
  • windturbines;
  • overstroming en klimaatadaptatie;
  • evenementen;
  • het gebruik van gebouwen;
  • rookoverlast.

Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand- of explosieaandachtsgebieden.

4.10.2 Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.1 is de veiligheidskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0007.png"

Figuur 4.1. Uitsnede veiligheidskaart met het plangebied (paarse ster) (bron: Atlas leefomgeving).

Uit voorgaande figuur blijkt dat het plangebied zich bevindt in een explosieaandachtsgebied. Dit komt door twee opslagtanks voor propaan/propeen.

Met de ontwikkeling komt de mogelijkheid tot het uitbaten van bedrijfsmatige activiteiten die vallen in de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Maatschappelijk' te vervallen. Dit houdt in dat het aantal personen hierdoor zal afnemen ter plaatse van het plangebied en hierdoor verlaagt het groepsrisico ter plaatse. Met de wijziging van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is sprake van een kwetsbaar object. Ten aanzien van kwetsbare objecten gelden vaste afstanden naar propaantanks en vulpunten, conform het Bkl. Voor de propaantanks gelden een afstand van 30 en 20 meter. Aan deze afstanden wordt voldaan. Tenslotte is op 60 meter van het projectgebied een ondergrondse brandkraan aanwezig, met voldoende bluswatercapaciteit, de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de mogelijkheid voor vluchten vanaf de risicobron, is voldoende geeft de brandweer aan.

Bovendien blijft het voor de toekomstige bewoners mogelijk om weg te vluchten van de bron door gebruik te maken van bospad ten zuiden van het plangebied. Daarnaast is het in de huidige situatie ook al toegestaan om te mogen wonen in een bedrijfswoning. Het explosieaandachtsgebied zal daarom niet tot een knelpunt leiden.

Ontplofbare Oorlogsresten

Naast de Atlas Leefomgeving is ook de provinciale Flevoland Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten geraadpleegd, zie figuur 4.2. Hieruit blijkt dat het plangebied is aangewezen als een onverdacht gebied, hier zijn geen of onvoldoende aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hier hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor grondroerende werkzaamheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0008.png" Fig uur 4.2. Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten (plangebied aangegeven met zwarte ster) (bron: Provincie Flevoland).

Overig

Naast externe veiligheidsrisico dient ook rekening gehouden te worden met risico's van branden, rampen en crises. Ter plaatse van het projectgebied is geen verhoogde kans op branden. Op basis van de atlas leefomgeving is de kans op een overstroming waarbij wordt uitgegaan van een middelgrote kans met een maximale waterdiepte geen sprake van overstroombare grond. Het plangebied ervaart daarom geen wateroverlast bij eventuele overstromingen met dit uitgangspunt.

4.10.3 Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming/in strijd met instructieregels voor (externe) veiligheid omdat het projectgebied niet in een aandachtsgebied ligt, geen risicobronnen mogelijk worden gemaakt en de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied voldoende is. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

4.11 Hinder wind, licht en (slag)schaduw

4.11.1 Windhinder

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen en de directe omgeving. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

4.11.2 Lichthinder

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

4.11.2.1 Kassen

In artikel 3.205 Besluit activiteiten leefomgeving wordt het telen van gewassen in kassen aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarbij moet voldaan worden aan de regels die zijn gesteld in paragraaf 4.75 over assimilatiebelichting.

In paragraaf 4.75 geeft artikel 4.790 (lichthinder) voorschriften voor het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas. Het voorschrift is hieronder opgenomen. Dit voorschrift is overeenkomstig artikel 3.56 t/m 3.59 van het Activiteitenbesluit, welke inmiddels is vervallen. Dit voorschrift heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden opgenomen in het omgevingsplan.

4.11.2.2 Sportvelden

In de Bruidsschat is artikel 22.239 opgenomen ter voorkomen van lichthinder door sportvelden. Dit is overeenkomstig artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. De gemeente kan voor het begrip lichthinder de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) gebruiken en op basis daarvan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld hoe sportverlichting moet worden uitgevoerd. Wanneer er nu geen problemen zijn ten aanzien van lichthinder, wordt geadviseerd voorlopig alleen de basisregel op te nemen.

4.11.3 Slagschaduw

Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.

4.11.4 Situatie plangebied

In de nabijheid van het plangebied zijn geen kassen en sportvelden gelegen. Bovendien maakt de ontwikkeling een functiewijziging mogelijk van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. De activiteit 'Wonen' is geen activiteit die leidt tot lichthinder is daarom lichthinder uitgesloten.

De ontwikkeling voorziet bovendien niet in de aanleg van hoogbouw en is ook niet gelegen in de buurt van hoogbouw. Windhinder en slagschaduw kan daarom worden uitgesloten.

Wat betreft slagschaduw geldt dat in de nabije omgeving geen windturbines zijn gesitueerd. Slagschaduw kan daarom worden uitgesloten.

4.11.5 Conclusie

Windhinder, lichthinder en (slag)schaduw vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.12 Bodem

4.12.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden:

  • landbouw/natuur;
  • wonen;
  • industrie.

De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn;
  • op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde;
  • op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn;
  • op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

Bodemgevoelig gebouw

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

4.12.2 Situatie plangebied

De bodemfunctieklasse is 'Landbouw/natuur'. Voor deze klasse gelden hogere interventiewaarden dan voor wonen. Als gevolg van de ontwikkeling is het niet noodzakelijk om de bodemklasse te wijzigen.

In het plangebied is in 1993 een verkennend bodemonderzoek NVN 5740 uitgevoerd. In bijlage 2 is het bodemonderzoek bijgevoegd. Uit de conclusies van het onderzoek blijk dat in de puinhoudende bovengrond lichte verhogingen zijn aangetroffen voor zink en PAK. In het voorliggend geval wordt een bestaande bedrijfswoning een reguliere woning er'vinden geen bodemingrepen plaats.

4.12.3 Conclusie

Bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.

4.13 Archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed

4.13.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.


Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.


Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.


Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.

Archeologie

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.


Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

4.13.2 Situatie plangebied

4.13.2.1 Archeologie

Op basis van de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een verwachtingswaarde van 'WA - 8'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer grondroerende werkzaamheden worden verricht vanaf 10.000 m2 en een diepte van 100 cm.

De voorliggende ontwikkeling maakt een functiewijziging naar 'Wonen' mogelijk. Het plan voorziet niet in grondroerende activiteiten, waardoor aantasting van archeologische waarden is uitgesloten.

4.13.2.2 Cultuurhistorie en cultureel erfgoed

Op basis van cultuurhistorische waardenkaart Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder', blijkt dat zich binnen het plangebied geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden bevinden (zie figuur 4.3). Aan de overzijde van de Marknesserweg, buiten het plangebied, is er pas sprake van een cultuurhistorische aanduiding 'Openheid'. Gebieden met deze waarde kenmerken zich door grootschalige open ruimten en vrije uitzichten tot aan de horizon waarin weinig verticale elementen zoals boerderijen, bossen en wegbeplanting voorkomen. Openheid van het landschap is karakteristiek voor grote delen van de provincie Flevoland. Dit gaat met name om de gebieden die gelegen zijn in het landelijk gebied. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom waar geen sprake is van openheid. De ontwikkeling tast daarom geen cultuurhistorische waarden aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0009.png"

Figuur 4.3. Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland (bron: provincie Flevoland).

4.13.3 Conclusie

Het aspect archeologie, cultuurhistorie en cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels en/of het gemeentelijke beleid. Bovendien is het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opnemen van regels niet noodzakelijk.

4.14 Natuur

4.14.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

4.14.2 Gebiedsbescherming
4.14.2.1 Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

4.14.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

In artikel 15.5 van de provinciale verordening Flevoland zijn regels opgenomen die relevant zijn ter bescherming van het NNN wanneer een omgevingsplan wordt vastgesteld.

Artikel 15.15

Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland:

  • a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied,
  • b. maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruitgang van de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.
4.14.3 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in

Afdeling 16.2.2 'Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild'. Hierin bestaat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit geldt.

4.14.4 Situatie plangebied

Het plangebied ligt in binnenstedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 650 meter van het plangebied (zie figuur 4.4). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, De Wieden, bedraagt bijna 6,2 kilometer. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Dit in verband met het feit dat alleen een functieverandering naar wonen wordt mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0010.png"

Figuur 4.4. Uitsnede kaart met plangebied (blauwe pin) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: atlasleefomgeving.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0171.TAM0754-VS01_0011.png"

Figuur 4.5. Uitsnede kaart met plangebied (blauwe pin) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)

Gebiedsbescherming: stikstof

Met de ontwikkeling worden geen sloopactiviteiten of bouwactiviteiten verricht. Er is dus geen sprake van een sloopfase en aanlegfase.

De ontwikkeling voorziet in een functiewijziging waarbij de maatschappelijke activiteit, waaronder het dierenpension, plaatsmaakt voor de functie 'Wonen'. In de toekomstige situatie is het daardoor niet meer toegestaan om maatschappelijke bedrijfsactiviteiten te verrichten. Zoals beschreven in paragraaf 4.4.2.1 zal hierdoor de verkeersgeneratie afnemen, wat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie in de exploitatiefase. Daarom is ervoor gekozen geen stikstofberekening op te stellen, aangezien kan worden gesteld dat de ontwikkeling niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie.

Soortenbescherming

Voorliggende ontwikkeling maakt een functiewijziging mogelijk. Het bouwen van nieuwe bouwwerken en het slopen van bestaande bouwwerken wordt niet mogelijk gemaakt met voorliggend plan. Het is hierdoor uitgesloten dat voorliggend plan kan leiden tot nadelige effecten op beschermde flora en fauna.

4.14.5 Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opnemen van aanvullende regels in niet noodzakelijk.

4.15 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.15.1 Algemeen

Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, klimaatadaptatie en herbruikbaarheid.

Duurzaamheid

Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van wijziging omgevingsplan rekening moet worden gehouden. In artikel 22.52 van het omgevingsplan gemeente Noordoostpolder zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.

Klimaatadaptatie

Een ander doel van de Omgevingswet is onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p van de Omgevingswet).

4.15.2 Situatie plangebied

Voorliggend plan voorziet in een functiewijziging waarbij de bestaande bebouwing en de gehele inrichting van het plangebied intact blijft. Het plan heeft daarom geen negatieve invloed op het aspect 'duurzaamheid en klimaatadaptatie'.

4.15.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opnemen van aanvullende regels in niet noodzakelijk.

4.16 Milieueffectrapportage

4.16.1 Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • in kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • in kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).

In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar:

  • 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
  • 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
    • a. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
    • b. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.

Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:

  • 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van:
    • a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten;
    • b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
  • 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
  • 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van:
    • a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en
    • b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
4.16.2 Situatie plangebied

De ontwikkeling maakt een functiewijziging mogelijk naar wonen. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in het Omgevingsbesluit. Het plan is daarom niet mer-(beoordelings)plichtig.

4.16.3 Conclusie

Het aspect 'Milieueffectenrapportage' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg, aangezien het plan niet mer-(beoordelings)plichtig is.

Hoofdstuk 5 Conclusie ETFAL

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.

Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht.

In de ruimtelijke motivering is getoetst aan het relevante beleid (hoofdstuk 3) en de gevolgen voor de leefomgeving (hoofdstuk 4). Hieruit is gebleken dat het plan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het plan niet leidt tot negatieve gevolgen voor de leefomgeving. Voor het aspect bodem kan alleen niet worden geconcludeerd dat het leidt tot negatieve gevolgen. Met uitzondering van het aspect bodem is het treffen van aanvullende maatregelen of het opnemen van regels is niet noodzakelijk gebleken.

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de wijziging van een maatschappelijke functie naar een woonfunctie mogelijk. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe de nieuwe activiteit op de betreffende locatie worden geborgd.

Op grond van deze motivering kan geconcludeerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Wijzigingsplan: Hoe gaan we het regelen

In dit hoofdstuk is de koppeling gemaakt van het beleid en de planuitgangspunten naar de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem van het omgevingsplan, maar ook op de afzonderlijke activiteiten. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen worden gemotiveerd. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.

Met de wijziging vervallen de toegestane maatschappelijke activiteiten waaronder het dierenpension. Op het gehele perceel wordt het planologisch toegestaan om de gronden in gebruik te nemen ten behoeve van de activiteit 'wonen'. Hiertoe dienen aan het erf regels ten behoeve van de activiteit wonen toegekend te worden. De bestaande bebouwing blijft gehandhaafd, waarbij de bestaande bedrijfswoning als woongebouw in gebruik genomen mag worden. De overige gebouwen kunnen uitsluitend als bijgebouwen gebruikt worden. Ook de maximale geluidbelasting van 61 dB op de gevel van de woning vastgelegd.

Ten behoeve van het plan hoeven er geen regels uit de Bruidsschat gewijzigd of geschrapt te worden om het initiatief mogelijk te kunnen maken.

6.1 Uitwerking in de regels

In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder worden opgenomen.

Het volledige erf aan de Marknesserweg 28, in de huidige situatie bestemd als 'Maatschappelijk' met een bebouwingsvlak ter plaatse van het erf, zal worden gewijzigd naar 'Wonen'.

In het bestemmingsplan is een functieaanduiding opgenomen waar een bedrijfswoning is toegestaan. In de bouwregels staat dat daar een bedrijfswoning met een inhoud van max. 600m3 is toegestaan. Deze aanduiding ligt vreemd genoeg op 'de deel' (oorspronkelijke schuurgedeelte) van de Zeeuwse boerderij en niet op de oorspronkelijk bedrijfswoning. Met dit plan wordt dit hersteld en is de inhoud van max. 600m3 overgenomen.

Hoofdstuk 7 Kostenverhaal

In dit hoofdstuk is getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

7.1 Regels kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

Voorliggende ontwikkeling maakt een gebruikswijziging mogelijk. In de Omgevingswet zijn momenteel geen activiteiten aangewezen voor gebruikswijzigingen. Dit houdt in dat voorliggende geen kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk maakt.

De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten om de legeskosten te dekken.

Hoofdstuk 8 Participatie en keten

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject er voor de beoogde ontwikkeling uit ziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd. Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit.

8.1 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

8.1.1 Participatieproces

De gemeente heeft haar participatie vormgegeven door middel van een participatielogboek. De initiatiefnemer heeft met de drie directe omwonenden gesproken over het plan. Het plan is aan hen voorgelegd. Zij kunnen na overleg en aanpassingen in het plan zich erin vinden. De aanpassingen betreft de toepassing van een zone waarop gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgesloten.

8.1.2 Conclusie

Initiatiefnemer heeft participatie gepleegd met omliggende belanghebbenden. 8.2

8.2 Vooroverleg instanties

8.2.1 Het Rijk

De ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Overleg met het rijk is daarom niet aan de orde.

8.2.2 Provincie Flevoland

De provincie Flevoland het een lijst met gevallen van provinciaal belang. In de lijst komt naar voren dat de provincie geïnformeerd wil worden wanneer sprake is van:

  • Ontwikkeling van > 10 woningen binnen bestaand gebied

Onderhavige ontwikkeling ligt in de bebouwde kom van Marknesse en voorziet enkel in een wijziging van het gebruik van de gronden. Met voorliggend wijziging omgevingsplan komt de maatschappelijke activiteit ter vervallen en wordt de activiteit 'Wonen' toegestaan. De bedrijfswoning wordt met voorliggende wijziging daarom een reguliere woning. Binnen het plangebied worden geen extra woningen mogelijk gemaakt en raakt daarmee geen provinciaal belang.

8.2.3 Waterschap Zuiderzeeland

Het waterschap Zuiderzeeland heeft op 18 november 2025 laten weten dat voor het plan geen waterschapsbelang is en dat dit aangevuld dient te worden in paragraaf 4.3.4.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerp omgevingsplan heeft conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegen, zowel elektronisch via de landelijke website (LVBB) als analoog. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.

Ten opzichte van het ontwerp omgevingsplan zijn de regels van het vastgestelde omgevingsplan ambtshalve aangepast. De aanpassingen zijn beschreven in de in bijlage 3 opgenomen Nota ambtshalve aanpassingen.

Hoofdstuk 9 Overgangsrecht

Voor het plan wordt tenslotte overgangsrecht opgenomen zodat de huidige activiteiten van hondenpension kunnen worden afgebouwd. Zonder overgangsrecht mogen de huidige eigenaren bij vaststelling anders per direct geen hondenpension meer uitbaten.