direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j, Buitengebied, Goormatenweg 1 te Overdinkel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0168.TAM22J-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het perceel Goormatenweg 1 in Overdinkel,
gemeente Losser. Ter plaatse is een woning met twee bijgebouwen aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe 'hooischuur' te bouwen die zal gaan dienen als opslagruimte voor onder andere tractoren en werktuigen. Tevens is er een gebouw aanwezig dat gedeeltelijk buiten de woonfunctie valt. Het gebouw is voorheen vergund en conform de vergunning gebouwd. Tot slot is de initiatiefnemer van plan om een nieuw bijgebouw te realiseren ten behoeve van berging en hobbyruimte. De gemeente Losser stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als belangrijke voorwaarde.

Om deze ontwikkelingen te realiseren gaat de initiatiefnemer gebruik maken van de schuur-voor-schuur regeling onder de KGO regeling. Ter compensatie voor de te bouwen gebouwen wordt een schuur gesloopt aan de Drielandweg 3 in Overdinkel. Hiermee worden voldoende sloopmeters verkregen voor de ontwikkelingen op het erf aan de Goormatenweg 1. Daarnaast is een aanpassing van de woonfunctie en het bouwvlak nodig.

Voorliggend TAM-omgevingsplan geeft invulling aan het planologisch mogelijk maken van deze gewenste ontwikkeling.

1.2 Ligging plangebied

Aan de Goormatenweg 1 in Overdinkel (hierna ook 'bouwlocatie' genoemd) woont de initiatiefnemer met zijn gezin. Er is hier sprake van een woonerf ten zuidoosten van Losser. Ten noorden van het plangebied ligt de Dinkel.

De initiatiefnemers hebben hier drie jaar geleden een woning gebouwd met bijgebouwen. Ze hebben het erf landschappelijk ingepast met de aanplant van verschillende bomen en houtopstanden. Het erf ligt in het beekdal van de Dinkel. Om de locatie heen zijn hoogteverschillen te zien die laten zien dat de uitlopers van de stuwwal van De Lutte in de buurt te vinden zijn. Daarnaast bevinden zich dekzandgebieden in de omgeving, die gevormd zijn in de laatste ijstijd.

Aan de Drielandweg 3 in Overdinkel (hierna ook 'slooplocatie' genoemd) is sprake van een agrarisch erf met woning, bijgebouw, en twee schuren. Op deze locatie wordt een schuur gesloopt om sloopmeters te verkrijgen. De agrarische functie blijft behouden. De vrijgekomen sloopmeters kunnen worden ingezet voor de nieuw te bouwen schuur voor opslag van bijvoorbeeld tractoren en machines aan de Goormatenweg via de schuur-voor-schuur regeling. De betreffende schuur aan de Drielandweg is 509 m2, in de plaats hiervoor mag 254,5 m2 terug worden gebouwd.

De plannen passen niet in het omgevingsplan van rechtswege. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader noodzakelijk.

Ligging planlocaties

Een topografische kaart met daarop de deelgebieden rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar in afbeelding 1.1 hieronder en op de digitale verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0001.png"

Afbeelding 1.1: topografische kaart, plangebieden (in rood) in Overdinkel (bron: ArcGIS)

Deellocatie Goormatenweg 1 Overdinkel

Het plangebied ligt aan de Goormatenweg, in het buitengebied van Overdinkel nabij Losser. De dorpskern van Losser ligt ten noorden van de planlocatie, en de kern van Overdinkel ligt ten zuidoosten. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Losser, sectie Q, perceelnummers 736 en 735. Op Afbeelding 1.1 is de betreffende locatie de onderste van de aangegeven locaties. Op afbeelding 1.2 is een luchtfoto weergegeven van de Goormatenweg 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0002.png"

Afbeelding 1.2: recente luchtfoto, plangebied Goormatenweg 1 (bron: KadastraleKaart.com)

Deellocatie Drielandweg 3 Overdinkel

Het plangebied ligt aan de Drielandweg 3 in het buitengebied van Overdinkel. De dorpskern van Losser ligt in het westen, en de dorpskern van Overdinkel ligt in het zuiden. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Losser, sectie Q, perceelnummer 880. Van afbeelding 1.1 is de locatie de bovenste van de aangegeven locaties. Op afbeelding 1.3 is een luchtfoto weergegeven van de Drielandweg 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0003.png"

Afbeelding 1.3: recente luchtfoto, plangebied Drielandweg 3 (bron: KadastraleKaart.com)

1.3 Geldend planologisch regime

Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het Omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Losser. Ter plekke van het plangebied geldt in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 alsmede daarop volgende veegherzieningen. Van rechtswege zijn deze plannen omgezet naar het Omgevingsplan. Onderstaand volgt per locatie een beschrijving van de actuele planologische situatie.

Goormatenweg 1, Overdinkel

Het erf heeft momenteel een functie 'Wonen'. Initiatiefnemer is voornemens om het erf uit te breiden met een bijgebouw voor gebruik als opslag. Rondom het plangebied, alwaar de uitbreiding op gewenst is, zijn agrarische gronden (Agrarisch - 2) aanwezig voor agrarisch gebruik. In onderstaande afbeelding is de huidige (planologische) situatie weergegeven. Het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied is tevens de 'gebiedsaanduiding - essen' en de gebiedsaanduiding: 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' aanwezig.

Het nattere noordwestelijke gebied bevat hiernaast ook de aanduidingen 'Waarde - Natuur en landschap' en 'Waterstaat - waterbergingsgebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0004.png"

Afbeelding 1.4: planologische situatie Goormatenweg 1 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De plannen voor het gebruik van het perceel voor de nieuwbouw van een schuur voor opslag van bijvoorbeeld tractoren en machines is daarmee niet bij recht toegestaan. Dit behoeft een aanpassing van het omgevingsplan. Daarnaast valt het bestaande bijgebouw ook gedeeltelijk buiten het vlak, deze behoeft eveneens een aanpassing. De nieuwe maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is als gevolg van de ontwikkelingen 554 m2, dit is tevens opgenomen in de plankaart.

Drielandweg 3, Overdinkel

Deze locatie is momenteel voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' met bouwvlak en een functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Tevens is er de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Omliggend liggen zijn gronden aanwezig met de aanduiding 'Natuur - Natuur en bos' en 'Verkeer'. Tot slot loopt er een functieaanduiding 'Waarde - archeologie 2' voor een klein gedeelte door het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0005.png"

Afbeelding 1.5: planologische situatie Drielandweg 3 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De resterende oppervlakte aan bijgebouwen moet na inzet van de sloopoppervlakte vastgelegd worden aan de Drielandweg. Dit is een oppervlakte van 630 m2.

Resumerend

De geldende aanduidingen bieden geen mogelijkheid tot de ontwikkeling van de plannen zoals die door initiatiefnemer zijn beoogd. Het woonerf vergt namelijk een uitbreiding zodat de schuur geplaatst kan worden en een bestaand bijgebouw ook binnen het vlak valt aan de Goormatenweg 1. Daarnaast wordt aan de Goormatenweg een voorwaardelijke verplichting en een investering in ruimtelijke kwaliteit geborgd. Een wijziging van het Omgevingsplan is daarom noodzakelijk om de gewenste plannen mogelijk te maken.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j, Buitengebied, Goormatenweg 1 te Overdinkel" bestaat uit de volgende stukken:

  • toelichting;
  • bijlagen bij de toelichting;
  • verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.0168.TAM22J-0401);
  • regels;
  • bijlagen bij de regels.


De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de regels van de diverse functies. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiele uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de voorbereiding van de procedure en participatie beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De plangebieden liggen in het buitengebied van de gemeente Losser, specifiek in het gebied tussen Overdinkel en Losser. Onderstaand volgt per deellocatie een beschrijving van de huidige situatie.

Goormatenweg 1 Overdinkel

De projectlocatie ligt ten zuiden van Losser, net buiten de bebouwde kom. Het gebied hoort bij Overdinkel dat ten zuidoosten van de locatie gelegen is. Het erf is ontsloten op een weg met een snelheidsregime van 60 km/u.

Op de kaart van 1900 is de locatie nog onbebouwd. Het is plangebied is gelegen in het beekdal van de rivier de Dinkel. Ten westen van de locatie bevinden zich essen, houtwallen en dynamisch gesitueerde erven. Ten oosten van de planlocatie ligt een es en daarachter zijn de heidevelden terug te vinden. Rond 1935 is de eerste bebouwing terug te vinden die waarschijnlijk bestaat uit een woning met een bijgebouw. Het landschap aan de oostkant is open en aan de westkant is zijn meer houtopstanden terug te vinden. Tientallen jaren later, rond 1975, is vooral te zien dat de heidegebieden ontgonnen zijn en dat er erven ontstaan langs rechte wegen. Haaks op de wegen zijn houtopstanden te vinden. Ook is het bosje dat aan de Dinkel ligt reeds aanwezig in 1975. Hedendaags is te zien dat met name de bebouwing van Losser en Overdinkel aanzienlijk is toegenomen. De es ten oosten van het erf is nog terug te zien evenals de bebouwing langs de rechte wegen.

Een (recente) weergave van het vogelvluchtperspectief volgt hieronder.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0006.png"

Afbeelding 2.1: Vogelvluchtperspectief huidige situatie Goormatenweg 1, Overdinkel (bron: Streetsmart)

Drielandweg 3 Overdinkel

Aan de Drielandweg 3 in Overdinkel is een agrarisch bedrijf gelegen waar een schuur gesloopt zal worden. Deze schuur wordt ingezet voor de schuur-voor-schuur- regeling. In 2.2 en Bijlage 3 van de planregels is hiervan een situatietekening te vinden. Het bouwblok wordt via het meest recente bestemmingsplan beperkt om geen nieuwe bouwmogelijkheden te kunnen ontplooien. Hieronder is het vogelvluchtperspectief weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0007.png"

Afbeelding 2.2: Vogelvluchtperspectief huidige situatie Drielandweg 3, Overdinkel (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

Goormatenweg 1 Overdinkel

Aan de Goormatenweg 1 in Overdinkel zal in de nieuwe situatie de bestaande structuur van het erf niet veranderen. Het erf is recentelijk landschappelijk op een goede manier ingepast, waarbij er aandacht is voor natuurlijke elementen in het landschap. Een voorbeeld hiervan is het bloemrijk grasland (K) en de houtopstanden (G). De bestaande woning (A) en twee bijgebouwen (B) zullen behouden blijven. De initiatiefnemer wenst een nieuwe schuur te bouwen (C) voor opslag van bijvoorbeeld tractoren en machines, dit zal gebeuren via de schuur voor schuur regeling onder KGO. De schuur zal de uitstraling krijgen van een 'hooischuur' die goed passend is in het oude hoevenlandschap en het omringende essenlandschap. De schuur zal speels georiënteerd zijn binnen het erfensemble. De schuur zal de oprit overbruggen, zodat vanaf de aanrijroute de openheid van het erf versterkt wordt. Ten behoeve van de nieuwe schuur zal één boom (linde) verplaatst moeten worden (L). Daarnaast zullen twee zomereiken worden verplaatst (E) naar de locatie aangegeven met F. De overige, bestaande houtopstanden (G) zullen behouden blijven. Ook heeft de initiatiefnemer de wens om een bijgebouw te realiseren (H).

Om het bijgebouw planologisch mogelijk te maken, wordt het bestaande bouwvlak (J) aangepast in noordwestelijke en zuidwestelijke richting. Door deze aanpassing zal ook de bestaande schuur (noordelijke schuur B) binnen het nieuwe bouwvlak komen te liggen. Ten behoeve van de toegang voor de brandweer wordt er een weg om de schuur aangelegd (Z).

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0008.png"

Afbeelding 2.3: Nieuwe landschappelijke situatie Goormatenweg 1 (bron: N+L Landschapsontwerpers)

Om de schuur te realiseren zal één linde worden geveld (V), om het niet ten koste te laten gaan van de ruimtelijke kwaliteit en deze juist te versterken, worden er meerdere maatregelen getroffen. Onderstaand zijn deze maatregelen samengevat:

  • Nieuw te planten bomengroep (D);
  • Nieuw te planten zomereiken (F);
  • Behoud van bestaande groenstructuren (G en T)
  • Zaaien van bloemrijk grasland (K);
  • Nieuw te planten solitaire boom (L);
  • Te versterken van de laanstructuur (N);
  • Nieuw aan te planten vogelbosje (O);
  • Nieuw aan te planten elzensingel (W);
  • Nieuw te planten walnoten (Y).

Drielandweg 3, Overdinkel

Om bovenstaande plannen te realiseren zal er een schuur worden gesloopt aan de Drielandweg 3 te Overdinkel. Hiermee zullen voldoende sloopmeters worden verkregen voor de realisatie van beide gebouwen. Onderstaand is weergegeven wat de situatie met veranderingen zijn aan de Drielandweg. Het te slopen gebouw is aangegeven met de letter D.

Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken, worden de volgende maatregelen getroffen:

  • Te slopen van een landschapsontsierend gebouw (D);
  • Te behouden groenstructuren (F, G en H);
  • Nieuw aan te planten fruitbomen (J);
  • Nieuw aan te planten solitaire boom (K).

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0009.png"

Afbeelding 2.4: erfsituatie Drielandweg 3 in Overdinkel (bron: N+L Landschapsontwerpers)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Omgevingswet

De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit voor inwoners;
  • Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vergulling van maatschappelijke behoeften.
3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Deze komen voort uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo’n instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels:

  • 1. Regels die in acht moeten worden genomen;
  • 2. Regels waar rekening mee moet worden gehouden;
  • 3. Regels die moeten worden betrokken bij de wijziging.

Hoofdstuk 5 van het Bal bevat onder meer regels ten aanzien van onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten verricht dienen te worden. De betreffende onderzoeken worden in Hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering aangehaald.

3.1.3 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Beoordeling van het plan:

Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Het voornemen voorziet in het bouwen van de schuur die op een passende manier wordt gerealiseerd binnen dit gebied.

Geconstateerd is dat het gewenste gebruik op deze locatie een logische functie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar de erfinrichtingsplannen voor de betrokken locaties en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling.

3.1.4 Instructieregels Rijk (AMvB’s)
3.1.4.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.

In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk.

Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:

  • 1. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte;
  • 2. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan;
  • 3. In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden.

Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:

  • 1. het type instructieregel (zie hierboven);
  • 2. de aard van de norm (open of gesloten); en
  • 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden.

Toetsing

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat onder meer regels ten aanzien van onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten verricht dienen te worden. De betreffende omgevingsaspecten en onderzoeken worden in Hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering aangehaald.

3.1.4.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:

  • het moet de fysieke leefomgeving betreffen;
  • als het al uitputtend geregeld is in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt;
  • de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe - denk aan het hiervoor genoemde onderwerp geluid.

Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.

De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.

Toetsing

In voorliggend plan worden de uitgangspunten van het Bal en Bbl gevolgd. Dit wordt ook nader behandeld in Hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering.

3.1.5 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd:

  • Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Beoordeling van de plannen:

In dit geval wordt gebruik gemaakt voor de schuur voor schuur regeling, waarbij er minder wordt teruggebouwd dan wordt gesloopt. Aan de Drielandweg 3 wordt er 509 m2 gesloopt, hiervoor mag er in de plaats 254,4 m2 terug komen aan de Goormatenweg 1. De Ladder van duurzame verstedelijking geeft dat ontwikkelingen die bebouwing reduceren of verplaatsen in de zin van de Ladder geen stedelijke ontwikkeling zijn. Dit is ook het geval met de voorngenomen ontwikkeling.

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen)
  • 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag)

Doorwerking plan:

Bij het voorliggende plan geldt dat nieuwe ontwikkelingen enkel mogelijk gemaakt worden aan de Goormatenweg 1. De andere betrokken locatie is een locatie waar investeringen in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvinden. Deze ontwikkelingen zijn ten alle tijden passend binnen de perspectieven en voldoen aan de beleidsuitgangspunten. In dat kader wordt in de toetsing enkel de locatie Goormatenweg 1 nader uitgewerkt.

In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant:

  • artikel 4.4 (Principe van concentratie)
  • artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
  • artikel 4.9 (Onderbouwing Ruimtelijke kwaliteit)
  • artikel 4.11 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)
  • artikel 4.55 lid 2 (Nationaal landschap Noordoost-Twente)

Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Hierbij is het belangrijk te vermelden dat deze toetsing enkel wordt verricht voor de ontwikkellocatie aan de Goormatenweg. De overige deelgebieden worden ingebracht als locaties waar extra investeringen worden verricht in het kader van de ruimtelijke kwaliteit. Op deze locaties wordt daarom op voorhand gesteld dat de gevolgen enkel positeve uitwerking hebben en passend zijn binnen de provinciale uitgangspunten.


Artikel 4.4: Principe van concentratie

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Beoordeling van het plan:

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op en nabij een bestaand erf in het buitengebied. Aan de Drielandsweg wordt een schuur gesloopt om de bouw van een hooischuur te realiseren aan de Goormatenweg via de schuur voor schuur regeling. Met de schuur is er ruimte voor opslag van werktuigen waarmee het omliggende landschap kan worden onderhouden. Daarnaast bezit de eigenaar hobbymatig tractoren en wenst de schuur tevens als opslag hiervoor te gebruiken. Daarmee is er sprake van een lokale behoefte omtrent het landschap en persoonlijke wensen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het plan voorziet in een specifieke behoefte van de eigenaren van het erf en maakt gebruik van een bestaande erfstructuur. Hiermee is sprake van een invulling aan het principe van concentratie.

Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 2

Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Beoordeling van het plan:

Het huidige erf betreft het buitengebied. Er is sprake van nieuwbouw op de planlocatie, waarbij er een nieuwe schuur en een bijgebouw wordt gerealiseerd. Om dit te realiseren wordt er op een andere locatie een schuur gesloopt om de bouwmeters te verkrijgen.

Hierom vindt een beperkte uitbreiding plaats direct aansluitend (voorzijde) aan het erf. Op het huidig erf is namelijk de bestaande bebouwing en beschikbare ruimte volledig ingevuld. Daarom is beoogd de extra ruimtebehoefte op het achtererf te realiseren, direct aansluitend op het huidig erf. Daarmee wordt zo min mogelijk groene omgeving ontrokken, doordat in feite alle voorzieningen (ontsluiting, erfverharding) al aanwezig zijn en deze gebruikt kunnen blijven worden.

Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.

Artikel 4.9: Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting bij plannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).

Beoordeling van het plan:

Voor het plangebied is een inpassingsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Het inpassingsplan doet recht aan het voormalig agrarisch karakter van de locatie, waarbij tevens aandacht is voor een goede groene inpassing in de huidige omgeving. Hiermee wordt voldaan aan artikel 4.9. Later in deze paragraaf wordt er ingegaan op de gebiedskenmerken.

Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Plannen voor de Groene Omgeving kunnen - met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Beoordeling van het plan:

In het onderhavig geval betreft een woonerf waarvan de initiatiefnemers deze beperkt wenst uit te breiden. Op basis van het buitengebied beleid van de gemeente Losser is hiervoor een KGO-investering en verantwoording noodzakelijk. Dit is in paragraaf 2.2 omschreven en in de bijlagen 1 t/m 4 nader uitgewerkt. Met inachtneming van deze KGO-verantwoording wordt voldaan aan artikel 4.11.

Artikel 4.55 Nationaal landschap Noordoost-Twente

Lid 1

Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.

Lid 2

De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

  • het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;
  • de grote mate van kleinschaligheid;
  • het groene karakter.


Lid 3

Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.

Beoordeling van het plan:

De plannen van de eigenaren van Goormatenweg 1 en Drielandweg 3 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan de ontwikkeling voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. De voormalige agrarische identiteit van de locatie aan de Goormatenweg wordt hierbij gerespecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen, vergezeld van passend landschappelijke ingrepen. Aan de Drielandweg 3 wordt bebouwing gesloopt, zodat een kleinschaliger (traditioneel meer passend) erfensemble blijft behouden. Bovendien wordt voldaan aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het landschap, mede gelet op de investering in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt.

Ontwikkelingsperspectieven (waar)

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

Voor het voorliggende plan is aan de Goormatenweg 1 het ontwikkelingsperspectief 'Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.

Voor de Drielandweg 3 is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0010.png"

Afbeelding 3.1: ontwikkelingsperspectief, plangebied Goormatenweg 1 is rood aangegeven (bron: overijssel.tercera-ro.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0011.png"

Afbeelding 3.2: ontwikkelingsperspectief, plangebied Drielandweg 3 is rood aangegeven (bron: overijssel.tercera-ro.nl)

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • continu en beleefbaar watersysteem.

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

De ontwikkeling van de woonfunctie aan de Goormatenweg binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk met inachtneming van Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het bouwen van een nieuwe schuur en bijgebouw door middel van het slopen van landschapsontsierende bebouwing aan de Drielandweg is een passende activiteit in het mixlandschap.

Betreft de 'Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland' zijn er gebieden die buiten het natuurnetwerk liggen. In deze gebieden is ruimte voor groen ondernemerschap, voor initiatieven en functies die de economische en maatschappelijke dragers zijn van de kwaliteit van natuur, water en landschap én ruimte voor continuïteit van de aanwezige landbouwfunctie. Initiatieven van bewoners en ondernemers zijn hier leidend: zij zijn eigenaar en vormgever van de omgevingskwaliteit. De na te streven kwaliteitsdoelen voor natuur en water zijn daarbij het uitgangspunt.

Met de betreffende plannen een landschappelijke inpassing uitgewerkt. Zo passen de nieuwe gebouwen binnen de huidige erfopzet en binnen het karakter van de bebouwing in dit gebied. Daarnaast is op het aanliggende veld een bloemrijk grasland gecreërd met incidenteel maaien in wisselende stroken. Hiermee is er aandacht voor beide ontwikkelingsperspectieven van de provincie Overijssel.

De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities.

Gebiedskenmerken (hoe)

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.

De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:

  • 1. Natuurlijke laag.
  • 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap.
  • 3. Stedelijke laag.
  • 4. Laag van de beleving.

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De ’stedelijke laag' kan in dit geval buiten beschouwing blijven, aangezien deze laag geen kenmerk heeft binnen het plangebied. De locatie is volledig gelegen in het buitengebied. De overige lagen worden onderstaand verder uitgewerkt voor de locatie Goormatenweg.

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De planlocaties Goormatenweg en Drielandweg bevinden zich beide in de 'beekdalen en natte laagtes' met de overgang naar het dekzandgebied. Door de jaren heen zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik en weer verminderd door de schaalvergroting van de landbouw. Hoogteverschillen zijn in de omgeving van de Goormatenweg nog duidelijk waar te nemen. Rondom de Drielandweg zijn de hoogteverschillen minder sterk aanwezig vanwege de ligging in het ontginningslandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0012.png"

Afbeelding 3.3: uitsnede kaart natuurlijke laag, locatie Goormatenweg 1 rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0013.png"

Afbeelding 3.4: uitsnede kaart natuurlijke laag, locatie Drielandweg 3 rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)

Beoordeling van de plannen

De initiatiefnemer draagt met de plannen van de Goormatenweg 1 bij aan de kwaliteit van het landschap en de Dinkel. Het reeds gecreërde bloemrijk grasland is hier een voorbeeld van. De kleine omvang van de ontwikkelingen en haar landschappelijke inpassingen hebben geen substantiële negatieve invloed op het landschapsbeeld.

Tevens wordt er aan de Drielandweg een landschapsontsierend gebouw gesloopt, waardoor de kwaliteit van de omgeving verbetert. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de natuurlijke kenmerken.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De planlocatie ligt op de grens van het oude hoevenlandschap (ook wel 'kampenlandschap') en de heide ontginning. Op de planlocatie zijn de kenmerken van het kampenlandschap op kleine schaal duidelijk terug te vinden. De wegen kennen een kronkelig patroon en op het erf zelf zijn zichtbare steilranden terug te vinden. Daarnaast ligt het open landschap met de heide ontginningen. Naast deze openheid is daar ook heel duidelijk de rechtlijnige structuur te vinden in de verkaveling en het wegenpatroon.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0014.png"

Afbeelding 3.5: uitsnede kaart laag van agrarisch cultuurlandschap, locatie Goormatenweg rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0015.png"

Afbeelding 3.6: uitsnede kaart laag van agrarisch cultuurlandschap, locatie Drielandweg rood aangeduid (bron: provincie Overijssel)

Beoordeling van de plannen

Het erf aan de Goormatenweg is opgebouwd passend bij het kampenlandschap. De gebouwen staan in een wat verstrooide opzet bij elkaar. De woning heeft een duidelijke "niendeur" die gericht is naar de achterkant van het erf. Hier zijn ook de schuren gepositioneerd en daar zal ook de nieuwe schuur gerealiseerd worden. De voorkant van de woning is gericht richting het open landschap aan de oostkant. Aan de noordkant is een relatief oude bomenrij te vinden die langs een kamp loopt. Langs de oprit staan ook robuuste bomen, zoals eiken en kastanjes.

Het plangebied van de slooplocatie Drielandweg wordt in de omgevingsvisie geplaatst onder het 'Jong heide- en broekontginningslandschap'. Dit landschap is vanaf de jaren '30 ontgonnen vanwege de uitvinding van kunstmest en verbeterde afwateringstechnieken. Kenmerkend voor het landschap is een rechtlijnige structuur met verspreide erven langs de ontginningswegen; vaak grote open ruimtes, deels omzoomd met boscomplexen; en lanen met lange rechtstanden. Het ontginningslandschap is in de omgeving te herkennen en het erf is rechtlijnig opgezet.

De ontwikkeling van deze erven zal bijdragen aan de herkenning van de landschappen. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat het erf op een juiste manier wordt ingepast.

Laag van de beleving en stedelijke laag

De stedelijke laag en de laag van de beleving is niet van toepassing in dit gebied en wordt derhalve niet verder uitgewerkt.

Conclusie

De in Bijlage 2 en Bijlage 3 van de planregels opgenomen inrichtingsplannen zijn gebaseerd op de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggend plan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Losser

De gemeente Losser beschikt sinds 2023 over een eigen omgevingsvisie. In deze Omgevingsvisie schetst de gemeente Losser een toekomstbeeld. Wat zijn de ambities en hoe ziet de gemeente de leefomgeving in 2040. Welke kansen liggen er? De visie gaat over de lange termijn. In de visie wordt ingegaan op ambities en gebiedskompassen. Hierna wordt op de voor het plangebied relevante ambities en gebiedskompassen ingegaan.

De gemeente heeft de volgende vier ambities geformuleerd:

  • Een herkenbaar en gastvrij Losser;
  • Een leefbaar en gezond Losser;
  • Een toekomstgericht Losser;
  • Een innovatief en ondernemend Losser.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is het aspect bedrijvigheid binnen het tweede en derde thema van belang.

Een leefbaar en gezond Losser

Binnen deze ambitie staan onderwerpen als wonen, zorg, voorzieningen, ontmoeten, onderlinge verbondenheid, (positieve) gezondheid, onderwijs en milieu centraal. Samengevat richt de gemeente zich met deze ambitie richten op:

  • 1. Prettig wonen voor jong en oud,
  • 2. Passende woningen: open voor initiatieven voor vernieuwende woonvormen,
  • 3. Aantrekkelijke en groene centra,
  • 4. Eigen daadkracht van de dorpen en wijken,
  • 5. Gecombineerde voorzieningen,
  • 6. Kwaliteitsimpulsen,
  • 7. Zorgen dat doelgroepen met specifieke zorgbehoefte zo veel mogelijk zelfstandig thuis kunnen wonen, toegankelijkheid,
  • 8. Sociale samenhang, veiligheid en leefbaarheid
  • 9. Gezondheid: stimuleren tot bewegen en ontmoeten
  • 10. Milieukwaliteit

Een toekomstgericht Losser

Binnen deze ambitie gaat het voornamelijk om zaken als duurzaamheid, energie en energieopwek, klimaatadaptatie, de inrichting van het watersysteem, circulariteit, en duurzame mobiliteit.

Zo streeft de gemeente naar energieneutraal zijn in 2040. Vanuit mede klimaatadaptatie gaat de gemeente de omgeving vergroenen, hierbij is het van belang dat het binnen de gebiedstypologie en gebiedskenmerken past. Bovengenoemde aspecten betrekken ze meestal bij nieuwe initiatieven en kunnen ze meegeven als randvoorwaarde.

Gebiedskompas – In het dal van de Dinkel

De gemeente Losser heeft in de omgevingsvisie het buitengebied verdeeld in enkele deelgebieden. Door het vastleggen van gebiedsgerichte waarden maakt de gemeente aan de hand van de gebiedskompassen gerichte keuzes over ontwikkelingen in het buitengebied. Bij ieder gebied is een beschrijving opgenomen van de gewenste koers voor het gebied.

Als belangrijkste waarden van het gebied ‘In het dal van de Dinkel’ worden onder anderen genoemd:

  • Recreatief aantrekkelijk
  • Functie in waterberging
  • Het kleinschalig authentieke kampenlandschap
  • Jonge heideontginningen
  • Waardevol bekenstelsel

Wat betreft de koers en keuzes voor dit deelgebied ziet de gemeente mogelijkheden voor de ontwikkeling van de natuurwaarden, recreatie, wenst de gemeente de bestaande landbouwkundige functie te behouden, evenals de landgoederen.

Ten slotte wordt benoemd dat de focus hier ligt op de natuur en natuurbeleving, en recreatie. Onder recreatie ziet de gemeente kansen voor fiets- en wandelmogelijkheden en meer kleinschalige vormen van (verblijfs)recreatie.

Beoordeling van de plannen:

Volgens het punt jong- en oud prettig wonen binnen de ambitie 'Een leefbaar en gezond Losser' is het in het buitengebied van belang dat de bebouwing passend is in het landschap en natuurwaarden behouden blijven. Met de ontwikkeling is rekening gehouden met landschappelijke waarden, aangezien de schuur op een logische plek op het erf wordt gepositioneerd en een gebiedskenmerkende uitstraling krijgt. Daarnaast schenkt de initatiefnemer aandacht aan de natuurwaarden in het landschap, zo is reeds een bloemrijk grasland gecreeërd op het bijbehorende open veld. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er tevens een kwaliteitsimpuls verricht in de vorm van een schuur-voor-schuur regeling. Op de locatie aan de Drielandweg wordt er een schuur gesloopt, waarvoor een kleinere schuur terug kan komen aan de Goormatenweg. De ontwikkeling past dus binnen de ambitie 'Een leefbaar en gezond Losser'.

Zoals bovenstaand is genoemd, heeft de initatiefnemer zorg voor de natuurwaarden in de omgeving. Er wordt geen afbreuk gedaan aan bestaande waarden. Tevens is er reeds een bloemrijk grasland gerealiseerd, dit draagt bij aan de kwaliteit van het landschap. Er kan dus gesteld worden dat de ontwikkeling tevens past binnen de ambitie 'Een toekomstgericht Losser' en het gebiedskompas 'In het Dal van de Dinkel'.

Het plan is hiermee in overeenstemming hetgeen verwoord is in de Omgevingsvisie Losser 2023-2040.

3.3.2 Welstandsnota

De “Welstandsnota Gemeente Losser” (2013) behandelt het gemeentelijke beleid ten aanzien van het welstandstoezicht in de gemeente. De gemeente heeft de ambitie om meer ruimte te creëren voor burgers die willen bouwen in aansluiting op de toegenomen deregulering. Te veel regels kunnen soms beperken en dragen niet per definitie bij aan goede resultaten. Dit betekent dat de gemeente wil sturen op kwaliteit daar waar het er toe doet, en wil loslaten daar waar dat kan. Op basis van een waardering van de bebouwing in haaromgeving met de daarbij behorende ambitiebepaling is het grondgebied van de gemeente Losser ingedeeld in welstandsvrije gedeeltes in de kernen en twee niveaus van welstand, te weten: niveau 1 en niveau 2.

In de welstandsvrije gebieden geldt geen welstandstoezicht. Het excessenbeleid is in deze gebieden ook niet van toepassing.

In de gebieden met een welstandsniveau 1 geldt een welstandsbeleid dat erop gericht is om de basiskwaliteit van het gebied te behouden. De welstandstoets zal in principe uitgevoerd worden door de gemeenteambtenaar aan de hand van ambtelijke welstandscriteria. Tenzij de plannen een grote impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Dan wordt de toets door de stadsbouwmeester uitgevoerd aan de hand van basiscriteria.

Het welstandsbeleid in de gebieden met een welstandsniveau 2 is gericht op het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteiten. De welstandstoets zal hier uitgevoerd worden door de stadsbouwmeester. De gebiedsindeling van het buitengebied is gemaakt op grond van de structuurvisie van de gemeente Losser (april 2012). Op grond van de gemaakte waardering is aan elk deelgebied een welstandsniveau toegekend. De gemeente Losser maakt onderdeel uit van nationaal landschap Noordoost Twente. Noordoost Twente is een nationaal landschap om de unieke landschapskwaliteiten, bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten in combinatie met cultuurhistorie. Dit is een belangrijke reden waarom voor het buitengebied niet gekozen is voor welstandsvrije gebieden.

Hieronder is in afbeelding 3.7 de welstandswaardering het buitengebied weergegeven, het plangebied is indicatief met de rode omcirkeling aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0016.png"

Afbeelding 3.7: fragment Welstandsnota, locatie rood omcirkeld (bron: gemeente Losser)

Beoordeling van de plannen:

Het plangebied ligt in een gebied dat wordt gewaardeerd als niveau 2. In het beekdal zijn er twee punten van criteria benoemd:

  • Behoud van compacte erven in de hogere delen (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg).
  • Sturen op nieuw- en verbouw passend bij bebouwingskarakteristieken met overwegend traditioneel materiaalgebruik.

De welstandstoets zal hier uitgevoerd worden door de stadsbouwmeester. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen zal het ontwerp aan de geldende welstandscriteria getoetst worden.

Het voorliggende ontwerp is door de gemeente getoetst aan de welstandscriteria. Als gevolg van de gesprekken zijn er een aantal aanpassingen doorgevoerd en is er goedkeuring gegeven aan de plannen. Onderstaand is een verbeelding zichtbaar van de schuur. Het nieuwe karakteristieke bijgebouw sluit aan en past in het besloten erfensemble met de bestaande boerderijwoning en de 2 schuren. De doorrit van de schuur aan het begin van het erf versterkt de beslotenheid van dit erf. De monumentale uitstraling van het gebouw met rode bakstenen in eiken vakwerk, zandstenen plint en rood genuanceerde dakpannen is een aanvulling op de directe omgeving en het typische Twentse landschap. 

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0017.png"

Afbeelding 3.8: Verbeelding van de te realiseren schuur (bron: Erwin Meinders)

3.3.3 Buitengebied met kwaliteit

De gemeente Losser heeft een beleidsnotitie gemaakt voor het buitengebied. Deze beleidsnotitie voorziet in toekomstbestendige beleidsinstrumenten om sloop en hergebruik van voormalige agrarische gebouwen te faciliteren, evenals actualisatie van aanpalend beleid, met als doel de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren.

De beleidsthema’s zoals vervat in de voorliggende beleidsnotitie vertonen een grote mate van samenhang en dienen in meer of mindere mate hetzelfde doel. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende beleidsinstrumenten te vervatten in één integrale beleidsnotitie.

In het geval van de voorgenomen ontwikkelingen is de volgende passage relevant: '4.2 Schuren voor schuren'.

Toelichting

Het komt voor dat bewoners van het buitengebied soms meer bijgebouwen willen realiseren dan het bestemmingsplan toestaat. Bijvoorbeeld ten behoeve van hobbymatige activiteiten en/of opslag van materieel. Deze ontwikkelwensen willen we inzetten om sloop te stimuleren, mits de ontwikkeling passend is/blijft in het buitengebied en op de betreffende locatie.

Erven waar zich ontwikkelkansen voordoen zijn niet altijd de erven waar te slopen (ontsierende) bebouwing staat. Andersom geldt ook: een locatie met ontsierende bebouwing is niet altijd de geschikte plek voor nieuwe bebouwing of nieuwe bedrijvigheid. Om ontwikkelwensen optimaal te verbinden met sloopwensen, gaan wij het onderliggende principe van Rood voor Rood (sloop ten behoeve van extra bouwmogelijkheden) breder toepassen. De slooplocatie hoeft daarbij niet langer de ontwikkellocatie te zijn. We noemen dit de ‘schuur voor schuur-regeling’. Met deze regeling wordt het mogelijk bij woningen in het buitengebied meer bijgebouwen te bouwen dan het meest recente bestemmingsplan nu toelaat, mits (elders) in het buitengebied een veelvoud aan m2 wordt gesloopt. Hierbij geldt een bouw-sloopverhouding van 1:2. We staan extra bouwmogelijkheden toe, maar daar moet twee keer zoveel voor gesloopt worden. Wil iemand 200 m2 extra bouwen, dan zal er elders 400 m2 landschapontsierende bebouwing gesloopt moeten worden.

Toepassing van de schuur voor schuur-regeling is geen automatisme. Met deze regeling ontstaat geen ‘recht’ om op elke plek extra bebouwing op te richten. Er wordt altijd beoordeeld of de nieuwe bebouwing en de activiteit waarvoor wordt gebouwd op het specifieke erf en in het buitengebied in het algemeen passend is (bijvoorbeeld qua landschap of in relatie tot omliggende woningen of bedrijven). Er wordt dus altijd naar het achterliggende doel van de regeling gekeken: de optelsom van sloop en nieuwe bebouwing moet per saldo tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied leiden. Het goed landschappelijk inpassen van de bebouwing is daarbij altijd een voorwaarde. De exacte uitwerking van de beleidsregels is opgenomen in artikel 2.2.

Doel

Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapontsierende bebouwing enerzijds en het voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven voor wat betreft vergroting van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken anderzijds.

Beoordeling van de plannen

Ter compensatie van de sloop van 509 m2 aan bebouwing aan de Drielandsweg 3 mag er een oppervlakte worden teruggebouwd voor 254,5 m2 aan de Goormatenweg 1. Deze bouwoppervlakte wordt optimaal gebruikt voor de nieuwe bebouwing. Het nieuw te bouwen bijgebouw worden landschappelijk ingepast zoals is omschreven in Hoofdstuk 2. Deze landschappelijke inpassing zorgt in het geheel voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Gesteld kan worden dat de ontwikkeling voldoet aan de beleidsnotitie schuren voor schuren.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Besluit milieueffectrapportage

De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure.

Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat eerder nog moest worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie de artt. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen.

Beoordeling van de plannen:

De voorgenomen activiteit voor het uitbreiden van kleinschalige toevoeging op een bestaand erf in het buitengebied staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling.

4.2 Duurzaamheid

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

Beoordeling van de plannen:
De plannen van initiatiefnemer geven invulling aan duurzame ontwikkeling. De schuur-voor-schuur regeling is onderdeel van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast worden de nieuwe gebouwen landschappelijk ingepast met een uiterlijk dat in het gebied past. Dit is nader toegelicht in 3.3.2. Tevens blijft er sprake van een woonfunctie op het erf, dit past binnen de huidige woonbehoefte.

Met de voorgenomen plannen is er invulling gegeven aan duurzame ontwikkeling.

4.3 Milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd in 2024 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een schuur en bijgebouw aan de Goormatenweg 1. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afstand tot omliggende gevoelige objecten, en andersom kunnen omliggende objecten van invloed zijn op de ontwikkeling.

Daarnaast wordt er aan de Drielandweg 3 een landschapsontsierend gebouw gesloopt. Aangezien hier de functie niet verandert, is er voor deze locatie geen sprake van een relevante negatieve verandering omtrent milieuzonering.

Beoordeling van de plannen:

Intern

De schuur ten behoeve van opslag van tractoren en werktuigen, en een klein bijgebouw wordt niet genoemd als milieubelastende activiteit in de handreiking Activiteiten en Milieuzonering van de VNG. Derhalve levert het geen hinder voor omliggende objecten.

Extern

In de omgeving is een hoveniersbedrijf aanwezig in het buitengebied. Volgens de handreiking van VNG geeft een hoveniersbedrijf met een oppervlakte groter dan 500 m2 een prioriteitswaarde van geluid 2, en van geur 1. Overeenkomend met de richtafstand uit de handreiking VNG uit 2009 is dit een afstand van achtereenvolgens 50 en 30 meter. Het bedrijf ligt op ruim 270 meter afstand, het ligt ruim buiten de minimale genoemde afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0018.png"

Afbeelding 4.1: Afstand van planlocatie tot hoveniersbedrijf, planlocatie blauw gemarkeerd (bron: Atlas Leefomgeving)

Daarnaast ligt de locatie dichtbij het bedrijventerrein van Losser. De functieaanduiding van het bedrijventerrein is 'bedrijf tot en met categorie 3.2'. Bedrijven in deze categorie dienen op 100 meter afstand te zijn tot rustig woongebied. De kortste afstand tot de bedrijven is minimaal 150 meter. Het bedrijventerrein vormt geen hinder voor de voorgenomen plannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0019.png"

Afbeelding 4.2: Afstand van planlocatie tot bedrijventerrein, planlocatie blauw gemarkeerd (bron: Atlas Leefomgeving)

Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling omtrent milieuzonering.

4.4 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

  • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Beoordeling van de plannen:

Goormatenweg 1

In dit geval gaat het om een schuur voor opslag en een bijgebouw dat geen verblijfsfunctie bevat. Volgens artikel 5.89 onder g (eerste lid) behoort een gebouw tot een verblijfsfunctie wanneer er elke dag personen minstens 2 uur aaneengesloten aanwezig zijn. Pas wanneer dit het geval is, is er sprake van een bodemgevoelig gebouw en moet er onderzoek worden verricht naar de bodem. Met de voorgenomen plannen is het niet aannemelijk dat hiervan sprake is, dus kan een bodemonderzoek worden uitgesloten.

Op basis van verrichtte onderzoek wordt nader bodemonderzoek voor de planlocaties niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocaties zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

Drielandweg 3

Voor de Drielandweg is er een bodemonderzoek met een asbestinventarisatie uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in Bijlage 2 en Bijlage 3.

Bodem

Op een locatie gelegen aan de Drielandweg 3 te Overdinkel, kadastraal bekend gemeente: Losser, Sectie: Q, nummer(s): 880 op 6 maart 2025 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707 uitgevoerd.

De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Initiatiefnemer is voornemens één varkensschuur te slopen. Onderhavige onderzoekslocatie betreft de te slopen schuur (zie bijlage III).

Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd in het kader van de NEN5740 en de NEN5707.

Verkennend bodemonderzoek NEN5740

Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707.

Gehele locatie

In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen.

In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen.

Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem"

Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen.

Gehele locatie

Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

Het mengmonster MM1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Druppelzone

Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven.

Het mengmonster DZ1 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Algemeen

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden.

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

De boven- en ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur.

Aangezien geen partijkeuring conform het Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden.

Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd.

Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het 'Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)'.

Hoewel het verrichte veld- en laboratoriumonderzoek volgens de geldende normen zijn uitgevoerd, dienen de onderzoeksresultaten met enige voorzichtigheid te worden gehanteerd.

Door de bodem steekproefsgewijs te onderzoeken is ernaar gestreefd om een representatief beeld te krijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het grondwater voorkomen.

Het uitgevoerde onderzoek is verkennend en betreft een momentopname.

Asbest

In opdracht van Dumea AM is door de medewerkers van ACMAA Advies een asbestinventarisatie uitgevoerd betreffende de schuur en het gebied rondom de schuur aan de Drielandweg 3 te Overdinkel. De aanleiding van het onderzoek is totaalsloop van de schuur. Het onderzoek is uitgevoerd op 18 februari 2025 conform de eisen zoals is vastgelegd in het werkveldspecifieke certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie.

Deze rapportage is geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop.

Tijdens de inventarisatie zijn de volgende asbesthoudende toepassingen waargenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0020.png"

Bestaat er een redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen welke alleen middels het uitvoeren van destructieve onderzoekshandelingen in kaart gebracht kunnen worden.

  • nee, er bestaat geen vermeoden tot verborgen asbesthoudende materialen in de constructie van het onderzochte object.

Tijdens dit onderzoek zijn de onderstaande beperkingen vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0021.png"

Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn bevonden voor de voorgenomen sloop aan de Drielandsweg 3.

4.5 Geluid

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Beoordeling van de plannen:

Het projectgebied Goormatenweg 1 is gesitueerd in het buitengebied van Overdinkel. Als gevolg van de plannen wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd. Daarmee is geen sprake van een noodzaak tot beoordeling van de geluidsbelasting als gevolg van weg- of spoorwegverkeer.

In de omgeving is een hoveniersbedrijf aanwezig in het buitengebied. Volgens de handreiking van VNG geeft een hoveniersbedrijf met een oppervlakte groter dan 500 m2 een prioriteitswaarde van geluid 2. Overeenkomend met de richtafstand uit de handreiking VNG uit 2009 is dit een afstand van 50 meter. Het bedrijf ligt op ruim 270 meter afstand, het ligt ruim buiten de minimale genoemde afstand.

Daarnaast ligt de planlocatie dichtbij het bedrijventerrein van Losser. De functieaanduiding van het bedrijventerrein is 'bedrijf tot en met categorie 3.2'. Bedrijven in deze categorie dienen op 100 meter afstand te zijn tot rustig woongebied. De kortste afstand tot de bedrijven is minimaal 150 meter. Het bedrijventerrein vormt geen hinder voor de voorgenomen plannen.

Voor de locatie Drielandweg 3 geldt dat er enkel een gebouw wordt gesloopt. Dit heeft geen invloed op geluidsbelasting.

4.6 Geur

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

Beoordeling van de plannen:

Onderhavige plannen maken een uitbreiding van het erf Goormatenweg 1 in Overdinkel mogelijk. De ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten.

In de omgeving is een hoveniersbedrijf aanwezig in het buitengebied. Volgens de handreiking van VNG geeft een hoveniersbedrijf met een oppervlakte groter dan 500 m2 een prioriteitswaarde van 1 voor geur. Overeenkomend met de richtafstand uit de handreiking VNG uit 2009 is dit een afstand van 30 meter. Het bedrijf ligt op ruim 270 meter afstand, het ligt ruim buiten de minimale genoemde afstand.

Daarnaast ligt de locatie dichtbij het bedrijventerrein van Losser. De functieaanduiding van het bedrijventerrein is 'bedrijf tot en met categorie 3.2'. Bedrijven in deze categorie dienen op 100 meter afstand te zijn tot rustig woongebied. De kortste afstand tot de bedrijven is minimaal 150 meter. Het bedrijventerrein vormt geen hinder voor de voorgenomen plannen.

Er ontstaan geen belemmeringen als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur.

Voor de locatie Drielandweg 3 geldt dat er enkel een gebouw wordt gesloopt. Dit heeft geen invloed op geurbelasting.

4.7 Luchtkwaliteit

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Losser is niet aangewezen als concentratiegebied.

Beoordeling van de plannen:

Het voorliggend plan voorziet in de bouw van een schuur en klein bijgebouw op het erf aan de Goormatenweg 1. Voor de overige locaties geldt dat deze enkel worden ingebracht in het kader van de investeringen vanuit de KGO. Hier treden dan ook geen wijzigingen op vanuit luchtkwaliteit.

Aan de Goormatenweg geen sprake van extra verkeersbewegingen, aangezien de woonfunctie niet verandert.

Voor de Drielandweg wordt er enkel een gebouw gesloopt, waardoor de functie niet verandert. Hier is tevens dus geen sprake van extra verkeersbewegingen.

Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Beoordeling van de plannen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0022.png"

Afbeelding 4.3: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving)

Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 600 m van het plangebied aan de Goormatenweg de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om een kwetsbaar gebouw en een gebied dat valt onder de restcategorie. De planlocatie is op ruime afstand gelegen van het risicogebied, waarmee verder risico uitgesloten kan worden.

 

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.

4.9 Water

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. In totaal wordt er ongeveer 550 m2 verharding toegevoegd als gevolg van de plannen. Met de landschappelijke inpassing is dit gecompenseerd door het aanbrengen en versterken van groenstructuren. Hemelwater vanaf de verharding kan daarmee vertraagd infilteren in de omgeving, waarvoor voldoende ruimte bestaat. Voor het overige hebben de functies en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.

De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd boven de huidige nutsvoorzieningen (drukriool en waterleiding van Vitens). Voor aanvang van de bouw worden deze leiding en riolering verlegd. Derhalve blijven de nutsvoorzieningen onder onbebouwde grond en vormt de ontwikkeling geen belemmering voor de leiding en riolering.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 04-03-2025 de digitale watertoets uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 7. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. De standaard waterparagraaf volstaat voor dit plan.

4.10 Ecologie

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Beoordeling van de plannen:

Stikstofdepositie

Goormatenweg 1

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dinkelland' ligt op enkele meters afstand. Het effect van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient in ogenschouw genomen te worden. Hierbij wordt gekeken naar de stikstofdepositie in de aanlegfase (bouwverkeer) en in de gebruiksfase (verkeersgeneratie).

Dit werk betreft bouw van 2 bijgebouwen de invoer van verkeersbewegingen van 6 personenauto's, 34 bedrijfsbusjes, 2 middelzware vrachtwagens en 2 zware vrachtwagens is op basis van aannames en worst-case scenario.

Uit de berekening (Bijlage 4) blijkt dat het verkeer voor de realisatie resulteert in een uitstoot van 96,2 g/j NOx en 2,8 g/j NH3. Dit levert geen significante invloed op voor de stikstofdepositie. De mobiele voertuigen voor de bouw leveren een uitstoot van 0,3 kg/j NOx en 2,3 g/j NH3. Tevens heeft dit geen significante impact op de stikstofdepositie.

Al met al wordt geconcludeerd dat gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de ontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie, dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Uit de bijgevoegde Aerius-berekening (Bijlage 4) blijkt geen toename van stikstofdepositie.

Drielandweg 3

Voor de Drielandweg 3 is het voornemen de stallen te slopen. Hiervoor is eveneens een AERIUS berekening uitgevoerd.

Dit werk betreft sloop van een schuur. De invoer van verkeersbeweging is op basis van aannames en worst-case scenario. Uit de bijgevoegde Aerius-berekening (Bijlage 5) blijkt geen toename van stikstofdepositie.

Al met al wordt geconcludeerd dat gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de ontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie, dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Uit de bijgevoegde Aerius-berekening (Bijlage 5) blijkt geen toename van stikstofdepositie.

Natuurnetwerk Nederland

Deelgebied Drielandweg

Het plangebied ligt op minimaal 338 meter van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het
plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0023.png"

Deelgebied Goormatenweg

Het deelgebied Goormatenweg grenst aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het deelgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0024.png"

Beschermingsregime

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.


Toetsing aan provinciaal beleid

Omdat het deelgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Soortenbescherming

Deelgebied Drielandweg

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een voortplantings- en rustplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats.

Als gevolg van het slopen van de varkensstal wordt er mogelijk een steenuil gedood en wordt er mogelijk een nestplaats verstoord, beschadigd of vernield. Het nest van een steenuil is jaarrond beschermd. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van een steenuil of het opzettelijk verstoren, beschadigen en vernielen van de nestplaats van de steenuil, daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden of er nestplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Indien er nesten van steenuilen aanwezig zijn moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag de varkensstal pas gesloopt worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd.

Mogelijk wordt er als gevolg van het slopen van de varkensstal en het verwijderen van beplanting ook een ander bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats (met uitzondering van steenuil). Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten opzettelijk verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Als gevolg van het slopen van de varkensstal wordt er mogelijk een steenmarter gedood en wordt er mogelijk een verblijfplaats beschadigd of vernield. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van een steenmarter of het opzettelijk beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats van de steenmarter. Daarom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden of er verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig zijn in het plangebied. Indien deze aanwezig zijn moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. In dat geval mag het slopen van de varkensstal pas uitgevoerd worden nadat de Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat de overige beschermde grondgebonden zoogdieren (met uitzondering van steenmarter) gedood worden en dat voortplantings- en/ of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed
worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling.

Als gevolg van het slopen van de varkensstal worden mogelijk vleermuizen gedood en/of verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord, beschadigd of vernield. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Mogelijk moet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot een overtreding van de verbodsbepaling.

Deelgebied Goormatenweg

De inrichting en het gevoerde beheer maken de deelgebieden niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. De deelgebieden worden door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantings- en (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten de deelgebieden uitsluitend als foerageergebied.

Als gevolg van het verwijderen van beplanting wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten opzettelijk verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. De betekenis van het deelgebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling.

Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt (met uitzondering van poelkikker, kamsalamander, heikikker en rugstreeppad) een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist.

Aangezien het deelgebied mogelijk als voortplantings- en (winter)rustplaats voor kamsalamander dient, moet er voor deze soort een Ecologisch Werkprotocol (EWP) opgesteld worden om de werkzaamheden rondom de poel uit te voeren. Hierin moet worden opgenomen dat de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van kamsalamander uitgevoerd dienen te worden, zodat voorkomen wordt dat voortplantings- en (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden en kamsalamanders opzettelijk gedood worden. Op het land vinden de nieuwe ontwikkelingen plaats, daarom moeten de werkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van de kamsalamander uitgevoerd worden. De kamsalamanders zitten namelijk tijdens de voortplantingsperiode in de poel.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wel moeten de werkzaamheden in het deelgebied uitgevoerd worden op basis van een EWP voor kamsalamander waarin wordt uitgewerkt hoe de werkzaamheden in het deelgebied uitgevoerd kunnen worden zonder voortplantings- en (winter)rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en kamsalamanders opzettelijk te doden.

Conclusie

Als gevolg van het natuurwaardenonderzoek dienden er vervolgonderzoeken te worden uitgevoerd. Deze vervolgonderzoeken worden uitgevoerd en zijn als voorwaarde verbonden aan de ontwikkeling.

Er worden geen significante negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor het plan.

4.11 Archeologie en Cultuurhistorie

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

De archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Beoordeling van de plannen:

4.11.1 Archeologie

De gemeente Losser heeft de archeologische verwachting verwerkt in de dubbelbestemmingen in het meest recente plan van rechtswege. Het plangebied kent een dubbelbestemming voor het aspect archeologie, namelijk 'Archeologie 2'.

Voor deze waarde geldt een onderzoeksplicht wanneer de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter of gelijk is aan 2.000 m2 en de activiteit op een grotere diepte dan 0,3 m2 wordt uitgevoerd. Dit is niet het geval met de betreffende plannen. Er geldt voor de ontwikkeling geen onderzoeksplicht.

4.11.2 Cultuurhistorie

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

4.12 Verkeer en parkeren

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied.

In het kader van ruimtelijke plannen dient verder te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren.

4.12.1 Verkeer

Het plangebied is in de bestaande situatie ontsloten op de Goormatenweg. Het perceel heeft op deze weg één ontsluiting. De verkeersontsluiting blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd conform de bestaande situatie.

Het plan leidt tot geen verhoging van de verkeersintensiteit op de Goormatenweg. Zoals eerder benoemd is er geen sprake van een andere functie, het gaat reeds om een vrijstaande koopwoning. De verkeersgeneratie verandert derhalve niet.

Voor de Drielandweg geldt dat er geen verhoging van de verkeersintensiteit plaatsvindt, gezien er enkel een gebouw wordt gesloopt.

Conclusie

Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.12.2 Parkeren

In voorliggend geval wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de eerder genoemde CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'.

Het aantal benodigde parkeerplaatsen neemt niet toe, aangezien er geen sprake is van een andere functie en dus geen andere indicatie betreft parkeren. Het erf is groot genoeg in aan de reeds aanwezige parkeerbehoefte te voorzien.

Voor de Drielandweg geldt eveneens dat er geen sprake is van een andere functie. Hiervoor verandert het aantal benodigde parkeerplaatsen niet.

Conclusie

Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Wijziging omgevingsplan

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j, Buitengebied, Goormatenweg 1 te Overdinkel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0168.TAM22J-0401 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.1.4 Overzicht wijzigingen

De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:

  • 1. locatie Goormatenweg 1: uitbreiding van woonfunctie

Voor de locatie Goormatenweg 1 geldt dat het aanduidingsvlak voor het erf is uitgebreid zodat het bestaande bijgebouw en de nieuwe schuur er binnen vallen.

  • 2. locatie Drielandweg 3: sloop van schuur.

Op de locatie Drielandweg 3 wordt de sloop uitgevoerd, de functie als agrarisch bedrijf blijft behouden. Daarbij blijven ook agrarische bedrijfsactiviteiten mogelijk conform het huidige omgevingsplan.

 

5.2 Artikelsgewijze toelichting

Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.


HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.

Artikel 3 Toepassingsbereik

In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.

In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.

In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.

HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN

De volgende functies worden benoemd:

Deze zijn één op één overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. De betreffende functies vallen binnen het plangebied vanwege een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke investeringen. Inhoudelijk worden daarmee behoudens de verplichting tot landschappelijke investeringen geen wijzingen aangebracht.

Artikel 4 Wonen

De locaties aan de Goormatenweg 1 kent de functie 'wonen'. De planregels komen vanuit het omgevingsplan van rechtswege het plan voorziet en zijn op enkele punten gespecificeerd op de planvorming.


HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 13 Algemene bouwregels

In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.

Artikel 14 Algemene regels voor functies en activiteiten

In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel zijn afwijkingsregels opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.

Artikel 16 Overige regels

In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen. Tevens bevat dit artikel een verwijzing naar de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van de Bruidsschat.

HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS

Artikel 17 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.

Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid

6.1 Wettelijke kaders

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).

Nadeelcompensatie

In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

6.2 Toetsing

Er is middels voorliggend geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artiekel 13.11 van de Omgevingswet. Daarmee is een aanleiding tot kostenverhaal. Andere gemeentelijke kosten worden gedekt via legesverordening die voor rekening komen voor initiatiefnemer. Voor wat betreft nadeelcompensatie wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Losser. Hiermee is de economsiche uitvoerbaarheid voldoende gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.

7.1 Procedurestappen

Dit plan kent de volgende procedurestappen:

7.1.1 Ontwerp

Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp TAM-omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.

7.1.2 Vaststelling

De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

7.1.3 Beroep

Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverlegpartners

Op 04-04 en 30-04 hebben gesprekken plaatsgevonden met de gemeente Losser om de Welstand. Het tweede gesprek vond plaats op de locatie aan de Goormatenweg 1. Dit gesprek heeft geresulteerd in enkele aanpassingen voor een definitieve situatietekening. De definitieve situatietekening is te vinden in 2.2 en in het Ruimtelijk Kwaliteitsplan als Bijlage 1.

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg.

Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen bijzondere waterschapsbelangen gemoeid zijn. Met inachtneming van de standaard uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht.

7.3 Participatie

De initiatiefnemer heeft in totaal 6 adressen benaderd in de directe omgeving, weergegeven op onderstaande afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.0168.TAM22J-0401_0025.png"

Afbeelding 5.1: Weergave gesproken omwonenden

Van deze adressen heeft de initiatiefnemer om reactie gevraagd voor de te bouwen schuur. Daar kwam het volgende uit:

1. Goormatenweg 3

Reactie: 'Mooie schuur! Pas mooi in het geheel!'

2. Goormatenweg 2

Reactie: 'Mooi plan, maak er iets moois van!'

3. Goormatenweg 8

Reactie: 'Ziet er heel mooi uit, bijzonder met de doorgang! Mooi werk!'

4. Goormatenweg 7

Reactie: 'Hi *initiatiefnemer*, succes met de nieuwe schuur!'

5. Strootsweg 16

Reactie: 'Mooie schuur!'

6. Strootsweg 6

Reactie: 'Vanuit ons geen bezwaar mooie schuur!'

Hiermee is voldaan aan de participatie voor de locatie aan de Goormatenweg 1.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft vanaf 06-11-2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.