TAM-omgevingsplan, 3e wijziging, Kamperzeedijk 19 Grafhorst
| Type plan: |
bestemmingsplan |
| Naam van het plan: |
TAM-omgevingsplan, 3e wijziging, Kamperzeedijk 19 Grafhorst |
| Status: |
vastgesteld |
| Plan identificatie: |
NL.IMRO.0166.00993009-VS01 |
Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de gebiedsontwikkeling op het perceel aan de Kamperzeedijk 19 in Grafhorst, Gemeente Kampen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de Gemeente Kampen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening
https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op
https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de Gemeente Kampen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22b’ gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- Het besluit als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c, is niet van toepassing;
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
- De regels in dit hoofdstuk (H22a) zijn van toepassing op de locatie Kamperzeerdijk 19 in Grafhorst, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0166.00993009-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
3.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan, 3e wijziging, Kamperzeedijk 19 Grafhorst met identificatienummer NL.IMRO.0166.00993009-VS01 van de Gemeente Kampen;
3.2 Omgevingsplan
het omgevingsplan van de Gemeente Kampen;
3.3 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
3.4 Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
3.5 Agrarisch bedrijf
een deeltijd, reëel of volwaardig bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (met uitzondering van houtteelt) en/of het houden van dieren, waarop een bedrijfsmatige, op de markt gerichte productie plaatsvindt, zoals een intensief kwekerijbedrijf, glastuinbouwbedrijf, intensief veehouderijbedrijf of grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
3.6 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
3.7 Bebouwingspercentage
de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van nader aangegeven gronden;
3.8 Bed & breakfast
het bieden door de bewoner van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies en ontbijt in of bij een woning, waarbij in de ruimte die gebruikt wordt voor bed & breakfast geen zelfstandige kookgelegenheid aanwezig is;
3.9 Bedrijf
het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten;
3.10 Bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
3.11 Bestaand
- met betrekking tot bebouwing: legale bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;
- met betrekking tot gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, dan wel toegestaan krachtens een omgevingsvergunning;
3.12 Bevi-inrichting
een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals dit besluit luidde op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;
3.13 Bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
3.14 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
3.15 Bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
3.16 Bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
3.17 Bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
3.18 Bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
3.19 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
3.20 Bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
3.21 Carport
een ten hoogste door twee wanden omsloten overdekte ruimte;
3.22 Dagrecreatie
recreatie in de open lucht uitsluitend gedurende een dagperiode op speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals een wandelbos, wandelpark, strandbad, vis- en zwemvijvers, speel- en ligweide, speelterrein, kinderspeelplaats, dierenpark, volkstuinen of nutstuinen;
3.23 Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
3.24 Erker
een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een 'lichte' constructie met een overwegende transparante uitstraling;
3.25 Evenement
een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in tijdelijke onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze, recreatieve en/of sportieve, of een daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten, festivals, en dergelijke;
3.26 Extensieve dagrecreatie
recreatie in de open lucht uitsluitend gedurende een dagperiode, waarbij vooral het landschap of bepaalde delen ervan sterk beleefd worden, waarbij weinig of geen gebouwde voorzieningen nodig zijn en waarbij tevens in het algemeen het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is, zoals wandelen, fietsen, verpozen, natuur- en landschapsbeleving en bijbehorende rustpunten;
3.27 Functiegrens
de grens van een functievlak;
3.28 Functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;
3.29 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
3.30 Grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk buiten gebouwen plaatsvindt en waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals in ieder geval melkrundvee, kalveren van melkvee tot 2 jaar, schapen, paarden, en dieren die worden gehouden op biologische wijze (conform een regeling krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet) of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Geiten-, rosékalveren en vleesrundveehouderijen worden als grondgebonden aangemerkt, wanneer er sprake is van een aanzienlijke mate van:
- beweiding op de huiskavel of nabijgelegen gronden;
- mestafzet van het eigen bedrijf hoofdzakelijk op eigen grond;
- voorzien in de voederbehoefte met producten van plaatselijke eigen grond;
3.31 Grondgebonden woning
een gebouw, dat uitsluitend één woning omvat;
3.32 Hobbymatige veehouderij
het houden van vee in geringe aantallen ten behoeve van eigen genot en gebruik;
3.33 Hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de functie, als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
3.34 Huishouden
een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree;
3.35 Inwoning
twee huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn;
3.36 Kampeermiddel
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, en geen bouwwerk is waarvoor ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist;
3.37 Landschapswaarden
de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;
3.38 Normaal onderhoud
werkzaamheden die regelmatig nodig zijn voor een goed beheer van de gronden;
3.39 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;
3.40 Paardrijbak
een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;
3.41 Peil
- Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
- indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil;
3.42 Prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
3.43 Recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie, waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
3.44 Seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
3.45 Verbeelding
- de digitale verbeelding van het plan;
- de analoge verbeelding van het plan met tekeningnummer NL.IMRO.0166.00993009-VS01 en legenda;
3.46 Voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel dan wel de gevel die met de figuur 'gevellijn' is aangegeven;
3.47 Voorgevelrooilijn
de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen;
3.48 Wonen
het gehuisvest zijn in een woning;
3.49 Woning
een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
3.50 Woonhuis
een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
4.1 De breedte van een gebouw
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.
4.2 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
4.3 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
4.4 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
4.5 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.6 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
4.7 Ondergeschikte bouwdelen
Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of functiegrenzen niet meer dan 0,75 m bedraagt.
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
2 Functies en activiteiten
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Bedrijf’.
6.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Bedrijf' heeft de volgende functies:
- bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de in bijlage 1 bijlagen bij de regels opgenomen Bedrijvenlijst, waarbij:
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting' het gebruik en bouwen enkel is toegestaan, nadat het inrichtingsplan en/of de sloopverplichting voor het desbetreffende perceel zoals in het in bijlage 2 van de bijlagen bij de regels opgenomen Inrichtingsplan is uitgevoerd en vervolgens aldus in stand wordt gehouden;
- een hoveniersbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'hovenier';
- opslag ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten onder a en b;
- groenvoorzieningen;
- installaties,
met daarbijbehorende
- bouwwerken,
- tuinen, erven, terreinen,
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen
- parkeervoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
6.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Bedrijf' uitsluitend worden gebouwd:
- bedrijfsgebouwen;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.3.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
- gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden;
- de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' anders is aangegeven.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- indien zij voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
- in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen.
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
- het vestigen van bedrijven welke niet zijn genoemd in artikel 6.2;
- detailhandel;
- het gebruik van gebouwen ten behoeve van zelfstandige kantoren;
- inrichtingen als bedoeld in bijlage VIII van het Besluit activiteiten leefomgeving voor activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals dit besluit luidt op het tijdstip van inwerkingtreden van het plan;
- bevi-inrichtingen.
6.4.2 Voorwaardelijke verplichting geluidswering
Het gebruik van gronden en gebouwen ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven functie '
Bedrijf' is uitsluitend toegestaan indien de bedrijfsgebouwen ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven functie '
Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting geluidswering' worden gehandhaafd danwel worden vervangen door een geluidswerende voorziening met een vergelijkbare geluidwering conform het in bijlage 3 van de
bijlagen bij de regels opgenomen akoestisch onderzoek, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven functie '
Wonen - 2' en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5 Afwijken van de specifieke functieregels
6.5.1 Vergunningsplicht voor het afwijken van specifieke functieregels
Met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de specifieke functieregels:
- artikel 6.4.1 sub a en toestaan dat bedrijven worden gevestigd die niet zijn genoemd in artikel 6.4.1 sub a, artikel 6.4.1 sub b en artikel 6.4.1 sub c of bedrijven van een hogere categorie, indien die bedrijven naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de desbetreffende categorieen;
- artikel 6.4.1 sub b ten behoeve van productiegebonden detailhandel of detailhandel in landbouwwerktuigen, landbouwmachines alsmede meststoffen in groothandelsverpakking.
6.5.2 Beoordelingsregels
De in
artikel 6.5.1 genoemde omgevingsvergunningen voor binnenplanse omgevingsplanactivitenten kunnen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de ervenstructuur;
- de woonsituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de parkeergelegenheid;
- de sociale veiligheid;
- de milieusituatie;
- de natuur- en landschapswaarden van de gronden;
- de cultuurhistorische waarden;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Tuin’.
7.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies:
- tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
- erf, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
- parkeervoorzieningen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.
7.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
7.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Water' uitsluitend worden gebouwd:
- gebouwen;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3.2 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- het hoofdgebouw is niet voorzien van de aanduiding 'karakteristiek';
- de diepte van de erker mag niet meer dan 1,5 m bedragen;
- de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden, mag niet minder dan 3 m bedragen;
- de breedte van de erker mag niet meer dan 3/5 deel van de breedte van de uit te bouwen gevel van het hoofdgebouw bedragen;
- de bouwhoogte (exclusief valbescherming) mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,30 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.
7.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2 m bedragen.
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Wonen - 2’.
8.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - 2' heeft de volgende functies:
- wonen in een woning de vorm van grondgebonden woningen;
het gebruik van gebouwen tot ten hoogste 25% van de aanwezige bruto-vloeroppervlakte, tot een maximum van 40 m² voor:
- bed&breakfast;
- beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis als genoemd in bijlage 4 van de bijlagen bij de regels Lijst beroep en bedrijf aan huis, dan wel beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn;
- hobbymatige veehouderij;
- een hobbymatige paardrijbak ter plaatse van de aanduiding 'rijbak';
- een houtsingel ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel';
- recreatief medegebruik in de vorm van extensieve dagrecreatie;
met daarbij behorende
- bouwwerken;
- tuinen;
- erven;
- parkeervoorzieningen;
- water en waterstaatkundige voorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29)
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
8.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:
- hoofdgebouwen;
- bijbehorende bouwwerken;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
- hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
- het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer dan 1 bedragen;
- de inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
- de goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 4,5 en 10 m bedragen;
- de dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen;
- in afwijking van het bepaalde onder c t/m f geldt, dat afwijkingen in de genoemde maten, zoals die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, gehandhaafd mogen worden.
8.3.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
- de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt per woning maximaal het bestaande oppervlakte;
- de goot- en bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,30 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
- de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorende bouwwerk mogen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m bedragen;
- in afwijking van het bepaalde onder b en c geldt dat afwijkingen in de genoemde maten, zoals die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, gelden als minimum c.q. maximum maat.
8.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:
- indien zij voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
- in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen.
8.4 Afwijken Afwijken van de beoordelingsregels voor bouwwerken
8.4.1 Vergunningplicht voor het afwijken van de beoordelingsregels voor bouwwerken
Met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de beoordelingsregels voor bouwwerken:
- artikel 8.3.2 sub e en toestaan dat de dakhelling van hoofdgebouwen wordt verkleind of vergroot;
artikel 8.3.3 sub a en toestaan dat in het kader van de vervanging van bestaande landschapsontsierende gebouwen de gezamenlijke oppervlakte van terug te bouwen bijbehorende bouwwerken maximaal 350 m² mag bedragen, met dien verstande dat:
- indien er sprake is van sloop tot 250 m² het gesloopte oppervlak 1 op 1 terug mag worden gebouwd;
- indien sprake is van sloop van meer dan 250 m², te allen tijde 250 m² terug mag worden gebouwd;
- van het gesloopte oppervlak boven de 250 m² ten hoogste 1/3 terug mag worden gebouwd tot een maximum oppervlakte van 350 m²;
- het hierbij moet gaan om gebouwen die rechtmatig tot stand zijn gekomen of inmiddels onder het overgangsrecht vallen;
- er sprake moet zijn van een stedenbouwkundige en landschappelijke verbetering;
- artikel 8.3.3 sub b en toestaan dat ten behoeve van een opbouw de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag worden vergroot tot de bouwhoogte van het hoofdgebouw, verminderd met 1,5 m.
- artikel 8.3.3 sub c en toestaan dat de goot- en/of bouwhoogte wordt vergroot met 1 m;
artikel 8.3.4 sub b en toestaan dat ten behoeve van de bouw van lichtmasten bij een paardrijbak de bouwhoogte wordt vergroot, met dien verstande dat:
- per paardrijbak niet meer dan 4 lichtmasten zijn toegestaan;
- de hoogte van een lichtmast niet meer dan 6 m mag bedragen;
- boven de bodem van de paardrijbak maximaal 60 LUX/m² gemeten mag worden;
- de lichtbundel van de lichtmast door afscherming gericht is op de rijbak.
8.4.2 Beoordelingsregels
De in
artikel 8.4.1 genoemde omgevingsvergunningen voor binnenplanse omgevingsplanactivitenten kunnen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de ervenstructuur;
- de woonsituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de parkeergelegenheid;
- de sociale veiligheid;
- de milieusituatie;
- de natuur- en landschapswaarden van de gronden;
- de cultuurhistorische waarden;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.4.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
8.5 Specifieke functieregels
8.5.1 Strijdig gebruik
Tot een met de functie strijdig gebruik als opgenomen in
artikel 8.2, wordt in ieder geval gerekend:
- van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
- van de onbebouwde gronden als stallingsplaats en standplaats van kampeermiddelen;
- van een woning voor bewoning met meer dan 1 huishouden;
- van de gronden ten behoeve van bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten voor zover niet toegestaan in artikel 8.2.
8.6 Afwijken van de specifieke functieregels
8.6.1 Vergunningplicht voor het afwijken van de specifieke functieregels
Met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de specifieke functieregels:
artikel 8.5.1 sub d voor het gebruik van gebouwen tot ten hoogste 25% van de aanwezige bruto-vloeroppervlakte, tot een maximum van 100 m² voor bed&breakfast of beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis als genoemd in bijlage 4 Lijst beroep en bedrijf aan huis, dan wel beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten die naar aard en omvang gelijk te stellen, met dien verstande dat:
- behoudens productiegebonden detailhandel, detailhandel niet is toegestaan;
- het gebruik geen onevenredige parkeerdruk of verkeersoverlast met zich meebrengt;
- het gebruik zowel naar aard als voor wat betreft de visuele aspecten met het woonkarakter in overeenstemming is;
- de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft.
8.6.2 Beoordelingsregels
De in
artikel 8.6.1 genoemde omgevingsvergunningen voor binnenplanse omgevingsplanactivitenten kunnen slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- de ervenstructuur;
- de woonsituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de parkeergelegenheid;
- de sociale veiligheid;
- de milieusituatie;
- de natuur- en landschapswaarden van de gronden;
- de cultuurhistorische waarden;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
8.6.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 9 Waarde - Landschap
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde - Landschap’.
9.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Landschap' heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede de functie van het behoud, bescherming en/of herstel en de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komen in:
de kernwaarden van het Nationaal Landschap IJsseldelta:
- de grote mate van openheid en de bijbehorende randen;
- de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek;
- het relïef in de vorm van huisterpen en kreekruggen;
- de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.
9.3 Voorrangsregeling
Voor zover op de verbeelding nog andere dubbelfuncties zijn aangegeven en deze geheel of gedeeltelijk samenvallen, geldt de volgende voorrangsregeling:
- in de eerste plaats artikel 10 Waarde - Landschap;
9.4 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ten aanzien van het bouwen en gebruik krachtens de andere functies van de gronden als bedoeld in
artikel 9.2, maatwerkvoorschriften te stellen aan de situering van bouwwerken en gebruiksvormen, ten behoeve van de bescherming van de aanwezige landschapswaarden.
9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
- het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden;
- het graven, vergraven, dempen, verondiepen, verdiepen of verbreden van sloten (niet zijnde dwarssloten), vijvers en poelen;
- het aanplanten of verwijderen van bomen en houtopstanden;
- het aanleggen van ligplaatsen voor schepen.
9.5.2 Uitzonderingen op het verbod
Het verbod in
artikel 9.5.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
- plaatsvinden binnen de functie 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf';
- het aanplanten of verwijderen van bossen en houtopstanden betreffen ter plaatse van de aanduiding 'houtteelt';
- vallen binnen de afspraken in het kader van de Groen-Blauwe diensten;
- het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
9.5.3 Beoordelingsregels
De in
artikel 9.5.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend:
- indien door het uitvoeren van het ander werk dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
- het behoud, het herstel of de ontwikkeling van de landschapswaarden van de gronden,
- of hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
9.5.4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
10.1 Strijdig gebruik
Onder een gebruik in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- en/of vliegtuigen;
- het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond bodemspecie en puin voor het storten van vuil, anders dan ten behoeve van de uitvoering krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
- het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
10.2 Uitzondering strijdig gebruik
Onder een gebruik in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt in elk geval niet verstaan:
- gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend;
het aanleggen of laten aanleggen van kabels en leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
- aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" en/of een druk van meer dan 40 bar;
- transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3- categorie met een diameter van meer dan 4";
- hoogspanningsleidingen;
- buisleidingen voor het transport van drinkwater met een doorsnede van 250 mm of meer;
- buisleidingen voor het transport van afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 m of meer.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
11.1 Vrijwaringszone - dijk
11.1.1 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangeduid als 'vrijwaringszone – dijk' heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede de functie van het onderhoud en de verbetering van de op aangrenzende gronden gelegen waterkering.
11.1.2 Beoordelingsregels voor bouwen
Op of in deze gronden mogen, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere daar voorkomende functies, geen bouwwerken worden gebouwd. Deze regel is niet van toepassing op bestaande bouwwerken.
11.1.3 Binnenplanse omgevingsplanactiviteit
Met een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van het bepaalde in
artikel 11.1.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende functie, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad en
- vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de waterkering over de vraag of de belangen van de waterkering onevenredig worden geschaad en over eventuele voorwaarden die in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen.
11.1.4 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de contour van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk ' te wijzigen, indien de wijziging van de Keur van het Waterschap en de bijbehorende Legger van het Waterschap daartoe aanleiding geeft.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
12.1 Vergunningplicht
Met een omgevingsvergunning voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van:
- de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
- de regels voor functies en activiteitenen toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
- de regels voor functies en activiteiten met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de ontheffing gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
- de regels voor functies en activiteiten ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
- de regels voor functies en activiteiten ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte ten behoeve van de bouw van uitkijkposten wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
- de regels voor functies en activiteiten ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
de regels voor functies en activiteiten en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
- plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen;
- gevel- en kroonlijsten, overstekende daken;
- (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;
mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden;
- de regels voor functies en activiteiten en toestaan dat de grenzen van functie- en bouwvlakken naar de buitenzijde worden overschreden door buitenmuren, mits de grenzen in totaal met niet meer dan 0,50 m worden overschreden;
- het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 m;
- het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte (m) van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen.
de regels ten behoeve van het gebruik van een bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs-)woning voor zelfstandige bewoning, mits:
- een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
- het gebruik geen onevenredige aantasting van het woongenot van omwonenden oplevert, noch leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van naburige bedrijven;
- de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende (bebouwings-)regeling voor bijbehorende bouwwerken wordt ingepast, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 80 m2;
- Het bevoegd gezag wint voorafgaande aan de afgifte van de omgevingsvergunning nadere informatie bij de verzoeker in, die zeker moet stellen dat er een zorgbehoefte is, inclusief het feit dat deze naar haar aard tijdelijk is;
- Het bevoegd gezag stelt bij de omgevingsvergunning nadere eisen, die zijn gericht op eindigheid en intrekking van de omgevingsvergunning, zodra de bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
- de voorwaarden van een voorwaardelijke verplichting zoals deze gelden ter plaatse van een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting' en toestaan dat gebruik of bouwen overeenkomstig de regels binnen de functie, waaronder de beoordelingsregels voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten, plaatsvindt.
12.2 Beoordelingsregels voor de vergunningsplicht
Een in
artikel 12.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
- het straat- en bebouwingsbeeld;
- de milieusituatie;
- de verkeersveiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de sociale veiligheid;
- de fysieke en externe veiligheid.
12.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van
artikel 12.1.
Artikel 13 Overgangsrecht
13.1 Bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- In afwijking van het bepaalde onder a kan het bevoegd gezag eenmalig een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingreding van het TAM-omgevingsplan bestaand gebruik.
- Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
- Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.