Plan:
Buitengebied 2009
Status:
onherroepelijk
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.0163000095101-
Artikel 9 Munitiedepot
Inhoudsopgave
9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Munitiedepot" aangewezen gronden zijn bestemd voor militair munitiedepot en daarbij behorende voorzieningen.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de gronden als bedoeld in lid 9.1, mogen uitsluitend worden gebouwd gebouwen, waaronder begrepen ten hoogste één bedrijfswoning, en andere bouwwerken.

9.2.2 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 9.2.1, gelden de volgende bepalingen:

  1. het bebouwingspercentage mag ten hoogste 10% bedragen;
  2. de bouwhoogte van gebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning, mag niet meer dan 8 m bedragen;
  3. de afstand van bouwwerken, met uitzondering van terreinafscheidingen, tot de perceelsgrenzen mag niet minder dan 4 m bedragen;
  4. van de bedrijfswoning, althans het hoofdgebouw, mag de inhoud niet meer dan 750 m³ bedragen, de goothoogte niet meer dan 3,5 m en de bouwhoogte niet meer dan 10 m;
  5. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen, behoudens terreinafscheidingen waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen;
  6. in voorkomend geval artikel 28, lid 28.3 (Afstanden tot wegen en water).
9.3 Ontheffing van de bouwregels
9.3.1 Ontheffing bouwhoogte andere bouwwerken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met toepassing van artikel 34 (Procedurebepalingen), ontheffing te verlenen van het bepaalde in sublid 9.2.2, onder e, ten behoeve van het bouwen van andere bouwwerken tot een grotere bouwhoogte, mits de noodzaak daarvan voor het beheer van het munitiedepot is aangetoond.

9.4 Ontheffing van de gebruiksregels
9.4.1 Ontheffing uitbreiding munitieopslag

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met toepassing van artikel 34 (Procedurebepalingen), ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 9.1, ten behoeve van uitbreiding van de munitieopslag, mits deze uitbreiding geen vergroting van de veiligheidszones en -maatregelen tot gevolg heeft.

9.5 Wijzigingsbevoegdheid
9.5.1 Wijzigingsbevoegdheid naar "Bedrijf"

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd zodra vaststaat dat het gebruik als munitiedepot is beëindigd, het plan zodanig te wijzigen dat de bestemming "Munitiedepot" wordt gewijzigd in de bestemming "Bedrijf" en voorts in de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden" of "Natuur" al naar gelang die bestemmingen aan deze bestemming grenzen, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  1. ten minste alle bestaande gebouwen, waaronder begrepen de bedrijfswoning, worden aangewezen als "Bedrijf" en, voor zover betreft de toegestane bedrijfsactiviteiten, bestemd voor bedrijven die hierna zijn vermeld:
    1. ambachtelijke landbouwproducten verwerkende bedrijven, zoals een wijnmakerij, zuivelmakerij, slachterij, imkerij,
    2. aan agrarische functies verwante bedrijven, zoals een paardenpension,
    3. paardenopleidingscentrum, agrarisch loonwerkbedrijf, fouragehandel, hoefsmederij en hoveniers- en boomverzorgingsbedrijven,
    4. ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, schildersbedrijf, meubelmaker, installatiebedrijf,
    5. opslag- en stallingsbedrijven,
    6. zakelijke dienstverlening, zoals een adviesbureau of een computerservicebureau, en
    7. andere bedrijven die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde gelijk kunnen worden gesteld en die in de van deze regels deel uitmakende bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn vermeld als categorie 1 of 2, dan wel naar hun gevolgen voor de omgeving daarmee gelijk kunnen worden gesteld,
  2. behoudens het bepaalde onder a, is het bepaalde in artikel 5 van overeenkomstige toepassing op de als "Bedrijf" aangewezen gronden;
  3. op de als "Agrarisch", "Agrarisch met waarden" of "Natuur" aangewezen gronden is het bepaalde betreffende die bestemmingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat op deze gronden geen bouwvlakken worden aangeduid;
  4. het bedrijf moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein waarbij voldaan dient te worden aan de parkeernormen uit de gemeentelijke parkeerverordening;
  5. de bedrijfsactiviteiten mogen:
    1. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig aantasten,
    2. niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en het natuurlijk milieu van de omgeving, waarin het betreffende bedrijf voorkomt,
    3. geen wezenlijke wijziging van de uiterlijke verschijningsvorm van de betreffende bebouwing inhouden,
    4. geen opslag van goederen in de open lucht inhouden of met zich meebrengen, en
    5. in vergelijking met het voormalige, agrarische gebruik geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden met zich meebrengen;
  6. bij toepassing van de in de aanhef bedoelde wijzigingsbevoegdheid wordt tegelijkertijd de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 32, lid 32.13 (Wijziging opheffing Veiligheidszones - Munitie A, B en C) toegepast.