| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoopsteeweg 56 Bruchterveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0160.0000TAM0023-VG01 |
Voorliggend plan heeft betrekking op de het agrarisch perceel aan de Hoopsteeweg 56 in Bruchterveld, in het buitengebied van de gemeente Hardenberg. Aan de Hoopsteweg 56 is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd met diverse voormalig agrarische bedrijfsgebouwen. De bebouwing is niet meer in gebruik en is verouderd. Daarnaast draagt deze bebouwing niet bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De landschapsontsierende gebouwen ter plaatse zijn daarom gesloopt. Hiervoor is reeds conform het beleid 'Erven met kwaliteit' een sloopmelding geaccepteerd. Op het perceel aan de Hoopsteeweg 56 worden drie woningen gerealiseerd. De agrarische functie van het perceel wordt gewijzigd in een woonfunctie. Met een principebesluit, d.d. 19-11-2024, heeft de gemeente Hardenberg aangegeven in principe mederwerking te willen verlenen aan het voornemen.
Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. Om het toekomstig gebruik van het perceel mogelijk te maken en om uit te sluiten dat de voormalige agrarische schuren herbouwd kunnen worden, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hardenberg, ten westen van de kern Bruchterveld. De ligging van het gebied is indicatief weergegeven in afbeelding 1.1 met een rode omlijning en een rode ster.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Bruchterveld en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl, bewerkt) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024.
Voor de duiding van het planologisch regime van het projectgebied is met name het bestemmingsplan “Buitengebied Hardenberg" van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat. Op basis van het bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemming “Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap”. Hierbij is ook een bouwvlak opgenomen.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding, behorende bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour.
|
| Afbeelding 1.2: Uitsnede van bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart) |
Bestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap'
Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Besloten veenontginningslandschap' zijn met name bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap. Binnen het bouwvlak zijn (bedrijfs)gebouwen en bedrijfswoningen toegestaan.
Strijdigheid
De voorgenomen ontwikkeling is op basis van het geldende omgevingsplan niet toegestaan, aangezien de daarvoor benodigde bouw- en gebruiksregels ontbreken. Het gebruik van het plangebied ten behoeve van reguliere bewoning is niet toegestaan. Daarnaast mogen binnen het bouwvlak geen gebouwen worden gerealiseerd die bedoeld zijn voor reguliere bewoning. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
Het plan ''TAM-omgevingsplan Hoopsteeweg 56 Bruchterveld” bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.
Aan de Hoopsteeweg 56 is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd en de bijbehorende bedrijfsgebouwen op het perceel zijn verouderd en niet meer in gebruik. Op het perceel bevindt zich daarnaast een bedrijfswoning met een bijgebouw. Langs de perceelgrenzen is een eikenbomenrij aanwezig, met uitzondering van de westzijde van het perceel.
Het plangebied wordt omringd door agrarische gronden. In de directe omgeving bevinden zich daarnaast enkele woonpercelen en (agrarische) bedrijven. Het plangebied is ontsloten via de Hoopsteeweg, die fungeert als de belangrijkste infrastructuurdrager in de directe omgeving. Aan de perceelsgrenzen loopt een watergang.
In afbeelding 2.1 is op een luchtfoto de huidige situatie van het plangebied weergegeven, waarbij het volledige plangebied is aangeduid met een rode lijn. In afbeelding 2.2 is een straatbeeld van het plangebied opgenomen.
|
|
Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK) |
|
| Afbeelding 2.2: Straatbeeld vanaf de Hoopsteeweg ter hoogte van nr. 56 (Bron: Google Maps, 2023) |
De gewenste ontwikkeling betreft een functiewijziging van het perceel aan de Hoopsteeweg 56 in Bruchterveld van 'agrarisch' naar 'wonen'. De bestaande landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Omgerekend naar sloopmeters met asbest gaat het om 4.286 m2. De sloopmeters worden aangewend voor:
Er wordt gebruik gemaakt van het 'Erven met kwaliteit' beleid van de gemeente Hardenberg. In dit kader is reeds een sloopmelding geaccepteerd. In paragraaf 3.3.3 wordt aan het gemeentelijke beleid 'Erven met kwaliteit' getoetst en wordt hier nader op ingegaan.
Het erf wordt heringericht met groen dat aansluit bij het karakter van het besloten veenontginningslandschap. Hierbij worden onder meer een bloemrijk grasland aangelegd en transparante bomenrijen geplant, bestaande uit eiken en elzensingels.
Afbeelding 2.3 toont een inrichtingsschets van de toekomstige situatie. De gele stippellijn geeft het huidige bouwvlak aan, terwijl de zwarte stippellijnen de gesloopte gebouwen weergeeft. Zoals eerder benoemd, blijven de bestaande bedrijfswoning en het bijgebouw behouden. Daarnaast worden in de nieuwe situatie drie extra woningen gerealiseerd, elk met een bijgebouw. Deze worden intern ontsloten op het bestaande verharde pad.
Het voornemen wordt landschappelijk ingepast. Hiervoor is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, bijgevoegd als Bijlage 1.
|
| Afbeelding 2.3: Uitsnede ruimtelijk kwaliteitsplan (Bron: VanWestreenen) |
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3.
In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
Het betreft een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Of - Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Waar – Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
|
| Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld
Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name artikel 4.5 en 4.9 uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang.
artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik):
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toetsing initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening
Door de ontwikkeling neemt de hoeveelheid voormalige agrarische bebouwing in het buitengebied af. Het gemeentelijke beleid 'Erven met kwaliteit' wordt hierbij gevolgd. Ter compensatie van de sloopinvestering is reeds een sloopmelding geaccepteerd. De locatie wordt landschappelijk ingepast. Per saldo is er geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden op de groene omgeving, maar juist een afname.
artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:
artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
Toetsing initiatief aan artikel 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening
In deze paragraaf blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan het Of-, Waar- en Hoe-benadering. Ook voldoet het aan het Uitvoeringsmodel. Het erf wordt landschappelijk ingepast volgens de geldende gebiedskenmerken. Ook geeft het een kwaliteitsimpuls aan de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hardenberg. Dit komt door de landschappelijke inpassing en de sloop van de landschapontsierende schuren en het verwijderen van erfverhardingen.
Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'.
Ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'
Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).
Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'
Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. In dit geval krijgt het perceel aan de Hoopsteeweg 56 een woonfunctie. Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk dat de te slopen schuren ter plaatse niet kunnen worden teruggebouwd. De nieuwe woningen worden in het bestaande landschap ingepast. De omliggende agrarische bedrijvigheid wordt niet in hun mogelijkheden beperkt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het voornemen is in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de stedelijke laag en laag van de beleving gelden binnen het plangebied geen gebiedskenmerken. Hierna wordt het voornemen getoetst aan de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Natuurlijke laag
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype “Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)”.
Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)
Door sloop van verouderde bebouwing, beperking van verharding en de aanleg van een streekeigen landschappelijke inrichting wordt de natuurlijke waterhuishouding versterkt. Hiermee draagt het plan bij aan het vasthouden van regenwater en het tegengaan van verdroging van de omliggende (restant)hoogveenstructuren. De ontwikkeling gaat daarmee niet ten koste van de natuurlijke laag, maar levert juist een positieve bijdrage aan het herstel en behoud ervan.
Toetsing van het initiatief aan de natuurlijke laag
Door de sloop van landschapontsierende bebouwing, de daarmee gepaarde afname van verharding en de landschappelijke inpassing van het voornemen wordt aangesloten bij de natuurlijke laag. Door de afname van verharding wordt de natuurlijke waterhuishouding versterkt, waarmee het plan bijdraagt aan het vasthouden van regenwater en het tegengaan van verdroging van de omliggende (restant)hoogveenstructuren.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype “Hoogveenontginningen”.
Hoogveenontginningen
Het landschap is te herkennen aan de opstrekkende verkavelingen, een min of meer grillig patroon van wegen en paden en de vele elzensingels. Reliëfrijk, vanwege het niet vergraven van delen, waar de veenpakketten dun waren. Het landschapstype is afwisselend meer of minder open.
De ambitie voor de resterende oude hoogveenontginningslandschappen is deze als ruimtelijk zelfstandige eenheden, herkenbaar en beleefbaar te maken. Als er ruimtelijk ontwikkelingen plaats vinden dan bieden de kleinschalige linten met kavelbeplantingen kans voor een afwisselend woon- en werkmilieu, waar op kleinschalige en behoedzame wijze aan voortgebouwd kan worden. Met dubbele lintstructuren voor bijvoorbeeld langzaam verkeer kunnen deze linten nog aan woon- en recreatieve kwaliteiten winnen.
Toetsing van het initiatief aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap
De ontwikkeling sluit aan bij het karakter van het hoogveenontginningslandschap, met zijn opstrekkende verkaveling en elzensingels. Door herinrichting van het erf met bloemrijk grasland en transparante bomenrijen van eiken en elzen wordt het landschappelijke karakter versterkt. Het plan draagt zo bij aan de herkenbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.
De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied. Tevens is het thema 'Hardenberg Duurzaam' relevant, omdat dit belangrijke aspecten zijn voor de fysieke leefomgeving.
De gemeente zet zich al lang in om ontwikkelingen in het buitengebied bij te laten dragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het beleid beschrijft daarom voor elk landschapstype de belangrijkste gebiedskenmerken en ontwikkelingsrichtingen. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK’s). Deze vormen de natuurlijke onderlegger voor ontwikkelvisies voor verschillende deelgebieden.
In dit geval ligt het plangebied in het 'besloten veenontginningslandschap'.
De natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten in het landelijk gebied blijven voortdurend aandacht vragen. Natuur en landschap staan onder druk, vanwege de energietransitie, klimaatmaatregelen en de transitie in de landbouw. Tegelijk vormen deze ontwikkelen juist een kans om bij te dragen aan de Landstad Hardenberg.
Een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing van vrijkomende agrarische bebouwing is hiervan een voorbeeld. De regeling ‘Erven met kwaliteit’ (voorheen rood-voor-rood) is hiervan de uitwerking. Ruimtelijke kwaliteit ziet de gemeente als “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is”. De provincie gebruikt deze omschrijving ook.
Het verband tussen de fysieke leefomgeving en de gezondheid wordt steeds meer gezien. Vergeleken met de groten steden staat Hardenberg er goed voor. Door de naoberschap en de goede leefkwaliteit zijn de inwoners in staat om zelf regie te voeren over hun gezondheid. Die kwaliteiten wil de gemeente versterken. De gemeente gaat positieve gezondheid en samenwerkingen stimuleren.
De gemeente stimuleert woningeigenaren om te investeren in duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Zo blijft de particuliere woningvoorraad ook in de toekomst aantrekkelijk. De gemeente wil minder energie verbruiken en duurzame energie opwekken. De gemeente werkt samen met andere partijen om iedereen goed te informeren en bewust te maken. Ook wil de gemeente zelf het goede voorbeeld geven.
Duurzame stroomopwek en de warmtetransitie moeten op een goede manier een plek krijgen in het landschap. Daarnaast reserveert de gemeente voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen en voor klimaatadaptatie.
Deze ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente om kwaliteit toe te voegen. Met de sloop van landschapsontsierende gebouwen wordt hier aan bijgedragen. Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Door de sloop van de schuren zal de verharding flink afnemen. Daarnaast wordt het plangebied ingericht conform een landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1) waarbij rekening is gehouden met de gebiedskenmerken ter plaatse en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het thema 'Hardenberg Duurzaam' geldt dat er in het plangebied verharding afneemt en dus meer ruimte ontstaat in het gebied om water te bergen. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied.
De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zijn:
De hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald:
In dit geval is het thema 'wonen' van belang:
Dit heeft de gemeente vertaald in een aantal uitgangspunten/doelstellingen:
Wonen in het buitengebied wordt niet meer gezien als een ongewenste functie maar als een waardevol deel van het totale woningaanbod van de gemeente. De gemeente streeft dan ook naar het in stand houden van een gevarieerd aanbod van woonmilieus.
Het plangebied ligt in het gebied 'Dedemsvaart-Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim, Bergentheim-Zuid' en het landschapstype 'besloten veenontginningslandschap'. De ontwikkelingsrichting is een 'landbouwontwikkelingsgebied met economische zone'.
Het initiatief om 3 woningen te bouwen op een agrarisch erf in het gebied 'Dedemsvaart-Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim, Bergentheim-Zuid' sluit aan bij de uitgangspunten van de Visienota Buitengebied Hardenberg. Door sloop van landschapsontsierende agrarische bebouwing en de omzetting van de bedrijfswoning naar reguliere woning wordt bijgedragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het realiseren van woningen past binnen het thema ‘wonen’, waarbij hergebruik van agrarische erven en het toevoegen van gevarieerde woonmilieus worden gestimuleerd. Ook het benutten van bestaande linten of erfstructuren wordt als positief gezien. De gebiedsgerichte benadering biedt binnen het veenontginningslandschap ruimte voor ontwikkeling mits deze landschappelijk goed wordt ingepast. Dit is beschreven in het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1). Het initiatief is in overeenstemming met de visienota buitengebied Hardenberg.
De raad van de gemeente Hardenberg heeft op 16 juli 2024 de gewijzigde beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ vastgesteld. De doelstelling van het beleid is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen.
Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden gezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten:
Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw dat niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is, heeft geen gebruikswaarde. Deze komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend.
Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de "nee, tenzij" benadering toegepast. In de overige gebieden wordt de "ja, mits" benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling.
De gemeente werkt met sloopbewijzen, van minimaal 200 m2 met asbest en minimaal 300 m2 zonder asbest. Met de invoering van sloopbewijzen wordt het mogelijk om de te slopen landschapsontsierende gebouwen, in te brengen in een plan waarvoor sloopcompensatie nodig is. Het sloopbewijs is tien jaar geldig en is verhandelbaar.
Minimaal te slopen oppervlakte
De minimale sloopoppervlakte aan landschapsontsierende gebouwen voor de bouw van een woning bedraagt 850 m2 met asbest en 1.000 m2 zonder asbest. Bij combinaties van sloop met en zonder asbest wordt naar rato gerekend. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing. Omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt.
Locatie nieuwbouw
Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. De bouw van de compensatiewoning moet bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming.
Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied. Of door de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een sloopbewijs.
Eén erf-gedachte
Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan.
Het initiatief voorziet in de bouw van drie compensatiewoningen op hetzelfde erf, waarbij 2.199 m2 met asbest en 2455 m2 zonder asbest wordt gesloopt. Omgerekend naar asbest gaat het om 2.199 m2 + (2.455 x 0,85 =) 2.087 m2 = 4.286 m2. Zoals beschreven in paragraaf 2.2 wordt hiervan 850 m2 verkocht aan de Mulderij 1 in Dedemsvaart, 82 m2 aan Dedemsvaartseweg-Zuid 65 in Lutten en 274 m2 aan Gramsbergerweg 86 in Hardenberg. Omdat de nieuwbouw op het bestaande erf plaatsvindt en de ontwikkeling gepaard gaat met blijvende sloop en een ruimtelijk kwaliteitsplan, sluit het initiatief aan bij de doelstellingen van de gemeente. Toepassing van de één-erfgedachte bij de erfinrichting versterkt de bestaande erfstructuur en waarborgt de ruimtelijke kwaliteit.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit'.
Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast.
Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen. Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten de gemeente. En zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf.
De afgelopen jaren is sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt.
Met name in de kleinere kernen en buitengebieden bevinden zich grote boerderijen op grote kavels. Vanwege het grote onderhoud en het (te) grote oppervlak worden deze woningen steeds minder aantrekkelijk voor een zelfstandig huishouden. Door de mogelijkheid van woningsplitsing te vergroten kunnen deze ruime woningen geschikt maken worden voor meerdere (kleine) huishoudens.
Dit plan voorziet in de bouw van drie nieuwe woningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Hiermee levert het initiatief een bescheiden bijdrage aan de woningbouwopgave die in de gemeente Hardenberg bestaat. Het initiatief is in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen en gebouwen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
In voorliggend geval worden drie nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Aangezien een bedrijfswoning reeds als geluidgevoelig object wordt aangemerkt, betreft dit geen toevoeging van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Derhalve behoeft deze woning niet te worden betrokken in de toetsing op geluidbelasting.
De dichtstbijzijnde weg, de Hoopsteeweg, is een zeer rustige en verkeersluwe weg die hoofdzakelijk gebruikt wordt voor bestemmingsverkeer. Van doorgaand verkeer is hier nauwelijk sprake. Het doorgaande verkeer richting de omliggende kernen beweegt zich voornamelijk voort via de N343 en de Duitslandweg. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Dit wordt bevestigd door de Geluidskaart van de Atlas Leefomgeving. Een uitsnede van deze kaart is te zien op afbeelding 4.1, waarin het plangebied roodomkaderd is. Gezien het feit dat de nieuwe woningen op enige afstand van de Hoopsteeweg zijn beoogd kan op basis hiervan worden aangenomen dat zal worden voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl.
Afbeelding 4.1: Uitsnede kaart 'geluid wegverkeer' (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het plangebied bevindt zich op circa 2,1 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Het projectgebied ligt hiermee niet in het geluidaandachtsgebied van het spoor. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk.
De VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) biedt richtafstanden tussen milieugevoelige functies en verschillende categorieën bedrijven, met als doel een verantwoorde ruimtelijke scheiding te waarborgen. In het kader van dit project is een gedetailleerde analyse uitgevoerd van de omliggende bedrijven binnen een straal van 300 meter rondom het projectgebied.
In onderstaande tabel zijn deze bedrijven opgenomen, inclusief de relevante richtafstanden en de feitelijke afstand tot het plangebied. Bij deze beoordeling is uitgegaan van de kwalificatie 'gemengd gebied', gezien de verscheidenheid in aanwezige functies in de omgeving (agrarisch, wonen, sport,...).
| Adres en functie |
Richtafstand geluid (gemengd gebied) |
Daadwerkelijke afstand (circa) |
| Hoopsteeweg 15 Agrarisch perceel met bouwvlak |
50 m | 65 m |
| Hoopsteeweg 11 Agrarisch perceel met bouwvlak |
50 m | 185 m |
| Broekdijk 13 Agrarisch perceel met bouwvlak |
50 m | 275 m |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er wordt voldaan aan de richtafstanden. Nader onderzoek naar geluid door individuele bedrijven is dan ook niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Met het voornemen wordt op een agrarisch perceel een woonfunctie mogelijk gemaakt. Om te toetsen of de bodem geschikt is voor langdurig menselijk verblijf is een milieuhygiënisch bodemonderzoek door Montferland Milieu B.V. uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze ruimtelijke motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusie(s) uit het onderzoek:
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Gelet op de aard en omvang van het project, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een onderzoek naar luchtkwaliteit kan daardoor achterwege worden gelaten.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor activiteiten die geur veroorzaken gelden regels, bijvoorbeeld afstandsnormen tot woningen. Omgekeerd moet bij het toestaan van woningen rekening worden gehouden met deze afstandsnormen, om te voorkomen dat een woning wordt gebouwd in een geurzone. Voor veehouderijen zijn de regels opgenomen in de Verordening Geurhinder en veehouderij. Voor bijvoorbeeld mestopslagen zijn de regels opgenomen in artikel 5.123 Bkl.
Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van 3 compensatiewoningen mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Een woning is een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van het plangebied ligt één veehouderij. Het gaat om 't Lijntje 18, Bruchterveld waar rundvee wordt gehouden. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom. Hiervoor geldt een vaste afstand van 50 meter. De veehouderij aan 't Lijntje 18 in Bruchterveld ligt op circa 350 meter afstand van het plangebied. Andere agrarische percelen in de omgeving liggen ook op meer dan 50 meter afstand van de beoogde woningen. Daarnaast bevinden zich aan de Hoopsteeweg 15 mestsilo's. Deze liggen op meer dan 100 meter afstand van de beoogde woningen. De conclusie is dat in het plangebied geen sprake is van geurhinder. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd gezien worden de agrarische bedrijven niet belemmerd door dit plan.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 2,1 kilometer ten westen van het projectgebied. Van enige hinder als gevolg van trillingen is dan ook geen sprake.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte.
Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.
In het plangebied is voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Hierdoor wordt de hoeveelheid kunstlicht verminderd. Er is geen sprake van lichthinder.
Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.
De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving.
De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen.
Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'normale procedure'. In Bijlage 3 is het resultaat van de watertoets opgenomen.
Met de sloop van de landschapsontsierende gebouwen neemt de hoeveelheid verharding in het plangebied af. Daarnaast wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast waarbij groenvoorzieningen worden aangelegd. Hiermee wordt bijgedragen aan de infiltratie van hemelwater en het vasthouden van water in het gebied waarmee een positieve bijdrage wordt geleverd aan de lokale waterhuishouding.
Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om:
Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het volledige plangebied is weergegeven met een rode omlijning.
|
| Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving) |
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat voorgenomen ontwikkeling niet in een risicogebied ligt. Het projectgebied ligt tevens op voldoende afstand dat een uitgebreider onderzoek naar risicobronnen niet noodzakelijk wordt geacht.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:
De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.
Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan.
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
De archeologische verwachting is verwerkt in het omgevingsplan van rechtswege. Ter plaatse van het plangebied is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Hiermee geldt een lage archeologische verwachting voor het plangebied. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist.
Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen:
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Het plan voorziet in de toevoeging van drie woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Hardenberg. Wanneer een plan voorziet in woningen niet meer dan 11 woningen dan wordt dit niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'.Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. De gemeente Hardenberg heeft dit gedaan middels de Landschap Identiteits Kaarten.
De gemeente heeft voor het gebied een Landschap-Identiteit-Kaart (LIK) gemaakt. In de LIK wordt de identiteit van het gebied bepaald. Op deze wijze wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied versterken.
In dit geval ligt het plangebied in het deelgebied 'LIK Radewijk, Hoogenweg, Bruchterveld, Sibculo'.
De gemeente wil regie voeren op de ontwikkeling van het landelijk gebied. De identiteit van het gebied komt voort uit de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende landschapstypen. In de LIK is daarom een onderscheid gemaakt tussen de verschillende landschapstypen die in het gebied voorkomen. Vervolgens is voor het gebied een overzicht gemaakt met de waardevolle en storende kenmerken. Er is ook een visie (wensbeeld) op de toekomstige ontwikkelingen gegeven.
Er is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. De landschappelijke kenmerkende waarden van het besloten veenontginningslandschap zijn als uitgangspunt genomen. De landschapsmaatregelen bestaan uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting binnen het plangebied. De LIK is gekoppeld aan de regels ter bescherming van de landschappelijke kenmerkende waarden. Hiermee is het plan in overeenstemming.
Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom is deze van toepassing.
Voor Hardenberg zijn drie gebieden te onderscheiden op basis van de gebiedskarakteristieken. In onderstaande afbeelding zijn de grootste verschillen weergegeven.
|
| Afbeelding 7.1: Uitsnede welstandsgebieden (Bron: Gemeente Hardenberg) |
De gemeente onderscheidt per gebied drie niveaus van welstand.
Het plangebied ligt in niveau 1 voor welstand.
Er worden in het plangebied 3 nieuwe woningen gerealiseerd. Door het verwijderen van landschapsontsierende bebouwing wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Er worden passende materialen gebruikt die aansluiten bij de architectonische aard van de omgeving. De woningen zullen daarnaast landschappelijk worden ingepast (Bijlage 1) waarbij wordt aangesloten op de gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap.
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden-Reggegebied'. Dit ligt op ongeveer 6,4 kilometer van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder wordt tevens gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Hiervoor is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd (Bijlage 4).
Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.
Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 3,4 kilometer afstand van het plangebied. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in het NNN. Het plan gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Om het plan te realiseren moeten er drie bomen verwijderd worden: twee elzen (stamomtrekken 90 en 97 cm) en een berk (stamomtrek 57 cm). Dat is geen bezwaar, omdat enerzijds de elzen een relatief beperkte levensduur hebben en anderzijds de kap in ruime mate wordt gecompenseerd door aanplant van elzen en eiken die ten minste dezelfde potentie hebben als de twee aanwezige elzen. Een kapvergunning is niet nodig voor houtopstand die wordt geveld als gevolg van uitvoering van een bouwwerk overeenkomstig een vastgesteld wijzigingsplan, waarbij bij het besluit is aangegeven welke houtopstand het betreft (artikel 4:11 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening). Het betreft de drie bomen naast de schuur met het rode dak op onderstaande foto's.
Afbeelding 8.1: Locatie houtopstanden op het erf (bron: Slagboom en Peeters Luchtfotografie)
Afbeelding 8.2: Locatie houtopstanden op het erf (bron: PDOK, bewerkt)
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is.
In het kader van de voorgenomen is reeds een sloopmelding conform het 'Erven met kwaliteit' beleid geaccepteerd. De landschapsontsierende gebouwen zijn reeds gesloopt. Er is hierbij geen quickscan flora en fauna noodzakelijk. Er is geen sprake van een flora- en fauna-activieit omgevingswet.
Het aspect 'soortenbescherming' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op de natuur.
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Dit zijn bijvoorbeeld wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken (rivieren etc.). Voorbeelden van beperkingengebiedactiviteiten zijn het plaatsen van een reclamebord naast een snelweg of het bouwen op een zeedijk. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied).
Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Hoopsteeweg. Deze weg heeft geen beperkingsgebied. Het plangebied ligt daarmee niet binnen een beperkingsgebied.
Het plangebied ligt niet binnen een beperkingsgebied.
Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving.
Er worden geen bodemwerkzaamheden verricht waarbij ondergrondse kabels of (hoogspannings)leidingen worden geraakt.
Het plangebied heeft geen nadelige gevolgen op de kabels en leidingen.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
Het plan gaat uit van de sloop van landschapsontsierende bebouwing en de bouw van drie compensatiewoningen. Het terrein krijgt een woonfunctie. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J11).
Beoordeeld moet worden of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de potentiële effecten.
Het project heeft geen aanzienlijke milieugevolgen vanwege:
Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur.
In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
In dit geval zijn de vier overliggende percelen (Hoopsteeweg 11, 13, 15 en 17) geïnformeerd over het voornemen. De initiatiefnemer heeft deze bewoners persoonlijk benaderd en met hen het beoogde plan en het ruimtelijk kwaliteitsplan, inclusief de landschappelijke inpassing, besproken. Uit de gesprekken zijn geen bezwaren of aanvullende opmerkingen naar voren gekomen. Alle bewoners hebben ingestemd met het plan. De initiatiefnemer streeft ernaar de bewoners ook in het verdere verloop van de wijziging van het omgevingsplan op de hoogte te houden. Het participatieverslag is opgenomen als Bijlage 5 bij deze ruimtelijke motivering.
Het plan is voorgelegd aan de provincie Overijssel. Naar aanleiding van een opmerking over de grootte van het woonbestemmingsvlak is de plankaart aangepast, in die zin dat het woonbestemmingsvlak is verkleind.
Het plan wordt als ontwerp gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Het is voor een ieder mogelijk om een zienswijze in te dienen. Deze paragraaf wordt nader ingevuld na afloop van de terinzagelegging.
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:
Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.