direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0158.BP1219-0002

Regels

Preambule

Dit plan beoogt het realiseren van drie woongebouwen op een voormalige bedrijfslocatie aan de Albert Cuyplaan 58 in de gemeente Haaksbergen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Haaksbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Haaksbergen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden.

De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22a bij het omgevingsplan van de gemeente Haaksbergen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

Het TAM-Omgevingsplan "Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink" met identificatienummer NL.IMRO.0158.BP1219-0002 van de gemeente Haaksbergen.

1.2 TAM-Omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 de verbeelding

De analoge en digitale voorstelling van de in het TAM-Omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijk informatie met nummer NL.IMRO.0158.BP1219-0002

1.4 aaneengebouwd bijbehorend bouwwerk

ondergeschikt aan het hoofdgebouw waarbij het bijbehorend bouwwerk aangebouwd aan het hoofdgebouw is uitgevoerd en hiermee in directe verbinding staat;

1.5 aan huis verbonden bedrijf

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang dusdanig is dat de activiteit in een woning en/of daarbij behorende andere gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

1.6 aan huis verbonden beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.7 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.8 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.9 andere werken

een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;

1.10 archeologische waarde

De waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

1.11 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.12 bebouwingspercentage

Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.13 bed & breakfast

Een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of siezoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;

1.14 bedrijf

Een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende activiteiten;

1.15 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep dan wel een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke, bestaand of vergund op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

1.16 beroepsmatige activiteiten

een beroep, of beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij bijbehorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgevoerd;

1.17 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.18 bijgebouw

Een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.19 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.20 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.21 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.22 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.23 bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

1.24 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.25 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.26 bruto vloeroppervlak (bvo)

De som van de horizontale vloeroppervlakte van de bouwlagen, met inbegrip van de daarbij behorende kantoren, magazijnen, werkplaatsen en overige dienstruimten, buitenwerks gemeten;

1.27 carport

Een overkapping in de vorm van een open constructie met minimaal twee open wanden voor de overdekte stalling van motorvoertuigen;

1.28 commerciële ruimte

een gebouw of een deel van een gebouw dat gebruikt wordt voor horeca, kantoor, maatschappelijke dienstverlening, detailhandel en/of andere activiteiten;

1.29 dak

Iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.30 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.31 dienstverlening

Het verlenen van financiële, economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van prostitutie;

1.32 eerste bouwlaag

De bouwlaag op de begane grond;

1.33 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.34 geluidsgevoelige functies

Geluidsgevoelige functies zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving;

1.35 geluidsgevoelige gebouwen

Gebouwen welke dienen ter bewoning en andere geluidsgevoelige functies als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving;

1.36 hoofdgebouw

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.37 huishouden

Een verzameling van één of meer personen die een woonruimte bewoont en daar zichzelf voorziet, of door derden wordt voorzien, in dagelijkse levensbehoeften;

1.38 horeca - 1: restaurants

Inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, alsmede het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, uitgezonderd gokhallen. Het accent ligt daarbij op de verkoop van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, hieronder worden afhaalcentra en cafetaria's mede begrepen;

1.39 horeca - 2: cafés en overige drinkgelegenheden

Inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van kleine etenswaren, uitgezonderd gokhallen. Het accent ligt op de verkoop van dranken dan wel op het verstrekken van kleine etenswaren;

1.40 inwonen

Wonen in een ondergeschikt deel van een woning als medegebruiker van het pand waarbij de gezamenlijke oppervlakte van de inwoonsituatie niet groter mag zijn dan 30% van de totale leefruimte van de woning;

1.41 inwoning

Twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn;

1.42 kap

De volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm dan wel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°;

1.43 kampeermiddel

een tent, tentwagen, een kampeerauto of een caravan, niet zijnde een stacaravan of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.44 kantoor

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.45 mantelzorg

Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband in de vorm van inwoning en/of afhankelijke woonruimte; als afhankelijke woonruimte wordt aangemerkt een aanbouw, uitbouw of (vrijstaand of aangebouwd) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest;

1.46 maatschappelijke dienstverlening

Het verlenen van diensten in de medische, sociale, educatieve, culturele, administratieve sfeer en andere vormen van dienstverlening, die een min of meer openbaar karakter hebben, met uitzondering van een seksinrichting. Hieronder wordt mede begrepen voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, jeugdopvang en naschoolse opvang;

1.47 normale onderhouds- of expoitatiewerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

1.48 nutsvoorzieningen

voorzieningen al dan niet in de vorm van gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de waterhuishouding, riolering, de inzameling van huisvuil, de distributie van gas, water, elektra, telematische diensten, het openbaar vervoer en vergelijkbare doeleinde;

1.49 omgevingsvergunning

Een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Omgevingswet (hierna Ow);

1.50 omgevingsplanactiviteit - voor het uitvoeren van een werk/werkzaamheden niet zijnde een bouwwerk

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, op grond van artikel 5.2 geldt in geval van werkzaamheden groter dan 100.000 m2 en dieper dan 0,4 een vergunningsplicht voor het uitvoeren van werk, geen gebouw zijnde of werkzaamheden;

1.51 omgevingsplanactiviteit - het afwijken van de regels van het omgevingsplan

Omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 5.2;

1.52 ondergeschikte functie

Functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt;

1.53 overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.54 overkapping

Een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren;

1.55 pand

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.56 peil
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
  • b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;
1.57 perceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.58 perceelsgrens

Een grens van een perceel;

1.59 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding;

1.60 seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.61 uitbouw

Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.62 voorgevel

De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt;

1.63 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc;

1.64 weg

Een voor gemotoriseerd verkeer geschikt gemaakte strook grond;

1.65 wonen

de huisvesting van één huishouden in een woning;

1.66 woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.67 wooneenheid

Elke eenheid in een woongebouw die ontworpen is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette. Een klassieke gezinswoning telt dus meestal één wooneenheid;

1.68 woongebouw

Gebouw of gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;

1.69 zorgbehoefte

Behoefte aan zorg, in het kader van beleid gebruikt voor de veronderstelde wens en noodzaak van zorg;

1.70 zorgwoning

Een woning of een zelfstandig gedeelte van een woning dat bedoeld is voor de huisvesting van een of meer personen die zorg of ondersteuning nodig hebben, waarbij deze zorg structureel wordt verleend en waarbij de woonfunctie ondergeschikt kan zijn aan of gecombineerd wordt met een zorgfunctie;

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt.

Voor zover de meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 in strijd zijn met de meet- en rekenbepalingen in dit artikel, gaan deze meet- en rekenbepalingen voor.

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
  • a. vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  • b. in afwijking van hetgeen gesteld onder a geldt dat ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouw', de bouwhoogte gemeten wordt vanaf de bovenzijde van de 1e bouwlaag;
2.2 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.

2.7 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;

2.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.

2.9 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, installatieonderdelen waaronder buitenunits voor verwarmingssystemen en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 3 meter bedraagt bij balkons en 1,5 meter bij alle andere ondergeschikte bouwdelen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder b, g, h, i of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Hartgerink, Albert Cuyplaan 58 waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0158.BP1219-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzing

Artikel 4 Wonen

4.1 Functieomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor:

  • a. 57 wooneenheden, met dien verstande dat in afwijking, dan wel in aanvulling hierop geldt dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'Zorgwoningen', mede zorgwoningen met bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'Commerciële ruimte', mede horeca zoals bedoeld in artikel 1.38, maatschappelijke dienstverlening, detailhandel en kantoren zijn toegestaan, zover het de 1e bouwlaag betreft met een maximale oppervlakte van 180 m2;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw', uitsluitend een bijgebouw is toegestaan in de vorm van een verbindingssluis;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', mede een trafohuisje is toegestaan;
    • 5. in afwijking van de standaardwaarde voor geluid van gemeentewegen op een geluidgevoelig gebouw bedoeld in tabel 3.34 van het Bkl, een maximaal geluidsniveau van 62 Lden op de buitengevel is toegestaan;
  • b. voorzieningen ten behoeve van afvoer, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater;
  • c. de uitoefening van een beroep aan huis;

met de daarbij behorende:

  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. erven, tuinen en paden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. bijbehorende bouwwerken;
  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • j. nutsvoorzieningen ter behoeve van huisvuil verzameling;

al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis verbonden beroep.

4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels.

4.2.2 Algemene beoordelingsregel voor het bouwen

Binnen de functie 'Wonen' mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in 4.1.

4.2.3 Woongebouw

Voor een woongebouw geldt dat:

  • a. deze uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangeduide maximale goot- en bouwhoogte;
  • c. deze uitsluitend gestapeld worden gebouwd;
4.2.4 Regels voor het uiterlijk van bouwwerken

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 onder b uit de bruidsschat met betrekking tot het uiterlijk en situering van bouwwerken, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling, moet voldoen aan de bij de welstand nota toegevoegde 'Beeldkwaliteitsplan appartementen Albert Cuyplaan Haaksbergen' als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

4.2.5 Bijgebouw - verbindingssluis

Voor het bijgebouw gelden de volgende regels:

  • a. de verbindingssluis mag maximaal een breedte hebben van 2,5 meter en mag maximaal 3 meter hoog zijn;
  • b. de verbindingssluis moet voor 75% uit een glazen behuizing bestaan;
  • c. de verbindingssluis mag uitsluitend op de 2e bouwlaag gerealiseerd worden.
4.2.6 Bijbehorende bouwwerken

Voor bijbehorende bouwwerken per woongebouw gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag maximaal 75 m² bedragen;
  • b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedragen, vermeerderd met 0,25 m;
  • c. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan 3,25 m bedragen.
4.2.7 Overige gebouwen geen gebouw zijnde

Voor een bouwwerk geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van de terrein en erfafscheiding aan de achterzijde van het perceel mag niet meer dan 3,5 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer dan maximaal 6 m bedragen;
  • c. de nutsvoorziening ter hoogte van de aanduiding 'nutsvoorziening' mag een maximale oppervlakte hebben van 30 m2, maximale breedte van 2,5 m, maximale lengte van 4 m, maximale hoogte van 2,5 m en een maximale diepte van 80 cm.
4.3 Specifieke functieregels
4.3.1 Verboden gebruik

Het is verboden om binnen deze functie de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • b. het gebruik van gronden voor horeca-activiteiten zoals omschreven in artikel 1.39.
4.3.2 Parkeren

4.3.2.1 Algemene parkeer- en laad/losregels

Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde eisen ten aanzien van parkeren en/of stallen van voertuigen en/of het laden en lossen van goederen.

4.3.2.2 Specifieke parkeerregels bij bouwen

Bij omgevingsvergunning voor bouwen geldt de regel dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren en/of stallen van voertuigen wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

4.3.2.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen

Indien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet, voor wat betreft de toename in de parkeer- en/of stallingsbehoefte, op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren en/of stallen zijn gerealiseerd en in stand gehouden.

4.3.2.4 Specifieke laad- en losregels

Voor het laden en lossen van goederen moeten op eigen terrein voldoende laad- en losvoorzieningen zijn gerealiseerd en in stand gehouden.

4.3.2.5 Gemeentelijke beleidsregels

Aan de hand van de gemeentelijke beleidsregels in de "Nota Parkeernormen Haaksbergen 2024 en verder" wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende laad- en losvoorzieningen. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels.

4.3.2.6 Afwijken van de parkeer- en laad/losregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de eis dat parkeren en/of laden en lossen op eigen terrein dient plaats te vinden en de normen zoals opgenomen in de "Nota Parkeernormen Haaksbergen 2024 en verder" mits wordt voldaan aan de in de "Nota Parkeernormen Haaksbergen 2024 en verder" opgenomen regels en voorwaarden.

4.3.2.7 Specifeke gebruiksregels

Tot een gebruik in strijd met de functie(s) wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en/of bouwwerken, waarbij niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende laad- en losvoorzieningen.

4.3.3 Voorwaardelijke verplichting - waterberging

Het gebruik van gronden en bouwwerken met de functie 'Wonen' is slechts toegestaan indien de waterbergingsvoorzieningen met inachtneming het waterhuishoudkundigplan zijn aangelegd en nadien in stand gehouden worden, met dien verstande dat op het moment dat met de oplevering van de eerste woning wordt gestart, deze waterbergingsvoorzieningen gereed zijn.

4.3.4 Voorwaardelijke verplichting - geluid

In afwijking van de standaardwaarde voor geluid van gemeentewegen op een geluidgevoelig gebouw bedoeld in tabel 5.78t van het Bkl is een maximaal geluidniveau van 62 dB Lden op de buitengevel toegestaan.

Tot een met de functie 'Wonen' strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en geluidsgevoelige gebouwen ter plaatse van de functie 'Wonen' overeenkomstig de functieomschrijving, zonder dat:

  • a. een gevelweringsonderzoek is ingediend bij en goedgekeurd door het bevoegd gezag, waarin is aangetoond dat door middel van geluidwerende gevelmaatregelen een minimale karakteristieke geluidwering wordt bereikt die voldoet aan artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, een en ander in overeenstemming met het akoestisch onderzoek opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels;
  • b. de maatregelen die voortkomen uit het gevelweringsonderzoek, dan wel maatregelen van een gelijkwaardig dempingsniveau, zijn uitgevoerd en in stand worden gehouden voordat de gebouwen in gebruik worden genomen voor de functie 'Wonen';
  • c. voor de woningen aan de oostgevel van gebouw A (Goorsestraat) geldt aanvullend dat:
    • 1. ter plaatse van de balkons voorzieningen zijn aangebracht, zodanig dat het geluidniveau op (een deel van) het balkon niet meer bedraagt dan 58 dB; en
    • 2. de slaapkamers:
      • zijn voorzien van een gebalanceerd ventilatiesysteem, zodanig dat ventilatie mogelijk is zonder het openen van ramen; of
      • zijn uitgevoerd met geluidwerende voorzieningen aan de te openen geveldelen, zodanig dat op deze geveldelen wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB.
4.4 Omgevingsplanactiviteiten

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.1, sub b:

voor het toestaan van het verhogen van het maximale aantal wooneenheden naar 59 wooneenheden, mits:

  • 1. de realisatie van deze wooneenheden uitsluitend in de woongebouwen ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoningen' worden gerealiseerd;
  • 2. deze afwijkingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van wonen;
  • 3. er sprake blijft van één hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de wooneenheden wordt verschaft;
  • 4. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 5. er nog steeds kan worden voldaan aan de specifieke functieregels voor parkeren zoals gesteld in 4.3.2.

Artikel 5 Waarde - Lage archeologische verwachting

5.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Lage archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor de bescherming van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.

5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren over een oppervlakte groter dan 100.000 m2 en dieper dan 0,4 m:
    • 1. het graven (inclusief het leggen van funderingen), ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en ophogen;
    • 2. het graven of dempen van waterpartijen en watergangen;
    • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 4. het verlagen van het waterpeil in gebieden;
    • 5. het aanbrengen of rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 5.2, sub a wordt slechts verleend indien de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Alvorens het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verleend, winnen zij advies in bij een daarvoor deskundige en onafhankelijke instantie.
  • c. De onder 5.2, sub a bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:
    • 1. plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
    • 2. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
    • 3. het normale onderhoud betreffen;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
    • 5. op archeologisch onderzoek zijn gericht;
    • 6. plaatsvinden in of op een begraafplaats ten behoeve van het delven van graven.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene functieregels

Het is verboden om binnen deze functies de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de functie gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
  • d. het gebruik van niet bebouwde gronden voor kampeermiddelen;

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

Met een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, afgeweken worden van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de functiebepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of – intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. de functiebepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.
  • d. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • e. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  • f. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 6 m²bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maalde maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt.
  • g. ten behoeve van de bouw van bouwwerken voor openbare diensten, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud ten hoogste bedraagt 50 m3;
    • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1, de inhoud van een gasdrukregel- en meetstation ten hoogste bedraagt 15 m3;
    • 3. de bouwhoogte ten hoogste bedraagt 3,5 m;
  • h. ten aanzien van het bepaalde over het bouwen van (hoofd)gebouwen binnen het bouwvlak en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    • 3. (hoek-)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bebouwingsgrens met niet meer dan 3 m wordt overschreden en de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 4. installatieonderdelen waaronder bijvoorbeeld buitenunits van verwarmingssystemen.
  • i. ten aanzien van het bepaalde omtrent de situering van bijgebouwen ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw, ten behoeve van de bouw van (hoek-)erkers over maximaal de halve gevelbreedte.

Artikel 9 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Het is verboden:

  • a. gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met dit omgevingsplan;
  • b. zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, wijzigen of uit te breiden, tenzij dit op grond van dit omgevingsplan is toegestaan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 10.1 onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Artikel 10.1 onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 10.2 onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in artikel 10.2 onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Artikel 10.2 onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.