direct naar inhoud van 4.11 Broekontginningenlandschap
vastgesteld
NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01

4.11 Broekontginningenlandschap

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0088.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0089.jpg"

4.11.1 Karakteristiek

Het gebied rond de Marshoek is een lagergelegen, nat gebied. In de middeleeuwen is dit gebied ontgonnen volgens een nu nog karakteristiek en uniek visgraatpatroon. De bebouwing concentreert zich langs de weg die midden door het gebied heen loopt. De bebouwing zelf is weinig waardevol. Slechts één boerderij is als monument aangemerkt.

Het gebied kent een grote openheid, waardoor de aanwezige eendenkooi extra opvalt. De watermolentjes zijn typerend voor de lagere, natte gebieden in Overijssel. Het broekontginningenlandschap is een echt landbouwgebied.

Laag van de natuurlijke ondergrond

  • 1. Natte laagte.
  • 2. Kwel.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

  • 1. Vlak, open agrarisch landschap met boerderijen aan centrale ontginningsas.
  • 2. Middeleeuwse verkaveling in visgraatpatroon.
  • 3. Als grasland in gebruik.
  • 4. Beplanting in de vorm van enkele bosjes, perceelsbeplanting en wegbeplanting.
  • 5. Op de agrarische erven is vaak sprake van schaalvergroting van de bebouwing.

De stedelijke laag

  • 1. Sloten en greppels onder scherpe tot rechte hoek op de ontginningsbasis.
  • 2. Regelmatige, rechthoekige kavelstructuur.
  • 3. Het gebied wordt doorsneden door de spoorlijn Zwolle-Emmen.

De lust- en leisurelaag

  • 1. Aanwezigheid van een eendenkooi.
  • 2. De oude inpoldering is cultuurhistorisch waardevol.
4.11.2 Ontwikkelingsrichting

Kernkwaliteit

Het gebied kenmerkt zich door een opvallende visgraatvormige verkaveling met een centrale ontginningsas waarlangs de bebouwing staat. Het is een relatief open agrarisch productiegebied.

Ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0090.jpg"

In 2030 is de landbouw de belangrijkste gebruiker van het gebied en daarmee beeldbepalend, maar voegt zich ook in de structuren van het gebied en levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van het landschap. De lage ligging van het gebied en de natte omstandigheden geven het gebied betekenis voor de waterberging.

De gemeente zet in dit gebied in op economische groei binnen de kaders van het landschap. Het is een gebied dat zich goed leent voor agrarische ontwikkelingen: milieubelemmeringen doen zich nauwelijks voor, hoewel er een grondwaterbeschermingsgebied is, en waardevolle natuurgebieden bevinden zich op ruime afstand. De ontwikkelingen moeten echter worden afgestemd op en ingepast binnen de landschappelijke kaders.

Ontwikkelingsrichting per functie

In het navolgende is de algemene ontwikkelingsrichting vertaald naar de verschillende functies in het buitengebied.

1. Landbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0091.jpg"   De landbouw is de belangrijkste gebruiker van het gebied en blijft ook in de toekomst beeldbepalend. De landschapsstructuur in dit deelgebied kan ontwikkelingen als schaalvergroting en verbreding goed verdragen. De landbouw geldt dan ook als leidend in de algehele ontwikkelingsrichting van dit deelgebied, maar voegt zich in de structuren van het gebied en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van het landschap.
De gemeente staat dan op voorhand ook positief tegenover ontwikkelingen die bijdragen aan een optimalisatie van de landbouw. De landbouwsector krijgt de ruimte om initiatieven te ontplooien die het boerenbedrijf economisch zullen versterken en bijdragen aan een toekomstbestendig landbouwbedrijf. Daarbij zal de gemeente wel toetsen in hoeverre de ontwikkelingen in de landbouw geen afbreuk doen aan de landschappelijke kaders en de relatief kleine schaal van het bebouwingslint. Grotere erven, stallen of percelen horen tot de mogelijkheden, mits passend in de omgeving. Dat vraagt bijzondere aandacht van betrokken (landschaps)architecten in het ontwerp ervan.  

2. Werken

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0092.jpg"   Bestaande functies (ook niet-agrarische) krijgen mogelijkheden om door te groeien, waarbij het landschap de grens bepaalt. De gemeente Dalfsen kiest ervoor om nieuwe niet-agrarische functies een plek te geven binnen de ontginningsas. Daarmee kan de levendigheid van het bebouwingslint worden vergroot en wordt geen afbreuk gedaan aan de openheid daarbuiten.
Het huidige VAB-beleid vormt het kader voor de realisatie van nieuwe niet-agrarische (bedrijfs)functies.
 

3. Landschap en cultuurhistorie

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0093.jpg"   Zoals gezegd, is de landschapsstructuur helder. Ontwikkelingen kunnen daardoor relatief gemakkelijk worden ingepast in dit deelgebied. Uiteraard staat daarbij voorop dat de bestaande landschapsstructuur als vertrekpunt wordt gekozen. Het LOP biedt hiervoor ook handreikingen.
Het broekontginningenlandschap kent een grote openheid en heeft een kenmerkende visgraatachtige verkavelingsstructuur. In deze openheid liggen de erven als groene puntelementen.
De gemeente streeft ernaar dat nieuwe ontwikkelingen dit karakter versterken, passend bij de structuur van het landschap. Ontwikkelingen die een verdichting van de openheid met zich meebrengen, worden afwachtend tegemoet getreden en krijgen bij voorkeur een plek in of nabij het meer verdichte lint.
Als er sprake is van de vergroting van erven of realisatie van nieuwe erven, dan zal de gemeente bijzondere aandacht hebben voor de inpassing van het erf in het landschap. De focus ligt daarbij op het herstel en de aanleg van nieuwe perceelsrandbeplantingen om zo het kleinschalige karakter van het lint te versterken.
 

4. Natuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0094.jpg"   De open agrarische gebieden en het meer besloten lint vormen een aantrekkelijk leefgebied voor diverse soorten planten en dieren. Het streven is er op gericht dit landschapsbeeld te behouden en te versterken. Dit zal de ecologische variatie ten goede komen.
De natuur speelt in het dit broekontginningenlandschap een ondergeschikte rol. In dit deelgebied streeft de gemeente niet actief naar de aanleg van nieuwe natuurgebieden. De ligging nabij de Vecht biedt kansen voor waterberging in het gebied. De vochtige omstandigheden geven de mogelijkheid voor (natte) natuurontwikkeling.
 

5. Recreatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0095.jpg"   Zoals eerder aangegeven, streeft de gemeente in dit deelgebied naar economische ontwikkeling binnen de landschappelijke kaders. Binnen dit uitgangspunt past het bieden van ruimte voor verblijfs- en/of dagrecreatie. Omdat echter een grote verdichting van het agrarisch productielandschap niet wordt voorgestaan en ontwikkelingen binnen het lint zijn afgestemd op de maat en schaal daarvan, is het niet waarschijnlijk dat in dit deelgebied ruimte zal zijn voor grootschalige vormen van dag- of verblijfsrecreatie. De gemeente ziet wel kansen voor kleinschalige vormen van recreatie, bijvoorbeeld als neventak op agrarische erven of in vrijkomende (agrarische) bebouwing.
 

6. Wonen

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0096.jpg"   Het deelgebied vormt een waardevol agrarisch productiegebied. De gemeente zet in op een versterking en uitbreiding van deze economische functie van het gebied. Uitbreiding van de woonfunctie ligt dan ook niet voor de hand Bestaande woningen worden echter gerespecteerd en in het kader van het VAB-beleid (inclusief Rood voor rood) kunnen nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen het bebouwingslint. Daarbij zal de gemeente wel afstemming zoeken met omringende functies om te voorkomen dat de landbouwkundige functie van het gebied wordt beperkt.

 

7. Landgoederen

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0097.jpg"   De broekontginning is niet geschikt voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Zo staat de mogelijke verdichting van het landelijk gebied door de aanleg van een landgoed op gespannen voet met de aanwezige openheid. Daarnaast kunnen nieuwe landgoederen een belemmering vormen voor de landbouwfunctie. Nieuwe landgoederen worden dan ook als niet passend beschouwd in dit deelgebied.
 

8. Energie en water

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.SBgemDalfsen-vs01_0098.jpg"   Het broekontginningenlandschap heeft een grotendeels open karakter. Desondanks acht de gemeente het gebied ongeschikt voor windenergie, omdat ze wil aansluiten bij de bestaande opstellingen in het landschap. Daarom kiest de gemeente voor het inzetten op energiebesparing, biomassa en zonne-energie.
Aan initiatieven voor nieuwe duurzame energie-opwekkingstechnieken, zoals kleinschalige windenergie (met beperkte hoogte), wordt meegewerkt voorzover een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd.

De ligging nabij de Vecht biedt het gebied kansen voor landschapseigen waterberging in sloten en weteringen.
   
4.11.3 Ontwikkelingscriteria

In het navolgende zijn voor de broekontginningen de volgende criteria ontwikkeld, uiteengelegd in economische, sociale en ecologische duurzaamheid.

Economische duurzaamheid

  • 1. Het is van belang dat bestaande agrarische bedrijven de bedrijfsvoering kunnen aanpassen aan veranderende eisen bijvoorbeeld op het vlak van stallenbouw. De gemeente wil dan ook meewerken aan het realiseren van uitbreidingen op bestaande locaties ter versterking van de landbouw en het agrarische karakter, mits is aangetoond, bijvoorbeeld door een bedrijfsplan voor 5 jaar, dat de investering ook loont op de langere termijn.
  • 2. Als een agrarisch bedrijf voor het duurzaam voortbestaan van zijn bedrijfsvoering wil verbreden of vergroten, zal de gemeente daar op voorhand positief tegenover staan. Daarbij zal de gemeente wel kritisch kijken of de gekozen locatie voldoende geschikt is om een dergelijke ontwikkeling te kunnen accommoderen, bijvoorbeeld op het vlak van verkeer, en of de ontwikkeling voldoende goed is in te passen in de landschappelijke karakteristiek. Een erfinrichtingsplan vormt daarvoor de waarborg.
  • 3. Het bebouwingslint is de aangewezen plek voor niet-agrarische functies. Wonen, werken en recreëren krijgen hier, naast de agrariërs, de ruimte om duurzaam te groeien. Omdat echter de agrarische functie voorop staat, zal nieuwvestiging van woningen of bedrijven geen belemmering mogen vormen voor de landbouw. Het VAB-beleid vormt het kader.
  • 4. Grootschalige vormen van verblijfs- of dagrecreatie worden niet toegestaan. De gemeente wil wel meewerken aan kleinschalige vormen van recreatie als neventak bij het agrarisch bedrijf of in vrijkomend erfgoed.
  • 5. Het gebied buiten de bebouwde ontginningsas is nog vrijwel onbebouwd. Het behouden van het open karakter van dit gebied, betekent ook dat de gemeente niet zal meewerken aan nieuwvestiging op nieuwe (dat wil zeggen nog niet bebouwde) locaties in dat gebied. Wel wil de gemeente in overleg zoeken naar een andere geschikte plek dichter bij de bestaande bebouwingsclusters.

Sociale duurzaamheid

  • 1. De gemeente vindt het van belang dat nieuwe ontwikkelingen op een juiste manier een plek krijgen in het Dalfsense landschap en aansluiten bij de karakteristiek van de erven. Door middel van een (verplicht) erfinrichtingsplan kan een goede inpassing worden gewaarborgd.
  • 2. De gemeente staat een verdichting van de open structuur van het landschap en aantasting van het visgraatvormige verkavelingspatroon niet toe.

Ecologische duurzaamheid

  • 1. Inzetten op het vergroten van de biodiversiteit door kansen te benutten voor natuurontwikkeling rond de waterwinning Vechterweerd.
  • 2. De gemeente wil streven naar het behoud van vochtige omstandigheden als kwaliteit voor vegetatie en vogels en waar mogelijk de inrichting van sloot- en greppelbermen voor ecologische waarden stimuleren.

Relatie met het bestemmingsplan Buitengebied

De ontwikkelingscriteria in de structuurvisie geven ook richting aan de keuzes die voor het bestemmingsplan Buitengebied worden gemaakt voor de verschillende functies. In dit kader wordt aangegeven op welke wijze de ontwikkelingscriteria worden doorvertaald in het bestemmingsplan.

Economische duurzaamheid

  • 1. Landbouw is en blijft de belangrijkste functie en verdient voldoende ruimte voor een goede bedrijfsvoering. In principe handhaaft de gemeente het bestaande beleid. Via een wijzigingsbevoegdheid zal een mogelijkheid worden opgenomen voor een vergroting. Dit kan alleen onder de voorwaarde van de duurzame bedrijfsvoering. Dat moet dan met een integraal bedrijfsplan worden aangetoond, waarbij ook het maatschappelijk draagvlak (relatie van het bedrijf met de omgeving) en het versterken van de landschappelijke en architectonische kwaliteit (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) een onderdeel zijn. . Vanzelfsprekend moet er in alle gevallen worden voldaan aan alle verdere geldende wettelijke vereisten (milieu, veiligheid en dergelijke). Een dergelijke uitbreiding is een raadsbevoegdheid (herziening bestemmingsplan/project afwijkingsbesluit).
  • 2. Steeds vaker vormen biomassatoepassingen onderdeel van de landbouwsector. In het bestemmingsplan zal een regeling worden opgenomen die de bouw van mestvergistingsinstallaties mogelijk maakt bij bestaande agrarische bedrijven, mits aan voorwaarden wordt voldaan op het vlak van maatvoering en bereikbaarheid.
  • 3. In het bestemmingsplan zal een regeling worden opgenomen voor kleinschalige vormen van verblijfs- of dagrecreatie op bestaande bebouwde locaties (bijvoorbeeld agrarische erven). Nieuwe recreatie op onbebouwde locaties wordt uitgesloten.
  • 4. Nieuwe woningen (zoals mogelijk op grond van VAB en/of Rood voor rood) mogen geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de landbouw en overige functies. Dit zal als toetsingscriterium in het bestemmingsplan worden opgenomen.

Sociale duurzaamheid

  • 1. Boomteelt en andere functies die een verdichting van de openheid betekenen, zullen op nieuwe locaties geen ruimte krijgen, om de openheid te handhaven.
  • 2. Om de kwaliteit van het landelijk gebied te vergroten en een goede inpassing van nieuwe (bouw)plannen mogelijk te maken, zal in het bestemmingsplan het overleggen van een erfinrichtingsplan worden vereist bij de relevante ontwikkelingen die het bestemmingsplan faciliteert.

Ecologische duurzaamheid

  • 1. De intenties ten aanzien van ecologische waarden wil de gemeente op basis van vrijwilligheid realiseren. In het bestemmingsplan kunnen daarvoor geen regels worden opgenomen. In voorkomende gevallen zal initiatiefnemers worden gevraagd te onderzoeken in hoeverre een ecologische meerwaarde kan worden behaald in de beoogde ontwikkeling.