| Plan: | TAM-omgevingsplan Pastorielaan 2 te Nieuwehorne |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0074.TAM22FPastorie2NH-VG01 |
Het voormalige pastoriegebouw ter plaatse van de Pastorielaan 2 in Nieuwehorne heeft zijn functie verloren en de kerkenraad van Nieuwehorne wil het mogelijk maken dat dit gebouw in de toekomst als reguliere woning gebruikt kan worden. De huidige bebouwing bestaat uit een pastoriewoning met het daaraan vast gebouwde bijeenkomstgebouw 'it trefpunt'. Het perceel heeft op dit moment de functie 'Maatschappelijk' in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. De beschreven functiewijziging is op grond van het geldende omgevingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. In deze wijziging worden de huidige maatschappelijke activiteiten gewijzigd naar de activiteit wonen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in deze wijziging.
Het voorliggende wijzigingsbesluit heeft betrekking op het adres Pastorielaan 2 in Nieuwehorne en op het kadastrale perceel Mildam, sectie M, nummer 75. De ligging en begrenzing van het besluitgebied blijken uit de geometrie in de vorm van een verbeelding en onderstaand figuur 1. In onderstaand figuur is het besluitgebied weergegeven.
Figuur 1. Besluitgebied
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De toekomstige situatie beschrijft de doelen voor het projectgebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe deze heeft bijgedragen aan het ontwerp. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het project getoetst aan relevant beleidskader en aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de juridische vormgeving van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de haalbaarheid van het plan en vindt in hoofdstuk 8 de algehele eindconclusie plaats of het planvoornemen voldoet aan de criteria van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de bestaande situatie bevinden zich meerdere woningen aan de Pastorielaan. Aan het adres Pastorielaan 2 is een pastoriewoning met het daaraan vastgebouwde bijeenkomstgebouw 'it trefpunt'. Dit gebouw is niet meer als pastoriewoning in gebruik.
Afbeelding 1. Vooraanzicht van de voormalige pastoriewoning, vanaf de Pastorielaan.
Afbeelding 2. Zijaanzicht van het pand met zicht op het vastgebouwde bijeenkomstgebouw 'it trefpunt', vanaf de Pastorielaan.
In de toekomstige situatie is de functie van de pastoriewoning en het bijeenkomstgebouw gewijzigd van 'maatschappelijk' naar 'wonen' inclusief de mogelijkheid voor een beroep- of bedrijf aan huis van maximaal 50 m2 overeenkomstig artikel 7 van de regels behorende bij dit plan.
De regels in het omgevingsplan moeten gezamenlijk bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent in elk geval dat moet worden voldaan aan alle instructieregels van het rijk en van de provincie die hiermee te maken hebben. Die instructieregels worden in hoofdstuk 4 besproken. Als gevolg van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan komt een deel van het ruimtelijke plan (bestemmingsplan) dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan te vervallen. De regels zoals opgenomen in de bestemmingsplannen Bestemmingsplan Oude- en Nieuwehorne, Partiële herziening bestemmingsplannen parkeren, Partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur en 1e Aanpassing partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur worden vervangen door de regels in dit TAM-omgevingsplan. Hieronder is een uitsnede opgenomen van het vigerende ruimtelijke plan. De exacte grens van het wijzigingsbesluit blijkt uit de bij dit plan behorende werkingsgebieden.
Figuur 2. Uitsnede 'Bestemmingsplan Oude- en Nieuwehorne'. Rode contour: globale grens wijzigingsgebied.
Het perceel in het besluitgebied heeft de functie 'Maatschappelijk'. De gronden met deze functie zijn bedoeld voor gebouwen ten behoeve van educatieve, sociale, medische, culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsmede soortgelijke voorzieningen, of een combinatie daarvan, alsook ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen. Binnen deze functie is het gebruik van de gronden uitsluitend ten behoeve van een woonfunctie niet mogelijk.
Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit, moet bij een wijziging van het omgevingsplan aangegeven worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. Ook dient beschreven te worden wat de gemeente met de resultaten heeft gedaan. Bovendien moet een initiatiefnemer in alle gevallen aangeven of participatie heeft plaatsgevonden.
De omwonenden zijn geïnformeerd over het feit dat de gemeente in principe akkoord is met de onderhavige functiewijziging. Er is uitleg gegeven over de procedure die gevolgd wordt en op welke termijn hopelijk alles is afgerond. Uit het voorgaande zijn geen bijzonderheden of aanleidingen gekomen die tot een aanpassing van het plan hebben geleid. De uitnodigingsbrief voor de omwonenden en het verslag van de participatie is als Bijlage 1 bijgevoegd.
Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan Pastorielaan 2 te Nieuwehorne heeft vanaf 20 november 2025 voor een periode van zes weken met alle bijbehorende stukken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft eenieder de gelegenheid gehad om, door middel van een zienwijze, op het TAM-omgevingsplan te reageren. Tegen het ontwerpplan zijn geen zienswijzen ingediend. Het TAM-omgevingsplan Pastorielaan 2 te Nieuwehorne is op 17 maart 2026 vastgesteld.
Het planvoornemen is in het kader van vooroverleg voor advies voorgelegd aan de provincie Fryslân. De provincie Fryslân heeft aangegeven te kunnen instemmen met de omzetting van de maatschappelijke bestemming in een woonbestemming. De provincie heeft hierbij nog wel de volgende twee opmerkingen gemaakt:
Archeologie
De provincie stemt in met de conclusie dat voor de functiewijziging geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wel geldt er op basis van de FAMKE (zowel ijzertijd als steentijd) dat onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen van 5.000 m2 of meer. Dit betekent dat er ter plaatse wel een verwachtingswaarde geldt. De provincie vraagt de gemeente om bij het omzetten van voorliggend TAM-IMRO naar een omgevingsplan de archeologische verwachtingswaarden te verwerken bij die wijziging op het omgevingsplan. De provincie streeft namelijk naar een lappendeken van (verwachtings)waarden voor de gehele gemeente.
Reactie:
Bij het omzetten van voorliggend TAM-IMRO naar een omgevingsplan zal overeenkomstig de opmerking van de provincie de archeologische verwachtingswaarde worden verwerkt.
Cultuurhistorie
In tegenstelling tot hetgeen in de toelichting valt te lezen constateert de provincie wel een vermelding op de CHK, namelijk 'karakteristiek bouwwerk' (pastorie). De provincie vraagt om dit te benoemen in de toelichting op het plan en de pastorie van een aanduiding te voorzien met bijbehorende regels, onder andere ten aanzien van sloop.
Reactie:
Paragraaf 5.5.2 van de motivering is op dit punt aangevuld. De geometrie is aangepast in die zin dat het object de aanduiding 'karakteristiek' heeft gekregen en de regels zijn aangevuld met regels die zien op het behoud van de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen en is een vergunningsplicht opgenomen voor sloop.
De volledige vooroverlegreactie van de provincie Fryslân is opgenomen als Bijlage 2.
Er moet worden voldaan aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân. Ook mag het plan niet in strijd zijn met de waterschapsverordening van Wetterskip Fryslân. Tot slot moet het plan passen binnen het gemeentelijke beleid. In dit hoofdstuk worden deze aspecten afgewogen en waar nodig gemotiveerd.
Het rijk heeft instructieregels vastgelegd waar het omgevingsplan aan moet voldoen. De regels zijn opgenomen in het Bkl. In dit besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn voor zover nodig regels opgenomen met het doel om aan de instructieregels te voldoen. Niet alle instructieregels zijn relevant voor de voorgenomen ontwikkeling. In tabel 1 zijn daarom alleen die instructieregels opgenomen die voor deze wijziging van het omgevingsplan belangrijk zijn.
| Thema | Paragraaf Bkl | Verwijzing paragraaf |
| Veiligheid | 5.1.2 | 5.4 |
| De instructieregels hebben betrekking op externe veiligheid en de bescherming van kwetsbare en zeer kwetsbare functies. Uit paragraaf 5.4 blijkt dat er geen risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn. Het plan is hiermee in overeenstemming. | ||
| Waterbelangen | 5.1.3 | 5.6 |
| De regels zijn gericht op de bescherming van watersystemen. Uit de digitale watertoets (par. 5.6) blijkt dat geen belangen van het waterschap worden geraakt. Het plan voldoet hiermee aan de instructieregels. | ||
| Luchtkwaliteit | 5.1.4.1 | 5.9 |
| De regels waarborgen dat omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. In paragraaf 5.9 is gemotiveerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt. Het plan is daarmee uitvoerbaar. | ||
| Geluid door activiteiten | 5.1.4.2 | 5.2 |
| De instructieregels zijn gericht op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot activiteiten. In paragraaf 5.2 is beschreven dat sprake is van een gemengd gebied en dat de afstand tot de kerk voldoet aan de richtafstanden. Het plan is hiermee in overeenstemming. | ||
| Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen | 5.1.4.2a | 5.1 |
| De regels zijn gericht op bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Paragraaf 5.1 laat zien dat geen nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd. Het plan voldoet aan de instructieregels. | ||
| Bodemkwaliteit | 5.1.4.5 | 5.8 |
| De instructieregels waarborgen dat bodemkwaliteit geschikt is voor bodemgevoelig gebruik. In paragraaf 5.8 is gemotiveerd dat het perceel al bodemgevoelig is en er geen nieuwe verstorende activiteiten plaatsvinden. Het plan is hiermee uitvoerbaar. | ||
| Geur | 5.1.4.6 | 5.3 |
| De regels zijn gericht op bescherming van geurgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.3 is aangetoond dat er geen geurbronnen in de omgeving zijn die tot overschrijding leiden. Het plan is hiermee in overeenstemming. | ||
| Ladder voor duurzame verstedelijking | 5.1.5.4 | 5.7 |
| De regels borgen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling aansluit bij de behoefte. In paragraaf 5.7 is gemotiveerd dat de toevoeging van één woning geen stedelijke ontwikkeling is. De ladder is daarom niet van toepassing. | ||
| Cultureel erfgoed en werelderfgoed | 5.1.5.5 | 5.5 |
| De instructieregels zien op bescherming van erfgoed en landschappelijke waarden. In paragraaf 5.5 is gemotiveerd dat geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig is. Het plan voldoet hiermee aan de instructieregels. | ||
Tabel 1. Thema's Bkl
Conclusie
De wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante instructieregels van het Rijk. In hoofdstuk 5 is per thema onderbouwd hoe hieraan wordt voldaan.
Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. De provincie kan in de omgevingsverordening instructieregels opnemen. Dat staat in paragraaf 2.5.1 van de Omgevingswet. Het doel van de instructieregel is dat wordt voldaan aan omgevingswaarden of dat andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Omgevingswet).
Omgevingsverordening Fryslân
De omgevingsverordening Fryslân is op 1 januari 2024, tegelijkertijd met de Omgevingswet, in werking getreden. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele. De omgevingsverordening van Fryslân bevat ook (instructie)regels voor het omgevingsplan. In onderstaande tabel is aangegeven in welke instructieregels van toepassing zijn en is gemotiveerd hoe het planvoornemen past binnen de provinciale kaders. Waar nodig is ook aangegeven in paragrafen van deze motivering is beschreven op welke wijze aan de instructieregels wordt voldaan.
| Thema | Artikel omgevingsverordening | Verwijzing paragraaf |
| Omgevingskwaliteiten als basis | 2.1, lid 1 | 5.5 |
| Op grond van artikel 2.1 lid 1 moet in een omgevingsplan worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische (verwachtings)waarden. Aangezien er bij de voorgenomen functiewijziging uitsluitend sprake is van een functiewijziging van bestaande bebouwing, waarbij geen grondroering plaatsvindt, is er geen sprake van verstoring van archeologische waarden. Het plan is dan ook niet in strijd met artikel 2.1 lid 1. In paragraaf 5.5 is dit nader onderbouwd. | ||
| Gezond en veilig | 2.5 | 5.4 en 5.12 |
| Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, dient een onderbouwing te bevatten van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. In paragraaf '5.4 Omgevingsveiligheid' en '5.12 Duurzaamheid en gezondheid' van deze motivering is een dergelijke onderbouwing opgenomen. Het planvoornemen voldoet hiermee aan artikel 2.5 | ||
| Programmering woningbouw | 2.7 | 4.3 |
| Een omgevingsplan kan nieuwe woningen bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In paragraaf 4.3.1 is onderbouwd hoe het aantal woningen dat met dit omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, passend is binnen het regionale woonbeleid. Het plan voldoet aan artikel 2.7. | ||
Tabel 2. Overzicht relevante regels provincie
Conclusie
De wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante instructieregels van de provincie Fryslân. In hoofdstuk 5 is per thema onderbouwd hoe hieraan wordt voldaan.
De woondeal is tot stand gekomen in de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 en is gepubliceerd op 24 maart 2023. De gemeenten Heerenveen, Opsterland, Ooststellingwerf, Smallingerland en Weststellingwerf werken in regioverband samen, gericht op het versterken van de economie en de aantrekkingskracht voor huishoudens binnen de regio en daarbuiten. De ambities vragen om een integraal programma voor alle functies die ruimte vragen. In de regionale woondeal wordt ingegaan op de ambities op het vlak van wonen die de diverse gemeenten hebben.
In de regionale woondeal wordt onder meer ingezet op het transformeren van bestaand vastgoed waarmee extra woningen kunnen worden gecreëerd. Daarnaast kan het bijdragen aan de vitaliteit van steden, dorpen en gebieden. Er wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 woningen door middel van transformatie per jaar. De voorliggende functiewijziging past met een toevoeging van één woning binnen deze kwantitatieve doelstelling.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het regionaal beleid.
Met de omgevingsvisie werkt de gemeente Heerenveen aan het realiseren van de Global Goals. Deze zijn gebruikt bij het formuleren van de strategische doelstellingen van de gemeente. Er zijn kernkwaliteiten benoemd die relevant zijn voor het planvoornemen. Zo kent Heerenveen een uitstekende (boven)regionale bereikbaarheid (via snelweg, spoor en water) en daarbij behorend vestigingsklimaat en werkgelegenheid en zijn de verschillende landschapstypen rond Heerenveen zeer herkenbaar, met name de (veen)ontginningen.
De gemeente hanteert de volgende doelstelling: ‘In 2040 is Heerenveen een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is.’ De gemeente wil tot 2050 een CO2 reductie van 95%. Een deel van de energie-opgave die wordt uitgewerkt in de Regionale Energiestrategie zal terecht komen in het landelijk gebied. Daarnaast speelt het landelijk gebied een rol bij de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit. De gemeente geeft in haar omgevingsvisie aan koploper te zijn van circulaire economie in Noord-Nederland en is onder de noemer ‘Circular Valley’ bezig om dit thema onder de aandacht van ondernemers te brengen.
De gemeente Heerenveen heeft de ambities voor 2040 vertaald naar strategische doelen voor 2030. Vaak spelen meerdere opgaven in hetzelfde gebied en liggen er kansen om deze in samenhang aan te pakken. Heerenveen kiest voor het aanpakken van vier kernopgaven, waarin meerdere opgaven met elkaar samenhangen. De gemeente zet in op de volgende vier kernopgaven:
Het voorliggende wijzigingsbesluit sluit aan op de kernopgave 'zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen'.
In de Omgevingsvisie worden diverse uitgangspunten gesteld met betrekking tot woongebieden en overig bebouwd gebied waar de woonbuurten Nieuwehorne-Oudehorne onder vallen. Oudehorne ontstond in de late Middeleeuwen aan de Binnenweg (nu Schoterlandseweg). Nabij de splitsing van de Binnenweg ontstond aansluitend het streekdorp Nieuwehorne. Een groot deel van Nieuwehorne wordt gekenmerkt als een rustige woonomgeving. Functiemenging komt voor in het dorpslint (de Schoterlandseweg). Voor de woongebieden zijn er meerdere algemene uitgangspunten van belang. Er worden bijvoorbeeld geen (grootschalige) bedrijven gevestigd die hinder met zich meebrengen. Daarentegen kunnen kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en beroepen aan huis juist bijdragen aan de levendigheid en leefbaarheid van wijken.
Met de voorliggende functiewijziging wordt de woonbuurt Nieuwehorne niet aangetast. De functie van het gebouw wijzigt naar wonen, er komen geen fysieke ingrepen. De functiewijziging past binnen de rustige woonomgeving en het karakter van bebouwd Nieuwehorne waar de woonfunctie dominant is. De functiewijziging voldoet aan de uitgangspunten voor woongebieden.
Conclusie
De voorliggende functiewijziging sluit aan op de Omgevingsvisie Heerenveen 2040.
De gemeenteraad van Heerenveen heeft op 19 oktober 2023 een nieuwe woonvisie vastgesteld. In deze woonvisie wordt gesteld dat het gaat om een thuis voor mensen op een fijne en veilige plek in de wijken en dorpen van de gemeente Heerenveen. Brede welvaart is hierbij een belangrijk uitgangspunt: ze willen dat het goed gaat met mensen nu, maar ook later. De kwaliteit van leven van mensen in het hier en nu mag niet ten koste gaan van die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld. In de woonvisie zijn vijf prioriteiten opgenomen die richting geven en de kern vormen van de woonvisie. Eén van die prioriteiten is 'Heerenveen groeit: we groeien met minimaal 2000 woningen tot 2030'. Heerenveen denkt daarbij niet alleen maar aan bouwen, maar kijkt ook naar bestaande gebouwen die nu leegstaan (of vrijkomen), om die geschikt te maken voor een woonfunctie. Met dit wijzigingsbesluit wordt de functie van een bestaand gebouw gewijzigd naar wonen. Dit sluit aan op de eerdergenoemde prioriteit uit de woonvisie.
Uitwerking vijf prioriteiten
Bij de uitwerking van de vijf prioriteiten hanteert de gemeente een hiërarchie van de kernen. Hieruit blijkt dat Oude/Nieuwehorne een grote kern is. Grote kernen lenen zich dankzij hun voorzieningen voor het toevoegen van woningen. Idealiter zoveel mogelijk verspreid over de tijd, zodat er een meer continue toestroom richting de basisvoorzieningen ontstaat. Het zijn kernen die ook voor vestigers van buiten én aandachtsgroepen potentieel interessant zijn. De functiewijziging zorgt voor de toevoeging van een woning. Dit past bij de kenmerken van een grote kern.
Conclusie
Het voorliggende wijzigingsbesluit sluit aan op de woonvisie Heerenveen 2023-2028.
De ‘Welstandsnota 2016’ is vastgesteld door de gemeenteraad van Heerenveen op 21 december 2015. De welstandsnota bevat een gebiedsindeling, die wordt bepaald door het onderscheid in type gebieden met verschillende kwaliteiten. In het ene gebied ligt de nadruk meer op bescherming van bestaande waarden, in het andere meer op het faciliteren van ontwikkelingen/wijzigingen. Het plangebied ligt in niveau 3 in het overig gebied. Het overig gebied zijn gebieden met een basiskwaliteit waar weinig dynamiek heerst. Stedenbouwkundig en architectonisch is de basis gelegd. Het welstandsbeleid richt zich in deze gebieden op het niet al te veel verstoren van de basiskwaliteit van de directe omgeving. Omdat er geen fysieke wijzigingen aan het gebouw plaatsvinden past de functiewijziging binnen het beleid.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Met het initiatief wordt geen nieuw geluidgevoelig object gerealiseerd. In de huidige situatie is al sprake van een woonfunctie (pastoriewoning) en in de toekomstige situatie is ook sprake van een woonfunctie. Daarnaast maakt de huidige maatschappelijke functie ook andere geluidgevoelige functies mogelijk. Onderzoek naar geluid door wegen is dan ook niet aan de orde.
De functiewijziging is wat betreft geluid door wegen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten. Het omgevingsplan of de BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel hierover regels of voorwaarden bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid.
Inwaartse werking
Functies uit de omgeving kunnen invloed hebben op de nieuwe ontwikkeling in het plangebied. Voor de te realiseren woonfunctie is gekeken naar (bedrijfs)activiteiten in de omgeving die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. In de directe omgeving van de voormalige pastoriewoning is de kerk gesitueerd. Nu de voormalige pastoriewoning wordt gewijzigd naar een reguliere woning vervalt de bescherming als bedrijfswoning. De nieuwe woning moet in dat kader beschouwd worden in het kader geluid door activiteiten. Hierbij is gebruik gemaakt van de handreiking Activiteiten en milieuzonering van oktober 2024.
In eerste instantie is gekeken in wat voor woongebied de locatie is gelegen. Er is sprake van een gemengd gebied met wonen als er sprake is van een gebied waar menging van een aan locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. In die gebieden wordt het wonen (of ander milieugevoelig gebruik) toegelaten, samen met activiteiten die geschikt zijn om te mengen met wonen, zoals detailhandel, horeca, onderwijs, zorg, dienstverlening, cultuur en lichte bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied zijn naast de woonfunctie ook diverse andere gemengde en maatschappelijke functies en detailhandel. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een gemengd gebied.
Figuur 3. Geluidzone en afstanden in relatie tot rustige woonwijk en gemengd gebied
Op basis van bijlage A5 'Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur' moet voor een kerk worden uitgegaan van geluidzone 1.
Figuur 4. Uitsnede bijlage A5 'Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur'
Geluidzone 1 in combinatie met gemengd gebied houdt in dat uitgegaan moet worden van een grootste afstand van 10 meter tot het gevoelig object. De afstand tussen de kerk en de voormalige pastoriewoning bedraagt ongeveer 25 meter en voldoet daarmee aan de criteria.
Aanvullend kan worden geredeneerd dat zich op vergelijkbare afstand van de kerk in de huidige situatie ook al woningen bevinden en dat niet is gebleken dat die afstand bezwaarlijk wordt geacht. Er zijn namelijk geen bezwaren uit de omgeving bekend met betrekking tot geluid van de kerk. Deze woningen zijn maatgevend in de zin van de geluidhinder die de kerk maximaal mag veroorzaken. De geluidhinder mag dus nu al niet zodanig zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande woningen. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat de Afdeling een dergelijke motivering niet onredelijk acht. Geluid van de kerk levert geen beperkingen op voor het planvoornemen.
Uitwaartse werking
Uitwaartse werking gaat over of een ontwikkeling leidt tot een situatie die in strijd kan worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is het geval wanneer het plan hinder veroorzaakt voor functies uit de omgeving of wanneer bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Met dit plan is sprake van een functiewijziging van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. Er wordt dus geen nieuwe hinderveroorzakende functie of milieubelastende activiteit mogelijk gemaakt.
Daarnaast maakt de functiewijziging ook geen nieuwe activiteiten mogelijk die leiden tot een situatie die in strijd kan worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een milieubelastende functie en zal daarom niet leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat of hinder voor bedrijven uit de omgeving.
Het plan is wat betreft geluid door (bedrijfsmatige)activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Er gelden instructieregels van het Rijk over geur met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze zijn terug te vinden in het Bkl. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de Bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten:
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf;
Voor andere activiteiten moet een ruimtelijk besluit ervoor zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.
Met het planvoornemen worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De bestaande woning is wel een geurgevoelig object. Echter, in de directe omgeving zijn geen functies aanwezig met een geurcontour.
Op basis van bijlage A5 'Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur' staat voor een kerk bij het kopje GEUR: FM. Zie hiervoor figuur 4. Dit houdt in dat dit een functie is die passend is binnen een gemengd gebied met wonen en dat nadere toetsing niet aan de orde is.
Aanvullend kan worden geredeneerd dat zich op vergelijkbare afstand van de kerk in de huidige situatie ook al woningen bevinden en dat niet is gebleken dat die afstand bezwaarlijk wordt geacht. Er zijn namelijk geen bezwaren uit de omgeving bekend met betrekking tot geur van de kerk. Deze woningen zijn maatgevend in de zin van de geurhinder die de kerk maximaal mag veroorzaken. De geurhinder mag dus nu al niet zodanig zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande woningen. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat de Afdeling een dergelijke motivering niet onredelijk acht. Geur van de kerk levert geen beperkingen op voor het planvoornemen.
Het plan is wat betreft geur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang:
Om te controleren of er risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, is de EV-signaleringskaart geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat er in de ruime omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plan ligt buiten de risicocontouren en brengt daarom geen extra risico’s met zich mee op het gebied van omgevingsveiligheid. Daarnaast voorziet dit wijzigingsbesluit niet in een nieuwe risicobron.
Het plan is wat betreft omgevingsveiligheid niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Omgevingsverordening Fryslân (artikel 2.1.1) vastgelegd dat in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden. Ook heeft de gemeente Heerenveen een erfgoedverordening waarin de bescherming van het gemeentelijke erfgoed wordt geborgd.
De Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geeft informatie over in de provincie bekende cultuurhistorisch waardevolle objecten/elementen. De cultuurhistorische kaart is informatief: de kaart geeft aan welke cultuurhistorische elementen en structuren op provinciale schaal van betekenis zijn.
Voor het plangebied is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. Deze kaart geeft voor verschillende perioden adviezen ten aanzien van archeologisch onderzoek.
Voor de periode steentijd–bronstijd geeft de FAMKE aan dat vermoed wordt dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn, maar dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een quickscan te verrichten, gericht op het vaststellen of het bodemarchief nog intact is.
Voor de periode ijzertijd–middeleeuwen wijst de FAMKE erop dat zich in dit gebied resten kunnen bevinden van vroeg- en volmiddeleeuwse veenontginningen, mogelijk in de vorm van huisterpjes of sporen bij oudere boerderijen. Ook hier geldt het advies om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten.
In dit geval is echter geen sprake van fysieke ingrepen in de bodem. Het initiatief betreft uitsluitend een functiewijziging van ‘Maatschappelijk’ naar ‘Wonen’. Omdat er geen graaf- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden, is er geen aanleiding om archeologisch onderzoek uit te voeren.
Op basis van de CHK2 heeft het pand de aanduiding Karakteristieke bouwwerken (geen Woning).
Figuur 5. Uitsnede Cultuurhistorische Kaart (CHK2)
Op basis van de Cultuurhistorische Kaart (CHK2) heeft het pand de aanduiding Karakteristieke bouwwerken (geen Woning). Op basis van de omgevingsverordening Fryslân 2002 wordt een karakteristiek gebouw als volgt gedefinieerd:
Karakteristieke gebouwen:
een gebouw met zodanige kenmerken of een zodanige verschijningsvorm, dat het een positieve invloed heeft op de landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten in de omgeving, of typerend en gezichtsbepalend is voor een zekere historische tijdsperiode. Het betreft in ieder geval gebouwen die zijn opgenomen op de monumentenlijst van rijk of gemeente, en gebouwen die in een omgevingsplan zijn opgenomen in een inventarisatie van aanwezige karakteristieke gebouwen.
Daarnaast is het pand op 24 mei 2016 aangewezen als gemeentelijk monument. Het betreft een historische pastorie die blijkens de aanduiding op de gevel stamt uit 1787. De pastorie heeft een hoge zeldzaamheidswaarde vanwege de hoge ouderdom en de ensemblewaarde met de kerk aan de Schoterlandseweg. De gevels en de aangrenzende dakvlakken met de bijbehorende dakgoten, inclusief de gevelopeningen (kozijnen en ramen) en dakkapellen vallen onder de bescherming.
Gelet hierop heeft het pand in het voorliggende TAM-omgevingsplan de aanduiding karakteristiek gekregen die het behoud van de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen nastreeft en is een vergunningsplicht opgenomen voor het slopen,
Gelet op het feit dat geen bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden en het pand conform de CHK2 behouden blijft, kan onderzoek achterwege blijven. Het plan is daarmee in het kader van erfgoed niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Artikel 5.37 Bkl stelt dat in een ruimtelijk besluit rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde.
Op 17 september 2024 is de digitale watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 3). Uit de watertoets blijkt dat er geen waterschapsbelang is bij de ruimtelijke activiteit. Het plan heeft geen invloed op het water of de wateraspecten (zoals gemalen, stuwen of persleidingen) in de omgeving. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging van bestaande bebouwing, zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte.
Het plan is wat betreft water niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Als een wijziging van een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl).
Dit wordt de ‘Laddertoets’ genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij dit plan wordt één woning toegevoegd. Dit is minder dan 11 woningen waardoor de laddertoets niet van toepassing is. De treden van de Ladder hoeven dan ook niet verder te worden doorlopen.
De wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee niet aan de orde. Het plan is niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art.5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Het initiatief heeft betrekking op een functiewijziging van gronden op een bodemgevoelige locatie waarop op basis van het huidige omgevingsplan al bodemgevoelige gebouwen bij recht zijn toegestaan en aanwezig zijn. Zowel in de huidige situatie (pastoriewoning) als de toekomstige situatie in de vorm van een reguliere woning is er sprake van een bodemgevoelige functie. Omdat er in de huidige situatie ook al sprake is van een bodemgevoelige locatie is het niet nodig om onderzoek uit te voeren.
Het plan is wat betreft bodem niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden gewijzigd als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM).
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft:
Voor dit wijzigingsbesluit kan mogelijkheid 1 worden gebruikt. Op grond van artikel 5.54, sub b Bkl leidt het toelaten van activiteiten in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van:
Het wijzigingsbesluit blijft met toevoeging van één woning ruim binnen de NIBM-grens. De voorgenomen ontwikkeling kan daarom als NIBM worden beschouwd.
Het project is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit en daarmee niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Aangezien er sprake is van een functiewijziging zonder bouw- of sloopwerkzaamheden, verandert er niks aan de feitelijke (ruimtelijke) situatie. Een ecologisch onderzoek is niet nodig.
Stikstof
Aangezien het slechts om een functiewijziging gaat is alleen relevant of in de gebruiksfase een toename aan verkeersbewegingen optreedt. De functie wonen levert een afname van de verkeersbewegingen op ten opzichte van de toegestane maatschappelijke functie van pastoriewoning met bijeenkomstgebouw. Er is sprake van een afname van verkeersbewegingen ten opzichte van het huidige planologisch toegestane gebruik. Een AERIUS-berekening is daarom niet vereist.
Het plan is wat betreft natuur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). De Ow en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied.
De onderhavige functiewijziging zorgt voor een afname van de verkeersintensiteit. Een woonfunctie leidt tot minder verkeersbewegingen dan de maatschappelijke functie van pastoriewoning met bijeenkomstgebouw. De maatschappelijke functie met de bijbehorende verkeersbewegingen wordt met deze functiewijziging stopgezet. Door deze functiewijziging is er geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking of een extra parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte wordt op eigen erf opgelost.
Het plan is wat betreft verkeer en parkeren niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. In het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen zijn op dit moment nog geen omgevingswaarden vastgelegd.
Duurzaamheid
Doelen van de Ow zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van natuurlijke hulpbronnen en het behoud van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het project worden beoordeeld op het aspect duurzaamheid. In artikel 22.52 van de Bruidsschat zijn regels opgenomen over energiebesparende maatregelen.
Gezondheid
Een ander doel van de Ow is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). Daarbij moet rekening worden gehouden met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij het belang van een gezond leefmilieu centraal staat. Daarbij spelen aspecten als geur, geluid, riolering, waterkwaliteit en -kwantiteit, biodiversiteit, natuurinclusief bouwen, het tegengaan van verontreiniging en een schone bodem een rol. Diverse van deze onderwerpen (geur, geluid, bodem en water) zijn al in de voorgaande paragrafen behandeld.
Voor dit initiatief zijn geen aanvullende gezondheidsrisico’s naar voren gekomen. Er kan worden uitgegaan van een aanvaardbaar en gezond leefmilieu.
Wat betreft duurzaamheid kan worden gesteld dat het pand met deze functiewijziging een zinvolle en toekomstbestendige nieuwe invulling krijgt. Leegstand wordt tegengegaan en er is geen sprake van sloop of grootschalige bouwwerkzaamheden. Hierdoor is er ook geen extra gebruik van middelen of materialen nodig. De functiewijziging kan daarom als duurzaam worden aangemerkt.
In de planvorming is rekening gehouden met de aspecten duurzaamheid en gezondheid. De conclusie luidt dat het plan in het kader van gezondheid en duurzaamheid niet evident onuitvoerbaar is en op aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.
In bijlage V van het Ob is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is (J11). Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit wijzigingsbesluit ziet op de toevoeging van één woning door middel van een functiewijziging in het bestaand bebouwd gebied. In ruimtelijke zin wijzigt er niets. Alleen de functie van het plangebied wijzigt van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. Er is dan ook geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde.
Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in de voorgaande paragrafen afdoende aan de orde gekomen om op grond daarvan de uitvoerbaarheid van het plan te kunnen beoordelen.
Er is met het voornemen geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, er is geen aanleiding tot het opstellen van een mer-rapportage. Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen aan de orde geweest.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM- omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Pastorielaan 2 te Nieuwehorne, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0074.TAM22FPastorie2NH-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De regels zoals opgenomen in de bestemmingsplannen Bestemmingsplan Oude- en Nieuwehorne, Partiële herziening bestemmingsplannen parkeren, Partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur en 1e Aanpassing partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur worden vervangen door de regels in dit TAM-omgevingsplan. Deze wijziging heeft met name tot gevolg dat de functie wordt gewijzigd van 'maatschappelijk' naar 'wonen'.
De IMRO-standaarden staan niet toe om de regels in het TAM-omgevingsplan te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. Hetzelfde geldt voor de artikelen. Aangezien het omgevingsplan al een hoofdstuk 1 en artikel 1 heeft, is het noodzakelijk om duidelijk te maken hoe deze objecten dienen te worden gelezen. Hiervoor wordt een zogenoemde preambule opgenomen in het TAM-omgevingsplan.
In dit artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen.
In dit artikel wordt in het eerste lid de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding. In het tweede lid wordt bepaald dat bepaalde ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het derde lid is bepaald dat de regels uit afdelingen 22.2 en 22.3 van de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan. Dit geldt niet voor paragraaf 22.2.7.3 waarin regels zijn opgenomen over activiteiten met betrekking tot bouwwerken die van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van deze wijziging gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
Artikel 4 Algemene vereisten aan tekeningen
Indien uit een artikel volgt dat er tekeningen in het kader van de indieningvereisten moeten worden verstrekt, dan volgt uit dit artikel aan welke eisen die tekeningen moeten voldoen.
Artikel 5 Gebruiksverbod en Artikel 6 Nadere regel over het gebruiksverbod
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of worden verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. In artikel 6 staat benoemd wat er in ieder geval onder ander gebruik wordt begrepen. Dit 'ander gebruik' is verboden.
Artikel 7 Beroep- of bedrijf aan huis
In artikel 7 zijn algemene regels opgenomen voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis.
Artikel 8 Bed & Breakfastactiviteiten en Artikel 9 Kamerverhuuractiviteiten
In het omgevingsplan zijn onder andere vergunningplichten opgenomen voor het uitoefenen van een bed & breakfast en het verhuren van een kamer in een woning.
In deze paragraaf zijn de functies, waardevolle gebieden en activiteiten van de betreffende gronden aangegeven. Dit TAM-omgevingsplan kent de functie 'Wonen'. Deze functie laat toe om gronden te gebruiken voor wonen. Het artikel is op de volgende manier onderverdeeld:
Lid 1 bevat het toepassingsbereik van het artikel.
Lid 2 bevat een opsomming van het gebruik dat op deze locatie is toegestaan. Hierbij wordt achtereenvolgens het hoofdgebruik, het aanvullend gebruik en het ondergeschikte gebruik opgesomd.
Lid 3 bevat, indien nodig, nadere regels en voorwaarden over het gebruik dat op grond van lid 2 is toegestaan.
Het vierde hoofdstuk behandelt de algemene bouwregels die voor het hele besluitgebied gelden. Hierin komen onderwerpen aan de orde als de excessenregeling, de maatwerkvoorschriften en beoordelingsregels die afwijken van of in aanvulling zijn op artikel 22.29. Het hoofdstuk is opgebouwd uit de volgende artikelen:
Het vijfde hoofdstuk bevat de regels die gelden voor het bouwen van de verschillende soorten bouwwerken. Daarin worden de volgende categorieën onderscheiden: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, dakopbouwen, erf- en terreinafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het hoofdstuk is opgebouwd uit de volgende artikelen:
Het zesde hoofdstuk bevat regels over het slopen van karakteristieke bouwwerken. De voormalige pastoriewoning is als 'karakteristiek bouwwerk' aangemerkt op de Cultuurhistorische Kaart van de provincie Fryslân. Ook betreft het een gemeentelijk monument. Met het oog daarop is een vergunningplicht voor het slopen van de pastoriewoning opgenomen in Artikel 19 Regels voor het slopen van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'.
Dit artikel regelt het overgangsrecht. Omwille van de continuïteit en de voorspelbaarheid kiest de gemeente ervoor om voorlopig gebruik te blijven maken van 'oude' standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening, die daarbij qua terminologie zijn aangepast aan TAM-IMRO.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. In gevallen waarin een ontwikkeling alleen gerealiseerd kan worden met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, wordt in deze paragraaf een passage daarover opgenomen.
Kostenverhaal is aan de orde, indien het planvoornemen nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt. Onderstaande activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Aangezien het planvoornemen per saldo voorziet in een enkele nieuwe woning, is er geen sprake van een kostenverhaalsplichtige activiteit. De kosten voor de opstelling van het TAM-IMRO plan worden gedragen door de initiatiefnemer. Het plan is een particulier initiatief dat wordt uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar.
Het kostenverhaal van planrealisatie is anderszins verzekerd. Voorgaande betekent dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
Voor het wijzigingsbesluit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat het omgevingsplan alleen wordt gewijzigd als:
Op grond van artikel 4.2 Ow moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
Met het planvoornemen wordt een functiewijziging van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen' zonder een toename van de bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl en is er geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Geconcludeerd wordt dat de vergunning voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling verleend kan worden.