direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22D K.R. Poststraat 12 A en B
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0074.TAM22DKPNlocatieHV-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie K.R. Poststraat 12 A en B en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22D]) van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22D] van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22D.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22D.]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage [22D].I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk [22D];
  • 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage [22D].I bij dit omgevingsplan een begripsomschrijving bevat.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. De regels in die hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie K.R. Poststraat 12 A en B, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML- bestand NL.IMRO.0074.TAM22DKPNlocatieHV-VG01 zoals vastgelegd op https://ruimtelijkeplannen.nl;
  • 2. De volgende besluiten zijn niet van toepassing op de locatie als bedoeld in het eerste lid:
    • a. de beheersverordening Heerenveen Centrum, van de gemeente Heerenveen, vastgesteld op 21 maart 2016, met identificatienummer NL.IMRO.0074.BHVcentrum-VG02;
    • b. de beheersverordening correctieve herziening beheersverordeningen centrum, van de gemeente Heerenveen, vastgesteld op 16 december 2019, met identificatienummer NL.IMRO.0074.PHbhvcentrum-VG01;
    • c. de beheersverordening parkeren, van de gemeente Heerenveen, vastgesteld op 7 oktober 2021, met identificatienummer NL.IMRO.0074.BHVparkeren-VG01;
    • d. de partiële herziening beheersverordeningen kamerverhuur, van de gemeente Heerenveen, vastgesteld op 16 december 2021, met identificatienummer NL.IMRO.0074.BHVkamerverhuur-VG01;
    • e. de 1e aanpassing partiële herziening beheersverordening kamerverhuur, van de gemeente Heerenveen, vastgesteld op 14 december 2023, met identificatienummer NL.IMRO.0074.PHBHVkamers-VG01;
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk
    • a. de dakhelling in o : langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
    • b. de goothoogte in m: vanaf het peil van tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
    • c. de bouwhoogte van een bouwwerk in m: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen onderdelen;
    • d. de oppervlakte van het bouwwerk in m2: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
    • e. de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van het bouwperceel;
    • f. de breedte van een gebouw in m: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijden van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren);
    • g. bij onduidelijkheden of interpretatieverschillen betreffen de wijze van meten, is de uitleg NEN 2580 bepalend.

Artikel 4 Algemene vereisten aan tekeningen

  • 1. Als bij een aanvraag om een omgevingsvergunning één of meer tekeningen moeten worden verstrekt, zijn deze tekeningen voorzien van duidelijke maatvoering en schaalaanduiding;
  • 2. voor de volgende tekeningen geldt de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal:
    • a. situatietekeningen: 1:1000;
    • b. geveltekeningen plattegronden en doorsneden:
      • bouwwerken kleiner dan 10.000m2 bruto vloeroppervlakte: 1:100;
      • bouwwerken 10.000 m2 of groter bruto vloeroppervlakte: 1: 200;
  • 3. uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl).

Hoofdstuk 2 ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Artikel 5 Gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken voor ander gebruik dan het in Hoofdstuk 2 en in Hoofdstuk 3 per locatie toegelaten gebruik.

Artikel 6 Nadere regel over het gebruiksverbod

  • 1. Onder ander gebruik zoals bedoeld in Artikel 5 wordt in ieder geval begrepen:
    • a. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
    • b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksactiviteiten;
    • c. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak en/of bouwmaterialen anders dan ten behoeve van de uitvoering van toegelaten en/of vergunde bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
    • d. het gebruik van gronden voor het storten van puin en/of afvalstoffen;
    • e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de stalling en/of opslag van (aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken), voer- , vaar- en/of vliegtuigen;
    • f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het kennelijke ten verkoop of stallen en opslaan van bruikbare en niet aan het oorspronkelijke gebruik ontrokken voer-, vaar- en/of vliegtuigen;
    • g. het gebruik van een woning voor meer dan één huishouden;
    • h. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • 2. het bepaalde in het eerste lid geldt niet als het genoemde gebruik op grond van het omgevingsplan uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 7 Beroep- of bedrijf aan huis

  • 1. Onder een beroep of bedrijf wordt verstaan: een in bijlage 1 genoemd beroep of bedrijf dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf door de bewoner en de aan de beroepsuitoefening aan huis gebonden medewerker;
  • 2. Het gebruik van een woning ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan als de bruto-vloeroppervlakte van het beroep- of bedrijf van huis niet meer bedraagt:
    • a. dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw met de bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel; en
    • b. niet meer dan 50 m².

Hoofdstuk 3 SPECIFIEKE REGELS VOOR HET GEBRUIKEN VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

Artikel 8 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de locatie 'Groen'.

8.2 Toegelaten gebruik

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Groen' mogen worden gebruikt voor:

  • a. het beheer, instandhouding en onderhoud van groenvoorzieningen;
  • b. nutsvoorzieningen in de vorm van een zendmast waarin antennes en schotels hangen ten behoeve van mobiele telefonie uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie'.

alsmede voor:

  • c. speel- en spelvoorzieningen;
  • d. wegen en paden;

en in ondergeschikte mate voor:

  • e. nutsvoorzieningen.

Artikel 9 Nutsvoorziening

9.1 Toepassingsbereik

Artikel 9 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de locatie 'Nutsvoorziening'.

9.2 Toegelaten gebruik

De gronden en bouwwerken ter plaatsen van de locatie 'Nutsvoorziening' mogen worden gebruik voor:

  • a. nutvoorzieningen.

en in ondergeschikte mate voor:

  • b. wegen en paden;
  • c. groenvoorzieningen.

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

Artikel 10 is van toepassing op het toegelaten gebruik ter plaatse van de locatie 'Wonen'.

10.2 Toegelaten gebruik

Gebouwen en gronden ter plaatse van de functie 'Wonen' mogen worden gebruikt voor:

  • a. wonen;

met de daarbij behorende:

  • b. tuinen, erven en terreinen;
  • c. terrassen;

en in ondergeschikte mate voor:

  • d. wegen en paden;
  • e. groenvoorzieningen, en
  • f. openbare nutsvoorzieningen.

10.3 Aanvullende regels toegelaten gebruik

Het gebruik voor wonen zoals genoemd in 10.1 , is uitsluitend toegestaan als het aantal woningen niet meer bedraagt dan 58 woningen.

Hoofdstuk 4 ALGEMENE REGELS VOOR HET BOUWEN VAN BOUWWERKEN

Artikel 11 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwen.

Artikel 12 Maatwerkvoorschriften

  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de plaats en afmeting van de bouwwerken;
  • 2. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt rekening gehouden met:
    • a. een goede woonsituatie;
    • b. de sociale veiligheid;
    • c. de milieusituatie;
    • d. de verkeersveiligheid;
    • e. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden

Artikel 13 Excessen

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.7 van dit omgevingsplan mag het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd zijn de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels in de zin van artikel 4.19 van de Omgevingswet:

  • a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en
  • b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

Artikel 14 Afwijkende beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

  • 1. Het bepaalde in artikel 22.29, eerste lid, onder b is niet van toepassing;
  • 2. In aanvulling op het bepaalde in 22.29, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning bovendien alleen verleend als:
    • a. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van omgevingskwaliteit beoordeeld volgens de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; en
    • b. het bouwwerk behoefte aan parkeergelegenheid oproept, en in die parkeergelegenheid zal worden voorzien;
  • 3. Het bepaalde in het tweede lid onder a is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van dat artikel toch moet worden verleend;
  • 4. De vraag of er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 14 tweede lid wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de "Nota parkeernormen gemeente Heerenveen 2020" en is opgenomen als bijlage 1 van de regels. Indien dit parkeerbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging .
  • 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 14, tweede lid wordt de in artikel 22.26 genoemde omgevingsvergunning ook verleend als:
    • a. op een andere manier in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      • de bestaande parkeergelegenheid in het openbaar gebied;
      • de verkeersveiligheid;
      • de woonsituatie.

Artikel 15 Aanvullende aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1. Het bepaalde in artikel 22.35 onder i. is niet van toepassing.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk voor toetsing aan het omgevingsplan ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de redelijke eisen van omgevingskwaliteit beoordeeld volgens de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet:
      • tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
      • principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
      • kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
      • een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
    • b. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 worden als de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk met een parkeerbehoefte ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
      • een berekening van de parkeerbehoefte in de oude situatie en in de nieuwe situatie;
      • een beschrijving van hoe aan de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie zal worden voldaan;
      • een situatietekening van de nieuwe situatie met een schaal 1 op 1:000 met daarop aangegeven de situering en het aantal parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 5 REGELS VOOR HET BOUWEN VAN SPECIFIEKE BOUWWERKEN

Artikel 16 Regels voor het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de functie 'Wonen'

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Wonen'.

16.2 Bouwen van hoofdgebouwen
  • 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
    • a. een hoofdgebouw wordt uitsluitend gebouwd ter plaatse van de locatie 'bouwvlak';
    • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw de daar bepaalde waarde;
    • c. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' geldt voor hoofdgebouwen dat de gevel in die lijn dient te staan;
  • 2. het bepaalde in lid 1 onder a, is niet van toepassing op tot hoofdgebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en daarmee naar aard gelijk te stellen onderdelen, mits:
    • a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
    • b. de hoogte van erkers, serres, entreeportalen e.d. niet meer bedraagt dan 4 m;
    • c. de breedte van erkers, serres, entreeprotalen e.d. niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de gevel waar de erkers, serre of entreeportaal tegen aan wordt gebouwd;
    • d. andere ondergeschikte onderdelen van hoofdgebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1m.
16.3 Gezamenlijk geluid

Het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bedraagt ten hoogste 64dB voor het Lden.

Artikel 17 Regels voor het bouwen van bouwwerken anders dan ter plaatse van de functie 'Wonen'

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Groen' en 'Nutsvoorziening'.

17.2 Bouwen van gebouwen
  • 1. Ter plaatse van de locatie 'Nutsvoorziening' geldt voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:
    • a. een gebouw wordt uitsluitend gebouwd ter plaatse van de locatie 'bouwvlak';
    • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is de maximale goothoogte van een gebouw de daar bepaalde waarde;
    • c. ter plaatse van de aanduiding 'minimale dakhelling (graden)' is de minimale dakhelling de daar bepaalde waarde;
    • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximale dakhelling (graden)' is de maximale dakhelling de daar bepaalde waarde;
    • e. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' geldt voor gebouwen dat de gevel in die lijn dient te staan;
  • 2. het bepaalde in lid 1 onder a, is niet van toepassing op tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en daarmee naar aard gelijk te stellen onderdelen, mits:
    • a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
    • b. de hoogte van erkers, serres, entreeportalen e.d. niet meer bedraagt dan 4 m;
    • c. de breedte van erkers, serres, entreeprotalen e.d. niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de gevel waar de erkers, serre of entreeportaal tegen aan wordt gebouwd;
    • d. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1m.
  • 3. Ter plaatse van de locatie 'Groen' geldt voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:
    • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 meter;
    • b. de oppervlakte bedraagt ten hoogste 100 m2.

Artikel 18 Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde

18.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde.

18.2 Bouwen andere bouwwerken
  • 1. Voor het bouwen van andere bouwwerken geen gebouwen of overkappingen zijnde geldt de volgende regel:
    • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5 m.
  • 2. Ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' geldt voor het bouwen van ander bouwwerk zijnde een zendmast de volgende regel:
    • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 50m.
  • 3. Voor het bouwen van andere bouwwerk zijnde een toegangspoort geldt de volgende regel:
    • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3,5m.

Artikel 19 Aanvullende beoordelingsregels

19.1 Afwijkingsmogelijkheden

In aanvulling op bepaalde in artikel 22.29, eerste lid, onder a, wordt de in artikel 22.26 genoemde omgevingsvergunning ook verleend als:

  • 1. als een hoofdgebouw of een gebouw niet voldoet aan enige maat genoemd in artikel 16.2 of artikel 17.2, en:
    • a. een afwijking van enige maat, niet zijnde de maat voor een dakhelling, niet meer bedraagt dan 10%;
    • b. een afwijking van een dakhelling niet meer bedraagt dan 5 graden; en
    • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      • het straat- en bebouwingsbeeld; en
      • de woonsituatie.
  • 2. als een hoofdgebouw of een gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd en:
    • a. niet meer dan 10% van de oppervlakte van het hoofdgebouw of gebouw buiten het bouwvlak wordt gebouwd;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      • het straat- en bebouwingsbeeld; en
      • de woonsituatie.
  • 3. als de goothoogte van een gebouw in afwijking van het bepaald in artikel 17.2 sub b meer bedraagt dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' aangegeven waarde en:
    • a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 3m;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      • het straat- en bebouwingsbeeld; en
      • de woonsituatie.

Hoofdstuk 6 OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 20 Overgansrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken

20.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel wordt verniewd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
20.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van artikel 20.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 20.1.1 met maximaal 10%.

20.1.3 Uitzondering

Artikel 20.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

20.2 Overgangsrecht gebruik

 

20.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

20.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 20.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

20.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 20.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

20.2.4 Uitzondering

Lid 20.2.2 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAMomgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.