direct naar inhoud van Artikel 20 Wonen - 3 (voormalige boerderijpanden)
Plan: Aengwirderweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0074.BPNAengwirderweg-VG01

Artikel 20 Wonen - 3 (voormalige boerderijpanden)

 

20. 1.    Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen – 3 (voormalige boerderijpanden)’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woonhuizen (voormalige boerderijpanden) al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1.    een aan-huis-verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit of een kleinschalige bedrijf;

2.    in afwijking van het gestelde onder 1. zijn ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - kleinschalige bedrijven” geen kleinschalige bedrijven toegestaan;

3.    detailhandel, ter plaatse van de aanduiding “detailhandel”;

4.    een paardentrainingscentrum, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van sport – paardentrainingscentrum”;

b.    aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woonhuizen;

c.    het tegengaan van het oprichten van milieuhindergevoelige bebouwing ter plaatse van de aanduiding “milieuzone - zones Wet milieubeheer”;

met daaraan ondergeschikt:

d.    wegen en paden;

e.    water;

met de daarbijbehorende:

f.     tuinen, erven en terreinen;

g.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

20. 2.    Bouwregels

20. 2. 1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a.    als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

b.    een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;

c.    een hoofdgebouw zal niet worden voorzien van een lessenaarsdak;

d.    een hoofdgebouw zal vrijstaand worden gebouwd;

e.    de afmetingen van een hoofdgebouw zullen de bestaande afmetingen bedragen, zoals die voor de onderscheiden hoofdgebouwen zijn weergegeven in bijlage 3 bij deze regels, waarbij de bestaande afmetingen met ten hoogste 10% mogen worden verlaagd, tenzij het de bestaande dakhelling betreft, in welk geval de bestaande dakhelling met ten hoogste 5º mag worden verlaagd dan wel verhoogd.

20. 2. 2. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woonhuizen gelden de volgende regels:

a.    de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan in of achter het verlengde daarvan worden gebouwd ;

b.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal inclusief dakoverstekken ten hoogste 100 m² bedragen, tenzij de bestaande gezamenlijke oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande gezamenlijke oppervlakte zal bedragen;

c.    de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en de aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen zal inclusief dakoverstekken, met inachtneming van het gestelde onder b, ten hoogste 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen;

d.    de goothoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten hoogste 4,00 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte zal bedragen;

e.    de dakhelling van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping zal ten minste 30° bedragen.

20. 2. 3. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a.    de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal, voorzover gebouwd vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan, ten hoogste 2 m² bedragen;

b.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen;

c.    de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

20. 3.    Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

20. 4.    Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: 

a.    het bepaalde in 20.2.1. onder e in die zin dat wordt afgeweken van de bestaande maten, mits:

1.    geen onevenredige schade aan de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde van het gebouw optreedt, die wordt gevormd door:

-       de situering van de bebouwing;

-       de schaal van de bebouwing;

-       de vorm en richting van de kap(pen);

-       de geleding van de bebouwing; of

2.    sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep; of

3.    op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet verlangd kan worden.

b.    het bepaalde in lid 20.2.2. onder b in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 150 m², mits:

1.    bij vergroting ten behoeve van de woonfunctie (bijvoor­beeld extra woonruimte op de begane grond voor (een) gehandicapte(n)) aantoonbaar is dat het gebruik van de uitbreiding voor langere termijn gekoppeld blijft aan de woonfunctie;

2.    er sprake is van een goede verhouding tot het hoofdge­bouw en het erf.

c.    het bepaalde in lid 20.2.2. onder b en/of onder c in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 200 m² en/of toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen meer bedraagt dan 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits:

1.    het hoofdgebouw een beschermd Rijksmonument dan wel een beschermd beeldbepalend pand betreft;

2.    een vergroting van het hoofdgebouw niet kan worden toegestaan;

3.    bij vergroting ten behoeve van de woonfunctie (bijvoor­beeld extra woonruimte op de begane grond voor (een) gehandicapte(n)) aantoonbaar is dat het gebruik van de uitbreiding voor langere termijn gekoppeld blijft aan de woonfunctie;

4.    er sprake is van een goede verhouding tot het hoofdge­bouw en het erf.

20. 5.    Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

 

a.    het gebruik van woonhuizen in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:

1.    meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw, inclusief de aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen op het bouwperceel; of

2.    meer bedraagt dan 50 m²;

b.    het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;

c.    het gebruik van het hoofdgebouw voor de uitoefening van een kleinschalig bedrijf indien het een oppervlakte betreft van meer dan 100 m²;

d.    het gebruik van de gronden en bouwwerken voor buitenopslag ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;

e.    het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;

f.     het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van detailhandel, tenzij de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding “detailhandel”, in welk geval de uitoefening van detailhandel is toegestaan tot een maximale bruto verkoopvloeroppervlakte van 50 m²;

g.    het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden;

h.    het gebruik van de gronden ten behoeve van een paardrijdbak met de daarbij behorende bouwwerken.

20. 6.    Afwijken van de gebruiksregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

 

a.    het bepaalde in lid 20.5. onder b in die zin dat ten behoeve van het behoud en/of het herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en/of beeldbepalende waarden van het boerderijpand, een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één woning, mits:

1.    de oppervlaktes van de ruimtes ten behoeve van een woning na de splitsing ten minste 100 m² zal bedragen;

2.    het bestaande hoofdgebouw niet wordt vergroot;

3.    er voldoende parkeergelegenheid op het bijbehorende erf wordt aangelegd;

4.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

5.    de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere waarde; 

b.    het bepaalde in lid 20.5. onder e in die zin dat een vrijstaand bijgebouw wordt gebruikt voor bewoning, mits:

1.    de bewoning van een bijgebouw uitsluitend plaatsvindt vanuit een oogpunt van mantelzorg;

2.    er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

3.    de oppervlakte van de woonruimte per hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 50 m²;

 

c.    het bepaalde in lid 20.5. onder f in die zin dat de gronden en gebouwen worden gebruikt voor de uitoefening van detailhandel, mits:

1.    de bruto verkoopvloeroppervlakte ten hoogste 10% van de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen, met een maximum van 50 m², mag bedragen;

2.    er sprake is van verkoop van ter plaatse bereide, verwerkte en/of toegepaste producten met een lokaal verzorgingsgebied; 

d.    het bepaalde in lid 20.5. onder g in die zin dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor consumptieverkooppunten, mits:

1.    er voldoende gelegenheid is voor het stallen van fietsen en/of auto’s;

2.    het verkooppunt wordt gevestigd in een bestaand gebouw en de verkoopvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²; 

e.    het bepaalde in lid 20.5. onder g in die zin dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning, mits:

1.    de gezamenlijke logiesvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw, inclusief de aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen op het bouwperceel, met een maximum van 50 m²;

2.    de ruimtes voor logiesverstrekking niet in vrijstaande bijgebouwen worden ondergebracht;

3.    de logiesverstrekking gekoppeld is aan het gebruik van een hoofdgebouw en daaraan ondergeschikt is;

4.    er voldoende gelegenheid is voor het parkeren;

5.    er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 

f.     het bepaalde in lid 20.5. onder h in die zin dat gronden worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijdbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met de daarbij behorende bouwwerken, mits:

1.    de paardrijdbak zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg wordt gesitueerd;

2.    er vanwege de paardrijdbak geen hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 30 m tot de woonbestem-mingsgrens).

20. 7.    Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in dié zin dat:

-       de bestemming ‘Wonen - 3 (voormalige boerderijpanden)’ wordt gewijzigd in ‘Wonen - 1’ of ‘Wonen - 2’ mits:

1.    deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast bij herbouw van het hoofdgebouw, indien er geen mogelijkheid bestaat tot volledige herbouw van het voormalige boerderijpand overeenkomstig de afmetingen genoemd in bijlage 3;

2.    na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 18 respectievelijk artikel 19 van overeenkomstige toepassing zijn.