Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Sluisstraat 63
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0037.TAMOP2401-vs01

Regels

 
Regels
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Sluisstraat 63 te Musselkanaal die is voorzien van de functie Wonen in de verbeelding behorende bij dit plan en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
 
De in deze wijziging uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22f] gelezen worden. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie en direct voor het artikelnummer '22f.' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid en voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Stadskanaal;
  2. De regels in hoofdstuk 22, zijnde de Bruidsschat, blijven van toepassing en zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Stadskanaal gaan de regels uit hoofdstuk 22 voor;
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan Stadskanaal zijn van toepassing op de locatie Sluisstraat 63, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0037.TAMOP2401-vs01
 
Artikel 2 Aanvraag vereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.
Artikel 3 Algemene begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in:
  1. bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  2. bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  3. bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  4. bijlage I bij het Omgevingsbesluit; en
  5. bijlage I bij de Omgevingsregeling;
zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
 
Artikel 4 Aanvullende begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
4.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Sluisstraat 63, met identificatienummer NL.IMRO.0037.TAMOP2401-vs01, van de gemeente Stadskanaal;
 
4.2 Omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal;
 
4.3 aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk
een bijbehorend bouwwerk dat in directe fysieke verbinding staat met het hoofdgebouw waaraan het wordt aan- of uitgebouwd. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk houdt een toevoeging in van een afzonderlijke ruimte behorende bij een hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel, terwijl een uitgebouwd bijbehorend bouwwerk een vergroting van een bestaande ruimte is;
 
4.4 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
4.5 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
4.6 aanleggelegenheid
gelegenheid voor het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig;
 
4.7 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren;
 
4.8 agrarisch bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van het omgevingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan;
 
4.9 agrarisch grondgebruik
een agrarische activiteit ten behoeve van agrarisch doelmatig gebruik of agrarisch hobbymatig gebruik, waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. Onder agrarisch grondgebruik wordt tevens verstaan het gebruik van agrarische gronden buiten gebouwen voor intensieve agrarische activiteiten, zoals uitloop voor (pluim)vee;
   
4.10 agrarische bedrijfsvoering
een bedrijfsvoering gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van vee;
 
4.11 appartement
het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid, bedoeld voor verblijfsrecreatie, in een groter gebouw;
 
4.12 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
4.13 bed & breakfast
een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;
 
4.14 bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
 
4.15 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
 
4.16 beperkt kwetsbaar object
een object zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden, met dien verstande dat conform artikel 1 lid 2 Bevi de eigen inrichting niet onder de bescherming valt;
 
4.17 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte
de totale bruto vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke
 
4.18 beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis
beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, die door hun beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend, zoals aangegeven in bijlage 1 van de regels;
 
4.19 bestaand
  1. bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, tenzij in de regels anders is bepaald;
  2. bij gebruik: het legaal gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.
   
4.20 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
 
4.21 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
4.22 bijbehorend bouwwerk
een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw/bedrijfswoning verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd(e) gebouw of overkapping;
 
4.23 bijboot
een licht vaartuig, waarvan de bovenkant niet hoger is dan 1,5 meter boven de waterlijn en de oppervlakte niet groter is dan 15 m²;
 
4.24 biomassavergistingscentrale
een installatie die is gericht op de vergisting van biomassa met als doel het opwekken van duurzame energie;
 
4.25 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
4.26 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
 
4.27 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
 
4.28 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
4.29 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
 
4.30 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
 
4.31 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
4.32 chalet
een verblijf bestaande uit een lichte constructie en uit lichte (houten) materialen, niet zijnde een kampeermiddel, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
 
4.33 conferentiepark
een sport-, recreatie- en congrescentrum met bijbehorende voorzieningen in de vorm van verblijfsaccommodatie, een kampeerterrein en daaraan ondersteunende voorzieningen;
 
4.34 cultuurgrond
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden;
 
4.35 dagrecreatie
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie;
 
4.36 (dag)recreatief medegebruik
een (dag)recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
 
4.37 dagrecreatieve voorzieningen
openbaar toegankelijke voorzieningen ten behoeve van recreatief gebruik zoals voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;
 
4.38 dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
 
4.39 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waaronder e-commerce niet is begrepen zonder showroom en toonbankfunctie;
 
4.40 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling
een bedrijf of instelling, waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten op administratief, adviesgevend, financieel, informatietechn(olog)isch, intermediair, juridisch, (lichaams)verzorgend, vastgesteldtechnisch, (para)medisch, therapeutisch of daarmee gelijk te stellen terrein, alsmede uitzend- en/of detacheringsbedrijven en uitleen- en/of verhuurbedrijven in kleinschalige roerende goederen, zoals bibliotheken, waaronder niet wordt begrepen seksinrichtingen, uitleen- en verhuurbedrijven in grootschalige roerende goederen, zoals transportmiddelen, machines of werktuigen en reparatie- en herstelbedrijven, waaronder een garagebedrijf;
 
4.41 dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetverkeer, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;
 
4.42 dunning
velling die geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van overblijvende houtopstand;
   
4.43 e – commerce
het doen van zakelijke transacties waarbij de interactie tussen de partijen elektronisch plaatsvindt en de daarbij behorende opslag en verzendfaciliteiten;
 
4.44 eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond;
 
4.45 erf
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
 
4.46 erker
een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een 'lichte' constructie met een overwegend transparante uitstraling;
 
4.47 evenement
  1. elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
    1. bioscoopvoorstellingen;
    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
    4. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1a en een snuffelmarkt als bedoeld in artikel 5.2.4 van de van de geldende Algemene plaatselijke verordening gemeente Stadskanaal;
  2. onder een evenement wordt in ieder geval verstaan voor het publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak op het gebied van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak alsmede herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld onder artikel 2.1.2.2 uit de geldende Algemene Plaatselijke Verordening Stadskanaal), kermissen, circussen, filmopnamen, feesten, braderieën en dergelijke.
  
4.48 gebouw
elk bouwwerk, dat voor een mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
4.49 geluidsbelasting
de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;
 
4.50 groepsaccommodatie
een voorziening ten behoeve van verblijfsrecreatie voor groepen van personen, daaronder begrepen voorzieningen die rechtstreeks ten dienste staan van en rechtstreeks verband houden met de verblijfsrecreatie;
     
4.51 grondgebonden agrarische bedrijvigheid
een agrarische bedrijfsvoering gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van vee, nader te onderscheiden in:
  1. akker- en tuinbouw op open grond: de teelt van gewassen op open grond;
  2. veehouderijbedrijf op open grond: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel met gebruikmaking van de open grond.
 
4.52 groothandelcentra
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstraling ten verkoop, het verkopen en / of het leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit;
 
4.53 grootschalige sportactiviteit
voorzieningen en accommodaties ten behoeve van sportieve activiteiten en spel die door hun omvang en ruimtebehoefte, voor zowel de activiteiten als het parkeren, niet passen binnen centrum- en woongebieden zoals een gymhal, bowlingbanen, indoorcarting, skihal en daarmee voor wat betreft de invloed op de omgeving te vergelijken voorzieningen;
 
4.54 hakhout
één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
 
4.55 handelsreclame
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
 
4.56 hobbymatig agrarisch gebruik
niet bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik;
 
4.57 hoofdgebouw
een gebouw, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;
 
4.58 horecabedrijf
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een seksinrichting;
 
4.59 horecabedrijf categorie 1
een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's-avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms, cafetaria's en snackbars;
 
4.60 horecabedrijf categorie 2
een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, feestcafé, eetcafé, restaurant, café-restaurant en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf;
 
4.61 horecabedrijf categorie 3
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij het beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen wezenlijke onderdelen vormen, zoals discotheken, dancings en nachtclubs
 
4.62 horecabedrijf categorie 4
een horecabedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies zoals hotels en pensions al dan niet in combinatie met een restaurant of een café-restaurant;
 
4.63 houtopstand
zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:
  1. een oppervlakte van grond beslaat van tien are of meer, of
  2. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
 
4.64 houtteelt
de teelt van bomen vanwege de houtproductie;
 
4.65 huishouden
persoon of groep personen, die een huishouden voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling daarvan;
 
4.66 intensieve veehouderij
agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en vleesstieren alsmede pelsdieren, met uitzondering van geitenhouderijen en het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving;
 
4.67 kampeermiddel
een onderkomen dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder een plaatsgebonden karakter, waaronder wordt begrepen:
  1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto/camper of een caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
  3. één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
4.68 kampeerplaats
een standplaats voor een kampeermiddel;
 
4.69 kampeerterrein
een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;
    
4.70 kantoor
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen waaronder congres- en vergaderaccommodaties;
 
4.71 karakteristiek gebouw
gebouw dat van cultuurhistorische waarde is op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, en een bijdrage levert aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid;
 
4.72 karakteristieke hoofdvorm
ruimtelijke verschijningsvorm van een gebouw zoals die wordt bepaald door bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, dakvorm, nokrichting, dakoverstekken, goothoogte, daklijsten en schoorstenen, erkers en balkons;
 
4.73 kas
een bouwwerken, niet zijnde een tunnelkas of een naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlaten materiaal, dienend tot het kweken van groente, vruchten, bloemen of planten;
 
4.74 kleinschalige duurzame energiewinning
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windmolens/-turbines en vergisting, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte;
 
4.75 kunstobject
voortbrengsel van de beeldende kunsten al dan niet in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
 
4.76 kunstwerk
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;
 
4.77 kwekerij
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, (rozen)struiken, coniferen en overige sierheesters, tuin- en perkplanten of daarmee vergelijkbare producten al dan niet in potten op een gesloten bed/ondergrond en al dan niet in kassen;
 
4.78 landbouwschuur
opslag van agrarische hulpmaterialen zoals machines of opslag van gewassen zoals stro, hooi en zaagsel;
 
4.79 landschappelijke waarden
waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;
  
4.80 landschapselement
elementen in het landschap in de vorm van bomen, bosschages, poelen en/of andere natte elementen en weg- en laanbeplanting;
 
4.81 ligplaats innemen
het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen;
 
4.82 logiesverstrekking
een (bedrijfs)activiteit waarbij de (bedrijfs)uitoefening uitsluitend is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies
 
4.83 maatschappelijke voorzieningen
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, religieuze en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede ondergeschikte voorzieningen voor sport en sportieve recreatie en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
 
4.84 manege
een bedrijf met een publieksgericht karakter, dat is gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur, het dresseren en trainen, alsmede het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen) en daaraan ondergeschikte detailhandel en horeca;
 
4.85 mestsilo
een bouwwerk bedoeld voor het opslaan van mest;
 
4.86 modelvliegterrein
een terrein waar radiografisch bestuurbare modelvliegtuigen worden bestuurd;
 
4.87 natuurlijke waarden
biotische en abiotische waarden van een gebied;
 
4.88 natuurzorgcentrum
een camping met een overwegend zorgaspect, waar mensen met een zorg- of hulpvraag, zoals mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, mensen met een burn-out, langdurig werkelozen of ex-verslaafden, in een natuurlijke omgeving kunnen verblijven, waarbij het zorgaspect bestaat uit begeleiding, arbeidsre-integratie en/of tijdelijke logeeropvang;
 
4.89 neventak intensieve veehouderij
een bedrijf waarvan een onderdeel van de bedrijfsvoering bestaat uit niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen;
   
4.90 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensieve veehouderij;
 
4.91 nutsgebouw
een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en telefooncellen;
 
4.92 nutsvoorzieningen
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede energieopwekking of -buffering en soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, bergbezinkbassins, telefooncellen en zendmasten;
 
4.93 ondersteunende horeca
er is sprake van ondersteunende horeca indien:
  • de horeca-activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit;
  • de openingstijden van de horeca-activiteit gelijk zijn aan de openingstijden van de hoofdactiviteit;
  • de toegang van de horeca-activiteit uitsluitend mogelijk is via de hoofdactiviteit.
 
4.94 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw en bijbehorend bouwwerk zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
4.95 overkapping
elk bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;
 
4.96 paardenfokkerij
een grondgebonden agrarisch bedrijf waard paarden worden gehouden ten behoeve van de fokkerij;
 
4.97 paardenhouderij
een bedrijf, niet zijnde een agrarisch bedrijf of een manege, waarbij het geheel of in overwegende mate gaat om het voortbrengen van producten en diensten door middel van het houden van paarden, zoals het houden, stallen of africhten van paarden en/of pony's, alsmede de handel in paarden en/of pony's;
 
4.98 peil
  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
    
4.99 perifere detailhandel
detailhandel volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, vee- en diervoeders, bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede woninginrichting, waaronder meubelen, waaronder in ieder geval niet wordt begrepen een supermarkt;
 
4.100 permanente bewoning
de bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;
 
4.101 productiegebonden detailhandel
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;
 
4.102 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
 
4.103 randsassortimentsartikelen
artikelen, die niet behoren tot het hoofdassortiment van een detailhandelsbedrijf, maar daar wel ondersteunend aan zijn, zoals accessoires;
 
4.104 recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
 
4.105 recreatieve bewoning
bewoning, niet zijnde permanente bewoning, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben
 
4.106 recreatiewoning
een gebouw, geen woonkeet en geen caravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen persoon of groep van personen, dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond. Onder recreatiewoning worden tevens een chalet of een trekkershut begrepen;
 
4.107 sanitaire unit
een gebouw, bestaande uit een enkele was- en toiletgelegenheid, ten behoeve van een enkel kampeermiddel of een standplaats op een kampeerterrein;
 
4.108 sanitaire voorziening
een sanitaire voorziening ten behoeve van de gezamenlijke gebruikers van een kampeerterrein
 
4.109 schuilstal
een overdekte ruimte die maximaal aan drie zijden is omsloten door wanden, waarvan het/de betreffende dier(en) gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen (extreme) weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn en waarbij in en nabij de schuilgelegenheid geen opslag is toegestaan met uitzondering van voer en stro in de schuilgelegenheid;
 
4.110 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een seksclub of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
4.111 stacaravan
een caravan, die als een gebouw valt aan te merken;
 
4.112 standplaats
het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen, een tafel of enig ander middel, waaronder niet wordt begrepen:
  • vaste plaatsen of jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet;
  • vaste plaatsen op evenementen.
 
4.113 supermarkt
een gebouw of een ruimte in een gebouw, door zijn inrichting kennelijk bedoeld voor detailhandel in (hoofdzakelijk) een grote verscheidenheid aan levensmiddelen door middel van zelfbediening;
 
4.114 trekkershut
een verblijf, bestaande uit een lichte constructie en lichte materialen, niet zijnde een kampeermiddel, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor (kortdurend) recreatief dag- en/of nachtverblijf;
 
4.115 verblijfsaccommodatie
een voorziening die is bedoeld voor de recreatieve bewoning door bezoekers of gebruikers van een conferentiepark;
 
4.116 verblijfsrecreatie
recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen en/of recreatiewoningen;
 
4.117 verkoopvloeroppervlakte
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte voor detailhandel;
         
4.118 vermaakscentrum
een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vermaaksfunctie door het bieden van gelegenheid tot de beoefening van kans- of behendigheidsspelen, al dan niet met behulp van automaten of apparatuur, of door het (ver)tonen van films of voorstellingen, dan wel door het bieden van soortgelijk amusement, één en ander al dan niet in combinatie met een horecafunctie in de vorm van het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren, zoals een amusementshal, speelautomaten- en/of kansspelautomatenhal, snooker- of poolcentrum, bowlinghal, paintballcentrum, bioscoop, theater, schouwburg, dansschool, casino, wedlokaal en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijf, met uitzondering van een seksinrichting;
 
4.119 volkstuin
gronden waarop niet bedrijfsmatige teelt van groenten en/of fruit en het kweken van siergewassen wordt uitgeoefend
 
4.120 voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg is gericht;
 
4.121 vrijstaande bijbehorende bouwwerken
een bijbehorend bouwwerk dat vrijstaand van het hoofdgebouw waar het bij hoort wordt/is gebouwd en hoort bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;
 
4.122 vuurwerkbedrijf
een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de handel in vuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen, niet bedoeld periodieke verkoop in consumentenvuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen;
 
4.123 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten;
 
4.124 windturbine
door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;
 
4.125 wonen
het gehuisvest zijn van een huishouden in een woning;
 
4.126 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding voor permanent gebruik;
 
4.127 wooncentrum
een gebouw voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren huishoudelijke, sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding en/of verzorging behoeven, zoals ouderen, psychiatrische patiënten of gehandicapten;
 
4.128 woongebouw
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat met één of meer gemeenschappelijke toegangen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
 
4.129 woonhuis
een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
 
4.130 woonschip
een zich in het water bevindend object, dat (nagenoeg) voortdurend dient als woning;
 
4.131 woonwagen
een voor bewoning bestemd gebouw en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;
 
4.132 zorgwoning
een woning voor de huisvestiging van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren, of mensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan de bewoners dusdanig is dat niet langer gesproken kan worden van zelfstandige bewoning, maar die gezien de maatschappelijke ontwikkelingen en hun geringe ruimtelijke impact wel aanvaardbaar zijn in de woonomgeving.
 
Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 5.1 tot en met 5.6.
 
5.1 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
5.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil c.q. de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;
 
5.3 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
5.4 de oppervlakte van een bouwwerk
de oppervlakte gemeten op vloerniveau langs de verticale projectie van de buitenomtrek van de overkapping c.q. van de opgaande scheidingsconstructies inclusief de overstekken;
 
5.5 de afstand tot de (zijdelingse) (bouw)perceelgrens
vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, tot de (zijdelingse) perceelgrens.
 
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, alsmede het plaatsen van een nieuwe muur om een bestaande gevel en het verlengde daarvan, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen ten hoogste 0,5 m bedraagt;
 
5.6 de hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
 
2 Regels gebruiksactivieiten
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk toegestane gebruiksactiviteiten.
Artikel 7 Wonen
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen.
 
7.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
  1. wonen al dan niet in combinatie met de volgende bij het wonen toegestane functies:
    1. bed & breakfast in het hoofdgebouw voor ten hoogste 4 personen;
    2. aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in bijlage 1 van de regels - lijst aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
met de daarbijbehorende:
  1. groenvoorzieningen;
  2. wegen, paden en verhardingen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. parkeervoorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. erven en terreinen.
 
7.3 Algemene regels aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:
  1. de bedrijfsvloeroppervlakte in het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 30% van de oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte in alle gebouwen in totaal niet meer bedraagt dan 90 m²;
  2. de aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning;
  3. de woonsituatie en/of de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast;
  4. geen onevenredige parkeerdruk voor de omgeving optreedt;
  5. er geen melding- dan wel vergunningplichtige milieubelastende activiteiten plaatsvinden;
  6. reclame-uitingen niet groter zijn dan 0,5 m²;
  7. detailhandel als nevenactiviteit voorzover de verkoop van producten een relatie hebben met de aan-huis-verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
           
7.4 Algemene regels verblijfsrecreatieve activiteiten
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor verblijfsrecreatie onder de volgende voorwaarden:
  1. bed & breakfast in hoofdgebouwen.
 
7.5 Verboden gebruiksactiviteiten
De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:
  1. het wonen en daaraan gerelateerde vormen van huisvesting in vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
  2. kamperen en kampeermiddelen, voorzover niet toegelaten op grond van dit omgevingsplan.
 
3 Regels bouwactiviteiten
Artikel 8 Wonen - Kern bouwen
 
8.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning
omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.
 
8.2 Gebouwen en overkappingen
8.2.1 Algemeen
Binnen de als Wonen - Kern bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor van toepassing:
  1. het bebouwingspercentage per bouwperceel mag ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedragen tot een maximum van 1.000 m², tenzij het bestaande bebouwingspercentage en/of de bestaande oppervlakte meer bedraagt, dan geldt het bestaande percentage en/of de bestaande oppervlakte als maximum.
 
8.2.2 Hoofdgebouwen
Binnen de als Wonen - Kern bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor hoofdgebouwen van toepassing:
  1. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  2. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' worden uitsluitend vrijstaande hoofdgebouwen gebouwd;
  4. de voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in de naar de weg gekeerde bouwgrens;
  5. de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 2 m;
  6. de goothoogte bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  7. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  8. een hoofdgebouw mag uitsluitend zijn voorzien van een kap met een minimale en maximale dakhelling van 30° en 60°, met dien verstande dat:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', de nokrichting haaks op de weg georiënteerd.
  9. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' bedraagt de breedte van vrijstaande woningen minimaal 8 m en maximaal 10 m.
           
8.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Binnen de als Wonen - Kern bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken van toepassing:
  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht ten minste 1 meter achter de naar de weg gekeerde gevel van de woning;
  2. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
  3. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 6 m;
  4. wanneer de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk meer dan 3 m bedraagt, wordt het dak gevormd door een of meer schuine dakvlakken met een hellingshoek van ten hoogste 55°;
  5. voor zover de bijbehorende bouwwerken zijn gelegen binnen een strook van 2 meter vanaf de zijdelingse bouwperceelgrens geldt: daknokhoogte [m] = (afstand daknok (evenwijdig gemeten) tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.
 
8.3 Overige bouwwerken
Binnen de als Wonen - Kern bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel(s) van het hoofdgebouw ten hoogste 1 bedraagt;
  2. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  3. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.
 
8.4 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de milieusituatie, brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen en in afwijking van:
  1. het bepaalde in lid 8.2.2 sub b in die zin dat hoofdgebouwen gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 4,5 m bedraagt;
  2. het bepaalde in lid 8.2.2 sub f in die zin dat de voorgevel van een hoofdgebouw achter de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd, mits rekening wordt gehouden met de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de hoofdgebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
  3. het bepaalde in lid 8.2.2 sub i in die zin dat een hogere goothoogte van het hoofdgebouw wordt toegestaan ten behoeve van verspringen in de gevel (krimpen) en variaties in de gootlijn over ten hoogste 25% van de lengte van de gevel, waarbij:
    1. de maximale toegestane afwijking van de goothoogte wordt bepaald door de afstand van het gebouw tot aan de bouwperceelsgrens gedeeld door drie;
    2. de maximale afwijking bedraagt nooit meer dan 1,5 m.
 
4 Algemene regels activiteiten
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene regels bouwactiviteiten
 
10.1 Vergunningvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen vergunningvoorschriften opnemen waarin eisen worden gesteld aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
  1. het bebouwings- en/of landschapsbeeld;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. de cultuurhistorische waarden;
  4. de natuurlijke waarden;
  5. de milieusituatie;
  6. de sociale veiligheid;
  7. de verkeersveiligheid;
  8. de watersituatie;
  9. de woonsituatie.
 
10.2 Bestaande afmetingen en situeringen
  1. Daar waar bestaande afstanden meer of minder bedragen dan ingevolge de bouwregels is voorgeschreven, worden de bestaande afstanden als ten hoogste respectievelijk ten minste toelaatbaar aangehouden.
  2. In die gevallen dat bestaande percentages, dakhellingen, kapvormen, bouw- en goothoogten, inhoud, oppervlakten en/of gevelindelingen afwijken van de bouwregels, worden de bestaande maatvoeringen als toelaatbaar aangehouden.
  3. In die gevallen waar wordt afgeweken van de ingevolge de bouwregels vereiste situering van bouwwerken, wordt de bestaande situering van een bouwwerk als toelaatbaar aangehouden.
 
10.3 Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen mogen in afwijking van dit plan uitsluitend worden overschreden door:
  1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), liftschachten, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits:
    1. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits:
    1. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
 
Artikel 11 Algemene gebruiksregels
 
11.1 Verboden gebruiksactiviteiten algemeen
De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:
  1. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering;
  2. de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens dit omgevingsplan toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  3. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  4. een seksinrichting;
  5. kamperen en kampeermiddelen, voorzover niet toegelaten op grond van dit omgevingsplan.
 
Artikel 12 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:
  1. het bepaalde in de van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande:
    1. dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
    2. de bouwhoogte van windturbines ten hoogste 15 m bedraagt;
  2. de regels ten behoeve van het vergroten van overige bouwwerken, tot ten hoogste 10 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  3. de regels ten behoeve van het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, van openbaar nut, zoals gemalen, transformatorstations, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes en dergelijke, met dien verstande dat:
    1. de inhoud ten hoogste 100 m³ bedraagt;
    2. de bouwhoogte ten hoogste 3 m bedraagt.
 
Artikel 13 Regels met betrekking tot bomen
 
13.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot bomen'.
 
13.2 Algemeen
  1. In dit artikel wordt verstaan onder:
    1. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
    2. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
  2. In dit artikel wordt onder vellen mede verstaan:
    1. omzagen;
    2. rooien;
    3. knotten of kandelaberen;
    4. het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
    5. verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter.
 
13.2 Aanwijzing vergunningplicht vellen houtopstanden
Het is verboden ter plaatse van de locatie ‘overige zone- regels met betrekking tot bomen” zonder omgevingsvergunning :
  1. een houtopstand te vellen of te doen vellen; of
  2. gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende bomenziekte kan verspreiden.
 
13.4 Uitzondering vergunningplicht
  1. De vergunningplicht onder 13.3 sub a geldt niet voor de volgende soorten bomen:
    1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;
    2. alle hagen;
    3. alle soorten naaldbomen (waaronder coniferen, dennen en sparren);
    4. alle soorten fruitbomen;
    5. meidoornbomen;
    6. berken;
    7. kweekgoed;
    8. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
  2. De vergunningplicht 13.3 sub a geldt verder niet indien:
    1. de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen;
    2. het periodiek vellen van een houtopstand betreft ter uitvoering van regulier onderhoud.
  
13.5 Beoordelingsregels
Een vergunning als bedoeld in 13.3 sub a wordt verleend indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de natuurwaarde van de houtopstand;
    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.
  2. in het geval van vellen van een boom een belangenafweging heeft plaatsgevonden waarbij ten minste één van de volgende belangen aan de orde is:
    1. waardering;
    2. overlast;
    3. kwaliteit;
    4. dwingende redenen.
 
13.6 Vergunningvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen aan de in lid 13.3 bedoelde vergunning voorschriften verbinden:
  1. ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;
  2. bestaande uit een herplantplicht of een financiële compensatie.
 
13.7 Gebod bestrijding boomziekten
  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
    1. de houtopstand te vellen;
    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.
  2. Het niet voldoen aan de sub a bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.
 
Artikel 14 Regels met betrekking tot reclame-uitingen
 
14.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot reclame-uitingen'.
 
14.2 Aanwijzing vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame
Het is verboden op de locatie ‘overige zone – regels met betrekking tot reclame-uitingen’ zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
 
14.3 Uitzondering vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame
Het verbod in lid 14.2 is niet van toepassing in gevallen waarin door burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken in de afweging.
 
14.4 Beoordelingsregels
Een vergunning als bedoeld in 14.2 wordt verleend:
  1. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen met welstand;
  2. er geen verkeersonveilige situatie ontstaat;
  3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.
 
Artikel 15 Regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg
 
15.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg'.
 
15.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het maken of veranderen van een uitweg
Het is verboden op de locatie ‘overige zone-regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg’ zonder omgevingsvergunning:
  1. een uitweg te maken naar de weg;
  2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; of
  3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
 
15.3 Beoordelingsregels
Een vergunning als bedoeld in 15.2 wordt verleend indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bruikbaarheid van de weg;
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de veiligheid en doelmatig gebruik van de weg;
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  5. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van groenvoorzieningen;
  6. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het milieu;
  7. de uitweg:
    1. niet breder is dan 3,5 meter ten behoeve van een woning;
    2. niet breder is dan 6 meter ten behoeve van een bedrijf;
  8. het gebouw, adres en/of perceel niet reeds door een uitweg wordt ontsloten;
  9. het maximaal één uitweg betreft ten behoeve van een nieuw uit te geven bouwperceel of kavel.
 
15.4 Uitzondering vergunningplicht
Het bepaalde in lid 15.2 is niet van toepassing op beperkingenactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale verordening of waterschapsverordening.
 
Artikel 16 Regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
 
16.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg'.
 
16.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op de weg
Het is verboden op de locatie ‘overige zone – regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg’ zonder omgevingsvergunning de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen anders dan overeenkomstig de functie daarvan is toegestaan.
 
16.3 Beoordelingsregels
De vergunning als bedoeld in 16.2 wordt verleend indien:
  1. het beoogde gebruik:
    1. geen schade toebrengt aan de weg;
    2. geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; dan wel
    3. geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  2. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
  3. geen sprake is van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
 
16.4 Uitzondering vergunningplicht
  1. Het verbod als bedoeld in 16.2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Wegenverkeerswet 1994 of het Provinciaal wegenreglement.
  2. De vergunningplicht als bedoeld in 16.1 geldt niet voor:
    1. evenementen;
    2. standplaatsen.
 
16.5 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het plaatsen van objecten op of aan de weg om het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel het doelmatig beheer en onderhoud van de weg te bevorderen.
 
Artikel 17 Welstandsregels
 
17.1 Redelijke eisen van welstand
Bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand. Of hiervan sprake is wordt per deelgebied beoordeeld aan de hand van de welstandscriteria die zijn opgenomen in de volgende leden:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied kanaalbebouwing' gelden de welstandscriteria behorend bij het gebied kanaalbebouwing zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels – Welstandsnota gemeente Stadskanaal;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied algemeen' gelden de welstandscriteria behorend bij het gebied Waterland zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels – Welstandsnota gemeente Stadskanaal.
 
Artikel 18 Regels met betrekking tot parkeren
 
18.1 Voldoende parkeergelegenheid
  1. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  2. De omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt beoordeeld aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2018 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381), met dien verstande dat indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
  3. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
 
5 Overgangsregels
Artikel 19 Overgangsrecht
 
19.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
  3. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of die beheersverordening.
 
19.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of die beheersverordening.