direct naar inhoud van 5.2 Cultuurhistorie en archeologie
Plan: Bestemmingsplan Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0014.BP486Buitengebied-vg01

5.2 Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1 Inleiding

Het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Groningen omvat een gebied met veel archeologische, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, zoals: wegen, verkavelingspatronen, oprijlanen, wierden, paden, oude boerderijplaatsen, boerderijen, kerken en kerkhoven, oeverwallen, gehuchten, veldnamen, dijken en waterlopen. Buiten de veelheid aan cultuurhistorische en archeologische elementen is het gebied vooral zeer waardevol vanwege de grote samenhang tussen deze waarden die er voorkomen.

Samenhang van waarden

Het is vooral de cultuurhistorische samenhang tussen en stapeling van de verschillende archeologische, geomorfologische, natuurlijke en landschappelijke waarden die het buitengebied voor de gemeente Groningen uniek maakt. Zo zijn veel boerenplaatsen vaak gelegen op al in vroegere tijden bewoonde wierden. De ligging van de wierden is weer sterk beïnvloed door de aanwezigheid van oeverwallen. De egomorfologie heeft ook invloed gehad op de verkaveling van het gebied: rechte perceelsgrenzen worden onderbroken door de kronkelende lijnen van eeuwenoude geulen en prielen die nog duidelijk in het slotenpatroon herkenbaar zijn. Deze verkaveling is in grote delen van het buitengebied sinds haar ontstaan nagenoeg intact gebleven. De samenhang met natuurlijke waarden blijkt onder andere uit dat smalle watergangen, historische groenstructuren en monumentale bomen op boerderijplaatsen.

Naast de samenhang zijn uiteraard specifieke terreinen, wegen, dijken, waterkeringen en waterlopen ook op zichzelf van cultuurhistorische en archeologische waarde. Het buitengebied kent veel (archeologische) rijksmonumenten, (archeologische) gemeentelijke monumenten, waardevolle boerderijen en boerenplaatsen, archeologische percelen en landschappelijke en historisch-geografische structuren. Deze elementen bepalen voor een belangrijk deel het beeld en de beleving van dit gebied door passanten en recreanten.

Buitengebied en verstedelijking

De kwaliteiten van het buitengebied staan onder druk. De uitbreiding van de Stad, de schaalvergroting van de landbouw, de aanleg van bedrijven- en industrieterreinen, de aanleg van nieuwe infrastructuur, ingrepen in het watersysteem en bosaanleg; dergelijke ontwikkelingen tasten de landschappelijke kwaliteiten aan. In een open landschap dat sterk contrasteert met de stedelijke bebouwing, zijn nieuwe ontwikkelingen al snel te dominant aanwezig. Toevoeging van nieuwe elementen in dit eeuwenoude en goed zichtbare en bewaard gebleven cultuurlandschap, leiden dan ook al snel tot een verstoord landschapsbeeld. Als hiertoe toch de mogelijkheid geboden wordt, is aansluiting bij de kernkarakteristieken van het landschap een belangrijke voorwaarde.

5.2.2 Bescherming van waarden via het bestemmingsplan

Archeologie

De bescherming van de archeologische waarden moet sinds de vaststelling van de Wet Archeologische MonumentenZorg (WAMZ) in het bestemmingsplan zijn gewaarborgd. Elk bestemmingsplan dient vanaf 1 september 2007 een paragraaf archeologie te bevatten, waarin wordt aangegeven welke archeologische waarden in het plan aanwezig, dan wel te verwachten zijn. Daarnaast moet het bestemmingsplan regels bevatten om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. Die regels kunnen in waardevolle archeologische gebieden aan een omgevingsvergunning worden gekoppeld. Daarmee wordt de aanvrager van een dergelijke vergunning verantwoordelijk voor behoud van archeologisch erfgoed.

In het bestemmingsplan buitengebied zijn twee soorten dubbelbestemmingen opgenomen: de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 betreft de terreinen waarvan bekend is dat er archeologische resten aanwezig zijn. Het gaat hierbij voornamelijk om (on)bebouwde huiswierden of (verlaten) verhoogde boerenplaatsen. Ingrepen in deze terreinen verstoren vrijwel zeker archeologische waarden. De bestemming Waarde - Archeologie 2 betreft de zones met een hoge archeologische verwachting. In deze zones kunnen zich (nog niet ontdekte) vindplaatsen bevinden. Het gaat hierbij voornamelijk om het kweldergebied en het gebied rond Noorddijk.

Aan de dubbelbestemmingen zijn bouwregels en een aanlegvergunningstelsel gekoppeld, die de archeologische waarden beschermen. Voor de terreinen die bebouwd zijn, of die via het bestemmingsplan bebouwingsmogelijkheden hebben is een vrijstelling van 50 vierkante meter oppervlakte opgenomen. De gebieden die mede bestemd zijn als Waarde - Archeologie 2 hebben een vrijstelling van 200 vierkante meter oppervlakte en 30 cm diepte. Archeologische resten kunnen zich hier namelijk zeer dicht onder het maaiveld bevinden. De vrijstelling van 200 vierkante meter is gebaseerd op de aard van de vindplaatsen. Een ingreep in de bodem met een oppervlakte van meer 200 vierkante meter zou een enkele boerderij al compleet kunnen vernietigen.

Karakteristieke panden

In het buitengebied is sprake van panden die niet de monumentale status hebben, dus niet worden beschermd op basis van de Monumentenwet 1988, maar wel beschermwaardig zijn. Deze panden zijn als karakteristiek aangemerkt. In algemene zin geldt voor deze panden en bijbehorende bouwwerken dat behoud moet worden nagestreefd. In het bestemmingsplan is dit vertaald naar een regeling waarbij de bestaande verschijningsvorm (de goot- en bouwhoogte en de dakhelling) is vastgelegd. Door middel van een afwijkingsbevoegdheid van het college kan hiervan worden afgeweken, waarbij de karakteristieke waarden zullen worden meegewogen.

In het bestemmingsplan zijn 44 panden als karakteristiek aangegeven (zie bijlage 1 en 2). Het gaat hierbij voornamelijk om boerderijen, bijschuren met een grote architectuurhistorische en/of bouwhistorische waarde. In bijlage 1 zijn per object de karakteristieke kenmerken en elementen aangegeven.

- boerderijen -

Door boerderijonderzoeker R.C. Hekker zijn de boerderijen in Nederland in verschillende groepen ingedeeld. Die in de provincie Groningen behoren tot de zogenaamde Friese-huisgroep, samen met Noord-Holland en Friesland. Eigenlijk kan ook het kustgebied van Noord-Duitsland tot dezelfde groep gerekend worden. Deze strook land behoorde vóór de Middeleeuwen tot de Friese landen. Kenmerkend is de grondsoort: klei; de manier waarop de koeien gestald worden: in een grupstal met de kop naar de zijgevels en sinds de 19e eeuw de manier van indeling van de schuur namelijk tasvakken tussen de gebinten en een langsdeel aan één kant.

Stad Groningen ligt als een knooppunt in de provincie Groningen. Aan de noordkant het Hogeland met het wierdenlandschap met z'n kop-hals-romp boerderijen, aan de oostkant het Oldambt waar in de 19e eeuw de akkerbouw de overhand kreeg en het Oldambtster type veelvuldig voorkwam (woon- en bedrijfsgedeelte liggen onder één nok). Ten Westen ligt het Westerkwartier met voornamelijk kop-romp boerderijen omdat veeteelt hier de boventoon voerde. Ieder deelgebied heeft haar eigen kleisoort en een eigen ontwikkeling doorgemaakt en dus ook een eigen karakteristiek. Rondom de stad komen deze karakteristieken terug. De oudste boerderijen liggen in het wierdengebied ten noorden en ten westen van de stad.

Deze boerderijen staan verhoogd op een boerenplaats. Veelal is deze boerenplaats omgracht en met bomen omzoomd. Bewoning op een boerenplaats gaat vaak eeuwen terug.

Het gebied aan de oostkant, bij Engelbert en Middelbert, ligt lager en is dus ook veel natter. Pas aan het eind van de 19e eeuw begon men hier met het droogmalen van het gebied. Dan worden de boerderijen ook vernieuwd, veelal in de kenmerkende, Oldambster stijl. De grondsoort om de stad is uitermate geschikt voor veeteelt. Toch hebben alle historische boerderijen binnen de gemeente Groningen een zogenaamde “Friese” schuur. Een schuurtype dat vanuit Friesland vanaf 1600 ook in de provincie Groningen zijn intree doet en bij een gemengde bedrijfsvoering hoorde. De oudste gebinten van een Friese schuur in de gemeente Groningen die destijds volledig met nieuw hout gemaakt zijn dateren uit 1610 en staan in de schuur aan de Friesestraatweg 422. Een 16e eeuwse schuur was veel lager, zelfs lager dan het woongedeelte en relatief smal. De bijbehorende gebinten waren eveneens laag, maar de balken waren wel 6 – 6,5 m lang. Vaak werden de lange balken uit een voorganger hergebruikt als staander in een Friese schuur. Een Friese schuur kenmerkt zich door een nok die hoog boven het woongedeelte ligt. Er staan aan de binnenkant dan ook hogere, zogenaamde dekbalkgebinten die de schuur in drie beuken verdeelt. De ruimte tussen de gebintstijlen is de middenbeuk die gebruikt werd voor de opslag van de produkten van het land terwijl tegen de achtergevel een paardenstal was gesitueerd. In de ene zijbeuk lag, langs de zijgevel, de koestal voorzien van voorgang, koestand, grup en looppad. Hier werden de koeien op de traditionele Friese manier gestald, ofwel met de kop naar de zijgevel. De andere beuk werd gebruikt als inrit naar de tasvakken en als dorsdeel. Aan de hoge achtergevel zijn deze traditionele functies nog steeds duidelijk te zien. Achter de hoge dubbele deelddeuren bevindt zich de deel terwijl er daarnaas twee kleine toegangen liggen, één in het midden voor de paardenstal en één aan de zijkant voor de koestal. In het Westerkwartier waar minder paarden nodig waren ontbreekt de paardenstaldeur vaak.

Woon- en bedrijfsgedeelte werden vaak onafhankelijk van elkaar verbouwd. Dan weer werd het woongedeelte vernieuwd, dan weer het bedrijfsgedeelte. Soms bleef de muur tussen woon- en bedrijfsgedeelte bij deze verbouwing staan. Dan is dat bouwhistorisch gezien een belangrijke muur.

Ook aan het voorhuis is een ontwikkeling af te lezen. Een 17e eeuws voorhuis bestond uit twee topgevels met daartussen een zadeldak en een nok die evenwijdig ligt aan die van de schuur. Asymmetrisch geplaatste vensters in de voorgevel verraden de plek van een bedsteewand binnenin. In de 19e eeuw werd het oude woongedeelte nog al eens gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe, bijvoorbeeld een dwarshuis. Vanuit het Oldambt kwam een andere ontwikkeling opzetten. Hier werd de nok van de schuur naar voren doorgetrokken voor een nieuw woongedeelte. Via sprongen in de zijgevel zogenaamde krimpen verkreeg men de overgang van de hoge zijgevels van het woongedeelte naar de lage van die van de schuur.

Zeer interessant is de plaats van de kelder in het pand. Die kan naast het voorhuis liggen onder een afgaand dak; onder het voorhuis bijvoorbeeld bij een dwarshuis of Oldambtster type; dwars geplaatst in het voorhuis zoals in het Westerkwartier of in de schuur tegen de voorgevel.

Op een boerenplaats kunnen nog andere gebouwen staan met een cultuurhistorische waarde, zoals een schuuruitbreiding in de vorm van een tweede historische bijschuur of een hut (voor gerei en schapen). Op het Hogeland werd een kleine bijschuur een hut genoemd.

Los van het woongedeelte stond vaak een stookhut waarin het vuur gestookt werd voor de bereiding van eten en later voor het koken van varkensvoer.

5.2.3 Cultuurwaardenkaart

Op de plankaart behorende bij dit bestemmingsplan zijn – zoals boven beschreven - de archeologische waarden aangegeven, evenals de karakteristieke panden die in het gebied voorkomen. Veel cultuurhistorische/archeologische waarden in het buitengebied zijn echter beschermd via andere regelingen zoals de Monumentenwet 1988 en komen niet voor op te plankaart. Om geen afbreuk te doen aan de samenhang van cultuurhistorische en archeologische waarden, en een goed overzicht te kunnen geven van alle waarden in het buitengebied van Groningen is bij dit bestemmingsplan een cultuurwaardenkaartgevoegd. Hierop staan de cultuurhistorische, archeologische, historisch-gegorafische en landschappelijk waardevolle elementen met nummers aangegeven. De nummers verwijzen naar een korte beschrijving, waar ook staat onder welk beschermingsregime ze vallen.

Het bestemmingsplan buitengebied is ingedeeld in vijf deelgebieden. Onderstaand is een toelichting per deelgebied gegeven met betrekking tot de specifieke cultuurhistorische en archeologische waarden.

Deelgebied Roderwolderdijk

Dit kleine gebied bestaat uit een grondberging ten oosten van het Koningsdiep en weilanden en een boerderij ten westen van het Koningsdiep. Het gebied ten westen van het Koningsdiep grenst aan de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van het laagveengebied de Peizermaden. Behoud van natuurwaarden door handhaving van de kenmerkende openheid in combinatie met het landschap doorsnijdende structuren als de Roderwolderdijk is daarom van belang. Het Koningsdiep is een groenverbinding en ecologisch waardevolle waterverbinding die de Peizermaden verbindt met het ten noorden van Hoogkerk gelegen open landschap nabij het Aduarderdiep. Uit cultuurhistorisch oogpunt is het wenselijk de loop van het Koningsdiep te consolideren, omdat deze onderdeel is van het historische Peizerdiep en hier een ongewijzigde loop kent.

Deelgebied Zijlvesterweg

De geomorfologie van dit gebied is met name beïnvloed door de zee en door afwateringstelsels van naar de zee lopende waterlopen ten westen van de Hondsrug. Ze is van grote invloed geweest op de bewoningsgeschiedenis. Dit gebied is grotendeels bedekt geweest met een laag veen. Dit veenpakket is grotendeels verdwenen door de ontginningen om het gebied bewoon- en bewerkbaar te maken. Toen de zee actiever werd zijn er nieuwe kleilagen afgezet en raakte veel van het nog aanwezige veen overspoeld. De dreiging van de zee kreeg steeds meer een permanent karakter en de meeste huiswierdes werden verlaten.

Kort voor het jaar 1000 vestigden zich weer mensen in het gebied. Dit deden ze voornamelijk op kwelderwallen, oeverwallen en andere natuurlijke hoogtes in het landschap. Ze moesten daarbij rekening houden met zeewater dat bij vloed via meanderende geulen en kreken het gebied binnenstroomde en telkens een kleilaagje achterliet. Bovendien diende rekening te worden gehouden met de afvoer van water vanuit hoger gelegen gebieden via dezelfde geulen en kreken. Woonplaatsen werden daarom ook kunstmatig verhoogd en zo ontstonden de wierden, waarvan er veel nu nog duidelijk herkenbaar in het landschap aanwezig zijn. De herkenbaarheid van deze verspreid voorkomende bebouwde en onbebebouwde wierden vormt een kernwaarde van dit deelgebied.

Rond 1200 wordt het gebied ontgonnen en verkaveld. Deze ontginning begint waarschijnlijk vanaf de oeverwal langs het Peizerdiep in het westen en vanaf de omgeving van de Paddepoelsterweg in het oosten. De verkaveling is sterk beïnvloed door geomorfologische factoren als geulen en kreken, waterlopen en natuurlijke hoogtes in het landschap. De hoofdstructuur van het landschap wordt gevormd door blokverkaveling. Nabij de oude meanders van de Hunsinge (de benedenloop van het Peizerdiepje) en de hieraan gerelateerde oeverwallen is sprake van onregelmatige blokverkaveling. Verder kent het gebied regelmatige blokverkaveling met een hoofdrichting meestal vrij haaks op de ontginningsbasis, zoals de Zijlvesterweg, de Aduarderdiepsterweg en de Noodweg/Kerkstraat. Uniek en van grote cultuurhistorische waarde is dat deze oorspronkelijke verkaveling in dit deelgebied, onder andere tot uiting komende in de herkenbaarheid van de Hunsinge meanders, zo gaaf aanwezig is.

In het gebied zijn vele (archeologische) gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten te vinden. Het betreft kerken, een pastorie, boerderijen/boerenplaatsen en een molen. Bovendien kent het gebied historisch-geografische structuren zoals wegen, oprijlanen, sloten, laagten, wierden, bebouwingslinten (onder andere langs de Friesestraatweg, Noodweg en Kerkstraat) en verlaten boerenplaatsen. Deze specifieke elementen, maar zeker ook hun onderlinge samenhang, vormen samen een cultuurhistorisch zeer waardevol en gaaf landschap. Kenmerkend voor dit landschap is de openheid met locale verdichting in de vorm van boerderijen, veelal op wierden gelegen, met bijbehorende karakteristieke erfbeplanting. Deze landschappelijke waarden staan echter onder druk. Stadsuitbreiding, de verdichting van bebouwingslinten, de realisatie van grote bijgebouwen, de aanleg of wijziging van wegen en waterwegen bedreigen het open wierdenlandschap.

De meeste boerderijen in dit gebied hebben een grote architectuurhistorische en/of bouwhistorisch waardevolle karakteristiek. De ruimtelijke situering in het open landschap versterkt de karakteristieken van boerderij en boerenplaats en draagt bij aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in dit gebied.

De aanwezigheid van een gracht, singelbeplanting als windbeschutting, bomen en boomgroepen, siertuinen en moestuinen, maar ook de algehele herkenbaarheid van de historische inrichting van het erf dragen bij aan de waarde van een boerenplaats. Deze elementen vormen een weerspiegeling van de bewoningsgeschiedenis en agrarische bedrijfsvoering in de loop der tijd. De ligging van veel boerderijen op eeuwenoude boerderijplaatsen, vaak verhoogde woonplaatsen (wierden), maakt ze bovendien vaak ook archeologisch waardevol.

Deelgebied Koningslaagte

De voormalige Hunze en de werking van de zee zijn in hoofdzaak bepalend geweest voor de opbouw van het gebied. Meanders van de Hunze zijn goed herkenbaar in het verkavelingspatroon in de vorm van langgerekte, kronkelende laagtes. Veel meanders hebben nog een, weliswaar beperkte, waterafvoerende functie. Naast meanders zijn ook oeverwallen van de Hunze nog goed herkenbaar in het landschap.

Dit gebied, grotendeels Koningslaagte genoemd, is cultuurhistorisch van grote waarde door de veelheid, gaafheid en samenhang van verschillende natuurlijke, geomorfologische, historisch-geografische en landschappelijke landschapsbepalende factoren. De gaafheid blijkt onder andere uit het blokverkavelingspatroon dat in de afgelopen eeuwen, op enkele infrastructurele ingrepen na nauwelijks veranderd is. Het verkavelingpatroon is beïnvloed door natuurlijke aspecten (zoals oeverwallen, zandruggen en natuurstroompjes), maar ook door uit verschillende tijdsperioden stammende menselijke ingrepen als de uitvalswegen van de stad, oprijlanen, dijken en gegraven waterlopen. De herkenbaarheid en gaafheid van deze verschillende historische lagen in het landschap vormt een kernwaarde van dit gebied.

Ook kenmerkend voor dit gebied is de openheid met daarin verspreid voorkomende agrarische bebouwing, welke sterk contrasteert met de stedelijke bebouwing ten zuiden van het Van Starkenborghkanaal en ten oosten van de Noordzeeweg. Deze openheid staat echter onder permanente druk. De realisatie van grote bijgebouwen,verdichting van bebouwingslinten als Noorderhoogebrug en infrastructurele ingrepen kunnen bijdragen aan een de verstoring van (het zicht op) het open landschap.

De meeste archeologische monumenten en percelen in dit gebied bevinden zich op en onder wierden, voornamelijk huiswierden die veelal te vinden zijn op de oeverwallen van de voormalige Hunze. De herkenbaarheid van deze verspreid voorkomende bebouwde en onbebebouwde wierden vormt een kernwaarde van dit deelgebied.

Een interessant verschijnsel in dit gebied zijn de afgravingen ten behoeve van de kleiwinning en tichelwerkindustrie. Gemiddeld werd 50 à 80 centimeter van de bodem afgegraven. Hiervoor zijn delen van de Koningslaagte afgegraven. De klei werd gebruikt voor het vervaardigen van onder andere bakstenen en dakpannen. Voor de grootschalige fabricage was de nabijheid van water voor het aanvoeren van de benodigde turf en het afvoeren van de producten van belang. De afgegraven percelen bevinden zich daarom voornamelijk nabij de oude loop van de Hunze. Enkele archeologische monumenten bevatten sporen van middeleeuwse steen- en pannenbakkerijen.

In dit gebied stond ooit het Benedictijner nonnenklooster 'Maria Virgo' (nr. 156, archeologisch rijksmonument). Verder stonden er vele borgen/boerderijen (vaak is het onderscheid niet te maken). Één van de borgen was borg Selwerd (nr. 134, archeologische rijksmonument) nabij de Paddepoelsterweg. Naast archeologisch waardevol zijn deze terreinen van betekenis voor de bewonings- en ontwikkelingsgeschiedenis van dit gebied.

Alle boerderijen in dit gebied hebben zèlf een architectuurhistorische en/of bouwhistorische waarde, maar ook de omgeving van de boerderijen maakt ze monumentaal. De ruimtelijke situering in het open landschap versterkt de karakteristieken van boerderij en boerenplaats en draagt bij aan de grootse cultuurhistorische en landschappelijke waarden in dit gebied. Ook is er vaak sprake van archeologische waarden: de boerderijen in dit gebied zijn meestal gelegen op eeuwenoude boerderijplaatsen. Dit zijn bovendien vaak verhoogde woonplaatsen (wierden).

De vaak voorkomende aanwezigheid op een boerenplaats van een gracht, singelbeplanting als windbeschutting, bomen en boomgroepen, siertuinen en moestuinen, maar ook de algehele herkenbaarheid van de historische inrichting van het erf dragen bij aan de waardes van een boerenplaats. Deze elementen vormen een weerspiegeling van de bewoningsgeschiedenis en agrarische bedrijfsvoering in de loop der tijd. In dit gebied dienen bovendien de historische oprijlanen genoemd te worden waarvan de loop vaak door geomorfologische aspecten bepaald is.

Deelgebied Noorddijk

Rond het jaar 1000 is sprake van veenontginning aan de randen van de uitgestrekte veengebieden ten westen en oosten van de stad Groningen. De ontginning vindt plaats vanaf de hoger gelegen oeverwallen van de Hunze in oostelijke richting door het graven van sloten. Zo ontstaat het verkavelingspatroon van langgerekte percelen. Haaks hierop zijn, op kleine verhogingen in het veengebied, nederzettingsassen gecreëerd. Deze nederzettingen zijn gelegen aan een lange weg met daaraan verspreid solitaire gebouwen. Noorddijk is zo'n nederzetting. Aan weerszijden van de Noorddijkerweg werd turf gestoken. Mede als gevolg hiervan erodeerde het veen, daalde het maaiveld en trad er vernatting op. Verbeterde waterhuishouding zorgde ervoor dat na de Middeleeuwen ook op lagere delen boerderijen gebouwd werden.

De Noorddijkerweg, een ontginningsas, vormt nog steeds de hoofdstructuur in het dorp Noorddijk, in de vorm van lintbebouwing. Dit beeld dient behouden te blijven. Gerealiseerde woningbouw, bosaanplant en verrommeling vormen een bedreiging van dit beeld.

Noorddijk grenst aan de wijk Lewenborg. Bij de overgang tussen Lewenborg en Noorddijk is bewust gekozen voor behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden in de vorm van boerderijen met houtopstanden, weilanden, verkavelingspatronen en de bossingel om Lewenborg. Deze duidelijke overgang tussen stad en land is van grote landschappelijke waarde en dient behouden te blijven.

Veel sloten liggen al eeuwen oud op dezelfde plek en het geheel van deze sloten vormt een redelijk intact gebleven verkavelingpatroon dat vertelt over de ontginningsgeschiedenis van dit gebied. Dit moet behouden blijven. Hetzelfde geldt ook voor de Beijumer Zuidwending, nu een waterloop, ooit een lage kadijk met aan weerszijden een sloot, die het laag gelegen Woldland ten noorden ervan moest beschermen tegen water vanuit de omgeving van Noorddijk.

Deelgebied Winschoterweg

In geomorfologisch opzicht is het buitengebied hier tamelijk gaaf gerelateerd naar de natuurlijke ontstaansvorm. Langs de Hunze zien we nog duidelijke invloeden van zowel de zee als de rivierstroming in de vorm van stroomruggen, oude stroommeanders en grondsoorten (namelijk zand, zavel en klei). In de oostelijkere delen van dit deelgebied is de grond moeriger en veniger, lager gelegen en heeft veenontginnning vanuit oostelijke richting plaats gevonden.

Ten westen van de vroegere Hunze (maar ten oosten van het Winschoterdiep) is sprake van onregelmatige blokverkaveling, kenmerkend voor een stroomdalgebied. De loop van de Hunze is goed te herkennen Ten oosten van de Hunzezone, alsmede tussen de spoorlijn en het Winschoterdiep is sprake van strokenverkaveling. Deze gave verkaveling moet behouden blijven.