Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Farmsum
Status: onherroepelijk
Plan identificatie: NL.IMRO.0010.12BP-OH01

Artikel 5 Bedrijf - 2

5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'bedrijf - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. voorzieningen ten behoeve van de stalling en/of niet bedrijfsmatig onderhoud van recreatievaartuigen en caravans;
  2. aanlegvoorzieningen ten behoeve van het tijdelijk afmeren van beroepsschepen en het afmeren van recreatievaartuigen;
  3. het aan de wal zetten of van de wal oppakken van hulpmiddelen voor de vaart en/of d efunctie van schepen die betrokken zijn bij hydrografische werkzaamheden;
  4. een watersportwinkel met een oppervlakte van maximaal 150 m2;
  5. horecavoorzieningen, gericht op de watersport, met een oppervlakte van maximaal 150 m2;
  6. kantoren ten behoeve van het beheer van de gronden overeenkomstig de onder a tot en met e bedoelde bestemmingen;
  7. ten hoogste twee bedrijfswoningen;
  8. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
  9. openbare nutsvoorzieningen;
  10. water.
 
In de bestemming zijn niet begrepen:
  • geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • risicovolle inrichtingen;
  • detailhandel, met uitzondering van detailhandel als genoemd in lid 5.1, sub d;
  • bedrijven, voor zover deze zijn genoemd in een hogere categorie dan categorie 3.1 van de bij dit plan behorende Staat van bedrijven;
  • verladen, op- en overslag van bulk- en stukgoederen zoals zand, grind, vis en dergelijke;
  • seksinrichtingen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: 
  1. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ten hoogste 50% van binnen het bouwvlak gelegen gronden mag worden bebouwd;
  2. de goot- en/of bouwhoogte bedraagt niet meer dan de op de verbeelding weergegeven goot- en/of bouwhoogte, dan wel niet meer dan de goot- en/of bouwhoogte van het bestaande gebouw indien deze meer bedraagt;
  3. per bestemming mogen niet meer dan twee bedrijfswoningen worden gebouwd;
  4. de bedrijfswoningen mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits deze op ten minste 3 m uit de erfscheiding worden geplaatst.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten niet meer dan 6 m bedraagt.
  2. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt voor de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m , met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbare weg (niet zijnde een brandgang tussen twee gebouwen) of openbaar groengebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 m bedraagt.
5.3 Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en gebouwen;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid; 
  • natuur en landschap.
nadere eisen stellen aan:
  1. de plaats van gebouwen in die zin dat de gebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
  2. de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.4 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid. 
bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
- lid 5.1: voor de bouw, reparatie en onderhoud van houten jachten, reparatie en onderhoud van kunststof jachten en afbouw van jachten mits:
a. een afstand wordt aangehouden van ten minste 50 m ten opzichte van de perceelgrens met de nabijgelegen woonbebouwing; b. niet meer dan 300 m2 voor dit deel wordt gebruikt.
5.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van bedrijfsgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen, voor bewoning;
  2. het gebruik van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens deze bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.