Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Farmsum
Status: onherroepelijk
Plan identificatie: NL.IMRO.0010.12BP-OH01

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het agrarisch grondgebruik met uitzondering van bosbouw en houtteelt;
  2. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, bodemkundige, archeologische, landschapsecologische, hydrologische en/of natuurwetenschappelijke waarden en de kleinschalige landschapselementen;
  3. cultuurgrond;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied natuurvriendelijke oevers’ zoekgebied voor natuurvriendelijke oevers;
 
met daaraan ondergeschikt:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. extensief dagrecreatief medegebruik;
  3. wegen en paden;
  4. sloten en/of andere watergangen; met de daarbijbehorende:
  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
met daarbij behorende:
  1. veldschuren, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van een veldschuur als genoemd in lid 3.1 sub j, met afmetingen van ten hoogste de bestaande oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. de bouwhoogte van perceelafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen;
  2. er mogen geen nieuwe agrarische bedrijfbebouwing en bouwwerken worden opgericht.
3.3 Nadere eisen
Het is in bijzondere gevallen mogelijk om aan de plaats en afmetingen van de bebouwing nadere eisen te stellen.
Dit kan indien dit noodzakelijk is ten behoeve van:
  1. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van gronden;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de sociale veiligheid.
3.4 Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik met deze bestemming zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het storten van afval;
  2. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik ontrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  3. het gebruik van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens deze bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  4. het opslaan van mest;
  5. kwekerijen;
  6. houtteelt;
  7. standplaats voor kampeermiddelen of andere verblijfsrecreatieve doeleinden;
  8. het realiseren van een ligplaats voor boten, anders dan voor eigen gebruik;
  9. de verhuur van boten, fietsen en/of andere recreatieve vervoermiddelen;
  10. de stalling van caravans, stacaravans en daarmee vergelijkbare kampeervoertuigen
  11. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.
 
3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden, het onderstaande uit te voeren:
  1. het aanplanten van bomen en/of houtgewas, niet zijnde erfbeplanting;
  2. het kappen en/of rooien van houtgewas;
  3. het verharden van perceel- en/of kavelontsluitingswegen met een grotere breedte dan 4 m;
  4. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ten behoeve van het agrarisch gebruik, met een oppervlakte van meer dan 50 m²;
  5. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 30 cm;
  6. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
  7. het wijzigen van het verkavelingspatroon vanwege het graven of dempen van watergangen of anderszins werkzaamheden 
3.5.2 Toegestane werkzaamheden
Het hiervoor genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud of normale agrarische gebruik betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.5.3 Voorwaarden voor vergunningverlening
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen wezenlijke afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden en de bodemkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden.