direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Krewerd - Kloosterweg 15
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Ligging en begrenzing

Dit bestemmingsplan is een zogenoemd postzegelbestemmingsplan, een bestemmingsplan slechts van toepassing op een relatief klein gebied.

Het voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Kloosterweg 13-15, kadastraal bekend gemeente Bierum, sectie N nummers 490 en 491 (hierna: plangebied). Het plangebied ligt ten zuiden van het dorp Krewerd, tegen de grens met de gemeente Appingedam (zie navolgende figuren).

afbeelding "i_NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01_0001.jpg"  afbeelding "i_NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01_0002.jpg"

Figuur 1 en 2. Ligging plangebied

1.2 Huidige situatie

Het plangebied ligt in het zogenoemde 'wierdenlandschap'. Het plangebied ligt ook op een wierde. Het landschap rondom heeft een voor het gebied kenmerkende onregelmatige blokverkaveling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01_0003.png"

Figuur 3. De huidige situatie

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord' van de gemeente Delfzijl dat is vastgesteld op 23 mei 2013. Dit plan is onherroepelijk voor zover het plangebied betreft. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1'. Deze bestemming is afgestemd op de aanwezige agrarische functie van dit buitengebied, terwijl ook rekening wordt gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden. In het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord' heeft het plangebied tevens de dubbelbestemmingen 'Waarde - archeologie 1' en 'Waarde- archeologie - 2'; deze bestemmingen beogen mogelijke archeologisch waarden te beschermen. Daarnaast is het perceel van het huidig agrarisch bedrijf (perceel 490) voorzien van een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf'. Hiermee is de aanwezige melkrundveehouderij planologisch geregeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01_0004.jpg"

Figuur 4. Fragment bestemmingsplan (www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.3 Aanleiding

De eigenaar van de percelen Kloosterweg 13 en 15 te Krewerd wil ten behoeve van uitbreiding van zijn veestapel een nieuwe, grotere ligboxenstal voor melkrundvee bouwen. De beoogde nieuwe stal valt voor een gering deel buiten het huidige bouwvlak. Daarnaast is gebleken dat in de huidige situatie enkele voorzieningen (deels) buiten het bouwvlak liggen.

De nieuwbouw van de stal heeft tot gevolg dat een milieuknelpunt ontstaat ten aanzien van de woning op het perceel Kloosterweg 13. Deze woning moet daarom worden gesloopt. Er mag op deze plek ook geen nieuwe woning worden gebouwd; de woonfunctie verdwijnt in zijn geheel.

De voorgenoemde aspecten zijn in strijd met het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord'. Om deze reden is het voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0010.04BP9904PC15-VG01_0005.png"

Figuur 5. Nieuw te bouwen ligboxenstal

1.4 Inhoud van de toelichting

In deze toelichting komen na de inleiding (hoofdstuk 1) de volgende zaken aan de orde:

  • een toets aan het relevante beleid ten aanzien van het plangebied (hoofdstuk 2);
  • een toets aan de omgevingsaspecten zoals luchtkwaliteit, water en archeologie (hoofdstuk 3);
  • een juridische toelichting (hoofdstuk 4) waarin onder meer de bestemmingen op de plankaart (in digitale zin: verbeelding) worden gemotiveerd;
  • de uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 5), waarin wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Bij het beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening, heeft het gemeentebestuur te maken met het beleid van de hogere overheden. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de gemeente zijn eigen beleid kan formuleren.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is in 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid.

Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het betreft de volgende belangen:

  • Rijksvaarwegen
  • Mainportontwikkeling Rotterdam
  • Kustfundament
  • Grote rivieren
  • Waddenzee en waddengebied
  • Defensie
  • Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
  • Elektriciteitsvoorziening
  • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
  • Ecologische hoofdstructuur
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • Ergoederen van uitzonderlijke universele waarde
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR.

De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, raken en schaden geen rijksbelangen. Dit mede gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Groningen

Basis voor het provinciale ruimtelijke beleid wordt gevormd door het Provinciaal Omgevingsplan 2009 - 2013 (POP), alsmede door de Omgevingsverordening Groningen 2009 (POV). Provinciale Staten hebben deze beleidsstukken op 17 juni 2009 vastgesteld. In afwachting van de nieuwe provinciale Omgevingsvisie zijn voorgenoemde documenten geconsolideerd (14 oktober 2014). In het voorliggend bestemmingsplan is uitgegaan van de geconsolideerde versie.

In het POP staat het omgevingsbeleid van de provincie op het gebied van milieu, verkeer en vervoer, water en ruimtelijke ordening benoemd. Belangrijke onderwerpen zijn de bescherming van de karakteristieken van het Groninger landschap, ruimte voor ontwikkeling, leefbaarheid op het platteland en duurzame energie.

Landbouw

Het plangebied ligt in een gebied dat wordt getypeerd als gebied waar de landbouw de hoofdfunctie is (aanduiding 'landbouw'). Het beleid is gericht op handhaving en verbetering van de productieomstandigheden voor de landbouw. Behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapskenmerken worden bevorderd, voor zover deze geen belangrijke beperkingen opleggen. De waterhuishouding wordt gericht op een vanuit agrarisch oogpunt optimale vochttoestand van de bodem.

Landbouw in gaaf landschap

Het wierdenlandschap is in het POP onder de aanduiding 'landbouw in een gaaf landschap' gebracht. Inrichtingsmaatregelen worden zowel op de landbouw, als op natuur en landschap gericht. Ingrepen die de bestaande waarden kunnen aantasten, zijn niet toegestaan of worden aan een vergunning gebonden.

De landbouw in deze gebieden is onderhevig aan grote veranderingen, die plaatselijk leiden tot verdere schaalvergroting. Door ruimte te bieden voor agrarische schaalvergroting wil de provincie hier de economie stimuleren. Daartegenover staat dat nieuwe economische dragers, zoals melkveehouderij en toerisme en recreatie, mogelijk moeten worden gemaakt. Hierbij dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing.

Wonen

Ten aanzien van het wonen streeft de provincie naar een optimale verdeling van de woningvoorraad. Per regio wordt een woningbouwprogramma vastgesteld. Voor de gemeente Delfzijl is deze neergelegd in het Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta (WLP). In dit plan is onder andere de woningbouwcontigentenverdeling opgenomen; sloop versus nieuwbouw.

2.2.2 Provinciale Omgevingsverordening

In de provinciale Omgevingsverordening (POV) zijn regels opgenomen die moeten zorgen voor de verwezenlijking van doelen die in het POP zijn gesteld. De POV geldt als kader voor het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan.

Agrarisch

In de POV zijn regels gesteld ten aanzien van de uitbreiding van agrarische bouwvlakken. Er is een koppeling gelegd met de Nota 'Agrarische bouwblokken en landschap' (pilot regio Noord). Het plangebied valt binnen het 'witte gebied' waarbinnen agrarische bouwblokken van maximaal 1 hectare zijn toegestaan. Het agrarische bouwblok in dit bestemmingsplan heeft een oppervlak van 1 hectare. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit de POV.

Daarnaast is aangegeven dat in het gebied geen uitbreidingsruimte is voor intensieve veehouderij. Het betreft in dit geval de uitbreiding van een melkrundveehouderij, waardoor deze regel niet van toepassing is.

Landschap

Het plangebied ligt in het 'wierdenlandschap'. Dit landschap wordt gevormd door de wierden en de maren. Het wierdenlandschap is een open landschap met veel puntvormige verdichtingen, bestaande uit kleine wierdedorpen met dichte beplanting en verspreide boerderijen (veelal op huiswierden) met erfbeplanting. Het plangebied ligt ook op zo'n wierde. Plaatselijk komen bosjes en (dichte) wegbeplanting voor. De omgeving rond het plangebied is aangeduid als gebied met 'herkenbare onregelmatige blokverkaveling'.

Het plangebied is tevens aangemerkt als gebied met hoge archeologische waarden.

Wonen

In de POV is opgenomen dat woningbouw moet passen in het programma zoals is neergelegd in de (regionale) Woonvisie. In geval van Delfzijl is dit het Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta (WLP). In paragraaf 2.3.2 wordt hierop nader ingegaan.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Bestemmingsplan

Het gemeentelijk ruimtelijk beleid ten aanzien van het buitengebied is neergelegd in de bestemmingsplannen voor het buitengebied. De percelen Kloosterweg 13 en 15 liggen in het plangebied van het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord'. Dit bestemmingsplan is door de raad op 23 mei 2013 vastgesteld. Op 19 december 2013 is het plan door de raad gedeeltelijk opnieuw vastgesteld. Die gedeeltelijke hervaststelling heeft geen betrekking op het plangebied.

In dit bestemmingsplan is aangegeven dat de gemeente ontwikkelingsmogelijkheden wil geven aan de landbouw, zij het binnen de kaders die de provincie Groningen heeft gesteld. De Nota 'Agrarische bouwblokken en landschap' speelt hierin een belangrijke rol. In deze nota is aangegeven dat het plangebied valt binnen de 'witte gebieden'. In deze gebieden zijn bouwvlakken tot maximaal 1 hectare toegestaan.

2.3.2 Woon- en Leefbaarheidsplan

2.3.2 Woon- en Leefbaarheidsplan

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw is verwoord in het Woon- en Leefbaarheidsplan Eemsdelta (WLP).

Het WLP is een langetermijnvisie die inspeelt op de gevolgen van de bevolkingskrimp en vergrijzing in de regio. Voor de sectoren wonen, onderwijs, welzijn en zorg, detailhandel en bereikbaarheid worden in het WLP de opgaven voor de komende jaren geformuleerd.

In het plan is onder andere de gemeentelijke woningbouwopgave opgenomen. Aan het buitengebied zijn 13 woningbouwcontingenten toegekend die kunnen worden ingezet voor nieuwe woonfuncties in het buitengebied.

2.3.3 Archeologiebeleid

In maart 2013 heeft de gemeenteraad nieuw archeologiebeleid vastgesteld. Het daarvoor geldende archeologiebeleid is daarmee verder verfijnd. Met dit beleid wordt beoogd de archeologische waarden in de gemeente te beschermen, zowel de terreinen als de
rijksmonumenten. Het archeologiebeleid is vertaald in de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord' alsmede in het voorliggend bestemmingsplan

Het plangebied ligt op een wierde. Wierden hebben een hoge archeologische waarde en zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Op grond van deze bestemming geldt dat voor werkzaamheden (zowel bouw als aanleg) een vergunning nodig is van het ministerie van Cultureel Erfgoed. Daarnaast is een klein deel van het plangebied aangemerkt als 'Waarde - Archeologie 2'. Binnen deze gebieden gelden onderzoeksverplichtingen.

De bebouwing in het plangebied is niet aangemerkt als rijksmonument.

Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 3.4.

2.3.4 Welstandsnota

De welstandsnota voor de gemeente Delfzijl is in september 2004 vastgesteld. Een belangrijke peiler van de nota vormen de gebiedsgerichte welstandscriteria. Onderlegger van de gebiedsindeling vormen de diverse landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de gemeente. Dit betekent dat “aansluiting bij de historische context” een essentieel uitgangspunt vormt bij nieuw- en verbouw.

Het plangebied valt in Welstandsgebied 29 'Wierdenlandschap Appingedam-Delfzijl'. Bij nieuwe bebouwing worden de welstandscriteria van dit welstandsgebied in acht gehouden.

2.4 Afweging

De uitbreiding van het bouwvlak past binnen het provinciaal beleid. De provincie kent aan de 'witte gebieden', waar het plangebied onder valt, een bouwvlak van maximaal 1 hectare toe.

Het bouwvolume op het perceel neemt toe met het planvoornemen. De nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast; de bestaande groenelementen blijven behouden (onder andere de bomen langs de weg), de huidige oriëntatierichting wordt in acht gehouden en er is aangesloten bij de maatvoering in het bestemmingsplan. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke waarden van het omliggend gebied. Daarnaast is de nieuwbouw getoetst aan de Welstandsnota en is door de Welstandscommissie een positief advies afgegeven.

Tot slot is voor dit plan geen woningbouwcontingent nodig. Door het wegbestemmen van de woning op Kloosterweg 13 komt zelfs een contingent vrij die weer kan worden ingezet voor een nieuwe woonfunctie in het buitengebied.

Het planvoornemen past binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vanuit beleidsoogpunt zijn er daarmee geen bezwaren tegen de uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

3.1 Milieu

3.1.1 Bodem

Op grond van het Besluit bodemverontreiniging dient de bodem geschikt te zijn voor de functie van het gebied, in dit geval agrarische activiteiten.

In het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe stal wordt een bodemonderzoek verricht.

3.1.2 Geluid

Het planvoornemen voorziet niet in de oprichting van geluidsgevoelige bebouwing. Een geluidsonderzoek kan in dit geval achterwege blijven.

3.1.3 Luchtkwaliteit
3.1.3.1 Toetsingskader en beleid

Sinds 15 november 2007 is de vernieuwde regelgeving voor luchtkwaliteit in de Wet Milieubeheer in werking getreden.

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang.


Projecten die in (zeer) beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 mg/m3.
3.1.3.2 Onderzoek

Van de luchtkwaliteit in en om het plangebied is op dit moment bekend dat er geen sprake is van overschrijding van de normering.

Gelet op de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkelingen kan het planvoornemen worden aangemerkt als 'niet in betekenende mate'.

Hiermee kan een nader onderzoek achterwege blijven.

3.2 Externe veiligheid

In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle objecten aanwezig (inrichtingen met gevaarlijke stoffen, wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en/of leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd). Het plangebied valt niet binnen invloedssfeer van een dergelijk risicovol object.

Ook wordt met het planvoornemen geen risicovolle inrichting opgericht, waardoor geen extra risico op de omgeving wordt gelegd.

Gelet op het bovenstaande zijn er geen bezwaren tegen de uitvoering van het planvoornemen.

3.3 Water

3.3.1 Toetsingskader en beleid

Sinds 1 november 2003 is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op wateraspecten. Doel hiervan is het waarborgen van de waterhuishoudkundige doelstellingen. In ruimtelijke plannen moeten die doelstellingen op een evenwichtige wijze worden meegewogen. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater vallen onder de zorg voor de waterhuishouding. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) worden ook de gevolgen van een ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging onderzocht.
De verantwoordelijkheid voor de te treffen waterhuishoudkundige maatregelen ligt bij de Waterschappen. Voor de waterkwantiteit geldt de trits vasthouden, bergen en afvoeren. Voor de waterkwaliteit geldt de trits schoon houden, scheiden en zuiveren van water.

Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Noorderzijlvest. Het beleid van dit waterschap is verwoord in het Waterbeheerplan 2010 - 2015 en in de Notitie Water en Ruimte 2013. De ruimtelijke zonering van de provincie heeft het waterschap vertaald naar een eigen zonering met water als belangrijkste element. Het waterschap benadrukt in haar functiezonering de volgende aspecten: de hoogte van de waterpeilen en het gewenste grondwaterregime (GGOR), een optimale wateraanvoer en -afvoer (waterkwantiteit), de waterkwaliteit voor verschillende functies en de inpassing van water in het landschap.

3.3.2 Onderzoek

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is via www.dewatertoetst.nl een wateradvies opgevraagd bij het waterschap Noorderzijlvest. Dit advies is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het invullen van de watertoets is uitgegaan van het aantal m2 uitbreiding van het bouwvlak. Immers, het bouwvlak kan in zijn geheel worden verhard. Uit het advies blijkt dat het plan geen hoofdwatergangen en/of zoneringen rondom beïnvloed.

Ook is in de bijlagen de Uitgangspuntennotitie van het waterschap opgenomen (Bijlage 1). Bij de uitvoering van het bouwplan worden de gegeven adviezen in acht gehouden.

3.4 Archeologie

3.4.1 Toetsingskader en beleid

De gemeente Delfzijl heeft in maart 2013 een gewijzigde archeologische beleidsadvieskaart en bijbehorende archeologienota vastgesteld. Deze nieuwe beleidskaart is opgesteld naar aanleiding van de evaluatie van de oude beleidskaart.

De archeologische beleidsadvieskaart is vertaald naar het bestemmingsplan. Op de verbeelding en in de planregels zijn de beleidsregels vastgelegd. Dit in de vorm van dubbelbestemmingen.

3.4.2 Onderzoek

Op het plangebied liggen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. De aanwezige bebouwing is niet aangemerkt als rijksmonument.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' heeft betrekking op bekende archeologische terreinen die op basis van de Monumentenwet zijn beschermd. Voor alle ingrepen is een vergunning nodig van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' heeft betrekking op gebieden met bekende vindplaatsen en op percelen waar de kans op archeologische resten groot is (onder andere wierden en borgterreinen). Voor ingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm is een vergunning nodig.

De bouwwerkzaamheden vinden plaats op gronden binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Voor ingrepen in de bodem dient derhalve een vergunningaanvraag bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te worden ingediend. De benodigde vergunning is inmiddels verleend.

Ter bescherming van de archeologische waarden zijn voorts de beide archeologische dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan opgenomen.

3.5 Ecologie

3.5.1 Toetsingskader en beleid

In het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met zowel Europees als nationaal beleid ten aanzien van natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

De gebiedsbescherming, van toepassing op Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten, is geregeld in de Natuurbeschermingswet. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS).

Op 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Het doel van deze wetgeving is ruimte bieden voor economische ontwikkelingen, een sterkere natuur en minder stikstof op Natura 2000-gebieden. In de PAS is per Natura 2000-gebied in Nederland ontwikkelingsruimte opgenomen, onder andere voor agrarische bedrijven (vastgestelde toename stikstofdepositie in mol/hectare). Dit betekent dat uitbreidingen van de veestapel mogelijk zijn, mits dit binnen de aan agrarische bedrijven toegekende ontwikkelingsruimte past. Voor uitbreidingen met een stikstofdepositie van meer dan 1 mol/hectare geldt een vergunningplicht op basis van de NB-wet. Voor een toename van de depositie tussen de 0,05 en 1 mol/hectare geldt een meldingsplicht. Voor uitbreidingen minder dan 0,05 mol/hectare gelden geen aanvullende regels.

Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet (2002) is voorzien in een bescherming van dieren- en plantensoorten. Een groot aantal van de van nature in Nederland thuishorende beschermde planten en dieren wordt met deze wet beschermd. Datzelfde geldt voor een groot aantal uitheemse plantensoorten. De wet wil schadelijke handelingen ten aanzien van de beschermde dieren en planten verbieden.

3.5.2 Onderzoek

Binnen en in de nabijheid van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden).

Op grotere afstand van het plangebied liggen echter wel Natura 2000-gebieden, waaronder de Waddenzee.

Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het aantal stuks melkrundvee toe:

  • Melkkoeien: van 89 naar 135 stuks
  • Jongvee: van 55 naar 84 stuks

Dit betekent dat ook de stikstofemissie toeneemt. Met behulp van het voorgeschreven Aerius Calculator is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er een toename en overschrijding is van de Kritische Depositie Waarde van habittattype H213oB in het Natura 2000-gebied Waddenzee (habittattype H213oB: het habitattype ter plaatse is onzeker, vanwaar is uitgegaan van het meest kritische habitattype dat in het Natura 2000-gebied voorkomt). Deze toename is minder dan 1 mol/hectare, waardoor er geen vergunningplicht geldt, maar kan worden volstaan met een melding. De ontwikkeling past binnen de toegekende ontwikkelingsruimte. Met het gebruik van de Aerius Calculator is de benodigde ontwikkelingsruimte ook reeds geregistreerd. In Bijlage 3 zijn de uitkomsten van de berekening met de Aerius Calculator opgenomen. 

3.6 Geurhinder agrarische bedrijvigheid

3.6.1 Toetsingskader en beleid

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Bij ministeriële regeling zijn geuremissiefactoren vastgesteld voor dieren en huisvestingssystemen. Voor melkvee is geen geuremissiefactor vastgesteld. Daarmee gelden voor melkrundveebedrijven de regels uit het Activiteitenbesluit. In dit besluit wordt een afstand gehanteerd van 50 meter, gemeten van het emissiepunt tot aan de dichtsbijzijnde gevel van het geurgevoelig object.

3.6.2 Onderzoek

Voor de uitbreiding van de veestapel geldt een meldingsplicht. en geen vergunningplicht. Het aantal melkkoeien blijft namelijk onder de grens van 200. Zodoende zijn op het planvoornemen de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing.

In het Activiteitenbesluit is voor melkrundveehouderijen een afstand van 50 meter opgenomen wat betreft het aspect geur. Deze afstand wordt gemeten vanaf het emissiepunt tot aan de dichtsbijzijnde gevel van het geurgevoelig object. Uit onderzoek blijkt dat de woning op het perceel Kloosterweg 13 op circa 30 meter van de stal ligt. Hiermee wordt niet voldaan aan de afstand uit het Activiteitenbesluit. Om dit knelpunt op te lossen, is overeengekomen de bebouwing op het perceel te slopen. In het voorliggend bestemmingsplan is een juridisch planologische regeling opgenomen waarmee wordt geborgd dat de sloop ook daadwerkelijk plaatsvindt.

Daarnaast is op het perceel Kloosterweg 17 ook een woning aanwezig. Deze woning valt (net) binnen 50 meter van de stal. De nieuwe stal wordt echter zo gebouwd dat het emissiepunt op minimaal 50 meter van de dichtsbijzijnde gevel van deze woning ligt. Hierdoor is geen milieuknelpunt aanwezig.

3.7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het Besluit m.e.r. zijn activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. In de bijbehorende D-lijst (specifiek D 14) is opgenomen dat 'de uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren' een dergelijke verplichting kent. Voor melkrundvee geldt deze verplichting indien sprake is van een toename van meer dan:

  • 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2);
  • 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3);
  • 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3).

De beoogde uitbreiding van de veestapel blijft onder de genoemde aantallen waardoor geen m.e.r.-plicht geldt.

3.8 Lichthinder

In de provinciale Omgevingsvisie en Verordening, zijn regels gesteld ten aanzien van het aspect lichthinder. In het bestemmingsplan zijn deze regels vertaald in specifieke gebruiksregels (artikel 3.5).

Deze regels worden in acht wordt gehouden bij de bouw van de nieuwe ligboxenstal. Tevens worden, waar nodig en mogelijk, maatregelen betrokken die zijn genoemd in het 'convenant lichtemissie melkveestallen'. Dit convenant hebben LTO Noord en de Natuur- en milieufederatie in 2015 afgesloten om storende zichtbaarheid van verlichte melkveestallen in het donkere buitengebied van Friesland en Groningen te voorkomen en te reduceren.

3.9 Duurzaamheid

Duurzaamheid is één van de speerpunten binnen het gemeentelijk beleid. Het klimaatbeleid, opgenomen in het klimaatprogramma 2009-2012 (gemeente onderschrijft dit nog steeds), staat op twee peilers:

- Trias Energetica: 1. beperk de enegievraag; 2. gebruik duurzame energie; 3. indien nodig, gebruik fossiele brandstoffen zo efficiënt en schoon mogelijk.

- Inzetten op evenwichtige duurzame ontwikkeling.

Bij de bouw van de ligboxenstal wordt gestreefd naar duurzaamheid. Een voorbeeld hiervan is dat het dak van de stal geschikt wordt gemaakt voor de plaatsing van zonnepanelen.

Hoofdstuk 4 Juridische toelichting

4.1 Algemeen

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden. De wijze waarop deze regeling juridisch kan worden vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Deze standaard (die slechts een systematische standaardisering betreft en geen inhoudelijke standaard) is verplicht op grond van het Bro. Zo voorziet het SVBP in een standaardopbouw van een bestemmingsplan door onder andere:

  • standaardbenamingen van een bestemming en de daarin voorkomende bepalingen
    (bouwregels, omgevingsvergunningen, e.d.);
  • de alfabetische volgorde van de begripsbepalingen en bestemmingen;
  • een vaste volgorde van een indeling van een bestemming;
  • een aantal standaard begripsbepalingen;
  • een standaard wijze van meten;
  • vaste kleuren en kleurcodes van een bestemming op de plankaart;
  • standaard benamingen van aanduidingen op de plankaart en in de voorschriften.

Het bestemmingsplan wordt in een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd. Het plan kan worden geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Delfzijl: www.delfzijl.nl Het plan wordt ook in het informatiesysteem van de gemeente ingevoerd.

Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Het vaststellen van een digitale versie is vanaf 1 januari 2010 verplicht.

4.2 Planregels

De planregels bij dit plan worden als volgt onderverdeeld.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

In de inleidende regels zijn bepalingen opgenomen voor een goede toepassing van het plan. De inleidende bestaan uit een definiëring van de begrippen die in het plan worden gehanteerd en de wijze waarop wordt gemeten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingsregels opgenomen:

Bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1'

Voor een voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag worden binnen deze bestemming de mogelijkheden geboden. Het betreft regels ten aanzien van het gebruik van de gronden, maar ook ten aanzien van het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bestemming biedt tevens een basisbescherming voor de landschappelijke kenmerken van het wierdenlandschap.

Binnen deze bestemming zijn tevens de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel agrarisch grondgebonden bedrijf' (in dit geval is een melkrundveehouderij aanwezig) en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - sloopverplichting' opgenomen. Deze laatste ligt op het perceel Kloosterweg 13 waar thans de woning aanwezig is. De regels voor deze sloopverplichting zijn opgenomen in de 'specifieke gebruiksregels' van de bestemming 'Agrarisch - Wierdenlandschap 1'. Met deze regels wordt gewaarborgd dat de woonbebouwing wordt gesloopt alvorens de ligboxenstal wordt gebouwd.

Bestemming 'Water'

Binnen de planbegrenzing liggen (gedeelten van) twee waterlopen die in het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord' specifiek zijn bestemd als 'Water'. Deze bestemming ziet op een planologische bescherming van de waterlopen. De bestemming met bijbehorende regels zijn integraal opgenomen in het voorliggend bestemmingsplan.

Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' stellen regels die gelden naast de basisbestemming. Deze dubbelbestemmingen zijn een vertaling van het archeologiebeleid zoals dat in maart 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. Zij bevatten een omgevingsvergunningplicht voor nader omschreven werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden binnen het op de verbeelding weergegeven gebied.

Hoofdstuk 3 Algemene Regels

In het plan zijn algemene regels en de overgangs- en slotregels opgenomen. Dit betreft een anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouw-, gebruiks-, aanduiding-, afwijkings-, wijzigings- en procedureregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

De opgenomen anti-dubbeltelbepaling en het overgangsrecht zijn geformuleerd conform het bepaalde in de artikelen 3.2.1 en 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente heeft geen financiële betrokkenheid bij dit bestemmingsplan. De kosten voor de uitvoering van het planvoornemen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft daarom niet te worden opgesteld.

Om het risico voor eventuele planschadevergoeding door de gemeente uit te sluiten, wordt met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten waarbij dit risico voor rekening van de initiatiefnemers komt.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Ten aanzien van dit bestemmingsplan wordt de wettelijk voorgeschreven procedure gevolgd.

Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt aan een ieder de gelegenheid geboden om een zienswijze in te brengen op het bestemmingsplan. Dat kan schriftelijk, via de mail of mondeling.

Het plan kan fysiek worden ingezien in het gemeentehuis en de bibliotheek, maar ook digitaal via www.ruimtelijkeplannen.nl en via www.delfzijl.nl.

5.3 Overleg

Op grond van het Bro dient bij een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met betrokken (overheids)instanties. In dit geval is vooroverleg gevoerd met:

  • Waterschap Noorderzijlvest en
  • Provincie Groningen.

Het waterschap heeft aangegeven geen bezwaren te hebben op het plan (zie Bijlage 2 ).

De provincie heeft een aantal opmerkingen op het plan gemaakt die hierna kort worden behandeld. De gehele provinciale reactie is opgenomen in Bijlage 4.

Omgevingsaspecten

1.

De provincie maakt de opmerking dat door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed een monumentenvergunning moet worden afgegeven. Zij beveelt aan om dit in het kader van het bestemmingsplan te doen en niet pas in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

Door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is een positief besluit genomen op de aanvraag voor de monumentenvergunning.

2.

In de regels van het bestemmingsplan staat dat een toename van de stikstofdioxide op Natura 2000-gebied(en) wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Dit bestemmingsplan is opgesteld om de vergroting van het agrarische bedrijf mogelijk te maken. In de toelichting dient te worden aangetoond dat deze ontwikkeling uitvoerbaar is.

Op 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof in werking getreden. Het doel van deze wetgeving is ruimte bieden voor economische ontwikkelingen, een sterkere natuur en minder stikstof op Natura 2000-gebieden. In de PAS is per Natura 2000-gebied in Nederland ontwikkelingsruimte opgenomen, onder andere voor agrarische bedrijven (vastgestelde toename stikstofdepositie in mol/hectare). Dit betekent dat uitbreidingen van de veestapel mogelijk zijn, mits binnen de aan agrarische bedrijven toegekende toename van stikstofdioxide wordt gebleven.

Om te zien of de beoogde uitbreiding van de veestapel mogelijk is, is een melding gedaan. Via de Aerius Calculator is berekend dat de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Waddenzee toeneemt, maar dat de ontwikkeling past binnen de toegekende ontwikkelingsruimte. Gelet op dit aspect is het planvoornemen uitvoerbaar. Paragraaf 3.5 is op dit punt aangevuld.

In het bestemmingsplan 'Buitengebied - Noord' is een gebruiksregel opgenomen op grond waarvan een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet is toegestaan. Deze gebruiksregel is echter strenger dan de wetgeving (PAS) waardoor deze niet is opgenomen in dit bestemmingsplan.

3.

De provincie verwijst in haar opmerkingen naar het Besluit m.e.r. In de 'D-lijst' van dit besluit zijn namelijk bepalingen opgenomen voor agrarische bedrijven. Geadviseerd wordt om in dit kader een vormvrije m.e.r.-beoordeling te doen.

In het bestemmingsplan is een paragraaf opgenomen waar wordt ingegaan op dit aspect (zie paragraaf 3.7). Uit de toets aan het Besluit m.e.r. blijkt dat het planvoornemen niet m.e.r.-plichtig is.

Duurzaamheid

De provincie verzoekt om een toelichting op de aspecten duisternis en stilte en de omgang hiermee. Tevens adviseert zij om aandacht te besteden aan de wijze waarop de gemeente omgaat met het aspect duurzaamheid.

In dit kader zijn de paragrafen 3.8 en 3.9 opgenomen.