Strijp buiten de Ring 2019    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

Naar verwachting treedt op 1 januari 2021 de Omgevingswet in werking. Eindhoven heeft ervoor gekozen om alle bestemmingsplannen op dat moment zo actueel mogelijk te hebben. Het bestemmingsplan 'Strijp buiten de Ring 2004' is op 13 maart 2006 vastgesteld en vanaf 4 oktober 2006 onherroepelijk. Gelet op het feit dat dit bestemmingsplan niet langer actueel is, is dit bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan is tevens een aantal ontwikkelingen meegenomen die na bovengenoemd bestemmingsplan met een bestemmingsplanherziening mogelijk zijn gemaakt. Het gaat om:

  • I Strijp buiten de Ring 2004 (sportpark Botenlaan);
  • II Strijp buiten de Ring 2004 (Zeelsterstraat 140);
  • III Strijp buiten de Ring 2004 (Spilcentrum 't Ven);
  • V Strijp buiten de Ring 2004 (St. Theresiaplein 11).

Ook is het paraplubestemmingsplan 'Parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing' in dit bestemmingsplan vertaald.

Daarnaast zijn met een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan 'Strijp buiten de ring 2004' met een uitgebreide procedure nog enkele ontwikkelingen mogelijk gemaakt, te weten:

  • Bredalaan 57: verbouw magazijn/kantoor naar woonruimte
  • Carmelitessenstraat 25: winkel/restaurant naar woonruimte
  • Lievendaalseweg 5: realiseren winkelruimte inclusief bijbehorende functies
  • Dr. Holtroplaan 3: verbouwen/renoveren kantoor naar kliniek met kantoor

Ook deze ontwikkelingen zijn vertaald in het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan "Strijp buiten de Ring 2019" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt vermeld waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er ook een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.

1.2 Het plangebied     

Het plangebied betreft dat deel van het stadsdeel Strijp dat buiten de Ring ligt en bovendien tot het stedelijk gebied (overwegend woongebied) behoort, met uitzondering van de gebieden Drents Dorp, Strijp R en de bedrijven grenzend aan de percelen aan de Zeelsterstraat. Een klein gedeelte van de wijk Lievendaal is buiten het plangebied gelaten. Dit gedeelte is namelijk meegenomen in het bestemmingsplan 'Halve Maan 2013 (De Lieven - Drents Dorp)'. Het buitengebied van Strijp en de bedrijventerreinen De Hurk en Zwaanstraat vallen eveneens buiten deze planherziening.

Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door een gedeelte van de Ring, te weten de Botenlaan en de Beukenlaan. Aan de noordzijde wordt het plan begrensd door de Noord Brabantlaan, de Tilburgseweg, Professor Meyers- en Pieter Stockmanslaan, het fiets-/voetpad grenzend aan de percelen aan de Rodenburg-, Paul Scholten-, Scheltemaweg en de Welschapsedijk. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Poot van Metz en het Beatrixkanaal. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door de Hastelweg (ged), Rijstenweg en het bedrijventerrein De Hurk grenzend aan de percelen Zeelsterstraat 93F t/m 282 (oneven huisnummers).

verplicht

Afbeelding plangebied (=blauwe cirkel) in Eindhoven

verplicht Luchtfoto met plangebied (rode lijn).

1.3 Voorgaande plannen     

Het bestemmingsplan "Strijp buiten de Ring 2019" vervangt grotendeels het bestemmingsplan "Strijp buiten de Ring 2004", vastgesteld door de raad op 13 maart 2006, gedeeltelijk goedgekeurd d.d. 17 juli 2006 (besluitnr. 1184889) en onherroepelijk d.d. 4 oktober 2006;

Het plan "Strijp buiten de Ring 2019" vervangt tevens de volgende bestemmingsplannen:

  • I Strijp buiten de Ring 2004 (sportpark Botenlaan). Dit bestemmingsplan is d.d. 4 maart 2010 vastgesteld door de raad en onherroepelijk op 29 april 2010;
  • II Strijp buiten de Ring 2004 (Zeelsterstraat 140). Dit bestemmingsplan is d.d. 11 januari 2011 vastgesteld door de raad en d.d. 11 maart 2011 onherroepelijk.
  • III Strijp buiten de Ring 2004 (Spilcentrum 't Ven). Dit bestemmingsplan is d.d. 12 april 2011 vastgesteld door de raad en d.d. 17 juni 2011 onherroepelijk.
  • V Strijp buiten de Ring 2004 (St. Theresiaplein 11). Dit bestemmingsplan is d.d. 7 februari 2012 vastgesteld door de raad en d.d. 6 april 2012 onherroepelijk.

1.4 Leeswijzer     

Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied     

2.1 Historisch perspectief     

Het westelijk gelegen Strijp is het grootste stadsdeel en beslaat een derde van het totale oppervlak van Eindhoven. Aan de oostkant ligt een relatief klein woongebied waarvan het deel 'buiten de Ring' betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Tot omstreeks 1900 was Strijp een van de vijf kleine dorpen die rondom het stadje Eindhoven lagen. Het centrum van Strijp werd gevormd door het Trudoplein. Het gaat daarbij om een zeer oude nederzetting waarvan bodemvondsten hebben aangetoond dat de geschiedenis daarvan teruggaat tot de Bronstijd en zelfs de Midden Steentijd. Rondom het dorpje lag een aantal gehuchten zoals Het Ven, Welschap, Schouwbroek, De Hurk en Schoot en boerenhoeven zoals de Mispelhoef, Lievendaal of Tegenbosch. Ter plaatse van het gehucht Heuvel (ten westen van Strijp) is onderhavig plangebied gelegen. In de directe nabijheid van deze nederzettingen kwamen akkers voor. Maar voor het overige bestond Strijp voornamelijk uit uitgestrekte heidevelden met vennen, kleine natuurlijke bosjes en stuifduinen. Tegen het begin van de 19e eeuw was het gebied grotendeels gecultiveerd door heidebebossingen en ontginningen ten behoeve van de landbouw. Vanaf de negentiende eeuw krijgt de opkomende industrialisatie een steeds grotere invloed op de ontwikkeling van het gebied.

In 1920 worden de omliggende dorpen, waaronder Strijp, door Eindhoven geannexeerd. Er kan vanaf dat moment verder gewerkt worden aan de kenmerkende radiale verkeersstructuur die op het centrum is gericht en de aanleg van de binnenring en de rondweg (De Ring). Philips gaat bij de ontwikkeling van Eindhoven en Strijp in het bijzonder, een steeds grotere rol spelen. In korte tijd verrijzen in het stadsdeel Strijp langs het spoor naar 's-Hertogenbosch grote kantoor- en fabriekscomplexen. In de nabijheid van deze complexen bouwde Philips woningen voor de werknemers. Zo werden nog voor de oorlog de voor die tijd typerende arbeiderswijken zoals Philipsdorp en Drents Dorp gebouwd. Naast bedrijfsgebouwen en woningen ontwikkelt Philips een groot aantal voorzieningen voor zijn werknemers in Strijp zoals scholen, een sportpark, een ontspanningscentrum e.d.

In de jaren dertig worden ter bestrijding van de werkeloosheid ook in Strijp grote werkverschaffingsprojecten opgezet. Zo wordt in die periode het vliegveld Welschap aangelegd en het Beatrixkanaal gegraven. Ook na de oorlog blijft de invloed van Philips groot. Er worden woonwijken voor Philipswerknemers gebouwd in Lievendaal en het Ven. De naoorlogse economische groei resulteert in een toenemende bedrijvigheid aan de kop van het Beatrixkanaal en groeit uiteindelijk uit tot het grootste industriegebied (industrieterrein De Hurk) van Eindhoven. Ook de aanleg van nieuwe snelwegen en de ontwikkeling van Eindhoven Airport zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid.

In de periode van 1960-1980 daalt de bebouwingsontwikkeling sterk. De laatste 20 jaar zijn binnen het woongebied van Strijp weer nieuwe woningbouwprojecten uitgevoerd. Rond 2000 is gestart met een grote uitbreiding van het stedelijk gebied aan de westzijde van Strijp: de Vinexlocatie Meerhoven.

2.2 Stedenbouwkundige structuur     

Opbouw

Strijp is een van de vijf lobben die rond het centrum van Eindhoven zijn ontwikkeld. Deze lobben zijn te vergelijken met een bloem waarvan de blaadjes (de lobben) rondom het hart zijn geformeerd. De scheiding tussen de lobben is duidelijk waarneembaar en worden gevormd door groengebieden of bedrijventerreinen. Voor Strijp wordt de scheiding tussen de lobben gevormd door de spoorweg Eindhoven-'s-Hertogenbosch met aanliggend groengebied en het Beatrixkanaal met de aanliggende industriegebieden.

Het plangebied van Strijp buiten de Ring wordt door de Noord-Brabantlaan in twee op zichzelf staande woongebieden verdeeld: Het Ven en Lievendaal.

Een bijzondere ruimtelijke kwaliteit van Strijp zijn de pleinen. Op Lievendaal na hebben alle afzonderlijk te onderscheiden woongebieden een min of meer centraal gelegen plein. Deze pleinen hebben naast een functie voor ontmoeting, spelen en het organiseren van evenementen ook een belangrijke symbolische functie. Naast het functionele aspect zijn de pleinen belangrijk voor de oriëntatie, routekeuze en ruimtelijke identiteit van de buurt.

Door de sterke scheiding door de Noord-Brabantlaan is er weinig onderlinge ruimtelijke- en functionele samenhang van de wijken. Het centraal gelegen circuit dat gevormd wordt door de Bredalaan, Loeffstraat, Lievendaalseweg en Johannes Buijslaan is dan ook belangrijk om de onderlinge nog aanwezige relatie van de wijken te waarborgen.

Het groengebied rondom het Evoluon is, naast de twee woonwijken, het resterende deel van het plangebied. Dit park wordt ruimtelijk sterk gescheiden door de Tilburgseweg die centraal door het groengebied loopt. Desondanks dient de ruimtelijke samenhang van dit groengebied zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven en eventueel versterkt te worden vanwege het gebrek van groen binnen de woonwijken zelf.

Verkeersstructuur

Strijp buiten de Ring is goed bereikbaar en heeft een directe aansluiting op de stedelijke, nationale en internationale infrastructuur. De A2/N2 loopt westelijk van het gebied en heeft binnen het plangebied één aansluiting, namelijk via de Noord-Brabantlaan. Een andere aansluiting, via de Tilburgseweg, behoort niet direct tot het plangebied, al steekt deze weg het stadsdeel in tot aan de Ring.

Het stadsdeel Strijp grenst aan het stationsdistrict en heeft een eigen station Strijp-S ter hoogte van de Beukenlaan. Over de Noord-Brabantlaan is een HOV-lijn aangelegd (Hoogwaardig Openbaar Vervoer). Deze HOV-lijn loopt grofweg van het station Eindhoven via Strijp tot Eindhoven Airport of Veldhoven Sondervick.

Het parkeren is een probleem in Strijp. Op bepaalde tijdstippen bestaat op verschillende plaatsen een tekort aan parkeermogelijkheden. Enkele belangrijke oorzaken zijn de grote parkeerbehoefte van een aantal bedrijven en voorzieningen zoals scholen e.d., en omdat de parkeercapaciteit van oude woonwijken niet is afgestemd op het autobezit en gebruik.

Groen en water

Binnen het plangebied of direct grenzend eraan liggen enkele parken zoals het Philips van Lenneppark, het gebied rondom het Evoluon en het Jacob Oppenheimpark.

Verspreid binnen het woongebied dat verder voor een groot deel groenarm is, bevinden zich enkele groenplekken zoals de groenstrook langs de Tilburgseweg, het Hugo de Grootplein en het Gemeentelijk Sportpark aan de Botenlaan.

Waterpartijen in de vorm van singels en vijvers zijn, op de vijver voor het Evoluon na, in het plangebied niet aanwezig. Het Beatrixkanaal heeft voornamelijk een functie als afwateringskanaal en wordt als transportkanaal voor het bedrijventerrein De Hurk gebruikt. Het kanaal grenst aan het plangebied.

2.3 De buurten     

Dit bestemmingsplan omvat de woonbuurten buiten de Ring: Het Ven en Lievendaal.

verplicht

Overzichtskaart van de buurten Lievendaal (623) en Het Ven (622) in het plangebied.

Hieronder wordt een korte toelichting per woonbuurt gegeven.

Het Ven

Het Ven is de, aan de westzijde van de stad, voorbij Philipsdorp gesitueerde woonbuurt rondom het Hugo de Grootplein naar plannen van J.H. van den Broek (1947). De wijk kenmerkt zich door een regelmatig en strak patroon van brede straten waaraan aaneengesloten woonblokken bestaande uit tweelaagse huizen, deels voorzien van voortuinen. In de straten stroken openbaar groen. In de buurt is per hectare een groter aantal woningen geplaatst dan voorheen, maar door de ruime opzet wordt dit niet als zodanig ervaren. In de woningen, met aan voor- en achterzijde grote vensters, zijn voor het eerst op ruime schaal materialen toegepast als beton (vloeren, dak, balkons) en staal(kozijnen). Ook de in de buurt geïntegreerde bejaardenwoningen zijn een nieuwe ontwikkeling. De buurt, in opdracht van de Vereniging Volkshuisvesting (Philips) gebouwd, is het eerste naoorlogse woningbouwcomplex in Eindhoven.

In Het Ven zijn ongeveer 1.900 woningen en wooneenheden aanwezig voor c.a. 4.000 bewoners. 56% van de woningen zijn huurwoningen en 46% is gebouwd in de periode tussen 1945 en 1970 (per 1 januari 2015). De oudste woningen treffen we aan langs de oude wegenstructuur (Zeelsterstraat, Bredalaan) met de typerende kleinschalige bebouwing. We treffen hier ook veel bedrijvigheid aan. Tussen en rondom deze wegen bevinden zich enkele kort voor en kort na de oorlog gebouwde complexen van sociale huurwoningen of particuliere bouw.

Typerend voor de stedenbouw in het katholieke Eindhoven van die tijd is het complex van kerk-pastorie-kerkhof-gasthuisklooster dat hier gerealiseerd werd aan het St. Theresiaplein.

 verplicht

Obliekfoto St. Theresiaplein

Voorzieningen

De buurt heeft een goed aanbod van basisvoorzieningen, zoals basisschool, winkels e.d. Er zijn grote groenvoorzieningen zoals het Jacob Oppenheimpark en het Hugo de Grootplein. Deze voorzieningen zijn echter door de drukke verkeerswegen, die als barrières werken, slecht bereikbaar. De woonbuurten zelf hebben relatief weinig groen en maken een 'stenige' indruk. Het Ven heeft goede sport- en speelvoorzieningen zoals sportpark Botenlaan, de speelvoorzieningen van het Hugo de Grootplein en kleine speelplekken verdeeld over de buurt. Op het Hugo de Grootplein zijn voorzieningen voor jongeren gerealiseerd (sportveld, JOP) en worden regelmatig activiteiten georganiseerd. De afgelopen jaren is het winkelaanbod enigszins teruggelopen in de buurt.

Verkeer

De ontsluiting van de buurt op het stedelijk wegennet is redelijk goed. De bereikbaarheid door middel van het openbaar vervoer is voldoende en de interne verkeerssituatie is de laatste jaren verbeterd. Dit heeft geresulteerd in de afname van het aantal verkeersongevallen. Wel ontstaan er nog gevaarlijke verkeerssituaties omdat er binnen de 30-km/uur gebieden te hard wordt gereden. Een aantal fietsroutes is, zeker voor schoolgaande kinderen, gevaarlijk. Ook ontstaat er op een aantal plaatsen in de buurten overlast als gevolg van een tekort aan parkeergelegenheid.

Voor een deel van de buurt is de bereikbaarheid beter geworden als gevolg van de reconstructie van de Noord Brabantlaan. Bij de introductie van het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV), die onder andere gebruik maakt van de Noord Brabantlaan, is de verkeersdruk voor Het Ven voor een deel verminderd. We treffen in Het Ven/Zeelsterstraat nog wel een oude wegenstructuur aan met de typerende kleinschalige particuliere bebouwing, maar het gebied bevat toch vooral complexen van sociale woningbouw.

Lievendaal (623)

De buurt Lievendaal is vrijwel geheel in de eerste twintig jaren na de oorlog gebouwd met overwegend goedkope, inmiddels gerenoveerde huurwoningen. In deze periode werd een aaneengesloten woongebied met in het midden daarvan een aantal voorzieningen, zoals een sporthal, vrijetijdsaccommodatie, winkelstrip en basisschool, gerealiseerd. Aanvankelijk is hier ook een kerk gebouwd, maar deze is op de kerktoren na, eind jaren zeventig gesloopt. De toren is nog steeds een belangrijk herkenningspunt binnen de buurt en is van veraf te zien.

De buurt omvat ruim 1.500 woningen en heeft ongeveer 3.100 inwoners. 62% van de woningen zijn huurwoningen en 74% is gebouwd in de periode tussen 1945 en 1970 (per 1 januari 2015).

In het noordwesten ligt het Philips van Lenneppark dat in 1966 door Philips aan de stad werd geschonken. Meer recent zijn enkele kleine woningcomplexen in de buurt en enkele grotere gebouwen langs de Noord-Brabantlaan met daarin een winkel en een aantal bovenwijkse voorzieningen. Ter plaatse van de Poot van Metz is een kantorenpark gelegen (de Poort van Metz).

Voorzieningen

Lievendaal heeft veel voorzieningen die voor de buurt een belangrijke functie vervullen zoals het park, een sporthal, een vrijetijdsaccommodatie, het gezondheidscentrum, de apotheek, een basisschool, een supermarkt en speelvoorzieningen. Het Philip van Lenneppark heeft met de kinderboerderij, het hertenkamp, de speeltuin en dergelijke een belangrijke recreatieve functie voor de buurt en de wijdere omgeving. Dit park ligt niet binnen het plangebied, maar grenst er direct aan. Ook is er een opvanghuis voor gehandicapten, Huize Odulpha, en een woonproject voor ouderen.

Het aanbod van commerciële voorzieningen in de buurt is minimaal. Er is slechts één supermarkt in de buurt, die een volledig pakket van eerste levensbehoeften biedt. De afgelopen jaren is het winkelaanbod enigszins teruggelopen in de buurt.

verplicht

Obliekfoto Lievendaalsweg

Verkeer

Lievendaal ligt centraal binnen de Westcorridor, is redelijk goed ontsloten op het stedelijk wegennetwerk en heeft een goede verbinding met de snelweg en het centrum van Eindhoven. De openbare vervoersontsluiting is met de komst van de HOV goed.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten, randvoorwaarden en beleidskader     

3.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat dit bestemmingsplan past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.

3.2 Rijksbeleid     

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.

Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.

Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.

Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).

De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.

In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.

Realisatie

Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.

De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:

  • Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving);
  • Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden);
  • Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds);
  • Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van “best practices”).

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.

Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.

De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Dit bestemmingsplan richt zich op het vastleggen van de bestaande situatie en van de functionele en ruimtelijke structuur. Er worden met onderhavige actualisatie geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er is dus geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 Bro waarvoor een ladderonderzoek nodig is.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)     

Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.

Voor Eindhoven is de 380 Kv hoogspanningsleiding van belang. Deze ligt in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die het Natuur Netwerk Brabant (NNB) vormen worden bij provinciale verordening aangewezen (zie ook paragraaf 3.3.3). Daarmee is het NNB een provinciaal belang geworden. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd.

In het plangebied is geen NNB of hoogspanningsleiding aanwezig. Wel zijn de belangen van luchthaven Eindhoven relevant voor het plangebied. In paragraaf 3.2.4 wordt hier nader op ingegaan.

3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)     

In de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn de terreinen, gebieden en installaties zoals bedoeld in het Barro, aangewezen. Voor onderhavig plangebied is het obstakelbeheergebied behorende bij het luchtvaartterrein relevant. Het hele plangebied is in dit gebied gelegen. Dit gebied is op onderstaande kaart aangegeven. In paragraaf 3.2.4 wordt nader ingegaan op de beperkingengebieden en dus het obstakelbeheergebied. Onderstaande kaart behoort bij de Rarro.

verplicht

Kaart militair luchtvaartterrein – Vliegbasis Eindhoven (bijlage 3.4 Rarro per 20 januari 2017)

Bron: http://wetten.overheid.nl

3.2.4 Luchthavenbesluit     

In 2009 is de Wet luchtvaart gewijzigd. Naar aanleiding hiervan is een nieuw luchthavenbesluit voor Eindhoven vastgesteld (Luchthavenbesluit Eindhoven). Dit is op 26 september 2014 vastgesteld en met ingang van oktober 2014 in werking getreden. In het Luchthavenbesluit Eindhoven is het luchthavengebied, de gebruiksmogelijkheden en het beperkingengebied vastgelegd. Voor het bestemmingsplan is vooral het beperkingengebied van belang.

Het beperkingengebied bestaat uit:

  1. de geluidszone: dit is de weergave van de geluidsbelasting van het gezamenlijke luchtverkeer (hier wordt in paragraaf 4.3.4 op ingegaan). Binnen deze zone gelden regels voor het bouwen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen.
  2. de obstakelbeheergebieden: hier gelden maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten.
  3. het vogelbeheersgebied: binnen dit gebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt.

Het plangebied ligt binnen het obstakelbeheergebied en het vogelbeheersgebied. De 35 KE geluidszone ligt niet over het plangebied. Hieronder wordt nader ingegaan op het obstakelbeheergebied en het vogelbeheersgebied.

verplicht

Kaart beperkingengebied. Bron: Bijlage 2 bij het Luchthavenbesluit Eindhoven, d.d. 18-09-2017. Plangebied globaal geel gemarkeerd.

Obstakelbeheergebied

Met de obstakelbeheergebieden wordt geregeld tot welke hoogte objecten c.q. gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is om gevaar voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven te voorkomen. De toegestane hoogten worden bepaald door de vliegfunnel, de IHCS en de ILS. Voor onderhavig plangebied is uitsluitend de IHCS relevant.

IHCS

Het IHCS (Inner Horizontal and Conical Surface) is bedoeld om vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Het betreft een zone van 4 km rond de landingsbaan waar maximaal 65 meter ten opzichte van +NAP hoog mag worden gebouwd. Buiten deze zone gaat de maximaal toegestane bouwhoogte geleidelijk omhoog. Voor het plangebied loopt deze hoogte op tot 135 meter.

verplicht

Kaart obstakelbeheergebieden voor de vliegfunnel en IHCS. Bron: Bijlage 4 bij het Luchthavenbesluit Eindhoven, d.d. 18-09-2017. Plangebied globaal geel gemarkeerd.

Binnen het plangebied geldt ten gevolge van de IHCS een hoogtebeperking vanaf NAP+ 65 meter tot NAP + 95 meter. De maximale bebouwingshoogte van de in het plangebied aanwezige gebouwen bedraagt 65 meter vanaf peil. Dit betreft de toren bij het Evoluon. Gemeten vanaf NAP is dit gebouw circa 80 meter. Ter plaatse van deze toren geldt een maximale bouwhoogte vanaf NAP van 95 meter. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is regulier een maximale bouwhoogte bepaald van 4 meter. Een uitzondering hierop is gemaakt voor de reclamezuil bij de kantorenlocatie Poort van Metz. De reclamezuil aan de westzijde van de Dr. Holtroplaan van deze kantorenlocatie mag maximaal 30 meter bedragen. In de binnenplanse afwijkingsregeling ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat een maximum geldt van 20 meter. Gelet op bovenstaande wordt voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde voldaan aan de hoogtebeperking. Hiermee is er geen sprake van belemmeringen voor de vliegfunnel en de IHCS. Om eventuele belemmeringen in de toekomst te voorkomen is specifiek voor de toren bij het Evoluon geregeld dat slechts afgeweken mag worden van de maximale bouwhoogte met 10% wanneer hiervoor een advies is ingewonnen bij de beheerder van de IHCS.

Het vogelbeheersgebied

Binnen het vogelbeheersgebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt. In beginsel is een grondgebruik of bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan:

  • oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • vishouderijen met extramurale bassins;
  • extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • afvalwaterzuiveringsinstallaties.

verplicht

Afbeelding vogelbeheersgebied (=lichtgroen) en luchthavengebied (=donkergroen) uit het Luchthavenbesluit Eindhoven. Plangebied globaal geel gemarkeerd.

Binnen het plangebied zijn geen waterpartijen in de vorm van singles en vijvers aanwezig, op de vijver voor het Evoluon na. Deze vijver is kleiner dan 0,5 hectare en past daarom binnen de regels voor het vogelbeheersgebied. Verder zijn in de regels van de bestemmingen 'Groen', 'Sport' en 'Bedrijf' de bovengenoemde categorieën van gebruik (voor zover relevant voor de bestemming) aangemerkt als strijdig gebruik.

3.2.5 Bakens nabij luchthaven Eindhoven     

Op en nabij de luchthaven Eindhoven zijn bakens (zie figuur 3.1) aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen:

  • een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd.
  • een NDB; Non Directional Beacon. Dit wordt door vliegtuigen gebruikt als navigatiehulpmiddel op luchtroutes. Het is een bakenzender die een radiosignaal uitzendt dat door een peilontvanger in het vliegtuig wordt opgevangen. Hierdoor wordt de richting van het signaal ten opzichte van het vliegtuig bepaald. Door de richting van twee verschillende bakens te peilen kan de piloot zijn/haar positie bepalen.

De toetsingsgebieden liggen voor VDF geheel over het plangebied, maar hebben gezien de maximaal toegestane bouwhoogte (zie onderstaande figuur) geen consequenties.

verplicht

Figuur 3.1. Afbeelding hoogtebelemmeringen bakens nabij luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen= VDF. Rode lijnen= NDB.

3.3 Provinciaal beleid     

3.3.1 Omgevingsvisie     

De Brabantse omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld door Provinciale Staten. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2021 wordt ingevoerd.



In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

3.3.2 Structuurvisie     

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

verplicht

Deel B

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:

  1. de groenblauwe structuur;
  2. het landelijk gebied;
  3. de stedelijke structuur;
  4. de infrastructuur.

Dit plangebied ligt in de stedelijke structuur. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen.

Uitwerking structuurvisie

De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Zo is voor het gebied ten oosten van Eindhoven de deelstructuurvisie Brainport Oost opgesteld. Deze bevat keuzes voor wonen, werken en bereikbaarheid ten oosten van Eindhoven.

Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

3.3.3 Verordening ruimte 2014 Noord-Brabant     

Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de 'Verordening Ruimte 2014' vastgesteld (per 15-07-2017 genoemd 'Verordening ruimte 2014 Noord-Brabant'). In de Verordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. De provincie stelt algemene regels die voor heel Brabant gelden, maar verdeelt het grondgebied ook in vier structuren waarvoor apart beleid geldt.

Algemene regels

In de verordening zijn algemene regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Deze regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van Brabant. In het algemeen houdt dit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.

Structuren (hoofdkaart)

Verder onderscheidt de verordening de volgende vier structuren:

  • Bestaand stedelijk gebied
  • Natuur Netwerk Brabant (NNB)
  • Groenblauwe mantel
  • Gemengd landelijk gebied

Deze structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en zijn Brabant dekkend. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. De vier structuren staan op de hoofdkaart van de verordening. Onderhavig plangebied valt binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.

verplicht

Uitsnede uit hoofdstructurenkaart Verordening ruimte Noord-Brabant.

Themakaarten

Naast de hoofdkaart zijn er vijf themakaarten opgenomen in de Verordening ruimte. Voor onderhavig plangebied zijn de themakaarten 'stedelijke ontwikkeling' en 'water' van belang.

Themakaart 'stedelijke ontwikkeling'

Op deze themakaart staan de structuur 'bestaand stedelijk gebied', de aanduidingen 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling', 'integratie stad-land' en 'regionale bedrijventerrein'. Het plangebied ligt binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.

verplicht

Uitsnede uit de kaart van de Verordening ruimte Noord-Brabant 'Themakaart stedelijke ontwikkeling' en de structuur 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.

Themakaart water

Op deze themakaart staan de structuren en aanduidingen die betrekking hebben op water. Het plangebied is grotendeels aangeduid als 'boringsvrije zone'. Binnen de 'boringsvrije zone' geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. In de Provinciale Milieuverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze kleilaag. De aanduiding 'boringsvrije zone' op de verbeelding van dit bestemmingsplan heeft uitsluitend een signalerende functie.

verplicht

Uitsnede uit de kaart van de Verordening ruimte Noord-Brabant, 'Themakaart water' met de aanduiding 'boringsvrije zone'.

3.3.4 (ontwerp) Interim omgevingsverordening     

De (ontwerp) Interim omgevingsverordening vervangt een aantal provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening
  • verordenring natuurbescherming
  • verordening ontgrondingen
  • verordening ruimte
  • verordening water
  • verordening wegen



Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. Doordat de Omgevingswet volgens huidige planning pas in 2021 in werking treedt, kan er nog geen invulling worden gegeven aan deze wet.



Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening heeft ter inzage gelegen. Het streven is dat Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening in oktober 2019 vaststellen.



Dit bestemmingsplan betreft een actualisering die past binnen de regels van de (ontwerp) Interim omgevingsverordening.

3.4 Gemeentelijk beleid     

3.4.1 Interimstructuurvisie 2009     

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. Dit plangebied ligt buiten een transformatiegebied.

3.4.1.1 Gebruik van de ruimte     

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.

verplicht

Figuur: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven

Onderhavig plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'Wonen'. Deze gronden zijn voornamelijk bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-)onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en –velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is.

3.5 Volkshuisvesting     

In het onderhavige plangebied zijn geen concrete nieuwe ontwikkelingen voorzien. Indien zich nieuwe ontwikkelingen in het gebied voordoen op het gebied van wonen zal dit worden getoetst aan het volkshuisvestingsbeleid.

3.5.1 Regionaal beleid     

De negen gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) staan samen aan de lat om een woon- en leefklimaat van hoge kwaliteit te realiseren en de veranderende kwalitatieve en kwantitatieve vraag zo goed mogelijk te bedienen. Dit is een voorwaarde voor een aantrekkelijke vestigingsplek voor nieuwe inwoners en om te kunnen blijven concurreren met andere (inter)nationale topregio's. Dit gaat niet alleen. We hebben elkaar maar vooral bewoners en partners, zoals corporaties, ontwikkelaars, beleggers, bouwondernemingen en makelaars, nodig. Die investeren mee in de kwaliteit van de regio en het woonklimaat. Als samenwerkende partners in een creatieve regio zoeken we daarbij ook naar mogelijkheden om innovaties in het bouwproces te realiseren.

Het Regionaal Ruimtelijk Overleg (gemeenten, provincie) heeft op 13 december 2017 het 'Afsprakenkader Wonen 2017' bekrachtigd dat door de afzonderlijke negen gemeenteraden is vastgesteld. Hierin zijn o.a. de volgende afspraken over woningbouwontwikkelingen opgenomen:

  1. We geven ruim baan aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties binnen het 'bestaand stedelijk gebied' zoals dat is aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant.
  2. Alle overige initiatieven stemmen we op elkaar af, waarbij het uitgangspunt is dat er geen nieuwe uitleglocaties worden ontwikkeld, tenzij het regionaal portefeuillehoudersoverleg hierover een unanieme beslissing neemt. Uitleglocaties liggen immers buiten het bestaand stedelijk gebied zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant.
  3. In principe beschouwen we de kwantitatieve provinciale prognoses 2017 als richtinggevend op het niveau van het Stedelijk Gebied. De indicatieve prognose voor Eindhoven is gemiddeld 1182 woningen per jaar voor de komende 10 jaar. Hierbij maken we zo optimaal mogelijk gebruik van de ruimte die de Brabantse Agenda Wonen biedt. Door de woningbouwontwikkelingen goed te monitoren kunnen we ingrijpen op het moment dat dat nodig is en voorkomen we dat goede plannen voor de korte termijn (2021) worden tegengehouden op basis van de programmering op langere termijn (2030). Hierdoor ontstaat meer ruimte om snel in te kunnen spelen op marktontwikkelingen.
  4. Het Stedelijk Gebied Eindhoven heeft een bestuursopdracht voor de aanpak van negen majeure projecten gegeven. Deze opdracht wordt in 2018 concreet uitgewerkt en vervolgens jaarlijks gemonitord in SGE-verband en met de provincie. Het gaat hierbij vooral om een nadere positionering en profilering van de locatie in de regio, de daarop afgestemde programmering en de fasering in tijd. Voor Eindhoven zijn Blixembosch, Tongelrese Akkers en Bosrijk/Meerrijk aangewezen als majeure projecten.

Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt en de locatie ligt binnen het 'bestaand stedelijk gebied' zoals aangegeven in de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant. Daarmee past het binnen de afspraken voor woningbouwontwikkelingen.

3.5.2 Lokaal beleid     

Woonvisie

De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. In de woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee wordt de ontwikkelingsrichting duidelijk gemaakt aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad.

Ambitieuze stad Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid verstaan we een gemengde en gevarieerde omgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft.

We staan voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. We verwachten dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden.

Tot 2030 willen we minstens twee derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren. Voor het gebied binnen de Rondweg staan met projecten als Strijp S, Stations- omgeving, NRE en Philips Lighting in deze periode al circa 5.000 nieuwe woningen in de planning. Daarnaast is de wens dat boven winkels wooneenheden worden gerealiseerd en kantoren worden omgebouwd tot woningen. Hierin is de markt aan zet.

Eindhoven formuleert in deze Woonvisie geen concreet woningbouwprogramma, gegoten in cijfers en categorieën. Dat zou niet passen bij de rol van een gemeente anno 2015. We willen ruimte geven aan de markt om gewenste ontwikkelingen te realiseren. Zonder op voorhand aan te geven wat-waar-wanneer gebouwd moet worden. Dat doen we door gebruik te maken van een model voor de onderbouwing van de wenselijkheid van nieuwe initiatieven. Daarin vragen we van initiatiefnemers (projectontwikkelaars, corporaties, gemeentelijke grondexploitaties) om in te gaan op een aantal punten zoals bijvoorbeeld het marktsegment, het woonmilieu en de periode van oplevering.

Solidaire stad

Wij willen dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. We zorgen dat er voor hen een vangnet is.

We hebben oog voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst.

De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'. Minimaal 80% van de vrijkomende sociale huurwoningen moet aan huishoudens met een laag inkomen worden toegewezen. Daarnaast is er ruimte om 10% van de woningen toe te wijzen aan huishoudens met een middeninkomen. De resterende 10% sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen, maar daarbij moeten zij wel voorrang geven aan mensen die door bijvoorbeeld fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan voor hen passende huisvesting kunnen komen.

Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. We zetten in op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden.

Innovatieve stad

We gaan partijen uitdagen om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen.

Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed.

Verder willen we in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. En we willen dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen. Ook in de huursector is er sinds de herziening van de Woningwet meer aandacht voor mede-eigendom en zelfbeheer, bijvoorbeeld via het model van wooncoöperaties. Wooncoöperaties zijn een soort tussenvorm van huur en koop. Samen met de corporaties willen we de vraag naar deze eigendoms- en beheervorm en de mogelijkheden in Eindhoven onderzoeken.

Kamerverhuur en woningsplitsing

Op 12 juni 2018 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan 'parkeren, kamerverhuur en woningsplitsing' vastgesteld. Tot het moment van inwerkingtreding van dit paraplubestemmingsplan, werd via de huisvestingsverordening voorkomen dat woningen zonder vergunning (dus ongebreideld) werden gesplitst, omgezet, onttrokken en samengevoegd. Hoewel kamerverhuur en woningsplitsing verschillend zijn en andere toetsingskaders kennen, hebben beide wel een zelfde soort ruimtelijk effect op de omgeving en is het wenselijk om deze initiatieven soortgelijk te reguleren in bestemmingsplannen. Door de regeling in het paraplubestemmingsplan wordt kamerverhuur en woningsplitsing voortaan via één vergunning (omgevingsvergunning) geregeld. Deze regeling moet in opvolgende bestemmingsplannen zoals het onderhavige opnieuw worden opgenomen om geldend te blijven voor het betreffende plangebied. Om die reden is de regeling uit dit paraplubestemmingsplan in dit bestemmingsplan opnieuw opgenomen.

3.6 Archeologische en cultuurhistorische waarden     

3.6.1 Archeologie     

De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit gemeentelijk beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', waarmee de raad in september 2008 heeft ingestemd. De gemeente houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met bekende of verwachte archeologische waarden.



De gemeente gaat daarbij uit van de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart, waarop de bekende en verwachte archeologische waarden in Eindhoven zijn vastgelegd. Deze kaart maakt deel uit van de Cultuurhistorische Waardenkaart, die door de raad is vastgesteld in 2008.



Het beleid van de gemeente Eindhoven is, om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke kaart. In gevolge het Beleidsplan Archeologie worden de archeologische gebieden, die op de Archeologische Waardenkaart staan, onderverdeeld in 5 categorieën. Per categorie gelden andere consequenties bij voorgenomen bouw- of andere bodemverstorende activiteiten. Voorafgaand aan een vergunningverlening kan een rapportage worden verlangd waarin de archeologische waarde van het gebied is vastgesteld. Conform het rijks- en provinciaal beleid is behoud van archeologische waarden 'in situ' het uitgangspunt. Als dat niet mogelijk is, wordt een archeologische vindplaats opgegraven.

3.6.2 Archeologische waarden plangebied     

Op de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart zijn geen archeologisch waardevolle gebieden aangegeven. Om die reden is in dit bestemmingsplan ook geen dubbelbestemming ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden opgenomen.

3.6.3 Cultuurhistorie     

Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.



Na de vaststelling van de cultuurhistorische waardenkaart zijn er verschillende cultuurhistorische onderzoeken uitgevoerd die een verdieping en actualisatie vormen op de geconstateerde waarden op deze kaart. Deze verdieping is noodzakelijk om tot een gedegen analyse en een goede vertaling in het bestemmingsplan te komen. Verschillende van deze onderzoeken hebben betrekking op het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring. Het betreft de volgende onderzoeken:

  • cultuurhistorisch onderzoek Het Ven door SteenhuisMeurs
  • cultuurhistorisch onderzoek Lievendaal door SteenhuisMeurs
  • analyse historische radiaal Zeelsterstraat e.o. door gemeente Eindhoven
  • cultuurhistorische waardevolle parken en plantsoenen in Eindhoven door G. Andela
  • cultuurhistorisch onderzoek naar het Evoluon en groene omgeving
  • Het landschap onder de stad. Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven door RAAP adviesbureau.



De resultaten van deze onderzoeken zijn in onderstaande paragraaf verwerkt, waarin per deelgebied of deelstructuur is toegelicht hoe de geconstateerde waarden zijn doorvertaald in de regels van het bestemmingsplan. De cultuurhistorische onderzoeken zijn, met uitzondering van het onderzoek naar het Evoluon en groene omgeving, als bijlagen 2 tot en met 8 bij het bestemmingsplan gevoegd. het onderzoek naar Evoluon en groen omgeving is nog niet defnitief. wel wordt al geanticipeerd op de inhoud van dit stuk. Wanneer het onderzoek definitief is, wordt dit bij vaststelling aan het bestemmingsplan toegevoegd.



Historisch landschap

Adviesbureau RAAP heeft bij het rapport 'Het landschap onder de stad' (Bijlage 6 tot en met 8) een kaart opgesteld met alle historisch landschappelijke waardevolle gebieden en elementen in het stedelijk gebied. Op kaartbijlage EHPR_kb 2 zijn de gebieden weergegeven en op kaartbijlage EHPR_kb3 de elementen.



Algemene karakteristiek en beschrijving waarden

Het grootste deel van het plangebied was vóór de verstedelijking een akkergebied. Ter hoogte van Het Ven en omgeving lag een open akkercomplex. Op de open akker lag de historische dorpskern van Strijp en ten zuiden daarvan liep over de open akker de Zeelsterstraat met bebouwing erlangs. Ten noorden, oosten en zuiden van de open akker lagen kampontginningen met gehuchten en verspreide bebouwing. Ten noordoosten van het Evoluon lag een oude heideontginning (kleinschalige heideontginning met opgaand groen). Door het gebied liepen diverse wegen en paden.

Binnen het plangebied zijn enkele waardevolle landschapselementen bewaard gebleven. Aan weerszijden van de Zeelsterstraat is het opgaand groen zeer hoog gewaardeerd vanwege het aaneengesloten karakter en als structurerend element langs deze historische weg. Verder is ten zuidwesten van het Evoluon een restant van een pad van voor 1832 zeer hoog gewaardeerd.



Regeling in het bestemmingsplan

Om de aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen te beschermen is er in het bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 2 opgenomen. Deze dubbelbestemming biedt de mogelijkheid om bebouwing te realiseren voor zover dit geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige waarden. Daarnaast is een aantal werken en werkzaamheden in de dubbelbestemming opgenomen die niet zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.



Groengebied rondom het Evoluon en het Jacob Oppenheimpark

Het gebied rondom het Evoluon is op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als waardevolle historische groenstructuur. Het betreft de bij het Evoluon behorende open groenstructuur bestaande uit grote gazons, die het gebouw aan de noord, oost en zuidzijde omgeven. Aan de zuidzijde is het groen aangelegd rond een cirkelvormige aan het Evoluon grenzende waterpartij. Aan de zuidoostrand is het terrein beplant met bomen en heesters. De groenstructuur is essentieel zijn voor de vrije ligging en ruimtelijke belevingswaarde van het Evoluon. Het Evoluon, incl. de vijver, het faciliteitengebouw en de losstaande toren zijn aangewezen als rijksmonument.



Er is een onderzoek uitgevoerd naar de architectuur/bouwhistorische waarden van het Evoluon, de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van de omgeving waaronder de aanleg en inrichting van het groengebied rondom het Evoluon, alsmede het aan de overzijde gelegen Jacob Oppenheimpark, dat een directe ruimtelijke relatie heeft met zowel het groen rondom het Evoluon als de wijk Het Ven. De beide groengebieden (rondom het Evoluon en het Jacob Oppenheimpark) vormen tezamen een grote groene begeleidingszone voor de Tilburgseweg als entree tot de stad. De groengebieden zijn in relatie tot elkaar ontworpen zijn en in het Jacob Oppenheimpark is de oorspronkelijke en waardevolle inrichting van F. Fontaine, hoofd Plantsoenendienst in de jaren '60 nog aanwezig. Het park is tevens van waarde in relatie tot de naburige wederopbouwwijk 't Ven.



Regeling in het bestemmingsplan

Om de aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen te beschermen is er in het bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 2 opgenomen voor het groen rondom het Evoluon en het Jacob Oppenheimpark. In combinatie met de geldende hoofdbestemming Groen zijn waarborgen gesteld bij eventuele ingrepen zodat deze geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de aanwezige waarden. Daarnaast zijn is een aantal werken en werkzaamheden in de dubbelbestemming opgenomen welke die niet zonder omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.

Groenstructuren langs de Hastelweg en Rijstenweg

Bomenrijen langs de Hastelweg en de Rijstenweg zijn op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als waardevolle historische groenstructuur. Deze wegen zijn aangelegd tussen ca 1941 en 1961. De bomenrijen begeleiden deze wegen als structurerend element en dragen bij aan de historische karakteristiek ervan.



Regeling in het bestemmingsplan

Om de aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen te beschermen is er in het bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 2 opgenomen voor deze waardevolle historische groenstructuren. Ter bescherming van deze waarden zijn regels opgenomen zodat eventuele ingrepen geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor de aanwezige waarden.



Historische wegstructuren voor 1900: Zeelsterstraat en Bredalaan

De huidige Bredalaan (voorheen Klauwierstraat) en Zeelsterstraat (voorheen Heuvel) zijn aangeduid als historische wegenstructuur voor 1900. Deze twee wegstructuren volgen nog het oude wegen- en padenpatroon dat was gelegen tussen de kernen Strijp en Zeelst, de gehuchten Heuvel, Sliffert en Welschap (vanaf 1932 ook vliegveld Welschap) en de Strijpsche Heide.



Uit de hierboven genoemde cultuurhistorische analyse komt naar voren dat de Zeelsterstraat en de Bredalaan zich kenmerken door een geleidelijke verstedelijking vanaf het begin van de 20e eeuw. Cultuurhistorisch belangrijke kenmerken van de bebouwing aan deze linten als geheel zijn:

  • de reeksen grondgebonden woningen, meestal direct grenzend aan de straat.
  • de afwisseling van vrijstaande panden en aaneengesloten blokken, verspringende rooilijnen
  • gevarieerde kleinschaligheid: een of twee bouwlagen met kap
  • traditionele bouwstijl



De aanwezige karakteristieken worden ter plaatse van de Zeelsterstraat geborgd doordat de dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorie - 1 is opgenomen.



Daarnaast bevindt zich langs deze radiaal een aantal gebouwen die de cultuurhistorische kenmerken borgen in maat en positionering, maar ook in hun vormgeving, architectuur en gaafheid (goed geconserveerd) onderscheiden ze zich en zijn ze van waarde. Het gaat om de volgende panden:

  • Zeelsterstraat 4-14
  • Zeelsterstraat 55-59b
  • Zeelsterstraat 120
  • Zeelsterstraat 144-146
  • Zeelsterstraat 163-165
  • Zeelsterstraat 206-208

Deze panden hebben een aanduiding 'karakteristiek' gekregen. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.



De tracés van Bredalaan en Zeelsterstraat zijn afdoende geborgd met de hoofdbestemming verkeer.



Historische wegstructuren na 1900: Noord Brabantlaan

De Noord Brabantlaan is aangeduid als historische wegenstructuur na 1900. In de plannen van De Casseres uit 1930 is de Noord Brabantlaan als uitvalsweg richting het zuidwesten al opgenomen en een aantal wegstukken zijn voor de oorlog al gereedgekomen. Het wegtraject werd na de oorlog voltooid.

regeling in bestemmingsplan

Het tracé van de Noord Brabantlaan is afdoende geborgd met de hoofdbestemming verkeer.



Historische wegstructuren na 1900: Rondweg

De rondweg is als cultuurhistorisch waardevolle structuur opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart. De rondweg zelf ligt niet in dit bestemmingsplan. De rondweg ontleent zijn waarden echter ook aan de directe historische relatie met de aangrenzende bebouwing, groenstructuren e.d. Deze zijn ook op de cultuurhistorische waardenkaart meegenomen.

De karakteristieken van de bestaande bebouwing en groen langs de rondweg, gelegen in het plangebied, zijn afdoende geborgd met de ter plaatse geldende hoofdbestemmingen en maatvoeringen voor de bebouwing en met de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie 2' voor het groen.



Historische stedenbouwkundige structuur: Het Ven

Deze woonwijk rondom het Hugo de Grootplein is ontworpen door J.H. van den Broek. De eerste plannen voor deze wijk dateren uit 1941. Door de bezetting kan pas in 1946 met de bouw worden begonnen. Het ontwerp van zowel de woningen als het stedenbouwkundig plan is vooruitstrevend te noemen. De wijk heeft een regelmatig en strak patroon van brede straten met stroken openbaar groen. De aaneengesloten woonblokken bestaan uit tweelaagse huizen, deels voorzien van voortuinen. In de wijk is per hectare een groter aantal woningen geplaatst dan gebruikelijk, doch door de ruime opzet wordt dit niet als zodanig ervaren. In de woningen - met aan voor- en achterzijde voor die tijd zeer grote vensters - zijn voor het eerst op ruime schaal materialen toegepast als beton (vloeren, dak, balkons) en staal (kozijnen). Ook de in de wijk geïntegreerde bejaardenwoningen waren een nieuwe ontwikkeling. De wijk, in opdracht van de Vereeniging Volkshuisvesting (Philips) gebouwd, is het eerste naoorlogse woningbouwcomplex in Eindhoven. De cultuurhistorische waarden van deze wijk zijn uitgebreid onderzocht in het cultuurhistorisch onderzoek naar 't Ven. Van belang zijn de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de relatie met het vooroorlogse deel van deze stadsuitbreiding, namelijk het cluster rondom de Theresiakerk en de bebouwing langs de Bredalaan. Op verschillende plekken in de wijk 't Ven is bovendien de gaafheid en architectuur van de bebouwing van waarde. De westpunt van 't Ven vertoont in de stedenbouwkundige opzet een duidelijke relatie met het deel van 't Ven dat op de cultuurhistorische waardenkaart is geduid.



Het Hugo de Grootplein neemt binnen dit geheel een bijzondere plaats in. De inrichting van het plein vormt een vroeg voorbeeld van de vernieuwing die de Afdeling Plantsoenen na de oorlog met het aantrede van F.J. Fontaine nastreefde. In deze kinderrijke wijk streefde men niet langer naar de vooroorlogse, min of meer statische sierplantsoenen, maar naar open ruimten waar gespeeld kon worden. Nieuw was ook de introductie van het schuine pad halverwege het park dat een korte doorsteek mogelijk maakte. Verschillende originele bijzondere boomsoorten, zoals de tulpenboom, sieren dit plantsoen nog altijd.



regeling in bestemmingsplan

Vanwege de hoge historisch-stedenbouwkundige waarden is voor de wijk Het Ven is een dubbelbestemming Waarde- Cultuurhistorie 1 opgenomen.

Voor het Hugo de Grootplein is een dubbelbestemming Waarde- Cultuurhistorie 2 opgenomen.

Daarnaast zijn verschillende panden in de wijk van waarde vanwege architectuur en gaafheid. Deze panden hebben een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.De westpunt van de wijk 't Ven (te weten: noordrand Bredalaan, zuidrand Noord-Brabantlaan, Ulricus Huberstraat en Philips van Leijdenstraat, niet weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart), vertoont in de hoofdopzet van de wegen en de maatvoering van de bebouwing een duidelijke relatie met 't Ven als geheel en de wegen Noord-Brabantlaan en Bredalaan. De karakteristieken van deze bebouwing zijn afdoende geborgd met de ter plaatse geldende hoofdbestemmingen en maatvoeringen.



Historische stedenbouwkundige structuur: Lievendaal

Lievendaal, dat deel uitmaakte van een vooroorlogs uitbreidingsplan, is tot stand gekomen op initiatief van Philips in de periode tussen 1947 en 1955. De wijk is in verschillende fasen gebouwd hoofdzakelijk in opdracht van de Woningstichting Hertog Hendrik van Lotharingen met ondersteuning van het Philips Woningbureau. De uitbreidingswijk heeft een moderne orthogonale structuur. Al tijdens de bezetting waren voor Duitse militairen van de vliegbasis Welschap aan de Noord Brabantlaan enkele eenlaagse woningen met kap gebouwd. Om de ergste woningnood te verhelpen werd de wijk na de bevrijding in hoog tempo bebouwd. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van verschillende geprefabriceerde systemen. Het oudste gedeelte uit 1947 bestaat uit woningen met platte daken en is gelegen tussen de Noord Brabantlaan, de Loeffstraat, de Tellegenstraat en de Vigliuslaan. Deze zijn gebouwd volgens het zogenaamde Airey-systeem. Opvallend is dat de voor- en achterkanten naar elkaar zijn toegekeerd, waardoor het groen van de tuinen werkt als deel van de openbare ruimte. Westelijk hiervan zijn in 1948 blokken eenlaagse woningen met kap gerealiseerd, die zijn ontworpen en gebouwd volgens het BBB-systeem. In het noordoostelijk gedeelte van de wijk kwamen in 1950 Polynorm woningen, die reeds zijn gesloopt. In 1955 werd de wijk in het noordwesten uitgebreid met etagewoningen. De wijk is een typisch voorbeeld van de stedenbouw en architectuur uit de Wederopbouwperiode door de toepassing van verschillende geprefabriceerde systemen, de diversiteit in de verschijningsvormen en woningtypen en de oriëntatie op nieuwe stedenbouwkundige ideeën. De cultuurhistorische waarden van deze wijk zijn uitgebreid onderzocht in het cultuurhistorisch onderzoek naar Lievendaal. Van belang zijn de stedenbouwkundige opzet van de wijk, de heldere verschijningsvorm en variatie in de verschillende 'buurtjes' wat betreft maat en schaal, positionering en architectuur en tenslotte het (nog zichtbare) experimentele karakter van de verschillende woningtypen door een verscheidenheid aan voor die tijd moderne bouwsystemen. De gaafheid en architectuur van de bebouwing van verschillende buurten is daarbij van waarde.



regeling in bestemmingsplan

Vanwege de hoge historisch-stedenbouwkundige waarden is voor de wijk Lievendaal een dubbelbestemming Waarde- Cultuurhistorie 1 opgenomen.



Daarnaast zijn verschillende panden in de wijk van waarde vanwege hun architectuur, gaafheid of vernieuwend/experimenteel karakter. Deze panden hebben een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.



verplicht

Afbeelding cultuurhistorische structuur plangebied.



Monumenten

In het plangebied zijn drie monumenten gelegen. Twee rijksmonumenten en één gemeentelijk monument. De rijksmonumenten zijn de R.K. Theresiakerk aan de Carmelitessenstraat en het Evoluon aan de Noord-Brabantlaan. Het gemeentelijk monument is het houten Verenigingsgebouw aan de Botenlaan.

De R.K. Theresiakerk, een driebeukige basiliek, is gebouwd in 1927 naar een ontwerp van M. van Beek in traditionalistische stijl met expressionistische elementen.

Het Evoluon, naar ontwerp van L.L.J. de Bever en L.C. Kalff is een van de meest markantste en karakteristieke bouwwerken van Eindhoven. Dit karakteristieke beeldkenmerk van Eindhoven uit 1966 symboliseert de relatie van de stad met het begrip technologie in zijn algemeenheid en met Philips in het bijzonder. Het pand heeft architectonische waarde vanwege de zeldzame verschijningsvorm en de bijzonder constructietechniek. Naast deze monumentenstatus is het Evoluon vanwege de verschijningsvorm en de herkenbaarheid ook aangemerkt als een beeldbepalend element.

Het verenigingsgebouw (van de St. Catharinagilde) aan de Botenlaan 40 uit 1932 heeft een rijke geschiedenis als thuisbasis voor een groot aantal Eindhovense (sport)verenigingen en is als houten verenigingsgebouw typologisch zeldzaam.

Bescherming van de monumentenstatus geschiedt middels de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening 2010. Rondom het Evoluon is een open groenstructuur aanwezig bestaande uit grote gazons, die het gebouw aan de noord, oost en zuidzijde omgeven. Aan de zuidzijde is het groen aangelegd rond een cirkelvormige aan het Evoluon grenzende waterpartij. Aan de zuidoostrand is het terrein beplant met bomen en heesters.



Beeldbepalende panden

In het plangebied liggen tevens verschillende beeldbepalende panden, die van waarde zijn vanwege hun verschijningsvorm/architectuur en hun stedenbouwkundige kenmerken. Bovendien betreft het nog 'gave' panden: de naar de openbare weg gerichte gevels kenmerken zich door de oorspronkelijke architectuur en detailleringen en daarmee is de historie nog goed afleesbaar.

Rondom de Theresiakerk zijn enkele panden die vanwege hun stedenbouwkundige ensemblewaarde in relatie tot de kerk, cultuurhistorische waarde als parochiecomplex en architectuur van waarde zijn. Het betreft de volgende panden:

  • Carmelitessenstraat 4 (voormalige pastorie)
  • Carmelitessenstraat 17-19
  • Zeelsterstraat 138 (schoolcomplex)

Uit de cultuurhistorische analyse naar de historische radialen in het plangebied komt naar voren dat verschillende objecten en ensembles aan de Bredalaan van waarde zijn vanwege hun gaafheid, de duidelijke relatie met de stedelijke ontwikkeling in de jaren '30 en de samenhang met de inrichting van de openbare ruimte. Ze vormen een passende begeleiding van deze ruim opgezette weg met groene middenberm. Het betreft de volgende panden:

  • Bredalaan 21-75a
  • Bredalaan 79-115
  • Bredalaan 84-138 (ensemble uit de wederopbouwperiode)

Bovengenoemde beeldbepalende panden hebben een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.

3.7 Verkeer en parkeren     

3.7.1 Eindhoven op weg     

De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in november 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt dan ook het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het gebied Strijp buiten de Ring beschreven.

Autoverkeer

De wegencategorisering is in 'Eindhoven op Weg' geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'.



In het plangebied komen geen stroomwegen voor. Er is één gebiedsontsluitingsweg, waar het verkeer wordt gebundeld en het snelheidsregime 50 km/uur is: de Noord-Brabantlaan. De Tilburgseweg is een gebiedsontsluitende weg met een snelheidsregime van 70 km/uur vanwege de aansluiting op de A2/N2. Dit zijn de donkerpaarse wegen in onderstaande afbeelding.



In het plangebied komen ook wegen uit de categorie 'wijk- en buurtontsluitingswegen' voor, waar een snelheidsregime geldt van 30 of 50 km/uur. Dit is de Bredalaan en aansluitend de Zeelsterstraat tot de Botenlaan, de Loeffstraat / Lievendaalseweg / Johannes Buijslaan, de Hastelweg en de Achtseweg Zuid. Voor de Hastelweg en Achtseweg Zuid geldt 50 km/uur, voor de overige wegen geldt 30 km/uur. Dit zijn de lichtpaarse wegen in onderstaande afbeelding. Vaak maken deze 'wijk- en buurtontsluitingswegen' deel uit van busroutes of primaire of secundaire routes voor hulpdiensten. Dat legt beperkingen op met betrekking tot het aantal en de vorm van snelheidsremmende voorzieningen.



Alle overige wegen in het plangebied zijn erftoegangswegen met een snelheidsregiem van 30 km/uur.



Gedurende de planperiode zullen een aantal wijzigingen plaatsvinden in de wegenstructuur. De Zwaanstraat wordt autoluw gemaakt, de Achtseweg Zuid krijgt een halve aansluiting op de Ring en daarmee ook de status van volwaardige gebiedsontsluitingsweg. Allebei deze wegen liggen niet binnen het plangebied van dit bestemmingsplan.

verplicht

Afbeelding wegencategorisering plangebied

verplicht

Afbeelding fietsnetwerk plangebied

Fietsverkeer

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat uit 3 soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in bovenstaande afbeelding. De snelfietsroute in het plangebied wordt gevormd door de Zeelsterstraat-Welschapsedijk (onderdeel van snelfietsroute Veldhoven - Helmond). De snelfietsroutes zijn van het hoogste kwaliteitsniveau. Op een snelfietsroute moet een fietser in principe non-stop, comfortabel en veilig kunnen fietsen. Het zijn brede, vrijliggende asfaltfietspaden met goede verlichting en in principe voorrang op kruisend verkeer.



Nabij het plangebied is ook een aantal primaire fietsroutes gelegen: Botenlaan-Beukenlaan en het fietspad in het Philips van Lenneppark. De primaire fietsroutes zijn ook van een hoog kwaliteitsniveau. De kenmerken komen overeen met die van snelfietsroutes, maar het ambitieniveau om deze kenmerken te realiseren is iets lager.



Daarnaast is een groot aantal secundaire fietsroutes aanwezig in het plangebied. Dat zijn: Tilburgseweg-West, Jacob Oppenheimerpark, Noord-Brabantlaan, Hastelweg en Carmelitessenstraat-Hugo de Grootplein. Secundaire fietsroutes hebben geen specifieke inrichtingseisen, maar worden wel gekenmerkt door een of andere vorm van fietsvoorzieningen. Dat kunnen vrijliggende of aanliggende fietspaden zijn, maar ook fietsstroken of fietssuggestiestroken.



Openbaar vervoer

'Eindhoven op Weg' gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.



Het plangebied wordt zowel door HOV-routes als ontsluitende lijnen ontsloten. De Noord-Brabantlaan vormt de HOV-route. De HOV-routes hebben een hoge kwaliteit: Het zijn directe routes met in principe eigen infrastructuur (busbaan of busstrook), prioriteit bij verkeerslichten en een hoge busfrequentie. Ook de haltevoorzieningen zijn van hoge kwaliteit en zijn voorzien van goede fietsparkeervoorzieningen.

Wegen die onderdeel zijn van een busroute dienen zodanig te worden ingericht dat de overlast voor het openbaar vervoer wordt geminimaliseerd, bijvoorbeeld door toepassing van busvriendelijke snelheidsremmende voorzieningen. Wijzigingen van busroutes zijn alleen mogelijk over wegen die voldoende ruimte en verkeersveilige en leefbare verkeersoplossingen (kunnen) bieden.



Autoparkeren

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een bouwplan/nieuwe ontwikkelingen eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld, waarbij het uitgangspunt is dat deze op eigen terrein worden gerealiseerd (zie artikel 21.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren). Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2019 vastgesteld.

De Nota 2019 is een actualisatie van de Nota Parkeernormen uit 2016 met een beperkt aantal aanpassingen, die passen in de ontwikkeling naar een groenere, bereikbare en duurzame stad. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moeten we het centrum van Eindhoven goed bereikbaar houden. Er is straks minder plaats voor autoverkeer en parkeren in en om het autoluwe centrum. Daarom streven we nu naar het aanleggen van zo min mogelijk nieuwe parkeerplaatsen en we zetten zoveel mogelijk in op duurzame alternatieve vervoerswijzen: lopen, fietsen en openbaar vervoer. In de nota is dat uitgewerkt in de zogenaamde verplichte "HOV-reductie" (minder parkeerplaatsen bij stations en Hoogwaardig openbaar vervoer-haltes) en het stimuleren van gebruik van deelauto's voor bewoners. Als tweede aanpassing willen we de bestaande (prive) parkeercapaciteit beter en efficiënter gaan benutten ten opzichte van realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein. De derde belangrijke aanpassing is dat ontwikkelaars een bijdrage in het mobiliteitsfonds moeten storten, bij gebruik van reeds aanwezige openbare parkeerplaatsen. Met dat geld willen we onder andere de opbouw van een stadsbreed deelmobiliteit netwerk op weg helpen. In de Nota Parkeernormen 2019 hebben we eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd en gaan daar uitgebreider op toetsen en handhaven.



Wat van kracht blijft, is dat elk bestaand adres of een nieuw adres waar een bouwvergunning is afgegeven na 2016 in het POET-overzicht (parkeren op eigen terrein) komt. Adressen uit dit overzicht kunnen geen (nieuwe) parkeervergunning aanvragen en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden. Bestaande parkeervergunningen worden niet meer verlengd. Dat gaan we in een vroeg stadium communiceren met de nieuwe bewoners.

3.8 Groen     

3.8.1 Groenbeleidsplan     

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.

Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.

Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

verplicht

Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 grotendeels aangeduid als 'Stad, rood beeldbepalend'. Daarnaast is het plangebied voor een klein gedeelte aangeduid als 'Structureel stadsgroen' en 'Stad, groen beeldbepalend'. Hieronder wordt op deze aanduidingen (strategieën) ingegaan.

Strategie: Stad, rood beeldbepalend

In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de in het Groenbeleidsplan aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Dit bestemmingsplan ziet op het actualiseren van de bestaande situatie. Het aanwezige groen neemt dan ook niet af.

Strategie 2: Stad, groen beeldbepalend

Het betreft gebieden met een bijzonder groen imago, vaak gelegen aan de periferie van de stad. Uitgangspunt voor deze gebieden is het behouden en ontwikkelen van het bijzondere groene karakter. Deze gebieden maken ook onderdeel uit van de groene kaart (onderdeel verordening bomen en nadere regels). Voor de kap van bomen (met een omtrek van 45 centimeter op een stam hoogte van 130 centimeter) in deze gebieden is een vergunning verplicht. Uitzondering hierop vormt de taxus welke vanaf een omtrek van 30 centimeter een vergunningplicht kent.

Binnen onderhavig plangebied betreft het de groenstructuur rondom het Evoluon en de gronden ten zuiden en ten zuidwesten van het Jacob Oppenheimpark (rondom het pand aan de Jacob Oppenheimstraat 1 en de gronden rondom de woningen Borretpad 2 t/m 24, Houwingpad 2 t/m 24, Blécourtstraat 2 t/m 24 en de Van Kanstraat 2 t/m 18). Deze gronden zijn, voor zover het geen bouwvlak of reeds bestaand verhard oppervlak betreft, bestemd als 'Groen' in onderhavig bestemmingsplan.

Strategie: Structureel stadsgroen

Deze gebieden zijn bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.

Binnen onderhavig plangebied betreft het de groenstructuur die behoort bij het Jacob Oppenheimpark, de groenstructuur evenwijdig aan de Tilburgseweg. Deze gronden zijn bestemd als 'Groen' in onderhavig bestemmingsplan.

3.8.1.1 Beleidsregel groencompensatie     

Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Voor dit bestemmingsplan is de regeling niet relevant nu er met dit bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.

Verder geeft deze beleidsregel ook een format voor een groenplan te gebruiken door een initiatiefnemer bij (her)ontwikkelingen voor invulling van de "Procesafspraak groenplannen" in het Groenbeleidsplan 2017.

3.8.2 Beleid bomen     

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) de 'nadere regels Bomen' zijn van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op:

  • bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen;
  • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;
  • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.

Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2015. Onderhavig plangebied ligt binnen de door de gemeenteraad in het kader van de voormalige Boswet vastgestelde bebouwde kom grens, waardoor voor de bomen binnen het plangebied de Verordening Bomen 2015 geldt. In december 2018 is door de gemeenteraad een nieuwe grens Bebouwde Kom in de zin van de Wet natuurbescherming vastgesteld (hieronder vallen de houtopstanden). Deze wordt in 2019 bij publicatie van kracht. Onderhavig plangebied ligt ook in de nieuwe situatie binnen de Bebouwde Kom in de zin van de wet.

Verordening Bomen 2015

Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.

Groene kaart Een belangrijk onderdeel van de Verordening Bomen is de Groene Kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën:

  • Monumentale bomen
  • Waardevolle bomen
  • Basisbomen
  • Bomen hoofdstructuur
  • Bomen nevenstructuur
  • Bomen in gebieden 'stad, groen beeldbepalend'.

De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën:

  • Waardevolle bomen;
  • Bomen in gebieden 'stad, groen beeldbepalend';
  • Bomen op percelen van 500 m² of groter.

Voor het vellen van een houtopstand die deel uitmaakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht.

Nadere regels Bomen

De Verordening is uitgewerkt in Nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en zijn op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningsvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.

Het plangebied

Op basis van de Groene Kaart van de Verordening Bomen 2015 liggen in het plangebied verschillende categorieën gemeentelijke bomen en bomen in particulier eigendom (zie onderstaande fragment van de Groene Kaart) waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning verplicht is voordat deze bomen geveld mogen worden.

verplicht

Afbeelding plangebied met daarop waardevolle bomen in particulier eigendom (rode stippen), waardevolle gemeentelijke bomen (blauwe stippen), monumentale bomen (groene stippen), gebieden met aanduiding 'stad, groen beeldbepalend' (groene vlekken) en percelen van 500 m² of groter (roze gebieden). Bron: Groene kaart.

Binnen het plangebied staan grote aantallen basisbomen. Deze bomen zijn volgens het beleid in principe vervangbaar. In het merendeel van het plangebied zijn ook vele waardevolle (gemeentelijk en particulier) en een aantal monumentale bomen aanwezig. Deze bomen dienen in principe te worden behouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden in de buurt van bomen die onder de Verordening Bomen vallen, dient uit een bomeneffectanalyse (BEA) te blijken of en welke maatregelen nodig zijn voor behoud. Door middel van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.

3.9 Maatschappelijke voorzieningen     

Tot de maatschappelijke functies worden gerekend educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur alsmede begraafplaatsen. In het plangebied zijn diverse maatschappelijke voorzieningen aanwezig.

In het plangebied is een aantal scholen gevestigd. Het gaat om de Monseigneur Bekkersschool (MBS). De MBS Eindhoven is een school voor zeer moeilijk lerenden. Dit zijn leerlingen met een duidelijke ontwikkelingsachterstand en een zodanige onderwijsbeperking en leerbelemmering dat zij zijn aangewezen op deze vorm van speciaal onderwijs.Verder is een middelbare school aanwezig, het Cristiaan Huygens College (Olympia). Olympia is een school voor vmbo-basis, vmbo-kader, vmbo-gemengd, vmbo-theoretisch en vmbo-t/havo. Ook basisschool 'De Schakel' en 'Theresia' liggen in het plangebied. Basisschool Theresia maakt onderdeel uit van Theresia kindcentrum, waar ook kinderopvang gevestigd is.

Daarnaast bevinden zich twee kerkgebouwen, de Sint Theresiakerk en Koninksrijkszaal (Jehova's Getuigen) binnen het plangebied. De Sint Theresiakerk is onttrokken aan de eredienst. Verder zijn diverse instanties inzake gezondheidszorg aanwezig, zoals GGZe, gezondheidscentrum (stichting gezondheidscentra Eindhoven), fysiotherapie, logopedie, tandartspraktijk, centrum voor mondhygiëne, specialistisch behandelcentrum voor mensen met een licht verstandelijke beperking met complex gedrag (Idris).

Ook kinderopvang (Korein Kinderplein en Kids Society Erica), een politiebureau en (wijk)verenigingen zijn in het plangebied gevestigd, waaronder ook het gemeenschapschapcentrum Lievendaal. Verder is een aantal verzorgd wonen complexen in het plangebied.

Het Evoluon is een van de meest beeldbepalende voorzieningen in Eindhoven. Het gebouw is destijds gebouwd als tentoonstellingsruimte. Tegenwoordig wordt het vooral gebruikt als congrescentrum.

verplicht

Obliekfoto Evoluon

3.10 Sport en recreatie     

In het zuidoosten van het plangebied ligt sportpark Strijp. Naast voetbal (RKVV Brabantia) is er op het sportpark ook ruimte voor korfbal (Rust Roest), handbal (EHV), tennis (Engelsbergen) en diverse binnensporten in de sporthal waaronder zaalvoetbal, zaalkorfbal, zaalhandbal, basketbal en badminton. Ook wordt de sporthal gebruikt voor de indooractiviteiten van het Christiaan Huygenscollege (Olympia) en voor buitenschoolse opvang (BSO Korein Kinderplein). Het sportpark heeft de bestemming 'Sport' gekregen.

verplicht

Obliekfoto Sportpark Strijp.

Het Christiaan Huygenscollege (Olympia) aan de Botenlaan 38 en het verenigingsgebouw (van de St. Catharinagilde) aan de Botenlaan 40 zijn bestemd als 'Maatschappelijk'.

3.11 Detailhandel     

Leegstaande winkelpanden en borden met ‘opheffingsuitverkoop’ en ‘leegverkoop’ sieren de Nederlandse winkelstraten. Door onder meer de economische crisis en de toenemende invloed van internetverkopen heeft de retail-sector het erg moeilijk. Tegelijkertijd bieden de veranderingen in de sector ook nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor innovatieve concepten. Duidelijk is in ieder geval dat regionale afstemming steeds meer noodzakelijk wordt. Bovendien vraagt de provincie in de Verordening ruimte Noord-Brabant om regionale afstemming en zijn regionale afspraken van belang voor de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Naar aanleiding hiervan heeft de Metropoolregio Eindhoven een detailhandelsvisie opgesteld. Hierin zijn de verschillende trends en ontwikkelingen en de gevolgen daarvan beschreven. Vervolgens is er een visie opgesteld, op basis waarvan concrete afspraken geformuleerd zijn. In de subregio’s is vervolgens gewerkt aan subregionale detailhandelsvisies. Deze visies bieden een kader, maar vragen wel om lokale verankering. Dat is gebeurd in de gemeentelijke Detailhandelsnota. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verschillende visies. De gemeenteraad heeft op 15 december 2015 ingestemd met de regionale en subregionale visies. In diezelfde raadsvergadering is ook de gemeentelijke detailhandelsnota vastgesteld. Deze is op 2 november 2016 gepubliceerd.

3.11.1 Regionale detailhandelsvisie Metropoolregio Eindhoven     

De detailhandelswereld is de laatste jaren sterk veranderd. Er is een aantal belangrijke trends en ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen: de economische crisis, toename internetdetailhandel, vergrijzing, huishoudenssamenstelling, veranderend consumentengedrag, het verdwijnen van supermarkten en andere voorzieningen (zoals banken, bibliotheken etc.) in centra en branchevervaging. Deze trends en ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor het winkellandschap.

Goed voorzieningenniveau

Het doel van de regionale detaihandelsvisie is om een goed voorzieningenniveau voor de inwoners van de regio te creëren. De detailhandelsstructuur in de regio is opgebouwd uit verschillende lagen. Het centrum van Eindhoven en Ekkersrijt vormen de top van de piramide. Beiden hebben een bovenregionaal verzorgingsgebied. De tweede laag van de piramide bestaat uit regionaal en bovenlokaal verzorgende centra. Deze centra hebben een belangrijke functie in de subregio of voor de omliggende gemeenten. Daarna volgen de grote en kleine kernverzorgende centra, de belangrijkste winkelcentra in de kernen met een lokaal verzorgingsgebied. De onderste laag van de piramide zijn de wijk- en buurtcentra (inclusief kerkdorpen). Naast alle centra zijn er in de regio diverse PDV-locaties. Op Ekkersrijt en de Engelseweg na hebben deze locaties veelal een lokaal verzorgingsgebied.

verplicht Detailhandelsstructuur Metropoolregio Eindhoven

Specifieke thema's

Op drie regionale thema’s is specifiek ingezoomd. Het gaat om supermarkten, internetdetailhandel en marketing. Supermarkten zelf hebben de voorkeur voor een vestigingsplaats aan de rand van een centrum of net buiten het centrum. Echter, een gevarieerd aanbod in een centrum is van groot belang voor de levensvatbaarheid van het centrum. Daarom is het essentieel om supermarkten zoveel mogelijk in centra te vestigen of te behouden. Daarbij is het wel van belang dat de overheid de supermarkten zo goed mogelijk faciliteert (bijvoorbeeld bij parkeren, goede bereikbaarheid of een slimme oplossing voor een uitbreidingsvraag).

Internetdetailhandel kent allerlei (verschijnings)vormen met verschillende ruimtelijke consequenties. In de visie wordt ingegaan op deze vormen en aangegeven waar deze het beste gevestigd kunnen worden (zie de regionale afspraken die hieronder zijn beschreven).

Tot slot het thema marketing. Gemeenten moeten niet allemaal hetzelfde willen zijn, maar een statement maken en dat ook met trots uitdragen. Vervolgens is het goed om evenementen en activiteiten aan te bieden die passen bij het profiel en het ook kunnen versterken.

Regionale afspraken

Op basis van de trends en ontwikkelingen en de visie, zijn in de detailhandelsvisie regionale afspraken geformuleerd. In de subregionale detailhandelsvisies worden deze afspraken nader uitgewerkt.

  • Detailhandel wordt geconcentreerd in bestaande winkelgebieden (ruimtelijke concentratie) om zo de hoofdstructuur te behouden en te versterken;
  • Nieuwe detailhandelsontwikkelingen moeten passen bij het verzorgingsgebied en aantoonbaar kwaliteit toevoegen en de structuur versterken;
  • Nieuwe detailhandelsontwikkelingen vinden in principe alleen plaats in de concentratiegebieden of op plekken waar dat voor de leefbaarheid noodzakelijk is;
  • Supermarkten worden gerealiseerd in of aan de rand van bestaande winkelgebieden;
  • Solitaire supermarkten op bedrijventerreinen of perifere detailhandelslocaties zijn niet toegestaan;
  • Perifere detailhandel (PDV) met een bovenlokale impact wordt geclusterd op bestaande locaties. Er worden in principe geen nieuwe PDV-locaties met een bovenlokale functie toegevoegd;
  • Er komt geen Retail Park of mega mall in de regio;
  • Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid voor de consument zijn toegestaan op bedrijventerreinen (passen in reguliere bestemming);
  • Zuivere afhaalpunten (pick-up points) worden geconcentreerd op bestaande detailhandelslocaties of op een kruispunt van passanten;
  • Internetwinkels met een fysieke bezoekmogelijkheid en een showroom worden gezien als reguliere winkels en worden gerealiseerd op een bestaande detailhandelslocatie;
  • Ontwikkelingen met een bovenlokale impact worden subregionaal afgestemd (nader gespecificeerd in subregionale detailhandelvisies), ontwikkelingen met een regionale impact worden regionaal afgestemd.

3.11.2 Detailhandelsvisie Stedelijk Gebied Eindhoven     

In de detailhandelsvisie van de subregio Stedelijk Gebied Eindhoven wordt gestreefd naar een sterke, vitale en dynamische detailhandelsstructuur. Het beleid is gericht op het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur. Nieuwe vestigingslocaties voor detailhandel mogen niet ten koste gaan van de bestaande (perspectiefrijke) winkelgebieden.

verplicht Detailhandelsstructuur Stedelijk Gebied Eindhoven

Het regionaal detailhandelsbeleid streeft naar een heldere en evenwichtige voorzieningenstructuur, waarbij onderscheid en complementariteit van winkelgebieden centraal staan. Dit houdt in dat detailhandel zoveel mogelijk wordt geclusterd in winkelgebieden en verspreide bewinkeling wordt afgebouwd. Dit geldt ook voor grootschalige winkels zoals tuincentra en bouwmarkten. Indien deze ruimtelijk niet inpasbaar zijn, dan is vestiging buiten de aangewezen winkelgebieden in regionaal verband bespreekbaar. De afwegingen voor het al dan niet toestaan van nieuwvestiging van een tuincentrum of bouwmarkt is gericht op de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied.

De hoofdwinkelgebieden hebben allemaal een eigen functie in de structuur. Aard, omvang en samenstelling van het aanbod zijn afgestemd op de verzorgingsfunctie. De binnenstad van Eindhoven moet streven naar het toevoegen van het topsegment om haar positie te verstevigen.

Perifere concentraties hebben een complementair en aanvullend aanbod ten opzichte van de centrumvoorzieningen en buurt- en wijkvoorzieningen. Verbreding van het aanbod is niet het uitgangspunt. Uitzondering hierop is de locatie Ekkersrijt. De consument verwacht in dit winkelgebied een compleet aanbod op het gebied van ‘in en om het huis’. Ekkersrijt dient uit te groeien tot één van de leidende perifere winkelconcentraties in Nederland.

De komst van een Retail Park (Mega Mall) in de regio is niet wenselijk. Een dergelijke ontwikkeling heeft een verstorend effect op de bestaande structuur en ondermijnt de ontwikkelingskansen van andere clusters.

Internetafhaalpunten voor consumenten (met of zonder showroom) kunnen bestaande winkelgebieden versterken en worden daarom zoveel mogelijk in of aansluitend aan deze gebieden gesitueerd.

Nieuwe initiatieven

Het Rijk heeft de "Ladder voor duurzame verstedelijking" in het leven geroepen om nieuwe stedelijke ontwikkelingen aan te toetsen. In de regionale detailhandelsvisie is ook een soort 'ladder' opgenomen voor nieuwe initiatieven. Aan nieuwe winkelontwikkelingen wordt in principe meegewerkt als:

  1. de initiatiefnemer kan aantonen dat het initiatief een meerwaarde heeft voor de lokale en/of regionale detailhandelsstructuur.
  2. aangetoond kan worden dat het initiatief resulteert in een versterking van de bestaande detailhandelslocaties. Wanneer dit niet het geval is, dient nadrukkelijk beargumenteerd te worden of er sprake is van meerwaarde en waarom het initiatief niet in- of aangrenzend aan een bestaand winkelgebied kan worden gefaciliteerd. De argumenten dienen van ruimtelijke aard te zijn, bijvoorbeeld grootschaligheid/ ruimtelijke inpassing, bereikbaarheid en parkeren en bevoorrading.
  3. aangetoond kan worden dat het initiatief geen (blijvende) negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur en/of in het beleid aangegeven ontwikkeling daarvan.

Wanneer er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau ingestemd wordt met een initiatief, dient het initiatief onderbouwd te worden op basis van ruimtelijke ordening relevante criteria (in de ruimtelijke onderbouwing). De ladder en de criteria zijn in regionale detailhandelsvisie uitgebreid beschreven.

3.11.3 Detailhandelsnota gemeente Eindhoven     

Op 15 december 2015 is de Eindhovense detailhandelsnota “Wie kiest, wordt gekozen” vastgesteld. Zoals hiervoor beschreven heeft de detailhandelssector te maken met veel veranderingen. De veranderingen raken de consument, de ondernemer en de vastgoedeigenaar. Het is zaak om uit deze veranderingen een positieve impuls te halen. De veranderende markt zorgt immers ook voor nieuwe kansen die goede winkelgebieden verder kunnen versterken. Zeker voor een stad als Eindhoven is het belangrijk om gewenste initiatieven een plek te geven binnen de structuur. In de detailhandelsnota worden duidelijke keuzes gemaakt over waar welke vormen van detailhandel zijn toegestaan en waar niet. In de nota wordt eerst ingegaan op verschillende onderdelen. Vervolgens wordt per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven.

Beleid op onderdelen

Op onderdelen is de detailhandel aan grote veranderingen onderhevig. De volgende onderdelen zijn nadrukkelijk opnieuw tegen het licht gehouden, voor zover van belang voor dit plangebied:

Perifere detailhandel De oorsprong van perifere detailhandel is gelegen in de aard en omvang van de artikelen. Winkels die vanwege de aard en omvang van de artikelen een groot oppervlak nodig hebben, krijgen ruimte in de daarvoor benoemde gebieden buiten reguliere winkelcentra. In de loop der jaren is de aard en omvang van de assortimenten op perifere locaties wel sterk gewijzigd. Mede vanwege gunstigere marges is de nadruk steeds meer komen te liggen op niet-volumineuze assortimenten en branchevreemde artikelen. Onderscheid met aanbod in centrumgebieden is kleiner geworden. Ongebreidelde mogelijkheden op (bestaande en nieuwe) perifere locaties leiden echter tot sterke wijziging van de bestaande winkelstructuur en kunnen de vitaliteit van een binnenstad, stadsdeel- of boodschappencentrum aantasten. Gelet op de grote ruimtelijke, economische en maatschappelijke belangen, is dit in veel gevallen niet gewenst. Bij elke verruiming van beleid is dan ook steeds een afweging nodig van de gevolgen voor de bestaande en beoogde winkelstructuur. Centraal staat de uitdaging om de dynamiek op een verantwoorde wijze te faciliteren.

Perifere detailhandel dient op een beperkt aantal aangewezen locaties ruimtelijk geclusterd te worden. Waar mogelijk en wenselijk (denk aan voldoende infrastructuur, maar ook potentiële overlast voor woongebieden), wordt met deze detailhandel aansluiting gezocht bij bestaande perifere winkelgebieden. In Eindhoven zijn dit Koopcentrum De Hurk, De Kade (Kanaaldijk-Noord) en Bisschop Bekkerslaan (De Tempel). Gezien de positie en het perspectief van Ekkersrijt wordt zeer weloverwogen omgegaan met uitbreiding van het perifere detailhandelsaanbod.

Detailhandel op bedrijventerreinen Vanuit het bedrijventerreinenbeleid is het ‘zuiver’ houden van bedrijventerreinen van belang. Bedrijventerreinen zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten die niet in woon- en/of centrumgebieden gewenst zijn vanwege hun impact op de omgeving. In principe is detailhandel op bedrijventerreinen niet toegestaan. Wel is productiegebonden detailhandel toegestaan. Dit sluit aan bij de ambitie van Eindhoven om ruimte te bieden aan experimenten en ondernemerschap.

Voor productiegebonden detailhandel op bedrijventerreinen geldt als uitgangspunt dat dit ondergeschikt blijft aan de bedrijfsactiviteiten. Bovendien mag het geen afbreuk doen of beperkingen opleggen voor omliggende bedrijven op het bedrijventerrein. De voorkeur gaat ernaar uit dat er geen showroom bij een bedrijf komt. Bedrijven kunnen hun verkoopbare goederen via daarvoor bestemde locaties (winkelpanden) aanbieden. Indien er toch de wens, nut en/of noodzaak is om producten ter plekke te tonen, dan mag hier in principe maximaal 20% van het totale bedrijfsoppervlak voor worden gebruikt, met een maximum van 200 m². Vanwege de diversiteit van de initiatieven, dient elk initiatief echter afzonderlijk beoordeeld te worden op eventuele (structuurverstorende) effecten voor de perspectiefrijke winkelgebieden in Eindhoven en het betreffende bedrijventerrein. Bovendien moet een initiatief voldoen aan het meest recente beleid op het gebied van externe veiligheid.

Megasupermarkten Een megasupermarkt is een zelfbedieningszaak met overwegend levensmiddelen met een oppervlakte van meer dan 4.000 m2 verkoopvloeroppervlakte. Vanwege de mogelijke effecten van megasupermarkten op de voorzieningenstructuur, met name op de winkelcentra die een belangrijke functie op het gebied van boodschappen doen hebben, wordt de solitaire vestiging van megasupermarkten niet rechtstreeks toegestaan. Evenmin als de vestiging van een megasupermarkt op perifere detailhandelslocaties. Vestiging van een nieuwe megasupermarkt op een nieuwe locatie heeft met name gevolgen op buurt- en wijkniveau. Juist vanwege het feit dat deze buurt- en wijkstructuur zo zorgvuldig is opgebouwd en de inwoners beschikken over een supermarkt in de directe woonomgeving, is het behoud en de versterking hiervan uitgangspunt. In alle gevallen is de uiteindelijke locatie natuurlijk cruciaal voor de effecten.

Inpassing van een megasupermarkt in de bestaande reguliere winkelcentra behoort tot de mogelijkheden. Reëler lijkt de kans dat een bestaande supermarkt uitbreidt tot grootschalige supermarkt. Een dergelijk initiatief (uitbreiding tot of nieuwvestiging van een megasupermarkt) in een van de bestaande winkelcentra wordt beoordeeld op de mogelijke effecten op het perspectief van de tot de structuur behorende winkelgebieden. Slechts wanneer geen structuur verstorende effecten worden verwacht, kan worden meegewerkt aan het initiatief. Dit is in lijn met Europees (Europese Dienstenrichtlijn), landelijk en provinciaal beleid (ladder voor duurzame verstedelijking).

Internethandel Met de komst van internethandel is een nieuw type bedrijf ontstaan met bijbehorende kenmerken. We maken onderscheid tussen twee typen internethandel:

1. Internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheid

Bij deze vorm van internethandel is er geen contact tussen internetwinkel en klant. Alle klantencontacten met de klant en de verzending van de goederen gebeurt uitsluitend via het internet of per post. Deze vorm van internethandel wordt in ruimtelijke zin niet aangemerkt als detailhandel. Zij kunnen voorkomen als uitsluitend kantoor maar ook als bezorgdienst.

Locaties waar deze kantoorachtige internethandel zich kan vestigen zijn: bedrijventerreinen, kantoorlocaties, woonwijken (kleinschalig en mits zij geen overlast bezorgen), buitengebied en PDV-locaties. Locaties waar internet bezorgdiensten zich zouden kunnen vestigen zijn bedrijventerreinen, kantoorlocaties en PDV-locaties.

2. Internethandel met fysieke bezoekmogelijkheid

Hier kan de klant de internethandel bezoeken om de bestelde artikelen af te halen, te retourneren (de zogenaamde afhaalpunten). Daarnaast zijn er ook afhaalpunten waar ook andere zaken mogelijk zijn, zoals het presenteren, kopen, bestellen en omruilen van artikelen (de webwinkel).

Een afhaalpunt is een vorm van internethandel met fysieke bezoekmogelijkheid en rekenen we juridisch-planologisch tot detailhandel. Dat wil zeggen dat afhaalpunten in principe ingepast kunnen worden op (de vele) locaties waar reeds een detailhandelsbestemming op zit. Door deze benadering is het mogelijk om grip te houden op de verdere ontwikkeling van dit fenomeen. Zelfstandige afhaalpunten, ook wel Pick-Up- Points, kunnen alleen of geclusterd (meerdere afhaalpunten dus) gevestigd worden. Door clustering kunnen verkeersstromen beter geconcentreerd worden.

Webwinkels (waar ook artikelen gepresenteerd worden en / of waar men ook niet via internet bestelde artikelen kan kopen) beschouwen we als detailhandel. Ter voorkoming van ongewenste concurrentie op ruimtelijke aspecten zoals bereikbaarheid, parkeren of gebiedsbestemming bieden we voor deze vorm van detailhandel alleen mogelijkheden in winkelcentra en (mits passend in branchering) op PDV-locaties.

Kringloopbedrijven en –winkels Kringloopwinkels (oftewel tweedehands winkels) richten zich op het verhandelen van nog bruikbare artikelen die via diverse kanalen worden verkregen. Daarnaast is er een bedrijfstak ontstaan die zich het best laat benoemen als kringloopbedrijven. Deze richten zich op het opruimen van boedels waarbij vervolgens, in het bedrijf, bruikbare en onbruikbare zaken van elkaar worden gescheiden en bovendien artikelen die nog bruikbaar gemaakt kunnen worden, worden opgeknapt of verwerkt tot grondstof of 'halffabricaat'. Kringloopbedrijven hebben daardoor een andere ruimtelijke impact op hun omgeving dan kringloopwinkels / tweedehands winkels.

Vanwege de koppeling van de verkoop met andere bedrijfsmatige activiteiten en het doelgerichte bezoek door consumenten, is de vestiging van kringloopbedrijven op bedrijventerreinen min of meer gemeengoed geworden. Voor kringloopbedrijven geldt dan ook dezelfde beleidslijn als voor perifere detailhandel. Kringloopbedrijven zijn op de reguliere zgn. PDV-locaties (Categorie III) toegestaan voor wat betreft hun detailhandelsactiviteiten, omdat het aanbod voor een zeer groot deel voor “in en om het huis” is. Verder kan de beleidslijn voor productiegebonden detailhandel op bedrijventerreinen een uitkomst bieden voor kringloopbedrijven.

Kringloopwinkels (winkels in tweedehands goederen zonder het totaalconcept van inzamelen en verwerken/repareren) worden als detailhandel beschouwd. Mogelijkheden voor vestiging in Eindhoven worden hiervoor dan ook alleen geboden in winkelcentra en op de zgn. PDV-locaties (Cat. III, ook vanwege het grote aandeel “in en om het huis”).

Voormalige (buurt)winkelstrips

De toekomstwaarde van (buurt)winkelstrips staat, met name door het veranderde consumentengedrag, sterk onder druk. Dit uit zich in een toenemende winkelleegstand en functiewijziging. Beleidsmatig wordt hier dan ook niet ingezet op behoud van de winkelfunctie. Voor het nog aanwezige winkelaanbod in de perspectiefarme strip kan verplaatsing naar een nabijgelegen perspectiefrijk wijk- of buurtcentrum een optie zijn. In voorliggend plangebied betreft het de volgende winkelstrip:

· Strijp: Bredalaan - St. Theresiaplein, Bredalaan - Noord Brabantlaan

De gemeentelijke doelstelling is in ieder geval behoud van ruimtelijke kwaliteit en het voorkomen van verpaupering. Het heeft de voorkeur dat de "plek" voor de buurt behouden blijft. Ervaringen in Eindhoven (b.v. Genderdal) en elders in Nederland hebben uitgewezen dat de meest duurzame oplossingen meestal uit het gebied zelf afkomstig zijn. Ook hier is echter de initiële rol van de gemeente het faciliteren van het gesprek tussen de belanghebbenden. Vervolgens moeten er keuzes gemaakt worden voor toekomstig gebruik, mede afhankelijk van ligging en kwaliteit van de bebouwing en de potentie in de omgeving.

De functies die reeds mogelijk zijn op basis van het hiervoor geldende bestemmingsplan, zijn ook mogelijk in dit plan (bestemming 'Gemengd').

Winkelleegstand Leegstand van winkelpanden heeft diverse oorzaken, bestaat al langer en is een zichtbaar gevolg van de dynamiek in het winkellandschap. Leegstand is in de visie van de gemeente Eindhoven een maatschappelijk probleem wanneer de veiligheid in het geding komt of een dermate grote invloed op de directe omgeving heeft (zie ook paragraaf over voormalige (buurt)winkelstrips) dat hierdoor de vitaliteit van centrumgebieden onder druk komt te staan. Dat is immers niet altijd het geval. Zolang dat niet het geval is, is leegstand vooral een probleem van de eigenaar van het vastgoed.

Het belang van leefbaarheid en waar mogelijk beperken van (mogelijke) leegstand is een van de uitgangspunten van de detailhandelsnota. Dat wordt gedaan door in eerste instantie scherpe keuzes te maken over waar we welke vormen van detailhandel een plek bieden en dus ook waar niet. Ook blijven we winkellocaties ruim bestemmen zodat verandering van functie eenvoudig blijft. Verder biedt de Stichting Middenstands- en Bedrijfshuisvesting (SMB) subsidie voor eigenaren of huurders die willen investeren in de uitstraling van hun pand. Een opgeknapt pand levert niet alleen meerwaarde op voor het bedrijf, maar zorgt ook voor het behoud van maatschappelijke en economische functies van de wijk waar het gevestigd is. Kortom, een positief effect voor het bedrijf en de omgeving.

Bijzondere initiatieven In de toekomst kunnen en zullen zich kansen voordoen waarbij een nieuw (on brand) initiatief (Technologie, Design of Kennis), naar aard, reikwijdte en schaal, passend bij de ambities van Brainport Eindhoven zich wil vestigen op een locatie die daarvoor niet bestemd is. Een ondergeschikte vorm van detailhandel kan hier deel van uitmaken en valt dan ook buiten de daarvoor aangewezen locaties in de detailhandelsstructuur, zoals vastgelegd in deze nota. Het voorbeeld bij uitstek is Piet Hein Eek op Strijp R. In de detailhandelsnota zijn voorwaarden opgenomen waaronder dergelijke initiatieven kunnen worden toegestaan.

Positie en perspectief per stadsdeel

In de nieuwe detailhandelsnota is per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven. Voor stadsdeel Strijp is de ambitie om twee sterke wijkcentra te hebben, namelijk het St. Trudoplein in het oude deel van Strijp en winkelcentrum Meerrijk in het nieuwe deel van Strijp (Meerhoven). Verder zijn er enkele bijzondere elementen in Strijp, zoals de grootschalige supermarkt aan de Limburglaan (Albert Heijn XL), de creatieve proeftuin op Strijp-S en het koopcentrum De Hurk. Deze locaties en voornoemde twee wijkcentra liggen niet binnen dit plangebied.

Detailhandel in dit plangebied

In Lievendaal is een filiaal van de Lidl gevestigd, aan de Lievendaalseweg 5. Vanuit het oogpunt van de detailhandelsstructuur is dit geen ontwikkeling die bijdraagt aan het streven om functies te concentreren. Bovendien is er reeds een omvangrijk dagelijks aanbod per inwoner in Strijp. Echter, vanwege de wat geïsoleerde ligging tussen robuuste verkeersaders en vanuit de gedachte om een nieuw 'hart voor Lievendaal' te creëren, is de ontwikkeling acceptabel. Op dit pand rust daarom de bestemming 'Detailhandel'. Verder zijn verschillende winkeltjes aanwezig in het plangebied, voornamelijk gelegen in de woonstraten. Deze panden zijn bestemd als 'Gemengd' waarbij de verschillende functies die mogelijk waren op basis van het vorige bestemmingsplan opnieuw zijn toegestaan. Veelal wordt op de bovenverdieping van deze panden gewoond. Binnen de verschillende bestemmingen in dit bestemmingsplan waar detailhandel is toegestaan, worden supermarkten groter dan 800 m2 slechts met een afwijking mogelijk gemaakt. Reden hiervoor is de impact van supermarkten groter dan 800 m2 op de omgeving.

3.12 Horeca     

Op 11 maart 2014 heeft de gemeenteraad het nieuwe horecabeleidsplan 'Kennis maken met een gastvrije stad' vastgesteld. Eindhoven wil aantrekkelijk zijn om er te komen, verblijven, studeren, wonen en werken. Horeca speelt hierbij een belangrijke rol. Het horecabeleidsplan bevat een aantal speerpunten om ervoor te zorgen dat de horeca in Eindhoven kan meebewegen met de ontwikkelingen in de stad. De gemeente wil de vestiging van kwalitatief goede horecabedrijven stimuleren. Daarbij is een wederzijdse versterking van de nabije andere functies belangrijk. Om dit te bewerkstelligen maakt het horecabeleidsplan onderscheid in gebiedtypen en in typen horeca.

Typen horeca

Het horecabeleidsplan maakt onderscheid in twee type horeca:

Nat & Droog

Het al dan niet schenken van alcohol is vanuit de taken van de overheid zeer bepalend. Om die reden is een eerste onderscheid naar nat en droog logisch. Indien een horecabedrijf geen alcoholische dranken verstrekt, wordt deze gerekend tot de droge horeca. Natte horeca verstrekt alcoholische dranken.

Dag, Avond & Nacht

Naast de indeling op basis van het schenken van alcoholhoudende dranken moeten we echter ook kijken naar de openingstijden. Op basis hiervan kan worden gekeken naar de tijden waarop een horecabedrijf invloed heeft op zijn omgeving. Ook dit heeft weer een verband met wanneer de overheid welke taak heeft. Hierin kunnen in beginsel drie typen worden onderscheiden: dag-, avond en nachthoreca. Van belang is hierbij de combinatie met nat of droog.

Regels over het schenken van alcohol en openingstijden zijn opgenomen in de drank- en horecawet en in de APV. In het bestemmingsplan worden hierover geen regels opgenomen. Wel wordt in het bestemmingsplan opgenomen welke vorm van horeca is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de lijst van Horeca-activiteiten (Bijlage 3 bij de regels).

Gebiedstypen

In het horecabeleidsplan wordt onderscheid gemaakt in drie gebiedstypen:

  1. Stimuleringsgebied: gebieden waar uitbouw van de horecasector mogelijk is.
  2. Toelatingsgebied: gebieden waar per aanvraag wordt bezien of nieuwe horeca of uitbreiding van bestaande horeca inpasbaar is. Dit is afhankelijk van onder andere infrastructuur, woonbelangen, levendigheid, leefbaarheid en milieu-aspecten.
  3. Restrictiegebied: gebieden waar (vanuit leefbaarheid) een vermindering van het aantal horecavestigingen wordt nagestreefd.

Per deelgebied of cluster wordt aangegeven welk gebiedstype van toepassing is.



Het plangebied

Het plangebied is grotendeels een woongebied en deze is in dit kader aangewezen als restrictiegebied.

verplicht

Woongebieden

Woongebieden worden aangemerkt als restrictiegebieden. Bestaande horeca kan worden gehandhaafd en in beperkte mate worden uitgebreid, mits daarbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonfunctie. De bestaande horecabedrijven moeten in staat worden gesteld om aan de potentiële vraag te kunnen voldoen. Uitbreiding van het horeca-aanbod is hier echter niet gewenst. Indien een horecagelegenheid sluit wegens marktomstandigheden of wordt gesloten, is een nieuw horecabedrijf op deze locatie niet gewenst.

Winkelcentra/-gebieden 

Winkelcentra en winkelgebieden in woonwijken worden aangemerkt als toelatingsgebieden. Met betrekking tot nieuwe horeca wordt een terughoudend beleid gevoerd. Primaire en doorslaggevende toets zal daarbij zijn of zij de woonfunctie bedreigen. Uitbreiding met nieuwe horecavestigingen zal voornamelijk gaan om locaties in of aan bestaande (buurt)winkelcentra en andere gemeenschaps- of multifunctionele centra. Horeca kan voor een zekere levendigheid zorgen, nodig voor de leefbaarheid in een wijk. Overigens geldt voor (nieuwe) woonwijken dat hier altijd ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig moeten zijn voor buurt- en wijkgebonden horeca. Het gaat dan om horecavoorzieningen die geïntegreerd worden in een wijkwinkelcentrum, waar ook andere publieksgerichte voorzieningen aanwezig zijn.

Parken

Parken worden getypeerd als toelatingsgebied. Een (bescheiden) horeca-inrichting kan het gebruik van Eindhovense parken een meerwaarde geven. Diverse bestaande horecagelegenheden in parken en recreatieschappen (buiten Eindhoven) bewijzen dit. Horeca in parken moet zich verhouden met de omgeving. De exploitatie van een horeca-inrichting in een park mag dus wel een autonome functie hebben, maar mag geen onevenredige afbreuk doen aan de gebruikswaarde van het park. Dit betekent onder meer dat zaken als bereikbaarheid, parkeren, afval, bevoorrading, geluid e.d. grenzen stellen aan de mogelijkheden.

Scholen

Bij scholen (onderwijsinstellingen) gaat het om de totale omvang van de school c.q. het schoolterrein en het daarmee gemoeide draagvlak voor horeca. Het is niet de bedoeling dat horecavoorzieningen op schoolterreinen een autonome horecafunctie hebben. De perspectieven van horeca in dit soort specifieke milieus zijn sterk projectgebonden en dienen dus als zodanig per project beoordeelt te worden. Scholen worden aangemerkt als toelatingsgebied.

Culturele instellingen

In de nieuwe drank- en horecaverordening van de gemeente Eindhoven worden de culturele instellingen gerekend tot paracommerciële rechtspersonen van sociaal-culturele aard. Zij verstrekken uitsluitend alcohol op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 24.00 uur tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de gestelde schenktijden. Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten met een sociaal-cultureel karakter. Het is ze voor ten hoogste zes al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de genoemde schenktijden en buiten de genoemde bijeenkomsten. De benoemde bijeenkomsten dienen uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester te worden gemeld.

Sportverenigingen

In de nieuwe Drank- en horecaverordening van de gemeente Eindhoven worden de sportverenigingen gerekend tot paracommerciële rechtspersonen. Zij verstrekken uitsluitend alcohol op maandag tot en met zondag van 12.00 uur tot 24.00 uur tijdens activiteiten of bijeenkomsten die passen binnen de statutaire doelstelling van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verlenen van de gestelde schenktijden. Ze richten zich hoofdzakelijk op activiteiten van sportieve of recreatieve aard. Het is ze niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij hun activiteiten betrokken zijn. Het is maximaal twaalf al dan niet aaneengesloten dagen per jaar toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn die de gestelde schenktijden overschrijden. Deze bijeenkomsten dienen uiterlijk drie weken voor aanvang bij de burgemeester te worden gemeld.

Werklocaties

De werkgelegenheidsstructuur van Eindhoven is de afgelopen decennia fundamenteel gewijzigd. Eindhoven is getransformeerd van een industriestad naar een stad waar de meeste mensen in een kantoor(achtige) omgeving werken. De werklocaties in de stad zijn dienovereenkomstig mee veranderd. Fabriekslocaties (vooral van Philips) hebben de laatste jaren plaats gemaakt voor moderne bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Geheel in lijn met de traditionele ruimtelijke ordeningskaders, zijn vanaf de jaren '80 de meeste van deze werklocaties monofunctioneel opgezet. Wonen, werken en recreëren zijn zoveel mogelijk gescheiden van elkaar gehouden. Mede ingegeven door Het Nieuwe Werken en bijbehorende technische ontwikkelingen op ICT-gebied, is de laatste jaren een weg ingeslagen waarbij werken steeds meer wordt vermengd met wonen en vrije tijd. Dit stelt andere eisen aan de werklocatie van de toekomst; monofunctionaliteit is 'uit'. Mensen willen juist in een multifunctionele omgeving werkzaam zijn, waarbij men de mogelijkheid heeft om onder werktijd - dan wel aansluitend daarop - een boodschap te doen, iets te gaan eten of drinken, mensen te ontmoeten, etc. Horecavoorzieningen kunnen zo van toegevoegde waarde zijn op een werklocatie. Het biedt mensen de mogelijkheid om elkaar zakelijk te ontmoeten, het kan bijvoorbeeld fungeren als 'aanlandplek' tussen twee afspraken. De High Tech Campus Eindhoven geldt in dat opzicht als een veel geprezen voorbeeld.

Het onderbrengen van een horecavoorziening op een werklocatie kan dus een meerwaarde hebben voor het gebied en zijn 'bewoners'. Het uitgangpunt is daarbij wel dat dergelijke horeca-inrichtingen alleen zijn toegestaan voor zover deze ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie van het gebied. Door een plaats te creëren voor zakelijke ontmoetingen, lunches of avondeten, wordt ruimte geboden aan de hierboven genoemde nieuwe manier van werken. Voorwaarde is wel dat op de werklocatie zelf voldoende draagvlak aanwezig is om de voorziening draaiende te houden. Afhankelijk van de grootte van dat draagvlak, is er ruimte voor één of meer voorzieningen. Het is aan de initiatiefnemer om dit aan te tonen. Avond- en nachthoreca heeft op een werklocatie géén toegevoegde waarde. Een horeca-inrichting op een werklocatie kan dus géén zgn. autonome (evenement)functie (of feestfunctie) hebben. Ook een logiesfunctie is normaal gesproken niet toegestaan. Werklocaties worden aangemerkt als toelatingsgebied.

Horeca in dit plangebied

Onderhavig plangebied is grotendeels aan te merken als een 'woongebied' in de zin van dit horecabeleidsplan. Aan de radialen/grotere wegen in dit woongebied is al langere tijd een aantal horecabedrijven gevestigd. De functies die op basis van het voorgaande bestemmingsplan (Strijp buiten de Ring 2004) binnen de bestemming 'Horecadoeleinden' waren toegestaan zijn overgenomen. Dit betekent als uitgangspunt horeca in categorie 1 op de begane grond en wonen op de verdieping. In uitzondering op deze regels was horeca op de verdieping of wonen op de begane grond toegestaan indien dit in de bestaande situatie reeds aanwezig was. Horecabedrijven die niet behoorden tot categorie 1 waren ook toegestaan voor zover deze ter plaatse reeds gevestigd waren ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 (d.d. 14-09-2006). Op een aantal plekken is daarom de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' opgenomen binnen de bestemming 'Horeca'. Verder is voor de Carmelitessenstraat 25 een (omgevings)vergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van winkel/restaurant naar wonen. Voor dit perceel is daarom de bestemming 'Wonen' opgenomen.

Daarnaast is er in dit bestemmingsplan voor gekozen om een aantal locaties te bestemmen met Gemengd. In die bestemming is horeca in categorie 1 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' horeca in zowel categorie 1 als 2.

3.13 Bedrijvigheid     

Op 15 maart 2016 is de bedrijventerreinennota van Eindhoven "Aan de slag voor waardevolle werklocaties" vastgesteld door de gemeenteraad. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen.

Kleinschalige bedrijfslocaties

Naast de 16 bedrijventerreinen groter dan 5 hectare kent Eindhoven een 32-tal kleinere bedrijfslocaties. Van deze locaties zijn er 4 kleiner dan 2 hectare en 26 zelfs kleiner dan 1 hectare. Deze terreinen liggen verspreid door de stad, met een hoge concentratie in het stadsdeel Gestel. Het gaat om circa 200 bedrijven met totaal 1500 tot 2000 werknemers.

Het gaat veelal om kleinschalige bedrijven met lage milieu categorieën (1 en 2) die goed passen in het binnenstedelijk milieu. Naast de traditionele bedrijfsfuncties zijn er bedrijven die zich vooral richten op de wijk, bijvoorbeeld een reparatiebedrijfje.

De kleinschalige bedrijfslocaties in Eindhoven zijn aantrekkelijk voor bedrijvigheid vanwege de wijkgebondenheid en de prijs-kwaliteit verhouding. Deze terreinen zijn van waarde voor de stad door het bieden van werkgelegenheid, het geven van ruimte voor start ups, de doorontwikkeling van de lokale bedrijvigheid, de stedelijke dienstverlening en de sociaaleconomische wijkfunctie.

verplicht

Het plangebied

Binnen onderhavig plangebied liggen geen bedrijventerreinen > 5 ha. Wel is er één kleinschalige bedrijfslocatie aan de Van Kanstraat (A7 op bovenstaande kaart) gevestigd binnen het plangebied. In paragraaf 4.2 (Bedrijven en milieuzonering) wordt beschreven hoe deze bedrijven ter plaatse van deze kleinschalige bedrijfslocatie passen in de omgeving.

3.14 Kantoren     

De Kantorenstrategie 2012-2020 is niet langer (alleen) gebaseerd op het voeren van regie op de nieuwbouw kantorenmarkt. Juist op de bestaande markt zijn maatregelen nodig om deze gezonder te maken. Dat vraagt enerzijds om een positieve en actieve grondhouding van gebouweigenaren. Anderzijds is er vaak nog een (andere) vastgoedpartij nodig die op creatieve wijze met de leegstand aan de slag wil gaan. De gemeente Eindhoven speelt daarbij in toenemende mate een stimulerende en faciliterende rol. De Eindhovense werkwijze is afgestemd met de andere ‘kantoorgemeenten’ in de stedelijke regio. Dit is vastgelegd in een 'Regionale programmering kantoorlocaties' d.d. november 2013.

Het grootste deel van de werkgelegenheid in de regio Eindhoven is gehuisvest in een kantooromgeving. Door diverse oorzaken is de Nederlandse en ook de regionale kantorenmarkt de laatste jaren flink uit balans geraakt. De aanbodpercentages liggen op dit moment rond de 16%; ruim twee keer zoveel als bij een gezonde kantorenmarkt hoort. Het totale aanbod van kantoren in Eindhoven bedroeg op 1 januari 2015 circa 250.000 m². Dit overaanbod aan kantoorruimte is voor een groot deel structureel van aard. Dit is een bedreiging voor de economische ambities van (de regio) Eindhoven en vraagt dus om gericht handelen.

In het nieuwe beleid wordt niet alleen op nieuwbouw gestuurd, maar ook op de bestaande kantorenmarkt. De focus ligt daarbij op het terugdringen van kantorenleegstand in bestaande gebouwen. Met deze aanpak hoopt het college vraag en aanbod op de Eindhovense kantorenmarkt in kwantitatieve én kwalitatieve zin beter op elkaar af te stemmen, zodat een goede balans ontstaat met toekomstbestendige locaties, die bijdragen aan de realisatie van de Brainport-ambities van stad en regio.

Binnen Eindhoven worden drie afzonderlijke nieuwbouw kantorenmilieus onderscheiden, te weten Stationsgebied, Strijp-S en Flight Forum. Deze verschillende kantorenmilieus voorzien in een specifieke en onderscheidende behoefte. Het is belangrijk om deze onderscheidende kwaliteiten de komende jaren verder uit te bouwen. Het is daarnaast belangrijk dat ongebreidelde groei van de kantorenvoorraad, door toevoeging van niet duurzame/toekomst- bestendige nieuwbouw, wordt voorkomen. Kantoorgebruikers die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting worden daarom zoveel mogelijk bediend op de bestaande kantorenmarkt. Nieuwbouw van kantoren op geprioriteerde locaties en door middel van toekomstbestendige gebouwen is nog slechts met inachtneming van hiervoor genoemde uitgangspunten mogelijk.

De gemeente voert geen leegstandsverordening in. De uitvoering hiervan kost veel inspanning, terwijl ervaringen elders leren dat het gewenste resultaat veelal uitblijft. Wel komt er een ‘Eindhovense Leegstandsmonitor kantoren’ (actueel overzicht van leegstaande kantoren), bedoeld als stimulerend middel om marktpartijen ertoe aan te zetten ‘iets’ met leegstaande gebouwen te gaan doen. De gemeente Eindhoven zal ook proactief partijen met elkaar in verbinding brengen, om zo bij te dragen aan mogelijke nieuwe samenwerkingsverbanden en creatieve oplossingen voor dit vraagstuk. In onze ‘slimme regio’ zijn legio partijen die samen in staat zijn om ‘slimme oplossingen’ te bedenken.

De gemeente Eindhoven zal, uiteraard passend binnen wet- en regelgeving, proactief meewerken aan gewenste transformatie van leegstaande kantoren. Echter niet alle kantoren zijn geschikt voor andere functies. Soms vanwege technische aspecten of locatiegebonden aspecten. Een deel van de kantoren zal dus naar verwachting op termijn gesloopt worden.

Geen van bovenstaande prioritaire gebieden is gelegen binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Naast de geprioriteerde grootschalige kantorenlocaties is ook op 'overige locaties' de ontwikkeling van (kleinschalige) kantoren mogelijk. Het gaat hierbij om locaties binnen de stad welke eigendom zijn van ontwikkelaars en waar, veelal van oudsher, een nieuwbouw kantoorontwikkeling is toegestaan. De gemeente laat deze initiatieven echter over aan de markt en beperkt zich tot, voor zover aan de orde, het toetsen van deze initiatieven aan de (in de Prioriteitennota) gestelde voorwaarden, zoals haalbaarheid en wenselijkheid. Onderhavig plangebied valt niet onder de noemer 'overige locaties'.

Het plangebied

In het plangebied is de kantorenlocatie Poort van Metz gelegen. Dit kantorenpark is de enige solitaire kantoorlocatie in Eindhoven die zichtbaar is vanaf de snelweg (Randweg Eindhoven; A2 / N2) en bovendien een directe aansluiting daarop heeft. De locatie is intern ontsloten via de doodlopende weg Dr. Holtroplaan, waarlangs in totaal elf kantoorgebouwen zijn gesitueerd. De meeste gebouwen zijn in de tweede helft van de jaren '90 gerealiseerd en hebben een representatieve uitstraling.

verplicht

Obliekfoto Poort van Metz

Her en der in het plangebied wordt op percelen een kantoor toegestaan. Om recht te doen aan het gemeentelijke beleid over kantoren zijn op deze locaties alleen bestaande kantoren toegestaan.

3.15 Kabels, leidingen en straalpaden     

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die tot belemmeringen leiden.

Hoofdstuk 4 Milieuparagraaf     

4.1 Milieueffectrapportage     

4.1.1 Wettelijk kader     

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.

Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.

De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:

  • Kolom 1: de activiteit zelf
  • Kolom 2: drempelwaarden activiteit
  • Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan)
  • Kolom 4: de besluiten

De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.

4.1.2 Conclusie     

Dit bestemmingsplan richt zich op het vastleggen van de bestaande situatie en van de functionele en ruimtelijke structuur. Er worden met onderhavig bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Vanwege de bestaande situatie wordt, in vergelijking met het vorige bestemmingsplan ("Strijp buiten de Ring 2004"), ter plaatse van het Evoluon (Noord Brabantlaan 1A) tevens een congrescentrum mogelijk gemaakt. De toevoeging van deze functie is niet aan te merken als een "stedelijk ontwikkelingsproject" als bedoeld in categorie D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. gelet op de aard, omvang en ligging van deze functie.

Gelet op het bovenstaande zijn de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet genoemd als activiteit in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is om die reden geen sprake van een noodzakelijke MER of m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.2 Bedrijven en milieuzonering     

Milieuzonering is een hulpmiddel waardoor nieuwe bedrijven een passende locatie kunnen krijgen in de nabijheid van woningen en/of waardoor nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven kunnen worden gesitueerd. Milieuzonering richt zich op het sturen van nieuwe ontwikkelingen en is in principe niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Het systeem van milieuzonering en de daarbij behorende richtafstanden kan wel worden gebruikt om te beoordelen welke maximale milieucategorieën/vormen van bedrijvigheid zich verdragen met de woonomgeving. De richtafstanden kunnen dus een handreiking bieden of er voldoende ruimtelijke scheiding is tussen milieubelastende bedrijven en woningen en of er een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat kan worden geborgd. Bij het bepalen van deze richtafstanden wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1 Staat van bedrijfsactiviteiten     

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze afstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Indien op de gronden achter de woningen (achtertuinen) vergunningvrij mantelzorgwoningen kunnen worden gebouwd moet, voor het bepalen van de richtafstand, de grens van de achtertuin van de woning worden aangehouden. Dit geldt uitsluitend in de situatie dat die gronden (achtertuinen) ook een woonbestemming hebben.

Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk';
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand.

  • categorie 1: grootste afstand 10 meter;
  • categorie 2: grootste afstand 30 meter;
  • categorie 3.1: grootste afstand 50 meter;
  • categorie 3.2: grootste afstand 100 meter;
  • categorie 4.1: grootste afstand 200 meter;
  • categorie 4.2: grootste afstand 300 meter;
  • categorie 5.1: grootste afstand 500 meter;
  • categorie 5.2: grootste afstand 700 meter;
  • categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter;
  • categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

Plangebied

Binnen het plangebied is al langere tijd een aantal bedrijven gevestigd aan De Blécourtstraat, Van Kanstraat, Zeelsterstraat en de Olympialaan. De omgeving nabij deze bedrijven kan worden aangemerkt als 'gemengd gebied' in de zin van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering' omdat er sprake is van matige functiemenging en/of een gebied dat direct langs hoofdinfrastructuur ligt.

Het gaat veelal om kleinschalige bedrijven met lage milieucategorieën (1 en 2) die goed passen in het binnenstedelijk milieu. Zoals vermeld in de bedrijventerreinennota van Eindhoven "Aan de slag voor waardevolle werklocaties" (zie paragraaf 3.13 van deze toelichting) zijn de kleinschalige bedrijfslocaties in Eindhoven aantrekkelijk voor bedrijvigheid vanwege de wijkgebondenheid en de prijs-kwaliteit verhouding. Deze terreinen zijn van waarde voor de stad door het bieden van werkgelegenheid, het geven van ruimte voor start ups, de doorontwikkeling van de lokale bedrijvigheid, de stedelijke dienstverlening en de sociaaleconomische wijkfunctie.

Op basis van het voormalige bestemmingsplan 'Strijp buiten de Ring 2004' waren ter plaatse van het bedrijvencluster aan De Blécourtstraat, de Van Kanstraat en de Zeelsterstraat 18 en 20 (met de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden II') bedrijven toegestaan in milieucategorieën 1 t/m 3.2. Bovendien zijn al langere tijd boven deze bedrijfsfuncties (bedrijfs)woningen toegestaan en gevestigd. Bij de overige bedrijven binnen het plangebied gold de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden I' op basis van voornoemd bestemmingsplan en waren bedrijven toegestaan in milieucategorie 1 en 2. Bovendien waren ter plaatse van laatstgenoemde bestemming bedrijven in de milieucategorie 3.1 en 3.2 toegestaan voor zover deze konden worden aangemerkt als bestaand.

Het bedrijvencluster aan De Blécourtstraat, de Van Kanstraat en de Zeelsterstraat 18 en 20 grenst aan de achtertuinen van een aantal woningen aan de Zeelsterstraat. Vanwege het woon- en leefklimaat van deze woningen en de woningen/appartementen die boven de bedrijven zijn gevestigd, zijn ter plaatse bedrijven in milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Daarnaast zijn, vanwege gevestigde rechten en belangen, ter plaatse bedrijven in de milieucategorie 3.1 en 3.2 toegestaan voor zover deze kunnen worden aangemerkt als bestaand. Voor deze bedrijven wordt een uitzondering gemaakt op de milieuzonering en wordt het huidige bedrijf en de daarbij behorende milieucategorie toegestaan middels een specifieke aanduiding ('specifieke vorm van bedrijf - 1'). In de regels is daarom bepaald dat de bedrijven die niet voldoen aan de toegestane milieucategorieën onder de condities, zoals genoemd in de tabel in de regels, zijn toegestaan.

Voor dit bestemmingsplan is de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG aangepast, waarbij 'bedrijven in enge zin' als uitgangspunt is genomen. Activiteiten zoals detailhandel, horeca, kantoren, sport/recreatie-inrichtingen, onderwijs en andere maatschappelijke instellingen, alsmede dienstverlenende instellingen/beroepen (zoals kapsalons, huisartsenpraktijken, advocatenkantoren) zijn niet in de lijst opgenomen. Daarnaast worden bedrijfstypen uitgesloten waarvan gesteld mag worden dat zij - gezien hun aard - niet in onderhavig plangebied thuishoren en/of niet voor kunnen komen. Vervolgens wordt de lijst beperkt tot de voor het plangebied toelaatbaar geachte milieucategorieën (categorieën 1 t/m 2).

4.3 Geluid     

4.3.1 Wettelijk kader     

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.

De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

Het voorliggend plan voorziet niet in de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen.

4.3.2 Wegverkeerslawaai     

Het plan ligt in de geluidzones van de Poot van Metz (A2/E25), de Tilburgseweg, de Noord Brabantlaan, de Zeelsterstraat, de Beukenlaan, de Hastelweg en de Botenlaan. Deze wegen liggen in (of buiten) stedelijke gebied, hebben een maximumsnelheid van meer dan 30 km per uur, bestaan uit 2 - 4 rijstroken en hebben een zonebreedte van 200 - 350 meter aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de as daarvan.

In het kader van "Duurzaam Veilig" zijn alle overige wegen in en nabij het plangebied 30 km per uur wegen geworden. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat deze verder buiten beschouwing blijven.

De Wet geluidhinder maakt onderscheid tussen zogenaamde bestaande situaties en nieuwe situaties. Ingevolge hoofdstuk VI, afdeling 3 ("bestaande situaties") van de Wet geluidhinder hoeft voor de reeds aanwezige geluidgevoelige bebouwing geen nieuw akoestisch onderzoek te worden ingesteld.

Het voorliggend plan voorziet niet in de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen.

Reconstructies van wegen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, die leiden tot een toename van de geluidbelasting met 2 dB of meer, worden niet toegestaan

4.3.3 Industrielawaai     

Het plan ligt voor een belangrijk deel in de geluidzone van industrieterrein De Hurk (zie bijlage 1 bij deze toelichting). Dit is een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt geen nieuw zonebesluit genomen. De woningen binnen het plangebied die liggen in de geluidzone van industrieterrein de Hurk zijn reeds bestaande woningen, waarvan de geluidbelasting niet wijzigt.

De ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige functies binnen de geluidzone van industrieterrein De Hurk is niet toegestaan, tenzij wordt aangetoond dat de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden en als sprake is van overschrijding daarvoor door het bevoegd gezag ontheffing is verleend. Hetzelfde geldt voor de wijziging van bestaande niet geluidgevoelige functies in geluidgevoelige functies, tenzij ter plaatse al geluidgevoelige functies zijn toegestaan (bijv. in bestemmingen 'Gemengd' en 'Maatschappelijk' is wonen toegestaan).

4.3.4 Railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai     

Railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai zijn hier niet aan de orde. Het plangebied ligt niet binnen de zone van een spoorweg of luchthaven.

4.4 Luchtkwaliteit     

4.4.1 Wettelijk kader     

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellings-concentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m3, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.4.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen     

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

  • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
  • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en
  • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.

Samengevat

Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

4.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen     

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.

Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er in september 2012 door de 5 grootste Brabantse gemeenten een “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld. In deze handreiking zijn naast de provinciale wegen en rijkswegen ook gemeentelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen opgenomen.

4.4.4 Goede ruimtelijke ordening     

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5 Planbeschrijving en toetsing     

Het bestemmingsplan richt zich met name op het bestemmen van de bestaande situatie en het vastleggen van de functionele en ruimtelijke structuur. Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen tengevolge waarvan er een toename van verkeer plaatsvindt en leidt dus niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Binnen het plangebied ligt een aantal drukke gemeentelijke wegen, te weten de Tilburgseweg, de Noord Brabantlaan, de Zeelsterstraat en de Hastelweg. Aangezien het plan conserverend van aard is en geen nieuwe gevoelige bestemmingen toestaat zijn er geen belemmeringen vanuit het Besluit gevoelige bestemmingen.

Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor dit plan.

4.5 Externe veiligheid     

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.



In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord.

4.5.1 Wettelijk kader     

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt, april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR)

Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Het plangebied

Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

verplicht

Inrichtingen

Gasdrukregel- en meetstations

Binnen het plangebied zijn drie gasdrukregel- en meetstations (type B en C, open opstelling/vrijstaand gebouw) gelegen, te weten aan de Van Vollenhovenstraat 43N01, het Hugo de Grootplein 36N01 en de Hastelweg 126N01. Volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden hiervoor veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Om te borgen dat deze niet binnen de veiligheidsafstanden kunnen worden gerealiseerd zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen. In onderstaande tabel zijn de afstanden weergegeven.

verplicht

Van Vollenhovenstraat: 10 meter tot kwetsbare objecten / 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten.



Hugo de Grootplein: 6 meter tot kwetsbare objecten / 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten.



Hastelweg: 15 meter tot kwetsbare objecten / 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten.

LPG-tankstation

Nabij het plangebied is aan de Hastelweg 155a het LPG-tankstation Avia gevestigd. De plaatsgebonden risicocontour van dit tankstation valt deels binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Deze contour is gelegen ter plaatse van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' en een klein gedeelte van de bestemming 'Sport' valt ook binnen de contour. Ter plaatse van de contour is in het bestemmingsplan een gebiedsaanduiding opgenomen 'veiligheidszone - bevi' op basis waarvan geen nieuwe beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten zijn toegestaan. Overigens ligt de contour zodanig dat op basis van de bestemmingen Verkeer-Verblijfsgebied en Sport dergelijke objecten niet opgericht kunnen worden. Verder reikt het invloedsgebied ook over een gedeelte van het plan. Hiervoor dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Transport

Voor "Strijp buiten de ring" is een tweetal transportroutes van belang die een nadere afweging behoeven op het onderdeel externe veiligheid. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van de rijksweg A2 en de gemeentelijke weg Noord-Brabantlaan. In het plangebied en zijn omgeving zijn geen andere vervoersbronnen aanwezig die van invloed zijn op de situatie met betrekking tot externe veiligheid in het plangebied.



In de regeling Basisnet blijkt dat de route A2: afrit 30 (Eindhoven Centrum) - Knp. De Hogt beschikt over een plaatsgebonden risicocontour van 26 meter vanuit het midden van de weg. Deze plaatsgebonden risicocontour reikt niet tot over het plangebied. Hiernaast is er voor deze weg ook een plasbrandaandachtsgebied vastgesteld van 30 meter (gemeten vanaf de rand van de weg) ook deze contour reikt niet tot over het plangebied.



Tot slot wordt er vanuit de Visie externe veiligheid ook een invloedsgebied gehanteerd van 200 meter. Het plangebied valt hier binnen, hiervoor dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.



Ook is het bestemmingsplan gelegen binnen het invloedsgebied van de Noord-Brabantlaan. Deze transportroute is niet vermeld in de Regeling Basisnet, waardoor hij niet valt onder de werkingssfeer van het Bevt. Wel is deze transportroute benoemd in het rapport 'Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven'.



In de 'Visie externe veiligheid Eindhoven - Risico's de maat genomen' wordt voor deze wegen gehanteerd dat er bij toename van meer dan 50 woningen en/of functies bestemd voor een specifieke hulpbehoevende doelgroep binnen 200 meter maatwerk geleverd moet worden ten aanzien van de toepassing van de verantwoordingsplicht.



De route vanaf de afslag 30a (N2) tot en met de beukenlaan is opgenomen in het rapport 'Transport gevaarlijke stoffen door de gemeente Eindhoven' uit 2010. In de huidige situatie vinden er over deze weg geen reguliere transporten van gevaarlijke stoffen plaats. De transporten van LPG van Rotterdam richting Helmond vinden niet meer plaats over deze route, maar over de N2 en de Kennedylaan. Een uitgebreide beoordeling kan hierdoor achterwegen gelaten worden.



Buisleidingen

Binnen het plangebied liggen geen buisleidingen die bescherming behoeven in het kader van externe veiligheid. Ook reikt het invloedsgebied van buisleidingen buiten het plangebied niet over het plangebied.

4.5.2 Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid     

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

4.5.3 Groepsverantwoording     

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient het groepsrisico te worden verantwoord door het bevoegd gezag. Voor deze verantwoording wordt de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

Het groepsrisico wordt conform artikel 8 van het Bevt en artikel 13 van het Bevi te worden verantwoord.

Rijksweg A2

Hoogte van het groepsrisico

Aangezien het een conserverend plan betreft zal het groepsrisico niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Hiervoor is een berekening gemaakt op 9 januari 2019. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico 0,34 * de oriënterende waarde betreft, zoals hieronder in de fN-curve wordt weergeven.

verplicht

Aangezien er geen toename is in het groepsrisico en deze tegelijkertijd niet hoger is dan de oriënterende waarde, kan conform artikel 8 lid 2 sub b worden volstaan met een beperkte verantwoording.

Mogelijkheden voor de hulpdiensten

Het betreft een bestaande woonwijk. De bereikbaarheid hiervan is goed. Ter hoogte van het plangebied zijn er bij de risicobron meerdere bluswatervoorzieningen ter plaatse.

Mogelijkheden voor zelfredzaamheid

Er worden met dit bestemmingsplan geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd waarbij er zich verminderd zelfredzame personen bevinden binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A2.

LPG tankstation

Aangezien het invloedsgebied gedeeltelijk over het plan reikt dient er een verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. Dit dient te gebeuren op grond van artikel 13 van het Bevi.

De te verwachten dichtheid van personen

Aangezien het een conserverend bestemmingsplan betreft, neemt de populatie in het invloedsgebied van het LPG-tankstation niet toe t.o.v. de huidige situatie.

De hoogte van het groepsrisico

De hoogte van het groepsrisico is berekend op 23-01-2019. Deze berekening is als 10 bij deze toelichting gevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico 0,39 * de oriënterende waarde betreft.

verplicht

De maatregelen ter beperking van het groepsrisico

De installatie voor het afleveren van LPG valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Ingevolge dit besluit zijn diverse veiligheidsmaatregelen voorgeschreven om risico's te voorkomen en te beheersen. Zo dient het beheer van een LPG-afleverinstallatie te worden uitgevoerd door ter zake geïnstrueerde personen. De met het toezicht belaste persoon moet over voldoende deskundigheid beschikken, zowel ten aanzien van de bij een normaal bedrijf in acht te nemen veiligheidsvoorschriften, als ten aanzien van de in geval van een gaslekkage of brand noodzakelijk te verrichten handelingen. Daarnaast dient een noodplan te zijn uitgewerkt. Het bedienend personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van het noodplan en de werkbaarheid van de vastgestelde noodprocedure moet regelmatig in de praktijk worden beproefd. Tevens zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van blusmiddelen.



Voor het onderhavige tankstation is de LPG doorzet in de omgevingsvergunning milieu beperkt tot maximaal 999 m3 per jaar. Daarnaast heeft het leveren van LPG in een tank met een hittewerende coating een sterk risico-reducerend effect. Het onderhavige LPG-tankstation heeft een distributeur die uitsluitend gebruik maakt van tankwagens met een hittewerende coating. Door deze maatregel blijft de hoogte van het groepsrisico ver onder de oriëntatiewaarde.

De voor en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico.

Met onderhavig bestemmingsplan neemt de hoogte van het groepsrisico niet toe.

Mogelijkheden voor de hulpdiensten

Het betreft een bestaande woonwijk. De bereikbaarheid hiervan is goed. Ter hoogte van het plangebied zijn er bij de risicobron meerdere bluswatervoorzieningen ter plaatse.

Mogelijkheden voor zelfredzaamheid

Er worden met dit bestemmingsplan geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd waarbij er zich verminderd zelfredzame personen bevinden binnen het invloedsgebied van het tankstation.

Advies Veiligheidsregio

Het advies van de Veiligheidsregio is op 19 februari 2019 ontvangen en omvat het volgende:

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De risico's veranderen niet. Ook de zelfredzaamheid van de mensen blijft hetzelfde. Het plangebied is voor de hulpdiensten goed (tweezijdig) bereikbaar en er zijn voldoende bluswatervoorzieningen.



Vergunningsvrij bouwen:

In artikel 5, derde lid onder c bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is geregeld dat de bepalingen voor vergunningsvrij bouwen uit artikel 2, onderdelen 3 (bijbehorend bouwwerk bij een woning) en 22 (het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg) bijlage II Bor, niet van toepassing zijn op een activiteit die plaatsvindt in:

  1. een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
  2. een gebied waarin die activiteit op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan wel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding;
  3. een gebied dat is gelegen binnen een van toepassing zijnde afstand als bedoeld in artikel 3.12, 3.18, 3.28, 3.30a, 4.3, 4.4, 4.5, 4.5a, 4.5b, 4.77 of 4.81 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gelet op deze bepaling is het dus niet nodig om in het bestemmingsplan regels op te nemen om te voorkomen dat binnen deze zones vergunningsvrij kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten kunnen worden gebouwd of uitgebreid.

4.5.4 Conclusie     

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.6 Duurzaamheid     

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

  1. CO2 reductie

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.

In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) warmte- en energiebesparing

Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

1D) duurzame energie opwekking

Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen

Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

2B) geen afval

In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen

Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten

De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.

Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur

Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?

3A) biodiversiteit

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie

Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking

Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen

We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens

Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

Het plangebied

De buurt Het Ven is één van de drie pionierbuurten in Eindhoven waar de gemeente momenteel in samenspraak met de bewoners de alternatieven voor aardgas verkent. Het doel is om eind 2019 een plan te hebben waarin staat op welke manier de bewoners gefaseerd kunnen overstappen op alternatieven voor aardgasvrij. Het streven is dat de buurt in 2030 aardgasvrij is. De gemeente werkt hierin samen met de bewoners, woningcorporaties en de netbeheerder om te komen tot een gezamenlijk plan. Daarnaast is Het Ven in het kader van het landelijke programma 'Proeftuin Aardgasvrije Wijken' geselecteerd om met zogeheten proeftuinen kennis te stimuleren over het succesvol aardgasvrij maken van woonwijken.Het programma wordt samen met bewoners op vrijwillige basis ontwikkeld.

4.7 Bodem     

Het (industriële) verleden van Eindhoven heeft zijn sporen in de bodem nagelaten. In de afgelopen jaren heeft op zeer veel locaties in Eindhoven om diverse redenen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van het verlenen van bouwvergunningen of in het kader van de aan- of verkoop van locaties. In het bodeminformatiesysteem van de gemeente zijn de gegevens van alle bekende bodemonderzoeken opgenomen.



Op diverse locaties in Eindhoven zijn verontreinigingen aangetroffen, het komt echter zelden voor dat er als gevolg van bodemverontreiniging sprake is van risico's voor de gezondheid van mensen. Dergelijke locaties zijn op dit moment binnen het plangebied dan ook niet bekend.



Wel zijn binnen het plangebied de volgende locaties bekend waar sprake is (geweest) van een ernstig geval van bodemverontreiniging:

  1. Noord Brabantlaan; sterke verontreiniging met gechloreerde oplosmiddelen veroorzaakt door een chemische wasserij.
  2. Zeelsterstraat 20; de sterke verontreiniging met minerale olie is gesaneerd.
  3. Bredalaan: sterke verontreiniging met gechloreerde oplosmiddelen veroorzaakt door een chemische wasserij.
  4. Zeelsterstraat 85: de sterke verontreiniging met PAK (polycyclische aromatiesche koolwaterstoffen) is in 2018 gesaneerd.
  5. Botenlaan: kleine verontreining met zware metalen.
  6. Botenlaan: de sterke verontreiniging met zware metalen is in 2012 grotendeels gesaneerd.
  7. Limburglaan 2; de sterke verontreinigd met zware metalen is in 2002/2003 gesaneerd.
  8. Hastelweg; sterke verontreiniging met gechloreerde oplosmiddelen veroorzaakt door een chemische wasserij.
  9. Botenlaan: kleine verontreining met zware metalen.
  10. Hastelweg 155a; sterke verontreiniging met minerale olie en zware metalen is in 1998 gesaneerd.
  11. Hastelweg 214; sterke verontreiniging met gechloreerde oplosmiddelen en tolueen in het grondwater.
  12. Speelheuvelweg; ter plaatse van het voormalige galvanisch bedrijf is de grond en het grondwater sterk verontreinigd met gechloreerde oplosmiddelen.
  13. Zeelsterstraat 145; ter plaaste van de voormalige benzine pomp is het de grond en het grondwater sterk verontreinigd met minerale olie.
  14. Zeelsterstraat 138; de zware metalen verontreiniging is in 2011 gesaneerd.
  15. Carmelitessenstraat 4; de zware metalen verontreiniging is in 2007 gesaneerd.
  16. Hastelweg 287; in de grond is een sterke verontreiniging met zware metalen aanwezig.



verplicht

Daarnaast kan in sommige gevallen toch ook sprake zijn van beperkingen in het gebruik of extra kosten die gemaakt moeten worden als grond moet worden afgevoerd. Het verdient dan ook sterk aanbeveling om bij grondtransacties, bouwactiviteiten of grondverzet vooraf het bodeminformatiesysteem van de gemeente te raadplegen. In sommige gevallen zal het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld bij het aanvragen van sommige bouwvergunningen en bij het afvoeren van vrijkomende partijen grond.

4.8 Natuur     

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt.

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk.

Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo is een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding.

Het plangebied

Dit bestemmingsplan betreft een actualisatieplan en richt zich voornamelijk op het vastleggen van de bestaande situatie. Het aspect natuurbescherming levert geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf     

5.1 Inleiding     

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.

Het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2019 is een actualisatieplan. Mogelijke ontwikkelingen binnen de planperiode spelen zich daarom hoofdzakelijk af binnen bestaande (water)structuren. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2 Beleid     

5.2.1 Rijksbeleid     

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021     

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.

5.2.2 Provinciaal beleid     

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021     

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

Wettelijke taken

De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak

Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.

Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

5.2.3 Beleid Waterschap     

5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water'     

Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen.

  • Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied.
  • De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld.
  • Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest bereikt. Het waterschap wil daarin een inspirerende rol spelen en partijen daartoe de ruimte bieden. Door flexibel te zijn in de samenwerking met en rekening te houden met de inbreng en ideeën van andere partijen wordt de uitvoeringskracht versterkt.
  • Gezonde toekomst: ook toekomstige generaties moeten over voldoende, veilig en schoon water. Ook in de maatschappij is het streven naar duurzaamheid steeds actueler en de kringloopgedachte sluit hierop aan. Het waterschap ziet dit als een inspirerende uitdaging en wil mensen bewust maken van de waarde van water en het belang van een duurzaam gebruik ervan.
5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015     

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

5.2.3.3 Hydrologosch neutraal bouwen     

Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.

Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.

Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.

5.2.4 Gemeentelijk beleid     

5.2.4.1 Gemeentelijk Rioleringsplan (2019 - 2022)     

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied.



In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.



Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.

5.2.5 Waterplan     

Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald

5.3 Beschrijving watersysteem plangebied     

5.3.1 Checklist watersysteem     

Checklist Watersysteem
A-wateren binnen plangebied Nee
B-wateren binnen plangebied Nee
Beschermde keurgebieden binnen plangebied? Nee
Binnen 25-100 jaarszone? Nee
Binnen boringsvrije zone? Ja, deels
Ecologische verbindingszone? Nee
Binnen reserveringsgebied waterberging Nee
Attentiegebied NNB Nee
Rioolwatertransportleiding Nee
Waterschap gemaal Nee
Verdachte/verontreinigde locaties? Staan vermeld in de bodemparagraaf
Infiltratie praktisch mogelijk? Nee
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid Nee

5.3.2 Gebied specifieke eigenschappen m.b.t. water     

Het plangebied ligt in het westen van de stad Eindhoven. Direct buiten de plangrens ligt een grote waterstructuur: het Beatrixkanaal. De genoemde watergang is een wezenlijk onderdeel voor de afwatering van Eindhoven en valt onder de Keur van Waterschap de Dommel. Binnen het plangebied zijn geen grote waterpartijen gelegen.



Afvoer van regenwater geschiedt deels via gescheiden stelsel naar oppervlaktewater en grotendeels via gemengde riolering naar de rioolwaterzuivering. De grondwaterstanden in het plangebied zijn normaliter niet hoog te noemen maar door de mogelijke aanwezigheid van leemlenzen kan een schijngrondwaterstand optreden. Overigens beperken leemlenzen de infiltratiemogelijkheden.

5.3.3 Oppervlaktewater     

Net buiten het plangebied (zuidzijde) is het Beatrixkanaal gesitueerd. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig uitgezonderd de vijver bij het Evoluon.

5.3.4 Verharding     

Het plangebied bevat zowel verharde oppervlakten als groen. Verharding bestaat hoofdzakelijk uit woningen met terreinverharding en openbare wegen. Openbaar groen of onverharde gebieden zijn aanwezig. Zo ligt er aan de oostzijde een park met vijver bij het Evoluon en het Jacob Oppenheimerpark. Meer centraal in het plangebied is ter hoogte van de St. Theresiakerk ruim groen aanwezig. Ook het Hugo de Grooteplein is met veel groen ingericht. Al het structureel groen zoals bijvoorbeeld kleine parkjes in de woonwijken en groen dat wegen begeleid, is als 'Groen' bestemd in dit bestemmingsplan en als zodanig dus ook herkenbaar.

5.3.5 Bodemopbouw     

De bodemopbouw is in sterke mate van invloed op de karakteristiek van het watersysteem. In het plangebied treft men een toplaag aan die sterk geroerd is door stedelijke ontwikkelingen. Daarnaast typeert de bodemopbouw in Eindhoven zich door fijn leemhoudend zand afgewisseld met leemlenzen wat een negatieve invloed heeft op de doorlatendheid van de bodem. Zonder het treffen van bodemverbeterende maatregelen wordt infiltratie van regenwater in de bodem niet reëel geacht.



Bekende bodemverontreinigingen zijn toegelicht in de bodemparagraaf van dit bestemmingsplan. Toekomstige ontwikkelingen mogen niet bijdragen aan een verdere verspreiding van de verontreiniging.

5.3.6 Grondwater     

Voeding van grondwater in het plangebied geschiedt door infiltratie van regenwater en door toestroming vanuit het watersysteem. Ontwatering geschiedt door ondergrondse afstroming naar oppervlaktewater.



In het plangebied bevinden zich diverse grondwaterpeilbuizen. De grondwaterstand fluctueert in de loop van het jaar met normaliter in de maand april de hoogste grondwaterstand. Ter indicatie: de grondwaterstand varieert thans tussen de NAP 15,50 en 17,50 m.

5.3.7 Regenwater     

Een groot deel van het rioolstelsel bestaat nog uit het type "gemengd". Hierbij wordt zowel vuilwater als afstromend regenwater van daken, terreinverharding en wegen getransporteerd naar de zuivering. Ter plaatse van de Noord-Brabantlaan en deels bij de kantorenlocatie is riolering voor hemelwater aanwezig.



De gemeente Eindhoven volgt het beleid om zoveel mogelijk regenwater separaat in te zamelen en (vertraagd) af te voeren naar oppervlaktewater dan wel te infiltreren in de bodem.

5.3.8 Afvalwater     

Voor zover bekend zijn alle panden in het plangebied aangesloten op de vrijvalriolering en voeren af naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Van Oldebarneveltlaan.

5.3.9 Boringsvrije zone     

Het plangebied bevindt zich deels in een boringsvrije zone van een waterwingebied. De boringsvrije zone is de zone waarbinnen (diepliggende) beschermende kleilagen niet zonder meer doorboord mogen worden ter bescherming van de drinkwaterkwaliteit.



Behoudens een beschikking van Gedeputeerde Staten is het verboden in boringsvrije zones de grond te roeren, inclusief het verrichten van grondboringen dieper dan 3 meter onder het maaiveld. Deze verbodsbepaling beperkt zich uitsluitend tot de boringsvrije zone en is gericht op het tegengaan van bodemaantastingen dieper dan 3 meter onder het maaiveld. Voor inrichtingen die vallen onder de Wet milieubeheer en gelegen zijn binnen de boringsvrije zone worden voor ingrepen op of in de bodem door het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning verbonden. Voor deze zone is geen regeling opgenomen in de planregels, aangezien de bepalingen in de Provinciale Milieuverordening afdoende zijn. Van opname in het bestemmingsplan van de boringsvrije zone gaat dan ook vooral een signalerende functie uit.

5.4 Toekomstige situatie van het watersysteem     

5.4.1 Verharding     

Momenteel zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die een noemenswaardige verandering in het aangesloten verhard oppervlak met zich meebrengen. Indien er in de toekomst zich binnen het plangebied kansen voordoen om het gemengde rioolstelsel verder om te bouwen naar een gescheiden stelsel zal de gemeente deze kansen, indien effectief en doelmatig, benutten.



Mogelijk vinden er ontwikkelingen plaats rondom het Evoluon. Deze zijn momenteel echter nog dermate prematuur dat hiermee in dit bestemmingsplan geen rekening wordt gehouden.



De ombouw naar een gescheiden stelsel, in overleg met het waterschap, vindt plaats op de momenten dat de aanleg gecombineerd kan worden met een wijk- cq herinrichting of rijbaan vernieuwing binnen het plangebied.



Voor alle nieuwe ontwikkelingen wordt voldaan aan de klimaatdoelstellingen zoals benoemd in het GRP2019-2022. Daar waar er een gescheiden stelsel ligt dient er gescheiden te worden aangesloten. Voor enkele activiteiten (zoals bijvoorbeeld het laden en lossen van gevaarlijke stoffen) kan een uitzondering gelden. Momenteel bestaan er geen plannen om het reeds aanwezige gescheiden stelsel beter te benutten dan wel uit te bereiden en het verhard oppervlak daarop te gaan aansluiten.

5.4.2 Berging     

De gemeente zal in samenspraak met het waterschap, inzetten op berging (mits doelmatig) om de piekafvoer op het riool te beperken.

5.4.3 Oppervlaktewater     

Er zijn geen plannen bekend die veranderingen aanbrengen in het oppervlaktewater systeem.

5.4.4 Waterkwaliteit     

Bij het afkoppelen, en duurzame watersystemen in het algemeen, verdient de waterkwaliteit van het afstromende regenwater bijzondere aandacht. Sommige af te koppelen of nieuw aan te sluiten verharde oppervlakken kunnen de waterkwaliteit nadelig beïnvloeden (bv. olie van parkeerterreinen, en uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, lood en koper verwerkt in daken). In het kader van duurzaamheid worden initiatiefnemers gestimuleerd om alleen met niet uitloogbare bouwmaterialen te werken.

5.4.5 Advies / overleg Waterschap     

In februari 2019 is met Waterschap de Dommel gestart met overleg over dit plan. De reactie van het Waterschap op dit bestemmingsplan wordt verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving     

6.1 Algemeen     

Het bestemmingsplan "Strijp buiten de Ring 2019" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.

6.2 Planmethodiek     

Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.

6.3 Verbeelding     

Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.4 Planregels     

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De  Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In  "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.

Bestemmingen

In alle hiervoor geschikte bestemmingen is een regeling opgenomen op basis waarvan, zowel binnen als buiten het bouwvlak bouwwerken ten behoeve van het opwekken van duurzame energie is opgenomen. Ook kennen alle bestemmingen waarin wonen voorkomt een regeling die kamerverhuur uitsluit, uitgezonderd de gevallen waar nu reeds sprake is van bestaande en vergunde kamerverhuur. In bestemmingen waarin wonen is toegestaan is ook een regeling opgenomen op basis waarvan aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan en met een afwijking kleinschalige bedrijvigheid aan huis.

Bestemming 'Bedrijf' (Artikel 3)

Deze bestemming is toegekend aan de gronden en opstallen van bedrijven in het plangebied tot ten hoogste categorie 2 als bedoeld in de bij deze regels behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten". Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “ Bedrijven en milieuzonering”. Uitzondering hierop vormen twee bestaande bedrijven:

  • Olympialaan 16a: categorie 3.2
  • Van Kanstraat 11: categorie 3.1

Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Seksinrichtingen, wonen, zelfstandig kantoor (uitgezonderd bestaand) en detailhandel (uitgezonderd ondergschikte productiegebonden detailhandel) zijn eveneens uitgesloten.

 

Er kan ook meegewerkt worden aan de vestiging van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” maar die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. De bouwvlakken zijn dusdanig gesitueerd dat enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk is.

Bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' (Artikel 4)

Deze bestemming is gelegd op de in het plangebied gelegen gebouwen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwen en gasdrukmeet- en regelstations. Bij een gasdrukmeet- en regelstation is een aanduiding 'veiligheidszone - gasreduceerstation' opgenomen, ter plaatse waarvan geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan.

Bestemming 'Detailhandel' (Artikel 5)

Deze bestemming is uitsluitend gelegd op één solitair gelegen supermarktvestiging aan de Lievendaalseweg 5. De solitair gelegen detailhandelsvestigingen, die in het voorafgaande bestemmingsplan 'Strijp buiten de Ring 2004' de bestemming 'Detailhandel' hadden, zijn in het voorliggende plan mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Gemengd'.

Bestemming `Gemengd´ (Artikel 6)

Deze bestemming voorziet in een veelheid aan functies, die onderling uitwisselbaar zijn. Het betreft panden / clusters van panden, waarbij een diversiteit aan functies gewenst is. Ten opzichte van de voorgaande bestemmingsplannen zijn er verschillende bestemmingen samengevoegd tot één bestemming Gemengd. Een praktijkruimte wordt niet meer specifiek benoemd aangezien deze past binnen de functies die reeds in de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen. Met behulp van aanduidingen zijn voor enkele locaties specifieke functies geregeld.

De planregeling voorziet tevens in de aanwezigheid van woningen. Gelet op de voorgaande bestemmingsplannen kunnen woningen in beginsel alleen op de verdieping voorkomen.

De grenzen van de bouwvlakken zijn dusdanig gesitueerd dat enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk is. Binnen de bestemming `Gemengd´ is horeca uitsluitend toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit van de detailhandel ter plaatse. Dat wil (zoals vermeld in het gemeentelijke Horecabeleidsplan) zeggen dat de openingstijden van de horeca-activiteit niet ruimer mogen zijn dan die van de hoofdactiviteit, dat de horecavoorziening geen eigen toegang mag hebben en dat er geen separate reclame-uitingen zijn toegestaan.

Daar waar een aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen geldt de bestaande goot- en bouwhoogte als maximale goot- en bouwhoogte. Tevens geldt voor deze panden een sloopvergunningsstelsel.

Op basis van het gemeentelijk beleid zijn de locaties met de bestemming 'Gemengd' in beginsel niet geschikt voor de vestiging van supermarkten groter dan 800 m2. Reden hiervoor is dat dit een aantasting in de voorzieningenstructuur tot gevolg kan hebben die ongewenst is. Echter, recente jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2018:2062) maakt het lastig om branchering op basis van aannames toe te staan.

Gelet op de impact van het vestigen van een supermarkt groter dan 800 m2 op de omgeving, is er wel voor gekozen om een supermarkt tot 800 m2 rechtstreeks toe te staan en een grotere supermarkt uitsluitend via een afwijkingsbevoegdheid. In deze afwijkingsbevoegdheid zijn criteria opgenomen waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of de impact op de omgeving acceptabel is en of de vestiging past binnen het gemeentelijke beleid ten aanzien van detailhandel.

Bestemming `Groen” (Artikel 7)

Het groen dat in de uitwerking van het gemeentelijke Groenbeleidsplan is aangemerkt als "structureel groen op stedelijk niveau” en “structureel groen op wijk- en buurtniveau” is in het voorliggende plan expliciet voorzien van de bestemming `Groen´. Deze bestemming omvat ook kleinere waterpartijen.

Bestemming `Horeca´ (Artikel 8)

Deze bestemming is gelegd op de solitair gelegen horecavestigingen in het plangebied. De planregeling voorziet ook in de aanwezigheid van woningen. Horecavestigingen die zijn gelegen in centrum-/concentratiegebieden, zijn opgenomen in de bestemming `Gemengd'. Naar analogie van de 'Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten' bij de bestemming `Bedrijf' is bij deze bestemming gebruik gemaakt van een 'Lijst van horeca-activiteiten'. Deze is gebaseerd op basis van het Horecabeleidsplan ´Kwaliteit door differentiatie. Op basis van deze lijst is het volgende onderscheid aan de orde:

Horeca - 1 "Maaltijdverstrekkend"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden.

Horeca - 2 "Drankverstrekkend"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse.

Horeca - 3 "Multifunctioneel horecabedrijf"

Een inrichting die gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen.

Horeca - 4 "Vermaak, sport, spel en ontspanning"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak, sport, spel en ontspanning.

Horeca - 5 "Logiesverstrekkend"

Hotels en pensions.

Horeca - 6 "Ontmoetingscentra / Maatschappelijke instellingen"

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het in verenigingsverband of anderszins georganiseerd bieden van ontmoetingsgelegenheid al dan niet in combinatie met verstrekking van drank en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd kunnen worden.

In de bestemming wordt horeca in de categorie 1 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' ook categorie 2. Dit onderscheid vloeit voort uit de bestaande rechten op basis van de voorgaande bestemmingsplannen.

Met een afwijking is het mogelijk om horeca toe te staan die niet voorkomt in de toegestane categorieen, maar qua aard en invloed vergelijkbaar zijn met de toegestane horecavormen.

Daar waar een aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen geldt de bestaande goot- en bouwhoogte als maximale goot- en bouwhoogte. Tevens geldt voor deze panden een sloopvergunningsstelsel.

Bestemming `Kantoor' (Artikel 9)

Deze bestemming is gelegd op specifieke kantoorvestigingen. De grenzen van de bouwvlakken zijn ook in dit geval dusdanig gesitueerd dat enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk is. Kantoren die zijn gelegen in centrum-/concentratiegebied, zijn meegenomen in de bestemming `Gemengd'.

Op enkele locaties is een aanduiding opgenomen op basis waarvan naast kantoren tevens een specifiek aangeduide functie is toegestaan.

Bestemming `Maatschappelijk' (Artikel 10)

Het betreft hier een “verzamelbestemming” ten behoeve van educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur.

Concreet gaat het hier om voorzieningen als kerken, scholen, buurtcentra, sporthallen, bejaardenhuizen, welzijnsvoorzieningen, medische (groeps)praktijken e.d. al dan niet in combinatie met bovenwoningen. Gekozen is voor een flexibele regeling, zodat uitwisseling van alle functies die passen binnen de omschrijving mogelijk is. Waar nodig is voor één of enkele percelen een specifieke functie toegestaan.

Mede vanwege de hierboven genoemde flexibiliteit mogen niet geluidgevoelige functies uitsluitend worden gewijzigd in geluidgevoelige functies indien en voor zover de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden en indien sprake is van overschrijding daarvoor door het bevoegd gezag ontheffing is verleend.

In beginsel zijn de grenzen van de bouwvlakken dusdanig gesitueerd en/of er is gekozen voor een dusdanig maximaal bebouwingspercentage en/of een dusdanige maximum hoogte dat enige uitbreiding van de bebouwing mogelijk is.

Daar waar een aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen geldt de bestaande goot- en bouwhoogte als maximale goot- en bouwhoogte. Tevens geldt voor deze panden een sloopvergunningsstelsel.

Binnen de bestemming `Maatschappelijk´ is horeca uitsluitend toegestaan ondergeschikt aan en ter ondersteuning van de desbetreffende maatschappelijke functie(s). Dat wil (zoals vermeld in het gemeentelijke Horecabeleidsplan) zeggen dat de openingstijden van de horeca-activiteit niet ruimer mogen zijn dan die van de hoofdactiviteit, dat de horecavoorziening geen eigen toegang mag hebben en dat er geen separate reclame-uitingen zijn toegestaan.

Binnen deze bestemming zijn detailhandelsvoorzieningen en/of dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling ook uitsluitend toegestaan voor zover ondergeschikt en ten dienste van de maatschappelijke voorziening.

Voor de begraafplaats is de aanduiding 'begraafplaats' opgenomen.Voor gebouwen is geregeld dat deze maximaal 50 m2 in oppervlak mogen zijn, met een maximum hoogte van 10 meter. ook voor bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn specifieke regels gekoppeld aan deze aanduiding.

Tot slot zijn voor een aantal specifieke locaties op basis van een afwijkingsbevoegdheid mogelijkheden opgenomen om hoger te bouwen dan is aangegeven op de verbeelding. In de oude bestemmingsplannen waren hogere hoogtes opgenomen dan in dit bestemmingsplan. Deze hogere hoogtes zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet zonder meer gewenst. Om die reden zijn de bouwhoogtes omlaag gebracht. Om zoveel mogelijk de bestaande rechten te respecteren is ervoor gekozen om middels een afwijkingsbevoegdheid de hogere hoogtes op basis van een nader afwegingsmoment op te nemen in het bestemmingsplan.

Bestemming 'Sport' (Artikel 11)

Sport is opgenomen ter plaatse van sportpark 'Strijp'. Hier worden sportvoorzieningen toegestaan en aanvullende een buitenschoolse opvang en een duurzame energievoorziening. Ondersteunend aan de voorziening zijn ondermeer horec en parkeer- en infravoorzieningen toegestaan.

Bestemming `Verkeer' (Artikel 12)

Deze bestemming is geprojecteerd op de wegen die primair gericht zijn op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Specifiek is met aanduiding geregeld waar busstroken en busbanen (HOV-baan) zijn toegestaan en het aantal rijstroken.

Bestemming `Verkeer - Verblijfsgebied” (Artikel 13)

Het gaat bij deze bestemming om de wegen die primair dienen c.q. zullen dienen voor de ontsluiting van de aangrenzende of nabijgelegen gronden, zoals winkelerven, pleinen, woonstraten, woonerven en paden. Ook is deze bestemming bedoeld voor de parkeerterreinen en voor de groenstrookjes die een onderdeel zijn van de straatinrichting.

Bestemming `Wonen” (Artikel 14)

Deze bestemming is gelegd op de in het plangebied gelegen gronden met woningen en de bijbehorende voor- en achtererven. In de regels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw.



Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd waarbij de bouwvlakken volledig mogen worden bebouwd. Bij "grondgebonden woningen" is in beginsel uitgegaan van een diepte van het bouwvlak van 12 m, gemeten vanaf de voorgevel(rooilijn). Daarbij dient de resterende achtertuin een diepte van minimaal 10 m te hebben. Indien deze minimum diepte in de gegeven situatie niet mogelijk is, is voor het bouwvlak een diepte van 10 m aangehouden. Indien ook dan een ontoereikende diepte van de achtertuin resteert, is een diepte van het bouwvlak overeenkomstig de bestaande situatie aangegeven.



Er is gekozen voor standaardisering van de diepte van het bouwvlak met het oog op rechtsgelijkheid. Veel "grondgebonden woningen" hebben een bestaande diepte van 8 tot 10 m. Mogelijkheden tot uitbreiding van hoofdbebouwing naar 12 m is substantieel en praktisch. Bij de bepaling van de minimaal te behouden tuindiepte worden reeds in de tuin gerealiseerde bijgebouwen buiten beschouwing gelaten. Door het bepalen van de diepte van het bouwvlak vervalt de noodzaak om de achtergevelrooilijn vast te leggen.

Bij vrijstaande woningen op relatief ruime kavels is als diepte van het bouwvlak in beginsel een maat van 15 m aangehouden. Voor minimaal resterende diepte van de achtertuinen bestaan dezelfde uitgangspunten als bovenstaand zijn verwoord. Bij meergezinswoningen is voor de bepaling van het bouwvlak de bestaande situatie aangehouden.

Het bestemmingsplan maakt geen uitbreidingen mogelijk aan voorgevel. De voorzijde van woningen bepaalt namelijk in hoge mate het straatbeeld, evenals de onderlinge samenhang van de gevels. Een rommelig gevelbeeld doet afbreuk aan de belevingswaarde van het straatbeeld. Daarom wordt bij een goed stedenbouwkundig plan uitgegaan van een helder en evenwichtig gevelbeeld waarbij de gevels van de afzonderlijke woningen een aantrekkelijk ensemble opleveren. Daarbij dient ook samenhang te ontstaan tussen de afmetingen van het profiel van de openbare ruimte en de gevelhoogten en gevelbreedten. Uitbreidingen aan de voorzijde zijn enkel mogelijk indien dit o.a. vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig geen bezwaren oplevert. Omdat dit nagenoeg altijd “ maatwerk “ is, is hiervoor gekozen voor beleidsregels, genaamd "ontheffingen aan- uit- en bijgebouwen bij woningen”.

In deze beleidsregels zijn ook uitbreidingsmogelijkheden aangegeven voor aan-, uit- en bijgebouwen. Daar waar een aanduiding 'karakteristiek' is opgenomen geldt de bestaande goot- en bouwhoogte als maximale goot- en bouwhoogte. Tevens geldt voor deze panden een sloopvergunningsstelsel.

Solitair gelegen garageboxen behoren bij de woonbestemming. Deze zijn daarom ook opgenomen binnen deze bestemming en hebben specifieke bouwregels meegekregen.

Aan huis-verbonden-beroepen

Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m2). Via een afwijking is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen.

Tevens is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m2 te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid.

Dubbelbestemmingen

Bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 1

Deze dubbelbestemming is opgenomen voor gebieden waar de bebouwing binnen het plangebied van cultuurhistorische waarde is. De regels zijn opgesteld ten behoeve van het behoud van de cultuurhistorische waarden van die bebouwing. Waar nodig is met een aanduiding 'karakterisitiek' voor specifieke panden aanvullend geregeld dat de bestaande goot- en bouwhoogte als maximum gelden en is aan de aanduiding een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.

Bestemming Waarde - Cultuurhistorie - 2

De gebieden en landschapselementen in het plangebied welke cultuurhistorisch waardevol zijn, hebben de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 2 gekregen. De begrenzing van de gebieden en de landschapselementen zijn onder andere gebaseerd op het rapport van RAAP 3398 "Het landschap onder de stad' d.d. 13 november 2018 kaartbladen 2 en 3.Ter toelichting en onderbouwing is dit rapport bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 6 tot en met 8). In de regeling is opgenomen dat advies wordt gegeven door de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur. Dit advies wordt uitgebracht op basis van genoemd onderzoek.

Algemene regels

Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel , de Overige regels en de  Algemene afwijkingsregels.

In de algemene aanduidingsregels zijn de volgende aanduidingen opgenomen:

  • geluidzone - industrie
  • veiligheidszone - bevi
  • veiligheidszone - gasreduceerstation



In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht  en de  Slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 7 Handhaving     

Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021

In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd.

Uitgangspunten

Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan wordt een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Informatie gestuurd

    De gemeente Eindhoven ziet informatie gestuurde handhaving als een belangrijke pijler. Er zijn ontwikkelingen op het gebied van ICT en data analyse. Door gemeentelijke en andere informatiebronnen te ontsluiten, te analyseren en te combineren kunnen we een problematiek eerder (of preventief) en gerichter aanpakken.

  • Gebiedsgericht

    Om optimaal in te kunnen spelen op vraagstukken van inwoners zet de gemeente Eindhoven binnen het ruimtelijk domein al geruime tijd in op gebiedsgericht toezicht. Dit doen we door - vanuit een actieve samenwerking met wijkteams - te kijken naar naleefgedrag, oorzaken en oplossingen gerelateerd aan geografische gebieden. Er zijn verschillende vragen, doelgroepen en belangen. Kennis wordt gedeeld en ervaringen van inwoners en bedrijven worden verzameld. Deze input is van invloed op de prioriteiten in het jaarlijkse uitvoeringsplan, waar mogelijk toegespitst op een specifieke wijk. Per wijk kunnen er dus op basis van gebiedsanalyses en bijvoorbeeld buurtcontracten verschillende bouwstenen zijn voor het uitvoeringsplan.

  • Risico- en oplossingsgerichte benadering

    De gemeente Eindhoven benadert toezicht en handhaving risico- en oplossingsgericht. De prioriteiten worden in beginsel gebaseerd op een inschatting van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor inwoners. Ook aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en omgevingskwaliteit wegen in belangrijke mate mee. Daarnaast worden prioriteiten mede gebaseerd op wat inwoners en bedrijven belangrijk vinden. Eindhoven hecht eraan om vraagstukken waar mogelijk gezamenlijk op te lossen.

    Er zijn onderwerpen die in algemene zin aandacht vragen. Brandveilig gebruik van woongebouwen verdient (nog) meer aandacht, in de context van kwetsbare groepen die langer zelfstandig blijven wonen. Ook aanpak van jeugdoverlast, duurzaamheid en de bestaande bouw zijn voorbeelden. Er wordt gezocht naar de beste oplossing die nodig is voor het versterken van de veiligheid in de leefomgeving van onze inwoners. Hiermee ontstaat een risicoanalyse op basis waarvan vervolgens de prioriteiten binnen het toezicht worden gesteld.

  • Consequent en doelmatig

    Uitvoeringsplannen en jaarverslagen bevatten een overzicht van de inzet en capaciteit voor handhaving. In het verlengde van informatie gestuurde en oplossingsgerichte handhaving vergt doelmatige handhaving een analyse van resultaten. Meetbare doelen om te beoordelen of de beschikbare capaciteit zo doelmatig mogelijk wordt ingezet. We beogen in de komende jaren een ontwikkeling door te maken in de vierslag capaciteit – prioriteit – risicoanalyse - nalevingsniveau. Dit moet onder andere leiden tot meer inzicht in de relatie tussen handhavingsinspanningen en het nalevingsniveau (effect).

Prioritering

De gemeente Eindhoven maakt keuzes om ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit zo adequaat mogelijk wordt ingezet. Om goede prioriteiten te stellen is inzicht noodzakelijk in mogelijke problemen, de risico's en negatieve effecten. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op de grootste ergernissen en notoire overtreders en draagt handhaving bij aan een verhoogd gevoel van veiligheid. Met inachtneming van de uitgangspunten zijn in de nota prioriteiten gesteld. Aan de hand van deze prioriteiten, het budget uit de programmabegroting, incidentele bestuurlijke prioriteiten en het naleefgedrag van burgers en bedrijven, wordt jaarlijks het uitvoeringsplan voor toezicht en handhavingsprogramma opgesteld.

Uitvoeringsplan

In het uitvoeringsplan wordt op hoofdlijnen opgenomen waar de capaciteit dat jaar wordt ingezet. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in:

  • Object en informatiegericht

    - Bouwen en Wonen

    - Openbare leefomgeving

    - Bedrijven

  • Gebiedsgericht

    - Pilot Veiligheid en leefbaarheid

    - Actiegebieden

  • Themagericht

    Bij ieder onderdeel worden jaarlijks een aantal belangrijke ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om woonoverlast bij de Activiteiten Bouwen & Wonen. Of duurzaamheid en energiebesparing bij de Activiteiten Bedrijven.

Bovengenoemde onderverdeling komt in elk uitvoeringsplan terug. Per jaar wordt aangegeven welke prioriteit een onderdeel heeft en hoeveel capaciteit er wordt ingezet.

Duidelijke regels

Om overtredingen te voorkomen en goed te kunnen handhaven is het belangrijk dat regels duidelijk zijn. Het moet duidelijk zijn wat wel en niet mag. Regels dienen niet voor verschillende uitleg vatbaar te zijn. Bij het opstellen van bestemmingsplannen is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geschreven, dat deze in de praktijk goed toetsbaar zijn. De juridische toelichting op het bestemmingsplan en de begrippenlijst geven nadere uitleg over de regels en over de begrippen die gebruikt worden.

Hoofdstuk 8 Financiële aspecten     

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.

Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.

Ook kan er sprake zijn van zogenaamde “kruimelgevallen”. Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën.

Voor dit conserverende bestemmingsplan geldt dat het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd door gemeentelijke gronduitgifte of bij een overeenkomst of omdat er enkel sprake is van “kruimelgevallen”.

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid     

9.1 Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro     

Op grond van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden, kennis worden gegeven. De kennisgeving van de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is geplaatst in Groot Eindhoven op 9 september 2015. De kennisgeving is tevens bij de officiële publicaties op de gemeentelijke website www.eindhoven.nl geplaatst. Er zijn geen stukken betreffende het voornemen ter inzage gelegd, noch de mogelijkheid open gesteld om zienswijzen tegen het voornemen in te dienen of instanties om advies te vragen.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro     

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding vindt overleg plaats met:

  • Provincie Noord-Brabant
  • Waterschap de Dommel
  • Trefpunt Groen Eindhoven
  • Henri van Abbestichting
  • Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven
  • Veiligheidsregio

Wij hebben reactie ontvangen van Trefpunt Groen Eindhoven, de Henri van Abbestichting en de Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven. Het plan was al in een eerder stadium voorgelegd aan de veiligheidsregio en het Waterschap. Beiden hebben met het plan ingestemd. Hieronder is een samenvatting van de ontvangen vooroverlegreacties weergegeven met het gemeentelijk standpunt op die reacties.

1. Trefpunt Groen Eindhoven

Belangen op het gebied van cultuurhistorie, groen, geluid, luchtkwaliteit, duurzaamheid, bodem, natuur en water worden door het bestemmingsplan niet geschaad.



antwoord:

Wij vinden het prettig te vernemen dat het voorontwerpbestemmingsplan de door u genoemde belangen voldoende borgt.



2. Henri van Abbestichting

  1. In het voorzieningenniveau zoals opgenomen in het plangebied zitten diverse slordigheden en onjuistheden. Theresiakerk is aan de eredienst onttrokken, bibliotheek is er niet meer, de sporthal heeft deze functie niet meer en de winkelstrips leiden een kommervol bestaan.
  2. Voor het aspect groen sluit de Stichting zich aan bij de positieve reactie van Trefpunt Groen Eindhoven.
  3. Verzocht wordt om actualisatie van het beleidsplan en de waardenkaart voor archeologie. Doordat er nu geen nieuwe ontwikkelingen worden voorzien lopen locaties zoals de voormalige hoeve Lievendaal en andere locaties die betrekking hebben op WO II geen gevaar, maar na vaststelling van nieuw archeologiebeleid moet dit worden vertaald in alle bestemmingsplannen.
  4. De Zeelsterstraat moet worden benoemd als oorspronkelijke radiaal. De Stichting ziet graag dat hier een regime komt te liggen op basis waarvan nieuwbouw niet hoger mag worden dan twee bouwlagen met een kap. Ter onderbouwing is een concept cultuurhistorische beschrijving van de radialen in Strijp buiten de Ring aangeleverd.
  5. Voor de wijken Lievendaal en Het Ven is de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 opgenomen. Hier ontbreekt echter een sloopvergunningsstelsel dat wel is opgenomen in de Erfgoedverordening.
  6. De volgende panden/complexen moeten worden aangemerkt als karakteristiek:
    • Carmelitessenstraat 4 (pastorie)
    • Carmelitessenstraat 17-19 (fraai ensemble met Sint Theresiakerk)
    • Hugo de Grootplein 37-45 (voorbeeld wederopbouwperiode)
    • Johannes Voetstraat 1-3 en 2-4 (kleinschalige winkels in de wederopbouwperiode)
    • Noord-Brabantlaan 92-102, 108-114, 120-126, 132-138, 140-146 (woningen voor Duitse officiers)
    • Bredalaan 21-75a, 79-115, 84-138 (stedelijke ontwikkeling in de jaren '30 c.q. in de wederopbouwperiode)



antwoord:

  1. Wij hebben bij het opstellen van het voorontwerpbestemmingsplan een inventarisatie uitgevoerd. Hierbij wordt de feitelijke situatie vergeleken met het bestemmingsplan zoals opgesteld in 2004. Waar op legale wijze nieuwe functies zijn gekomen wordt de nieuwe functie opgenomen in het bestemmingsplan. Het kan zo zijn dat bij deze vergelijking iets niet goed is vertaald. Onder meer om daar achter te komen, leggen we een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage voordat we de formele bestemmingsplanprocedure opstarten. U geeft enkele concrete locaties aan waar sprake is van slordigheden en onjuistheden. Wij hebben deze locaties nogmaals bekeken en de volgende conclusies getrokken:

Theresiakerk: deze kerk is inderdaad sinds 2013 aan de eredienst onttrokken. Naar aanleiding van de reactie hebben wij in de toelichting in paragraaf 3.9 opgenomen dat het een kerkgebouw is en dat dit kerkgebouw inmiddels aan de eredienst is onttrokken.

Bibliotheek: De bibliotheek in Strijp is inderdaad niet langer in gebruik. In paragraaf 2.3 onder de voorzieningen in de wijk Het Ven is de bibliotheek nog wel opgenomen. Deze wordt uit de toelichting gehaald.

Sporthal: De sporthal staat nog in paragraaf 2.3 onder de voorzieningen in de wijk Lievendaal opgenomen. Dit is inderdaad niet correct. De sporthal wordt uit de tekst gehaald. Ten aanzien van de winkelstrips wordt in paragraaf 3.11.3 nadrukkelijk aangegeven dat de toekomstwaarde van de buurtwinkelstrips onder druk staat. Dit sluit dus aan bij het standpunt van de Henri van Abbestichting.

  1. Wij nemen dit voor kennisgeving aan.
  2. Actualisatie van de onderdelen van de cultuurhistorische waardenkaart (waaronder de archeologische waardenkaart) is onderdeel van ons programma op het gebied van Erfgoed. In de komende periode willen wij binnen de beschikbare middelen aandacht blijven besteden aan actualisatie van de waardenkaart. Daarbij sorteren wij voor op de Omgevingswet. Wat betreft het beleidsplan archeologie 2008-2012 kan worden gemeld dat dit één van de belangrijkste uitgangspunten is van onze integrale visie Erfgoed. Deze visie is actueel.
  3. In de toelichting wordt de Zeelsterstraat genoemd als historische radiaal. Tevens wordt voor de bebouwing aan de Zeelsterstraat een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 opgenomen, zodat de bestaande en bescheiden maat, positionering en kapvormen van de aanwezige bebouwing worden geborgd.
  4. Naar aanleiding van de bij het voorontwerp in het vooruitzicht gestelde cultuurhistorische onderzoeken naar Lievendaal en 't Ven is een analyse gemaakt van de waardevolle bebouwing, die naast de hoge stedenbouwkundige waarden van deze wijken, die onder meer worden geborgd met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie-1', ook onderscheidend zijn vanwege hun architectuur en gaafheid. Voor deze panden is aanvullend op de hiervoor genoemde dubbelbestemming een aanduiding 'karakteristiek' opgenomen. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.
  5. De genoemde panden zijn gelegen in cultuurhistorisch waardevolle gebieden of zijn van waarde als beeldbepalend pand. In de toelichting worden deze waarden daarom beschreven en worden de panden genoemd. Voor deze panden wordt een aanduiding 'karakteristiek' opgenomen. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld. Uitzondering zijn de panden Hugo de Grootplein 37-45 in 't Ven. Voor renovatie- en isolatiewerkzaamheden aan deze woningen is in 2019 een vergunning verleend. De stedenbouwkundige waarden zijn behouden gebleven, de waarden op het niveau van architectuur en gaafheid zijn echter grotendeels verloren gegaan.



3. Stichting bescherming wederopbouwerfgoed Eindhoven

  1. Het tracé van bebouwing ligt los van de rondweg welke te beschermen wederopbouwerfgoed is. Dat de rondweg in meerdere bestemmingsplannen ligt vindt de stichting onlogisch en niet wenselijk. De stichting is van mening dat in de toelichting de relatie met de rondweg beschreven moet worden.
  2. De strip met winkels aan de Bredalaan moeten de waardering 'culturele waarde' moeten krijgen.
  3. De woningen aan de Hastelweg zijn één van de eerste wederopbouwwoningen in een laag met kap. Een waardering met 'culturele waarde' zou hier op zijn plek zijn.
  4. De woningen aan de Noord-Brabantlaan tussen de Ulricius Hubertstraat en de Bredalaan zijn van dezelfde kwaliteit als de woningen in de omgeving van de Hugo de Grootplein. Dezelfde waardering is daarom op zijn plaats.
  5. De woningen aan de Noord-Brabantlaan welke zijn gebouwd voor de Duitse officieren moeten een bijzondere monumentale vermelding krijgen.
  6. De kleinschalige winkels aan de Johan Voetstraat zijn kenmerkend voor de wederopbouw. Een bijzondere vermelding is daarom op zijn plaats.



antwoord:

  1. De gemeente onderschrijft het belang van de rondweg en daarom is deze structuur ook in zijn geheel op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Eindhoven opgenomen. In de toelichting van dit bestemmingsplan nemen wij daarom ook een extra alinea over de rondweg op. Op die manier worden deze waarden goed beschreven in dit bestemmingsplan. Bovenal ontleent de rondweg zijn waarden aan de directe historische relatie die het heeft met de aangrenzende bebouwing, groenstructuren etc. Ook de relatie van de rondweg met de aangrenzende bebouwing wordt in deze alinea beschreven.
  2. De bedoelde winkelstrip, Bredalaan 21-75a, heeft, vanwege de historische en stedenbouwkundige relatie met de Bredalaan en vanwege de waarde als gaaf voorbeeld van wederopbouwarchitectuur een aanduiding 'karakteristiek' gekregen. Aan deze aanduiding is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.
  3. De karakteristieken van het complex woningen Hastelweg en Sportlaan zijn afdoende geborgd met de ter plaatse geldende hoofdbestemmingen en maatvoeringsaanduidingen.
  4. De westpunt van de wijk 't Ven (te weten: noordrand Bredalaan, zuidrand Noord-Brabantlaan, Ulricus Huberstraat en Philips van Leijdenstraat, niet weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart), vertoont in de hoofdopzet van de wegen en de maatvoering van de bebouwing een duidelijke relatie met 't Ven als geheel en de wegen Noord-Brabantlaan en Bredalaan. Deze relatie wordt in het cultuurhistorisch onderzoek naar 't Ven benoemd. De karakteristieken van de bebouwing zijn afdoende geborgd met de ter plaatse geldende hoofdbestemmingen en maatvoeringen.
  5. Vanwege hun cultuurhistorische waarden, zoals ook naar voren komt uit het cultuurhistorisch onderzoek naar Lievendaal, geldt ter plaatse van de Duitse officierswoningen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie -1' en een aanduiding karakteristiek. Aan de aanduiding 'karakteristiek' is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.
  6. Vanwege hun cultuurhistorische waarden, zoals ook naar voren komt uit het cultuurhistorisch onderzoek naar 't Ven, geldt ter plaatse van de winkels aan de Johannes Voetstraat de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie-1' en een aanduiding karakteristiek. Aan de aanduiding 'karakteristiek' is een sloopvergunningsstelsel gekoppeld.

9.3 Inspraak     

Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van 11 april 2019 tot en met 8 mei 2019 ter inzage gelegen. In die periode is iedereen in de gelegenheid gesteld een reactie ten aanzien van het voorontwerp in te dienen. Bovendien zijn er op 17 en 18 april inloopavonden geweest. Deze is door ca 40 personen bezocht. Hieronder is een samenvatting van de ontvangen reacties weergegeven met het gemeentelijk standpunt op die reacties.

Inspraakreacties:

1.Bewoner Zeelsterstraat

De bestemming Gemengd ter plaatse van de Zeelsterstraat 116/118 is niet gewenst. Het is een verruiming van de mogelijkheden die extra hinder voor de omgeving tot gevolg heeft. Hierbij wordt specifiek gedacht aan de mogelijkheid om hier horeca te vestigen.



antwoord:

In het vigerend bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 is aan de Zeelsterstraat 116/118 de bestemming Detailhandel opgenomen. Op basis van die bestemming is in het nu geldende bestemmingsplan horeca toegestaan tot en met categorie 1. Het gaat dan om een cafetaria, snackbar, automatieken, lunchroom, ijssalons, kiosk, pannenkoekenhuis, shoarmazaak, poffertjeszaak of crêperie. De mogelijkheid om binnen de bestemming Detailhandel horeca te vestigen is beperkt. Het moet gaan om horeca activiteiten die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel staan. Horeca in een andere categorie is alleen toegestaan als het om een bestaande vestiging gaat.

In het voorontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat horeca is toegestaan tot en met categorie 2 uit de lijst van horeca-activiteiten. Op basis hiervan zijn naast de hierboven aangegeven horeca-activiteiten tevens een tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub toegestaan. In het voorontwerpbestemmingsplan is ook niet de beperking opgenomen dat de horeca-activiteit ondergeschikt moet zijn aan een functie als detailhandel of dienstverlening.

Het is niet onze bedoeling geweest om de bestemming Gemengd in het nieuwe bestemmingsplan zodanig te verruimen dat hier horeca-activiteiten in categorie 1 en 2 zijn toegestaan en tevens de vestiging van een zelfstandige horeca activiteit mogelijk is. Om die reden worden de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan aangepast. Ter plaatse van de percelen die in het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 een bestemming Detailhandel hebben, wordt de aanduiding horeca tot en met categorie 2 van de verbeelding gehaald. Dit geldt dus ook voor de Zeelsterstraat 116/118. In de regels worden hier horeca-activiteiten toegestaan die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel, dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen en kantoren staan in categorie 1a en 1b van de Lijst van horeca -activiteiten. Op die manier wordt zelfstandige horeca niet toegestaan en ook niet de functies tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub. Door deze aanpassing sluiten de mogelijkheden aan bij het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 op een wijze die wij aanvaardbaar vinden.

2. Bewoner Zeelsterstraat

Ter plaatse van de Zeelsterstraat 103 zit nu detailhandel. Het voorontwerpbestemmingsplan staat hier ook horeca toe. Dit is niet gewenst. Hetzelfde geldt voor het perceel Theresiastraat 4.



antwoord:

Zeelsterstraat 103:

In het vigerend bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 is aan de Zeelsterstraat 116/118 de bestemming Detailhandel opgenomen. Op basis van die bestemming is in het nu geldende bestemmingsplan horeca toegestaan tot en met categorie 1. Het gaat dan om een cafetaria, snackbar, automatieken, lunchroom, ijssalons, kiosk, pannenkoekenhuis, shoarmazaak, poffertjeszaak of crêperie. De mogelijkheid om binnen de bestemming Detailhandel horeca te vestigen is beperkt. Het moet gaan om horeca activiteiten die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel staan. Horeca in een andere categorie is alleen toegestaan als het om een bestaande vestiging gaat.

In het voorontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat horeca is toegestaan tot en met categorie 2 uit de lijst van horeca-activiteiten. Op basis hiervan zijn naast de hierboven aangegeven horeca-activiteiten tevens een tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub toegestaan. In het voorontwerpbestemmingsplan is ook niet de beperking opgenomen dat de horeca-activiteit ondergeschikt moet zijn aan een functie als detailhandel of dienstverlening.

Het is niet onze bedoeling geweest om de bestemming Gemengd in het nieuwe bestemmingsplan zodanig te verruimen dat hier horeca activiteiten in categorie 1 en 2 zijn toegestaan en tevens de vestiging van een zelfstandige horeca activiteit mogelijk is. Om die reden worden de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan aangepast. Ter plaatse van de percelen die in het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 een bestemming Detailhandel hebben, wordt de aanduiding horeca tot en met categorie 2 van de verbeelding gehaald. Dit geldt dus ook voor de Zeelsterstraat 116/118. In de regels worden hier horeca-activiteiten toegestaan die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel, dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen en kantoren staan in categorie 1a en 1b van de Lijst van horeca -activiteiten. Op die manier wordt zelfstandige horeca niet toegestaan en ook niet de functies tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub. Door deze aanpassing sluiten de mogelijkheden aan bij het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 op een wijze die wij aanvaardbaar vinden.

Sint Theresiastraat 4:

In het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 is hier een bestemming Horecadoeleinden opgenomen. Op basis van dit bestemmingsplan is op dit perceel nu horeca tot en met categorie 1 toegestaan en horeca in een andere categorie dan 1 voor zover deze vorm al aanwezig is op de locatie. Momenteel is aan de Sint Theresiastraat 4 de winkel Hobbygeluk gevestigd.

In het voorontwerpbestemmingsplan is gelet op de huidige functie en de mogelijkheid om horeca te vestigen op basis van het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 gekozen voor de bestemming Gemengd. Hierbij is het niet de bedoeling geweest om de horeca- activiteiten te verruimen ten opzicht van dit bestemmingsplan. In het ontwerpbestemmingsplan worden daarom de regels en de verbeelding zodanig aangepast dat horeca mogelijk is conform het nu geldende bestemmingsplan.



3. Bewoner Zeelsterstraat

Het verruimen van de bestemming aan de Zeelsterstraat 116/118 is niet gewenst. Horeca veroorzaakt overlast voor omwonenden. Daarnaast zou de vestiging van horeca op deze locatie waardedaling van het pand van indiener tot gevolg hebben.



antwoord:

In het vigerend bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 is aan de Zeelsterstraat 116/118 de bestemming Detailhandel opgenomen. Op basis van die bestemming is in het nu geldende bestemmingsplan horeca toegestaan tot en met categorie 1. Het gaat dan om een cafetaria, snackbar, automatieken, lunchroom, ijssalons, kiosk, pannenkoekenhuis, shoarmazaak, poffertjeszaak of crêperie. De mogelijkheid om binnen de bestemming Detailhandel horeca te vestigen is beperkt. Het moet gaan om horeca activiteiten die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel staan. Horeca in een andere categorie is alleen toegestaan als het om een bestaande vestiging gaat.

In het voorontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat horeca is toegestaan tot en met categorie 2 uit de lijst van horeca-activiteiten. Op basis hiervan zijn naast de hierboven aangegeven horeca-activiteiten tevens een tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub toegestaan. In het voorontwerpbestemmingsplan is ook niet de beperking opgenomen dat de horeca-activiteit ondergeschikt moet zijn aan een functie als detailhandel of dienstverlening.

Het is niet onze bedoeling geweest om de bestemming Gemengd in het nieuwe bestemmingsplan zodanig te verruimen dat hier horeca activiteiten in categorie 1 en 2 zijn toegestaan en tevens de vestiging van een zelfstandige horeca activiteit mogelijk is. Om die reden worden de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan aangepast. Ter plaatse van de percelen die in het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 een bestemming Detailhandel hebben, wordt de aanduiding horeca tot en met categorie 2 van de verbeelding gehaald. Dit geldt dus ook voor de Zeelsterstraat 116/118. In de regels worden hier horeca-activiteiten toegestaan die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel, dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen en kantoren staan in categorie 1a en 1b van de Lijst van horeca -activiteiten. Op die manier wordt zelfstandige horeca niet toegestaan en ook niet de functies tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub. Door deze aanpassing sluiten de mogelijkheden aan bij het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 op een wijze die wij aanvaardbaar vinden.

4. Bewoner Zeelsterstraat

Indiener is geen voorstander van het verruimen van de bestemming ter plaatse van de Zeelsterstraat 116/118. De locatie ligt midden in een woonwijk.



antwoord:

In het vigerend bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 is aan de Zeelsterstraat 116/118 de bestemming Detailhandel opgenomen. Op basis van die bestemming is in het nu geldende bestemmingsplan horeca toegestaan tot en met categorie 1. Het gaat dan om een cafetaria, snackbar, automatieken, lunchroom, ijssalons, kiosk, pannenkoekenhuis, shoarmazaak, poffertjeszaak of crêperie. De mogelijkheid om binnen de bestemming Detailhandel horeca te vestigen is beperkt. Het moet gaan om horeca activiteiten die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel staan. Horeca in een andere categorie is alleen toegestaan als het om een bestaande vestiging gaat.

In het voorontwerpbestemmingsplan is opgenomen dat horeca is toegestaan tot en met categorie 2 uit de lijst van horeca-activiteiten. Op basis hiervan zijn naast de hierboven aangegeven horeca-activiteiten tevens een tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub toegestaan. In het voorontwerpbestemmingsplan is ook niet de beperking opgenomen dat de horeca-activiteit ondergeschikt moet zijn aan een functie als detailhandel of dienstverlening.

Het is niet onze bedoeling geweest om de bestemming Gemengd in het nieuwe bestemmingsplan zodanig te verruimen dat hier horeca activiteiten in categorie 1 en 2 zijn toegestaan en tevens de vestiging van een zelfstandige horeca activiteit mogelijk is. Om die reden worden de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan aangepast. Ter plaatse van de percelen die in het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 een bestemming Detailhandel hebben, wordt de aanduiding horeca tot en met categorie 2 van de verbeelding gehaald. Dit geldt dus ook voor de Zeelsterstraat 116/118. In de regels worden hier horeca-activiteiten toegestaan die ten dienste c.q. ter ondersteuning van de detailhandel, dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen en kantoren staan in categorie 1a en 1b van de Lijst van horeca -activiteiten. Op die manier wordt zelfstandige horeca niet toegestaan en ook niet de functies tearoom, koffiehuis, café, bar of nachtclub. Door deze aanpassing sluiten de mogelijkheden aan bij het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 op een wijze die wij aanvaardbaar vinden.



5. Bewoner Zeelsterstraat

Indiener heeft de in 1934 gebouwde bakkerij achter zijn woning in gebruik als logeer- en werkruimte. Op de eerste verdieping is een slaapkamer aanwezig en op de begane grond een badkamer. Ook zijn er aansluitingen voor een keuken en is er een aparte verwarmingsketel. Op dit moment wordt het pand gebruikt als logeerruimte en de begane grond als studio om muziekles te geven. Kan dit als zodanig worden opgenomen in het bestemmingsplan?



antwoord:

Verzocht wordt om het gebruik van het bijgebouw als logeer- en werkruimte positief te bestemmen. Het onderhavige bestemmingsplan is een actualiseringsplan. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004 als basis genomen. Beoordeeld is of er in de afgelopen periode veranderingen zijn geweest op basis waarvan ander gebruik op het perceel is toegestaan dan reeds bestemd in het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2004. Er is voor het perceel van indiener geen vergunning verleend om af te wijken van het gebruik zoals is toegestaan binnen het bestemmingsplan van 2004. Wij hebben dan ook geen aanleiding om hier ander gebruik toe te staan dan reeds was toegestaan op basis van dit bestemmingsplan uit 2004.

Indiener geeft aan dat incidenteel van het bijgebouw gebruik gemaakt wordt om daar één van de kinderen te laten logeren. Dit gebruik is niet in strijd met de bestemming Wonen zoals opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2019. Wij merken dit aan als het gebruik passend binnen de bestemming wonen. Hierbij wordt wel opgemerkt dat het gebouw wel als bijgebouw bij de woning moet blijven behoren en dat het bijgebouw niet mag worden afgesplitst of in gebruik mag worden genomen als zelfstandige woning. Het gebruik van het bijgebouw ten behoeve van het geven van cellolessen past ook binnen het bestemmingsplan. Het geven van cellolessen door een bewoner van de woning, merken wij aan als een aan-huis-verbonden-beroep. Binnen de regels van de bestemming Wonen is dit toegestaan indien de oppervlakte voor dit gebruik niet groter is dan 50 m2. Indien het gebruik groter is dan 50 m2, is het nog mogelijk om onder voorwaarden een dergelijke functie toe te staan tot maximaal 75 m2. De regels die hiervoor gelden zijn opgenomen in artikel 15.4.1 van het voorontwerpbestemmingsplan (artikel 14.4.1 in het ontwerpbestemmingsplan).



6. Aris, Zeelsterstraat 80

Voor het pand Zeelsterstraat 80 is in het verleden vrijstelling verleend om het pand als kantoor te mogen gebruiken. Gevraagd wordt of in het voorontwerpbestemmingsplan het pand bestemd is voor kantoor.



antwoord:

Ter plaatse van de Zeelsterstraat 80 is de bestemming Kantoor opgenomen. Binnen deze bestemming zijn kantoren toegestaan. Dit sluit dus aan bij de wens van indiener.



7. Van den Hoff Installatiebedrijf bv, Van Kanstraat 3 en 3a

  1. Ter plaatse van de Van Kanstraat 3 en 3a zit bedrijvigheid met de SBI-codes 4321 (elektrische bouwinstallaties), 43221 (loodgieters en fitterswerk- en installatie sanitair) en 4632 (groothandel elektronische apparatuur). Deze SBI-codes zijn niet opgenomen in de lijst met toegestane bedrijfsactiviteiten. Voor zover de bedrijvigheid valt onder SBI-code 41, 42 of 43 bouwnijverheid, wordt aangegeven dat het b.o. groter is dan 1.000 m2. Hiermee is bedrijvigheid aanwezig welke op basis van het voorontwerpbestemmingsplan niet is toegestaan. Verzocht wordt de bedrijvigheid positief te bestemmen.
  2. Daarnaast zijn er reguliere woningen gevestigd ter plaatse van de adressen Van Kanstraat 1 en 1a. Verzocht wordt om ook deze woningen positief te bestemmen. Het gaat hier niet om bedrijfswoningen.



antwoord:

  1. Het is niet de bedoeling om bestaande legale bedrijven onder het overgangsrecht te brengen / weg te bestemmen. Om die reden is, ter plaatse van bedrijven met een milieucategorie hoger dan categorie 2, een aanduiding specifieke vorm van bedrijf -1 opgenomen. In de regels die bij deze aanduiding horen is bepaald dat ter plaatse van die aanduiding tevens bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan met de SBI-code en categorie zoals aangegeven in de regels. Voor het bedrijf aan de Van Kanstraat geldt dat er diverse SBI-codes gelden. Voor het bedrijf aan de Van Kanstraat 3 en 3a geldt dat de groothandel elektronische apparatuur valt onder SBI-code 464, 46733: groothandel in overige consumentenartikelen. Deze bedrijfsactiviteiten vallen onder milieucategorie 2 en passen daarmee binnen de bestemmingsomschrijving zoals opgenomen in artikel 3.1 onder a (Bedrijf). De overige activiteiten vallen onder de SBI-code 41, 42, 43 bouwbedrijven algemeen: b.o <= 2.000 m2. De milieucategorie die bij dergelijke bedrijven hoort is 3.1. Hiermee is het voor dit bedrijf nodig om een aanduiding specifieke vorm van bedrijf-1 toe te voegen. In de regels wordt aan de tabel in artikel 3.1 sub b toegevoegd de Van Kanstraat 3 en 3a, SBI-code 41, 42. 43 en categorie 3.1. Op die manier is de huidige bedrijfsvoering positief bestemd.
  2. In het voorontwerpbestemmingsplan zijn uitsluitend bestaande bedrijfswoningen toegestaan. In het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse de bestemming Bedrijfsdoeleinden II. Hier zijn tevens toegestaan (dienst)woningen uitsluitend voor zover bestaand. Per abuis is in het voorontwerpbestemmingsplan bestaand wonen niet mogelijk gemaakt. Conform het vigerende bestemmingsplan is dit wel zo bedoeld. Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarop aangepast.



8. Bewoner Bredalaan

De wijk 't Ven is in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. Hierbij is aangegeven dat de wijk als proeftuin is aangewezen binnen het project 'proeftuin aardgasvrije wijken'. Slechts voor een deel van de woningen wordt echter subsidie toegekend. Daarnaast is er sprake van ontwikkeling op vrijwillige basis samen met de bewoners. Door de passage die is opgenomen over de wijk in paragraaf 4.6 krijgt dit echter planologisch een dwingend karakter. Dit is niet acceptabel, er moet sprake blijven van vrijwilligheid voor de bewoners. Verzocht wordt om die reden de passage uit de toelichting te verwijderen.



antwoord:

Dat we in de toelichting melding maken van het feit dat de wijk als proeftuin is geselecteerd binnen het landelijke programma 'Proeftuin Aardgasvrije Wijken' heeft niet tot gevolg dat de vrijwilligheid van het karakter van dit programma wordt aangepast. Er is geen intentie om er iets anders van te maken dan hetgeen met de proeftuin is beoogd. Wij hopen hiermee uw zorg te hebben weggenomen en vinden het zinvol om de melding in de toelichting te laten staan. De intentie van de proeftuin wordt in het ontwerpbestemmingsplan nog iets duidelijker opgenomen in de toelichting zodat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan.



9. Woningbelang, Waalreseweg 25 Valkenswaard

Woningstichting Woningbelang is eigenaar van de Hastelweg 287. Over dit pand is recent met de gemeente Eindhoven gesproken in de intake. Het doel is om de bestemming ter plaatse te wijzigen naar of aan te vullen met Wonen. De woningstichting neemt de uitdaging aan om hier sociale huurwoningen te ontwikkelen. Om die reden wordt verzocht om op de locatie in het bestemmingsplan te regelen dat de locatie nader in te vullen is met wonen en tevens in de toelichting onder de paragraaf Volkshuisvesting op te nemen dat hier sprake is van een initiatief voor wonen.



antwoord:

Uitgangspunt is om geen nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in een actualiseringsplan. Reden hiervoor is dat een ontwikkelplan en een actualiseringsplan een andere dynamiek hebben. Het is niet de bedoeling om het actualiseringsplan of de ontwikkeling te vertragen omdat er bijvoorbeeld veel zienswijzen worden ingediend tegen een ontwikkelplan of tegen het actualiseringsplan. Daarnaast is een ontwikkeling die wordt opgenomen in een actualiseringsplan niet goed zichtbaar voor omwonenden. In voorkomende gevallen kan er echter wel voor gekozen worden. Over de ontwikkeling op de Hastelweg 287 is inderdaad overleg geweest met de gemeente. Op dit moment is Woningbelang aan de slag met het vormgeven van de plannen. Er is geen sprake van een concrete onderbouwde en akkoord bevonden ontwikkelingen waarvoor alle relevante haalbaarheidsonderzoeken zijn uitgevoerd. Om die reden is het sowieso niet mogelijk om de ontwikkeling op te nemen in dit bestemmingsplan.



10. Bewoner Zeelsterstraat

In het voorontwerpbestemmingsplan is een specifieke regeling opgenomen voor dakopbouwen. Dit vindt indiener een goede ontwikkeling. Echter, gelet op de regeling in artikel 15.2.2.d in relatie tot het opgenomen bouwvlak op de verbeelding wordt een opbouw op de keuken (standaard uitbouw bij de woning) onmogelijk gemaakt. Op basis van de regeling mag een dakopbouw op de keuken slechts 1,5 meter breed worden (keuken is 2,5 meter breed). Daarnaast heeft het negatieve gevolgen voor de constructie (gevel niet op bestaande gevel) en een ruimte tussen de buren en de uitbouw die snel vies zal worden. Daarnaast zijn er talloze voorbeelden van reeds gerealiseerde dakopbouwen die niet aan deze regeling voldoen, maar wel zijn toegestaan. Verzocht wordt om artikel 15.2.2 lid 4 te laten vervallen.



antwoord:

De regeling voor dakopbouwen zoals opgenomen in artikel 15.2.2 betreft een dakopbouw op een hellend dakvlak van een hoofdgebouw. Het is dus geen regeling op basis waarvan een extra verdieping op de keuken te realiseren is die als uitbouw aan de woning is gebouwd. Gelet daarop is er ook geen aanleiding om de regeling zoals opgenomen in artikel 15.2.2 aan te passen.

In het bestemmingsplan is verder het bouwvlak op het perceel van indiener overgenomen conform het bestemmingsplan 'Strijp buiten de Ring 2004'. Deze regeling is daarmee geen beperking ten opzichte van dit bestemmingsplan. Indien een concreet verzoek wordt ingediend om een extra verdieping op de keuken te realiseren wordt door de gemeente beoordeeld in hoeverre het gewenst is om hieraan in die specifieke situatie mee te werken. Als dit gewenst is dan wordt hiervoor afgeweken van de regels in het bestemmingsplan. Op die manier kan de gemeente per situatie de wenselijkheid beoordelen. In geval we een regeling voor het toevoegen van een verdieping op de uitbouw standaard zouden opnemen, betekent dit dat dit overal is toegestaan. Dit vinden wij ongewenst omdat de gevolgen voor de omgeving van een dergelijke uitbouw per locatie verschillend kan zijn.



11. Stichting woonbedrijf SWS. Hhvl

Woonbedrijf kan niet instemmen met de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 die is opgenomen ter plaatse van de wijk Lievendaal. Hiervoor zijn de volgende argumenten aangegeven:

  1. Niet duidelijk is waar de dubbelbestemming op is gebaseerd en wat de cultuurhistorische waarde voor de wijk inhoud.
  2. De restricties in de planregels bij de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 hebben tot gevolg dat het voor Woonbedrijf bijna onmogelijk wordt om de woningen op een passende manier te blijven aanbieden in de wijk. Hier is wel grote vraag naar. In artikel 16.4.2 wordt nu bepaald onder welke voorwaarden afgeweken mag worden van de bestaande goot- en bouwhoogte. Onduidelijk is hoe dit zich verhoudt tot de algemene afwijkingsbevoegdheid die toestaat dat maximaal 10% mag worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages. Er lijkt sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid. Woonbedrijf verzoekt om de regels zodanig aan te passen dat de bestaande goot- en bouwhoogte met maximaal 40 cm mogen worden verhoogd ten behoeve van dakisolatie.



antwoord:

  1. Het onderzoek is als bijlage 5 bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. Lievendaal, dat deel uitmaakte van een vooroorlogs uitbreidingsplan, is tot stand gekomen op initiatief van Philips in de periode tussen 1947 en 1955. De wijk is in verschillende fasen gebouwd hoofdzakelijk in opdracht van de Woningstichting Hertog Hendrik van Lotharingen met ondersteuning van het Philips Woningbureau. De uitbreidingswijk heeft een moderne orthogonale structuur. Al tijdens de bezetting waren voor Duitse militairen van de vliegbasis Welschap aan de Noord Brabantlaan enkele eenlaagse woningen met kap gebouwd. Om de ergste woningnood te verhelpen werd de wijk na de bevrijding in hoog tempo bebouwd. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van verschillende geprefabriceerde systemen. Het oudste gedeelte uit 1947 bestaat uit woningen met platte daken en is gelegen tussen de Noord Brabantlaan, de Loeffstraat, de Tellegenstraat en de Vigliuslaan. Deze zijn gebouwd volgens het zogenaamde Airey-systeem. Opvallend is dat de voor- en achterkanten naar elkaar zijn toegekeerd, waardoor het groen van de tuinen werkt als deel van de openbare ruimte. Westelijk hiervan zijn in 1948 blokken eenlaagse woningen met kap gerealiseerd, die zijn ontworpen en gebouwd volgens het BBB-systeem. In het noordoostelijk gedeelte van de wijk kwamen in 1950 Polynorm woningen, die reeds zijn gesloopt. In 1955 werd de wijk in het noordwesten uitgebreid met etagewoningen. De wijk is een typisch voorbeeld van de stedenbouw en architectuur uit de Wederopbouwperiode door de toepassing van verschillende geprefabriceerde systemen, de diversiteit in de verschijningsvormen en woningtypen en de oriëntatie op nieuwe stedenbouwkundige ideeën. De cultuurhistorische waarden van deze wijk zijn uitgebreid onderzocht in het cultuurhistorisch onderzoek naar Lievendaal. Van belang zijn de stedenbouwkundige opzet van de wijk, de heldere verschijningsvorm en variatie in de verschillende 'buurtjes' wat betreft maat en schaal, positionering en architectuur en tenslotte het (nog zichtbare) experimentele karakter van de verschillende woningtypen door een verscheidenheid aan voor die tijd moderne bouwsystemen. De gaafheid en architectuur van de bebouwing van verschillende buurten is daarbij van waarde.
  2. Het is inderdaad niet voldoende duidelijk in de regels opgenomen hoe de afwijkingsbevoegdheid in de algemene regels zich verhoudt tot de afwijkingsbevoegdheid in de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1. Om dit goed te regelen wordt aan de afwijkingsbevoegdheid in de algemene regels onder sub a toegevoegd dat dit niet geldt ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1. Daarnaast wordt de algemene afwijkingsbevoegdheid in de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 als volgt aangepast: 'Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 30.2, mits vooraf een advies van de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit is ingewonnen waaruit blijkt dat afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken kunnen worden behouden.' Op basis hiervan kan dus door het college van burgemeester en wethouders besloten worden om af te wijken van de bestaande hoogtes als maximum in geval dit geen onevenredige aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken tot gevolg heeft.

12. Property Match

Property Match is eigenaar van het perceel De Blécourtstraat 1. Op dit moment wordt het pand ter plaatse gehuurd door het ROC Summa College.

In het bestemmingsplan Tongelre buiten de Ring 2004 is ter plaatse de bestemming Kantoor opgenomen met een ruim bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 20 meter en een maximaal bebouwingspercentage van 50. In het voorontwerp is de bestemming gewijzigd naar een bestemming Maatschappelijk met de aanduiding 'onderwijs'. Hierbij is de footprint van het gebouw opgenomen als bouwvlak met verschillende maximale bouwhoogtes. Verzocht wordt om de bestemming Kantoor uit het bestemmingsplan Tongelre buiten de Ring 2004 opnieuw op te nemen en een aanduiding toe te voegen voor het onderwijs. Daarnaast wil men de maximale bouwhoogte behouden om nog te kunnen uitbreiden. Hetzelfde geldt voor het bouwvlak dat is opgenomen.

antwoord:

Inderdaad is ter plaatse de bestemming gewijzigd op basis van de verleende vergunning voor het huidige gebouw. Daaarnaast is ook specifiek opgenomen wat middels deze vergunning is gerealiseerd als bebouwing. Reden om in het voorontwerpbestemmingsplan de bestemming Kantoor niet meer op te nemen is gelegen in ons kantorenbeleid.

Wij kunnen ons echter wel voorstellen dat het ongewenst is voor de indiener om de bestemming in te perken tot hetgeen nu is opgenomen. Om die reden hebben wij besloten om de bestemming ter plaatse te heroverwegen. De bestemming is daarom aangepast naar een bestemming Kantoor met een bouwvlak gelijk aan het bouwvlak in het bestemmingsplan Tongelre buiten de Ring 2004. De maximale bouwhoogte is 20 meter en het maximum bebouwingspercentage 50. Ten behoeve van de school is de aanduiding 'onderwijs' opgenomen op basis waarvan tevens educatieve voorzieningen op het perceel zijn toegestaan.

9.4 Zienswijzen     

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 22 augustus tot en met woensdag 2 oktober 2019 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken.

Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de edities van de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven van 21 augustus 2019 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.

Naar aanleiding van de tervisielegging zijn geen zienswijze ontvangen.

9.5 Ambtshalve aanpassingen     

Naast de aanpassingen naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen zijn ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn de volgende:

Regels

  1. Op 4 oktober is de 'Actualisatie nota parkeernormen 2019' in wekring getreden. Om het bestemmingsplan zo actueel mogelijk te houden, is de nota parkeernormen 2016 in de regels vervangen door de 'Actualisering nota parkeernormen 2019'. Dit betekent dat de volgende aanpassingen zijn doorgevoerd:
    1. Het begrip 'nota parkeernormen 2016' vervalt en er wordt een nieuw begrip in artikel 1.7 opgenomen: 'actualisering nota parkeernormen 2019'. De overige artikelleden worden vernummerd. Het begrip luidt: 'Actualisatie Nota Parkeernormen 2019 parkeernormen gepubliceerd op 3 oktober 2019 en in werking getreden op 4 oktober 2019.'
    2. In artikel 21.1 sub a wordt 'Nota parkeernormen 2016' vervangen door 'Actualisatie nota parkeernormen 2019'.
  2. In artikel14 wordt de volgende wijzigingsbevoegdheid toegevoegd:

'14.6.2 Aanpassen bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de bestemming 'Wonen' te wijzigen ten behoeve van het aanpassen van de diepte van het bouwvlak, onder de volgende voorwaarden:

  1. de nieuwe diepte van het bouwvlak moet stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn;
  2. de nieuwe diepte van het bouwvlak mag geen onevenredige inbreuk maken op de privacy en bezonning van de omliggende gronden en bebouwing;
  3. er moet sprake blijven van een buitenruimte.'

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2019 met identificatienummer NL.IMRO.0772.80263-0301 van de gemeente Eindhoven.

1.2 Bestemmingsplan:     

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aan-huis-verbonden-beroep     

een vrij beroep, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Bijvoorbeeld gastouderopvang; detailhandel via internet zonder opslag en/of verkoop aan huis; of het enkel uitoefenen van een administratie ten behoeve van een bedrijf.

Onder vrije beroepen worden verstaan: (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerp-technische, administratieve, sociaal-maatschappelijke, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen.

1.4 Aanbouw     

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.5 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 Actualisering nota parkeernormen 2019     

parkeernormen gepubliceerd op 3 oktober 2019 en in werking getreden op 4 oktober 2019.

1.8 Bebouwing     

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.9 Bedrijfsgebouw     

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.10 Bedrijfsvloeroppervlak     

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.11 Bedrijfswoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein wenselijk is.

1.12 Beperkt kwetsbaar object     

  1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
  2. bedrijfswoningen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  3. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen en voor zover zij niet behoren tot een bevi- inrichting;
  4. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  5. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen;
  6. objecten die met het onder a. tot en met e. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin meestal aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  7. objecten met hoge infrastructurele waarde, waaronder in ieder geval telefoon- en elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.13 Beschermd / verzorgd wonen     

wonen in een beschermde omgeving met begeleiding, verpleging en/of verzorging voor mensen die door gedrags-, psychische- of andere problematiek niet in staat zijn om zelfstandig te wonen.

1.14 Bestaande situatie     

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning;

bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.15 Bestemmingsgrens     

de grens van een bestemmingsvlak.

1.16 Bestemmingsvlak     

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.17 Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)     

Besluit van 27 mei 2004, Stb. 250, houdende regels inzake milieukwaliteitseisen op het gebied van de externe veiligheid zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.18 Bijgebouw     

een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.19 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.20 Bouwgrens     

de grens van een bouwvlak.

1.21 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

1.22 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.23 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

1.24 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.25 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.26 Buitenschoolse opvang (BSO)     

het in georganiseerd verband opvangen van meer dan 6 kinderen in de leeftijdscategorie 4 tot 13 jaar voor en na schooltijd, in de middagpauze en tijdens schoolvakanties.

1.27 Cafetaria/snackbar/afhaalservice     

een bedrijf gericht op het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak-alcoholische en niet-alcoholische dranken.

1.28 Café     

horeca, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.29 Congrescentrum     

Een gebouw of complex van gebouwen, dat gelegenheid biedt voor het organiseren van congressen, conferenties, vergaderingen of (informatie- en andere) bijeenkomsten met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen. Een cateringfunctie wordt aangemerkt als bij een congrescentrum behorende voorziening. Een hotelfunctie wordt niet aangemerkt als een bij een congrescentrum behorende voorziening.

1.30 Cultuurhistorische waarde     

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of gebied.

1.31 Dak     

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.32 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel wordt ook begrepen grootschalige detailhandel, volumineuze/perifere detailhandel, tuincentrum, kringloopwinkels, internetwinkel/webwinkel, afhaalpunten en (mega)supermarkt.

1.33 Dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling     

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaken, belwinkels, internetcafé, schoonheidsinstituten, fotostudio´s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

1.34 Dienstverlening     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.35 Discotheek of dancing     

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen, feesten en daarmee vergelijkbare evenementen.

1.36 Garagebox     

gebouwen voor de stalling van auto´s en andere voertuigen;

1.37 Erotisch getinte vermaaksfunctie     

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.

1.38 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.39 Gebruiken     

het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.

1.40 Geluidgevoelige functies     

bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.41 Geluidgevoelige gebouwen     

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.42 Geluidzoneringsplichtige inrichting     

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld.

1.43 Gevaarlijke stoffen     

gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag (overslag e.d.), risico's met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit.

1.44 GR (groepsrisico)     

een maat voor de kans, dat door een ramp bij een activiteit met gevaarlijke stoffen of met een vliegtuig, een (grote) groep mensen, die niet rechtstreeks bij de activiteit betrokken is, tegelijkertijd omkomt. Het GR kan toenemen door uitbreiding van risicovolle activiteiten enerzijds en door het verhogen van de personendichtheid anderzijds.

1.45 Hoofdgebouw     

een gebouw dat, op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.46 Horeca     

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

1.47 Hotel     

een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

1.48 Huishouden     

een meerderjarige alleenstaande persoon, dan wel twee of meer personen waarvan er ten minste één meerderjarig is, die duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voeren.

1.49 Internetwinkel     

Internetwinkels worden in het kader van dit bestemmingsplan aangemerkt als een specifieke vorm van detailhandel waarbij:

  • de transactie via internet of andere media tot stand komt, en;
  • de goederen ter plaatse kunnen worden afgehaald; en/of
  • de goederen ter plaatse kunnen worden afgerekend; en/of
  • de goederen ter plaatse kunnen worden bekeken of geprobeerd.

1.50 Kamerverhuur     

woonvorm waarbij sprake is van woonruimte die geen eigen afzonderlijke toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche/bad en/of toilet) buiten die onzelfstandige woonruimte.

1.51 Kantoor     

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor het bestuurlijk/ambtelijk of bedrijfsmatig uitoefenen van juridische, financiële, administratieve en naar de aard daarmee gelijk te stellen werkzaamheden, zoals sociaal wetenschappelijke onderzoek of een architectenbureau.

1.52 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend (niet zijnde prostitutie).

1.53 Kunstobject     

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten.

1.54 Kunstwerk     

bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening.

1.55 Kwetsbaar object     

  1. woningen, niet zijnde:
    1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
    2. bedrijfswoningen;
  2. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:
    1. (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    2. scholen;
    3. sociale werkplaatsen, of;
    4. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  3. gebouwen waarin meestal grote aantallen personen (> 50 pers.) gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
    1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting of;
    2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting, en winkels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd en voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  4. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting.

1.56 Lijst van bedrijfsactiviteiten     

de bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG zoals deze gold ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan en opgenomen in Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels.

1.57 Lijst van horeca-activiteiten     

lijst met een onderverdeling van horeca-activiteiten naar de mate van mogelijke overlast voor de omgeving zoals opgenomen in Bijlage 3 Lijst van horeca-activiteiten behorende bij deze regels;

1.58 Maatschappelijke voorzieningen     

educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Onder maatschappelijke voorzieningen zijn tevens begrepen kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.

1.59 Nutsvoorzieningen     

voorzieningen ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen / installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen e.d.

1.60 Parkeerbalans     

met een parkeerbalans wordt de (on)balans berekend tussen parkeervraag en parkeeraanbod binnen een bepaald gebied. Vaak valt de parkeervraag van functies niet samen in de tijd. Gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen is dan mogelijk (dubbelgebruik).

1.61 Peil     

0.30 m' boven de kruin van de weg.

1.62 PR (plaatsgebonden risico)     

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken.

1.63 Productiegebonden detailhandel     

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of hersteld, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.64 Rijstrook     

gemarkeerd gedeelte van de rijweg dat voldoende plaats biedt aan een enkele rij motorvoertuigen op meer dan twee wielen met uitzondering van in- en uitvoegstroken, voorsorteerstroken en fietspaden.

1.65 Risicovolle inrichting     

  1. inrichtingen zoals genoemd in artikel 2 van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) respectievelijk artikel 1b van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  2. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I van de regeling provinciale risicokaart of onder het Registratiebesluit Externe Veiligheid;
  3. inrichtingen met toxische gassen;
  4. inrichtingen waar een brandbaar tot vloeistof verdicht gas met een inhoud van meer dan 1m3 wordt gebezigd of opgeslagen.

1.66 Seksinrichting     

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.67 Uitbouw     

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.68 Verdieping     

de bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondbouwlaag gelegen is/zijn.

1.69 Verkoopvloeroppervlakte     

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

1.70 Voorgevel     

de naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.71 Voorgevelrooilijn     

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.72 Voorkeursgrenswaarde     

de toelaatbare waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.73 Water     

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

1.74 Waterhuishoudkundige voorzieningen     

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.).

1.75 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van dit bestemmingsplan.

1.76 Woning     

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren. Een woonwagen wordt niet tot een woning gerekend.

1.77 Woongebouw     

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Bebouwingspercentage     

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

2.2 De dakhelling:     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 De goothoogte van een bouwwerk:     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 De inhoud van een bouwwerk:     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 De bouwhoogte van een bouwwerk:     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 De oppervlakte van een bouwwerk:     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 Ondergeschikte bouwdelen     

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, ventilatiekanalen, schoorstenen, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens en/of bouwhoogte niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Bedrijf     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bedrijf´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (Bijlage 1) en behorende tot de categorieën 1 of 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' tevens bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten met de SBI-code en categorie zoals opgenomen in de onderstaande tabel:

Adres (locatie) SBI-code Categorie
Olympialaan 16a 2562/3311 3.2
Van Kanstraat 3 en 3a 41, 42, 43 3.1
Van Kanstraat 11 466 3.1

  1. productiegebonden detailhandel deel uitmakend van bedrijven vermeld onder a of b, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;
  2. zelfstandig kantoor, uitsluitend voor zover bestaand;
  3. wonen en/of een bedrijfswoning, uitsluitend voor zover bestaand;

met de daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  5. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak` worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte bedraagt 10 meter;
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b geldt als maximum bouwhoogte de bouwhoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m), respectievelijk de maximum goot- en bouwhoogte zoals aangeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  4. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen.

3.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub b geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak, bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen;
  5. voor de voorgevel van de woning mag een aanbouw worden gerealiseerd tot een maximum diepte van 1,5 m en een maximum goothoogte van 3,5 meter, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert;
  6. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met e, gelden die maten als maximum.

3.2.3 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 meter.

3.3 Specifieke gebruiksregels     

3.3.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.1 wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor woonruimte;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel anders dan vermeld in lid 3.1 sub c;
  3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  4. het gebruik van gronden conform het Luchthavenbesluit Eindhoven voor vishouderijen met extramurale bassins of voor extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties, met dien verstande dat het gebruik wel is toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf.

3.4 Afwijken van de gebruiksregels     

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 sub a, en tevens bedrijven toestaan die niet voorkomen in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten' in Bijlage 1 bij deze regels of bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie toestaan, mits:

  1. het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan, en;
  2. het niet betreft geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen of zelfstandige kantoorvestigingen.

Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Bedrijf - Nutsvoorziening´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. nutsvoorzieningen;
  2. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  1. ontsluitingswegen;
  2. terreinen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is 5 meter.

4.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag de maximum bouwhoogte niet meer bedragen dan 5 meter.

Artikel 5 Detailhandel     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel;

met daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. groenvoorzieningen;
  4. parkeervoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak` worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' ;
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen.

5.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

Artikel 6 Gemengd     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel, met dien verstande dat:
    1. detailhandel uitsluitend is toegestaan op de begane grond tenzij in de bestaande situatie al detailhandel op de verdieping aanwezig is;
    2. een supermarkt is toegestaan met een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 800 m2;
  2. dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling met dien verstande dat een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling uitsluitend is toegestaan op de begane grond tenzij in de bestaande situatie al een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling op de verdieping aanwezig is;
  3. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat maatschappelijke voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan op de begane grond tenzij in de bestaande situatie al maatschappelijke voorzieningen op de verdieping aanwezig zijn;
  4. kantoor voor zover bestaand;
  5. horecabedrijven ten dienste van c.q. ter ondersteuning van de detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en kantoren zoals genoemd in de "Lijst van horeca-activiteiten" (Bijlage 3) en behorende tot de categorieën 1a of 1b, met dien verstande dat:
    1. in afwijking hiervan ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' zelfstandige horeca is toegestaan in categorie 1 en 2;
    2. horeca uitsluitend is toegestaan op de begane grond tenzij in de bestaande situatie al horeca op de verdieping aanwezig is;
  6. wonen op de verdieping, uitsluitend voor zover bestaand en al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;

met daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

met dien verstande dat:

  1. een woning niet mag worden gewijzigd in twee of meerdere woningen;
  2. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  3. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak ' worden gebouwd;
  2. de maximum bouw- en goothoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduidingen 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de daar aangegeven bouwhoogte als maximum geldt;
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de goot- en bouwhoogte van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meer bedragen dan bestaand;
  4. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage'.

6.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij wonen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub b geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak, bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen;
  5. voor de voorgevel van de woning mag een aanbouw worden gerealiseerd tot een maximum diepte van 1,5 m en een maximum goothoogte van 3,5 meter, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert;
  6. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met e, gelden die maten als maximum.

6.2.3 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m².

6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

6.3 Specifieke gebruiksregels     

6.3.1 Gebruik     

Niet geluidgevoelige functies mogen uitsluitend worden gewijzigd in geluidgevoelige functies passend binnen artikel 6.1, indien:

  1. de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden, of;
  2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend.

6.3.2 Aan-huis-verbonden-beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

Het gebruik van een gedeelte van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m² en/of voor een aan-huis-verbonden-beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m² met een maximum van 75 m², is toegestaan mits:

  1. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden-beroep gezamenlijk niet meer dan 75 m² bedraagt;
  2. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  3. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigd en/of bewerkte producten;
  4. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  5. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  6. de bedrijfsactiviteiten zijn genoemd in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' in Bijlage 2 bij deze regels en behoren tot de categorie 1;
  7. het dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instellingen betreffen die niet vallen onder de sub f genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub f.

6.3.3 Strijdig gebruik     

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

6.4 Afwijken van de gebruiksregels     

6.4.1 Afwijken voor de categorie horeca activiteiten     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1, sub b en tevens horecabedrijven toestaan die niet worden vermeld onder categorie 1a en/of 1b respectievelijk ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot maximaal categorie 2' vermeld onder categorie 1 en/of 2 in de "Lijst van horeca-activiteiten" (Bijlage 3) en/of worden vermeld in een hogere categorie doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de horecabedrijven die zijn genoemd onder die categorie van voornoemde "Lijst van horeca-activiteiten".

6.4.2 Afwijken voor een supermarkt     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het in lid 6.1 bepaalde ten einde een supermarkt met een oppervlakte van meer dan 800 m2 verkoopvloeroppervlakte toe te staan, onder de volgende voorwaarden:

  1. een supermarkt moet passen binnen het geldende gemeentelijke detaihandelsbeleid;
  2. er dient sprake te zijn van een goede verkeersontsluiting;
  3. Artikel 21 Overige regels ten aanzien van de parkeereisen is overeenkomstig van toepassing;
  4. uit akoestisch onderzoek moet blijken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende (geluidgevoelige) functies;
  5. indien nodig dienen op het terrein en in/aan het gebouw maatregelen te worden getroffen om eventuele overlast zo veel mogelijk te voorkomen.

6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

6.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

6.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 6.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.
6.5.3 Toelaatbaarheid     

De genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht.

Artikel 7 Groen     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Groen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplanting;
  3. paden;
  4. speelvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1': wegen, verhardingen en parkeervoorzieningen op maaiveld voor maatschappelijke voorzieningen en een congrescentrum;

met daarbij behorende:

  1. verhardingen;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. kunstobjecten;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximum bouwhoogte van 4 meter.

7.3 Specifieke gebruiksregels     

7.3.1 Strijdig gebruik     

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden conform het Luchthavenbesluit Eindhoven als oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, met dien verstande dat het gebruik wel is toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf.

Artikel 8 Horeca     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Horeca´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. horecabedrijven genoemd in de `Lijst van horeca-activiteiten´ (Bijlage 3) behorende tot categorie 1a en 1b, met dien verstande dat horeca uitsluitend op de begane grond is toegestaan tenzij in de bestaande situatie al horeca op de verdieping aanwezig is;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' horecabedrijven behorend tot de categorie 2 zoals genoemd in de 'Lijst van horeca-activiteiten' (Bijlage 3), met dien verstande dat horeca uitsluitend op de begane grond is toegestaan tenzij in de bestaande situatie al horeca op de verdieping aanwezig is;
  3. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep,

met daarbij behorende:

  1. erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

met dien verstande dat:

  1. een woning niet mag worden gewijzigd in twee of meerdere woningen;
  2. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  3. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouw- en goothoogte bedraagt de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduidingen 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de daar aangegeven hoogte als maximum bouwhoogte geldt;
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de goot- en bouwhoogte van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meer bedragen dan bestaand;
  4. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen.

8.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woningen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal drie meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub b geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,5 meter bedragen met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de bouwhoogte maximaal 4,5 m bedragen;
  5. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a t/m d, gelden die maten als maxima.

8.2.3 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

a. de maximum bouwhoogte is 3 m;

b. de maximum oppervlakte is 15 m2.

8.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

8.3 Specifieke gebruiksregels     

8.3.1 Gebruik     
  1. Niet geluidgevoelige functies mogen uitsluitend worden gewijzigd in geluidgevoelige functies passend binnen artikel 8.1, indien:
    1. de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden, of;
    2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend.

8.3.2 Aan-huis-verbonden-beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

Het gebruik van een gedeelte van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m² en/of voor een aan-huis-verbonden-beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m² met een maximum van 75 m², is toegestaan mits:

  1. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden-beroep gezamenlijk niet meer dan 75 m² bedraagt;
  2. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  3. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigd en/of bewerkte producten;
  4. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  5. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  6. de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in Bijlage 2 opgenomen 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' behorende tot de categorie 1, alsmede voor zover het bedrijfsactiviteiten betreft die niet in deze lijst zijn opgenomen maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als genoemd in deze lijst;
  7. dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instellingen betreffen die niet vallen onder de sub f genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub f.

8.3.3 Strijdig gebruik     

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige woonruimte;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

8.4 Afwijken van de gebruiksregels     

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in:

  1. lid 8.1 en tevens horecabedrijven toestaan die niet worden vermeld onder categorie 1a en/of 1b in de in Bijlage 3 opgenomen `Lijst van horeca-activiteiten´ en/of worden vermeld in een hogere categorie maar die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de horecabedrijven die zijn genoemd onder die categorie van de `Lijst van horeca-activiteiten´.

8.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

8.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

8.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.
8.5.3 Toelaatbaarheid     

De genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht.

Artikel 9 Kantoor     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Kantoor´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kantoren;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1' tevens maatschappelijke voorzieningen in de vorm van educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele of levensbeschouwelijke voorzieningen;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 2' tevens een gezondheidscentrum;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2' tevens bedrijven genoemd in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (Bijlage 1) met SBI-code 52109;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs' zijn tevens educatieve voorzieningen toegestaan;

met daarbij behorende:

  1. erven, tuinen en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte van een gebouw is als bestaand dan wel de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangeduid ter plaatse van de aanduiding maximum bebouwingspercentage.

9.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van een reclamezuil ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor' is 30 meter;
  4. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter.

Artikel 10 Maatschappelijk     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum' tevens een congrescentrum is toegestaan;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' uitsluitend een begraafplaats;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 3' uitsluitend wooneenheden voor beschermd / verzorgd wonen met daarbij behorende voorzieningen, en/of sociaal- medische en/of medische voorzieningen zijn toegestaan.
  2. wonen op de verdieping, uitsluitend voor zover bestaand en al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep.

met daarbij behorende:

  1. horecavoorzieningen, detailhandelsvoorzieningen en/of dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling, uitsluitend voor zover ondergeschikt en ten dienste van de maatschappelijke voorzieningen;
  2. tuinen, erven en terreinen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. speelvoorzieningen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  8. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

met dien verstande dat:

  1. een woning niet mag worden gesplitst in twee of meerdere woningen;
  2. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  3. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte van een gebouw is als bestaand, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' respectievelijk de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m) de hoogten zoals aangegeven als maximum gelden;
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de goot- en bouwhoogte van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meer bedragen dan bestaand;
  4. in afwijking van het bepaalde in sub b geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' een bouwhoogte van maximaal 65 meter;
  5. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen, tenzij anders is aangeduid;
  6. in afwijking van het bepaalde in sub a tot en met d is ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan met een maximum oppervlak van 50 m2.

10.2.2 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. in afwijking van het bepaalde onder sub a is ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' zijn verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten toegestaan met een maximum bouwhoogte van 9 m;
  5. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' de maximale bouwhoogte 5 meter is.

10.3 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2.1, sub b, en

  1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' een hogere bouwhoogte van gebouwen toestaan tot een maximum van 15 meter;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' een hogere bouwhoogte van gebouwen toestaan tot een maximum van 30 meter;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' een hogere bouwhoogte van gebouwen toestaan tot een maximum van 10 meter;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5' een hogere bouwhoogte van gebouwen toestaan tot een maximum van 25 meter;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 6' een hogere bouwhoogte van gebouwen toestaan tot een maximum van 15 meter.

10.4 Specifieke gebruiksregels     

10.4.1 Gebruik     
  1. Niet geluidgevoelige functies mogen uitsluitend worden gewijzigd in geluidgevoelige functies passend binnen artikel 10.1, indien:
    1. de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden, of;
    2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend.

 

10.4.2 Aan-huis-verbonden beroepen kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

Het gebruik van een gedeelte van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m² en/of voor een aan-huis-verbonden-beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m² met een maximum van 75 m², is toegestaan mits:

  1. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden-beroep gezamenlijk niet meer dan 75 m² bedraagt;
  2. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  3. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigd en/of bewerkte producten;
  4. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  5. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  6. de bedrijfsactiviteiten zijn genoemd in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' in Bijlage 2 bij deze regels en behoren tot de categorie 1;
  7. het dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instellingen betreffen die niet vallen onder de sub f genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub f.

10.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

10.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

10.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 10.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.
10.5.3 Toelaatbaarheid     

De genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht.

Artikel 11 Sport     

11.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Sport´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. sportterreinen;
  2. sportvoorzieningen;
  3. een buitenschoolse opvang (BSO) tot maximaal 150 m² bvo, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'naschoolse opvang';

met de daarbij behorende:

  1. horecavoorzieningen uitsluitend voor zover ter ondersteuning en ten dienste van de aanwezige sportvoorzieningen;
  2. infrastructurele voorzieningen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. nutsvoorzieningen;
  7. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  8. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.2 Bouwregels     

11.2.1 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximum bouwhoogte is de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  3. het bebouwingspercentage mag 100 bedragen.

11.2.2 Nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2;
  3. in afwijking van het bepaalde onder sub a is de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  4. in afwijking van het bepaalde onder sub b geldt ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' dat het bouwvlak voor maximaal 100% mag worden bebouwd.

11.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is 2 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van lichtmasten is 25 meter;
  3. de maximum bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde is 6 meter.

Artikel 12 Verkeer     

12.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Verkeer´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen en straten;
  2. busstroken en busbanen (HOV-baan) ter plaatse van de aanduiding 'openbaar vervoer', bestaande uit maximaal 6 rijstroken, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1' maximaal 4 rijstroken zijn toegestaan;
  3. voet- en fietspaden;
  4. groenvoorzieningen;
  5. kunstwerken;
  6. parkeervoorzieningen;

met daarbij behorende:

  1. geluidwerende voorzieningen;
  2. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

12.2 Bouwregels     

12.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd voor voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Daarbij gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte voor lichtmasten is 10 meter;
  2. de maximum bouwhoogte voor geluidsschermen is 2,5 meter;
  3. de maximum bouwhoogte van kunstwerken is 8 meter;
  4. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 meter;

 

Artikel 13 Verkeer - Verblijfsgebied     

13.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor `Verkeer - Verblijfsgebied´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woonstraten;
  2. pleinen;
  3. voet- en fietspaden;
  4. parkeervoorzieningen;
  5. groenvoorzieningen;
  6. speelvoorzieningen;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. nutsvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  1. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  2. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

13.2 Bouwregels     

13.2.1 Gebouwen     

Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de onder 13.1 bedoelde bestemming, voor onder andere nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Daarbij gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 meter;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van lichtmasten is 10 meter;
  2. de maximum bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 4 meter.

 

Artikel 14 Wonen     

14.1 Bestemmingsomschrijving     

14.1.1 Bestemming     

De voor `Wonen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woongebouwen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' maximaal het daar aangegeven aantal wooneenheden mag worden gerealiseerd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' tevens een kantoor op de begane grond;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' zijn uitsluitend garageboxen toegestaan;



met de daarbij behorende:

  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. speelvoorzieningen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
  8. gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat:

  1. een woning en/of kamersgewijs verhuurde woning niet mag worden gewijzigd in twee of meerdere woningen;
  2. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
  3. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

14.2 Bouwregels     

14.2.1 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. een hoofdgebouw mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk bouwhoogte bedraagt de bestaande goot- en bouwhoogte dan wel de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' respectievelijk 'maximum bouwhoogte (m)';
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de goot- en bouwhoogte van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meer bedragen dan bestaand;

14.2.2 Dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding hoofdgebouw     
  1. In afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1 onder b mag een dakopbouw of een gelijksoortige uitbreiding van een woning op een hellend dakvlak worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:
    1. aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
    2. de hoogte van de dakopbouw verticaal gemeten minstens 1 meter onder de nok van de hoofdmassa blijft;
    3. de hellingshoek van een eventuele kap gelijk is aan de hellingshoek van het bestaande dakvlak en;
    4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 1 meter is.
  2. Het bepaalde onder sub a geldt niet voor een bungalow en/of patiowoning.

14.2.3 Opbouw bungalow/patiowoning     

In afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1 onder b mag een opbouw op een bungalow of een patiowoning worden gerealiseerd, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

  1. de opbouw wordt geplaatst op het hoofdgebouw;
  2. de oppervlakte van de opbouw bedraagt maximaal 25% van het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw, en;
  3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 7 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte bij een reeds bestaande tweede bouwlaag op een bungalow / patiowoning niet hoger mag zijn dan de bestaande bouwhoogte van de tweede bouwlaag.

14.2.4 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen     

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd wanneer de zijzijde aan openbaar toegankelijk gebied grenst; in andere gevallen geldt een afstand van minimaal 1 meter;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing (inclusief hoofdgebouw) niet meer bedraagt dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel; voor patiowoningen geldt in deze een percentage van 80%;
  3. in afwijking van het gestelde onder sub b geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak, bij een bouwperceel groter dan 750 m² maximaal 10% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  4. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het bijbehorende hoofdgebouw; indien het dak is/wordt uitgevoerd in de vorm van een kap mag de maximum bouwhoogte 4,5 m bedragen;
  5. voor de voorgevel van de woning mag een aanbouw worden gerealiseerd tot een maximum diepte van 1,5 m en een maximum goothoogte van 3,5 meter, mits tenminste 1 m tuindiepte resteert;
  6. voor zover de bestaande situatie groter/hoger is dan het bepaalde onder a tot en met e, gelden die maten als maximum.

14.2.5 Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie     

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte is 3 m;
  2. de maximum oppervlakte is 15 m2.

14.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn 1 m;
  2. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn 2 m;
  3. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m;
  4. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 m, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' 2 m bedraagt.

14.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken wat betreft:

  1. de maximum goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien dat wenselijk is uit een oogpunt van een goede constructieve en/of bouwkundige aansluiting van het bijbehorende bouwwerk bij de hoogte van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw.

14.4 Specifieke gebruiksregels     

14.4.1 Aan-huis-verbonden-beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten     

Het gebruik van een gedeelte van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 30 m2 en/of voor een aan-huis-verbonden-beroep met een vloeroppervlakte van meer dan 50 m2 met een maximum van 75 m2, is toegestaan mits:

  1. de totale oppervlakte voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en een aan-huis-verbonden beroep gezamenlijk niet meer dan 75 m2 bedraagt;
  2. de verkeersaantrekkende werking niet zodanig is, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen op de openbare weg, noodzakelijk worden;
  3. het niet betreft detailhandel met uitzondering van detailhandel in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten;
  4. het niet betreft vervaardiging van voedsel;
  5. deze activiteiten door ten hoogste twee personen worden uitgeoefend, waarvan minstens één persoon woonachtig is in het betreffende pand; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal één persoon, die tevens in het pand woonachtig is, mag worden uitgeoefend;
  6. de bedrijfsactiviteiten vallen onder de in Bijlage 2 opgenomen 'Lijst van bedrijfsactiviteiten bij wonen' behorende tot de categorie 1, alsmede bedrijfsactiviteiten die niet in deze lijst zijn opgenomen, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in categorie 1 van deze lijst;
  7. het een dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling betreft die niet valt onder de sub f genoemde lijst, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld onder sub f.

14.4.2 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 14.1.1 wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige woonruimte;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' het gebruik voor de uitoefening van enige tak van handel waaronder mede wordt verstaan een aan huis verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

14.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

14.5.1 Vergunningvereiste     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) bouwwerken die zijn voorzien van de bouwaanduiding 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen of te verwijderen.

14.5.2 Uitzonderingen     

Het in lid 14.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. welke onlosmakelijk voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;
  3. plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mits niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  5. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.
14.5.3 Toelaatbaarheid     

De genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke waarden en kenmerken van het bouwwerk tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is dient aanvrager van de benodigde omgevingsvergunning een door een ter zake deskundige opgesteld onderzoek te overleggen waarover door een ter zake deskundige gemeentelijke adviseur of -commissie een advies is uitgebracht.

14.6 Wijzigingsbevoegdheid     

14.6.1 Horeca     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de bestemming 'Wonen' ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone-wijzigingsgebied' te wijzigen naar een bestemming 'Horeca', met dien verstande dat na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 8 van overeenkomstige toepassing zijn.

14.6.2 Aanpassen bouwvlak     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de bestemming 'Wonen' te wijzigen ten behoeve van het aanpassen van de diepte van het bouwvlak, onder de volgende voorwaarden:

  1. de nieuwe diepte van het bouwvlak moet stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn;
  2. de nieuwe diepte van het bouwvlak mag geen onevenredige inbreuk maken op de privacy en bezonning van de omliggende gronden en bebouwing;
  3. er moet sprake blijven van een buitenruimte.

Artikel 15 Waarde - Cultuurhistorie - 1     

15.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het aangewezen gebied en de bebouwing daarin.

15.2 Bouwregels     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. de bestaande voorgevelrooilijnen mogen niet worden overschreden;
  2. de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet wordt overschreden;
  3. van de bestaande dakvorm, dakhelling en nokrichting van gebouwen mag niet wordt afgeweken.

15.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke opzet van het gebied en ter waarborging van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en ruimtelijke waarden, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede aan de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

15.4 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2, mits vooraf een advies van de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of commissie ruimtelijke kwaliteit is ingewonnen waaruit blijkt dat afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken. Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken kunnen worden behouden.

Artikel 16 Waarde - Cultuurhistorie - 2     

16.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en het bevorderen van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het aangewezen gebied en/of de aanwezige cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende (landschaps)elementen.

16.2 Bouwregels     

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. het bouwen van het bouwwerk is mogelijk krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat:
    1. advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of de commisie ruimtelijke kwaliteit waaruit blijkt dat geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden;
    2. als blijkt dat het bouwen van het bouwwerk leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waarden en kenmerken van het gebied en cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden.

16.3 Nadere eisen     

Het bevoegd gezag kan met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

16.4.1 Werk en werkzaamheden     

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden) op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 2 de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  2. het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;
  3. het diepwoelen of diepploegen;
  4. het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;
  5. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;
  6. het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;
  7. het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

16.4.2 Uitzonderingen     

Het verbod als bedoeld in lid 16.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. die het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en niet strijdig waren met het hieraan voorafgaande bestemmingsplan;
  3. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend.

16.4.3 Toelaatbaarheid     

De in lid 16.4.1genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden en kenmerken als bedoeld in lid 16.1 tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is:

  1. wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of de commissie ruimtelijke kwaliteit op basis waarvan kan worden vastgesteld dat met het bouwen van het bouwwerk geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden.
  2. als blijkt dat het bouwen van het bouwwerk leidt tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het gebied en cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende (landschaps)elementen kunnen worden behouden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 17 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 18 Algemene gebruiksregels     

18.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming     

Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig die bestemming.

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels     

19.1 Geluidzone - industrie     

Binnen de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie' zijn geen nieuwe geluidgevoelige functies toegestaan, tenzij wordt aangetoond de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden en als sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde daarvoor door het bevoegd gezag ontheffing is verleend.

19.2 Milieuzone - boringsvrije zone     

Binnen de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' zijn onverminderd het elders in dit bepaalde, de regels van de provinciale milieuverordening van toepassing.

19.3 Veiligheidszone - bevi     

19.3.1 Veiligheidszone - bevi     
  1. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' is geen nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, toegestaan. Daarnaast is wijziging van gebruik van beperkt kwetsbaar naar kwetsbaar niet toegestaan.
  2. Het bepaalde onder sub a is niet van toepassing op kwetsbare objecten die een functionele binding hebben met de risicobron zoals bedoeld in artikel 14 lid 4 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 27 mei 2004.
  3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om beperkt kwetsbare objecten binnen deze aanduiding toe te staan. Hierbij dient de nut en noodzaak te worden aangetoond en een advies te worden ingediend bij de Veiligheidsregio.
19.3.2 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in het geval dat de de PR 10-6/jaar contour zoals met "veiligheidszone - bevi":

  1. vervalt, indien uit nader onderzoek is gebleken dat de ter plaatse gelegen risicovolle inrichting buiten werking is gesteld of;
  2. wordt verkleind, indien uit nader onderzoek is gebleken dat de plaatsgebonden risicocontour van de PR10-6/jaar contour als gevolg van een wijziging in die risicovolle inrichting kleiner is geworden.

Alvorens toepassing te verlenen aan het bepaalde in lid 19.3.2 onder a of b winnen burgemeester en wethouders advies in bij de Veiligheidsregio.

19.4 Veiligheidszone - gasreduceerstation     

19.4.1 Veiligheidszone - gasreduceerstation     

Binnen de aanduiding 'veiligheidszone - gasreduceerstation' zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare en kwetsbaar objecten toegestaan.

19.4.2 Afwijken     

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.4.1, mits:

  1. het een beperkt kwetsbaar object betreft, en:
  2. deze niet ligt binnen de afstand genoemd in onderstaande tabel, in de kolom 'beperkt kwetsbare objecten'. Deze afstand wordt gemeten vanaf het gasdrukmeet- en regelstation, en:
  3. de belangen en de veiligheid van het gasdrukmeet- en regelstation niet worden geschaad, en;
  4. vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Categorie indeling Opstellingswijze Kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten
B Kast 4 meter 2 meter
B (semi-)ondergronds station 4 meter 2 meter
B Kaststation 6 meter 4 meter
B Open opstelling/ vrijstaand gebouw 10 meter 4 meter
C Alle stations t/m

40.000 m³ /uur
15 meter 4 meter
C Alle stations boven 40.000 m³ /uur 25 meter 4 meter

Artikel 20 Algemene afwijkingsregels     

20.1 Binnenplans afwijken     

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10 % van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie-1 geen gebruik kan worden gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid voor zover het betreft afwijking ten behoeve van het overschrijden van de voorgevelrooilijnen, de bestaande goot- en bouwhoogte of de bestaande dakhelling.Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding -1 mag uitsluitend worden afgeweken van de maximale bouwhoogte mits bij de beheerder van het ICHS, te weten het Ministerie van Defensie, Rijksvastgoedbedrijf, schriftelijk advies is ingewonnen waaruit kan worden opgemaakt dat de ICHS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed;
  2. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 meter, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen 2 meter is;
  3. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten 20 meter is;
  4. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de aanduiding 'bouwvlak' wordt overschreden met maximaal 40 cm ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen;
  5. de regels ten aanzien van de realisatie van gebouwen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie en toestaan dat de maximum oppervlakte wordt vergroot tot maximaal 100 m².

Artikel 21 Overige regels     

21.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren     

  1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, staat vast dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de beleidsregels actualisering nota parkeernormen 2019 wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
  2. Als de onder sub a bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

21.2 Afwijken van parkeereis     

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.1 indien:

  1. uit een parkeerbalans blijkt dat meer of minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn;
  2. het voldoen aan de in lid 21.1 genoemde parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien.

21.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 21.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 22 Overgangsrecht     

22.1 Overgangsrecht bouwwerken     

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan: aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

22.2 Afwijken     

het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 22.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 22.1 met maximaal 10%.

22.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken     

Lid 22.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

22.4 Overgangsrecht gebruik     

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

22.5 Strijdig gebruik     

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 22.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

22.6 Verboden gebruik     

Indien het gebruik, bedoeld in lid 22.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

22.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik     

Lid 22.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 23 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2019.

Bijlagen bij de regels     

Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten     

Lijst van bedrijfsactiviteiten bij de regels van het bestemmingsplan Strijp buiten de Ring 2019

SBI-

code
Nr Omschrijving Afstanden in meters Cate-gorie
geur

stof geluid gevaar

grootste

afstand
14 - VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT
141 Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer) 10 10 30 10 30 2
162902 Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken 10 10 30 0 30 2
58 - UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE

VAN OPGENOMEN MEDIA
581 Uitgeverijen (kantoren) 0 0 10 0 10 1
18129 Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen 10 0 30 0 30 2
1814 A Grafische afwerking 0 0 10 0 10 1
1814 B Binderijen 30 0 30 0 30 2
1813 Grafische reproductie en zetten 30 0 10 10 30 2
1814 Overige grafische aktiviteiten 30 0 30 10 30D 2
182 Reproductiebedrijven opgenomen media 0 0 10 0 10 1
2562, 3311 1 Overige metaalbewerkende industrie 10 30 100 30 100 D 3.2
26, 28, 33 - VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS
26, 28, 33 A Kantoormachines- en computerfabrieken 30 10 30 10 30 2
26, 32, 33 - VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN
26, 32, 33 A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. 30 0 30 0 30 2
31 - VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.
9524 2 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 0 10 10 0 10 1
321 Fabricage van munten, sieraden e.d. 30 10 10 10 30 2
322 Muziekinstrumentenfabrieken 30 10 30 10 30 2
32991 Sociale werkvoorziening 0 30 30 0 30 2
35 C0 Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:
35 C1 - < 10 MVA 0 0 30 C 10 30 2
35 D0 Gasdistributiebedrijven:
35 D3 - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinstallaties, cat. A 0 0 10 C 10 10 1
35 D4 - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C 0 0 30 C 10 30 2
35 E0 Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:
35 E2 - blokverwarming 10 0 30 C 10 30 2
41, 42, 43 - BOUWNIJVERHEID
41, 42, 43 3 - aannemersbedrijven met werkplaats:

b.o. < 1000 m2
0 10 30 10 30 2
45, 47 - HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTOR- FIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS
451, 452, 454 Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven 10 0 30 10 30 2
45204 B Autobeklederijen 0 0 10 10 10 1
45205 Autowasserijen 10 0 30 0 30 2
453 Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accesoires 0 0 30 10 30 2
473 0 Benzineservicestations:
473 3 - zonder LPG 30 0 30 10 30 2
46 - GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING
461 Handelsbemiddeling (kantoren) 0 0 10 0 10 1
4622 Groothandel in bloemen en planten 10 10 30 0 30 2
4634 Groothandel in dranken 0 0 30 0 30 2
4635 Groothandel in tabaksproducten 10 0 30 0 30 2
4636 Groothandel in suiker, chocolade en suikerwerk 10 10 30 0 30 2
4637 Groothandel in koffie, thee, cacao en specerijen 30 10 30 0 30 2
4638, 4639 Groothandel in overige voedings- en genotmiddelen 10 10 30 10 30 2
464, 46733 Groothandel in overige consumentenartikelen 10 10 30 10 30 2
46499 0 Groothandel in vuurwerk en munitie:
46499 1 - consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton 10 0 30 10 V 30 2
46499 5 - munitie 0 0 30 30 30 2
4673 0 Groothandel in hout en bouwmaterialen:
4673 2 - algemeen: b.o. <= 2.000 m2 0 10 30 10 30 2
46735 4 zand en grind:
46735 6 - algemeen: b.o. <= 200 m2 0 10 30 0 30 2
4674 0 Groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:
4674 2 - algemeen: b.o. < = 2.000 m2 0 0 30 0 30 2
46752 Groothandel in kunstmeststoffen 30 30 30 30 R 30 2
4676 Groothandel in overige intermediaire goederen 10 10 30 10 30 2
466 0 Groothandel in machines en apparaten:
466 2 - overige 0 10 50 0 50 3.1
466, 469 Overige groothandel (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.) 0 0 30 0 30 2
47 - DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN
47 A Detailhandel voor zover n.e.g. 0 0 10 0 10 1
471 Supermarkten, warenhuizen 0 0 10 10 10 1
4722, 4723 Detailhandel vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken 10 0 10 10 10 1
4724 Detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel 10 10 10 C 10 10 1
4773, 4774 Apotheken en drogisterijen 0 0 0 10 10 1
4752 Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten 0 0 30 10 30 2
4778 Detailhandel in vuurwerk tot 10 ton verpakt 0 0 10 10 V 10 1
952 Reparatie t.b.v. partuculieren (excl. auto's en motorfietsen) 0 0 10 10 10 1
55 - LOGIES, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING
5510 Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra 10 0 10 10 10 1
561 Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. 10 0 10 C 10 10 1
563 1 Café's, bars 0 0 10 C 10 10 1
563 2 Discotheken, muziekcafé's 0 0 30 C 10 30 D 2
5629 Kantines 10 0 10 C 10 10 D 1
562 Cateringbedrijven 10 0 30 C 10 30 2
49 - VERVOER OVER LAND
493 Taxibedrijven 0 0 30 C 0 30 2
495 Pomp- en compressorstations van pijpleidingen 0 0 30 C 10 30 D 2
50, 51 - VERVOER OVER WATER/DOOR DE LUCHT
50, 51 A Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren) 0 0 10 0 10 1
52242 0 Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart:
52109 B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) 0 0 30 C 10 30 2
5221 1 Autoparkeerterreinen, parkeergarages 10 0 30 C 0 30 2
5222 Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren) 0 0 10 0 10 1
791 Reisorganisaties 0 0 10 0 10 1
5229 Expediteurs, cargadoors (kantoren) 0 0 10 0 10 D 1
53 - POST EN TELECOMMUNICATIE
531, 532 Post- en koeriersdiensten 0 0 30 C 0 30 2
61 A Telecommunicatiebedrijven 0 0 10 C 0 10 1
61 B0 Zendinstallaties:
61 B2 - FM en TV 0 0 0 C 10 10 1
61 B3 - GSM en UMTS-steunzenders (indien bouwergunningplichtig) 0 0 0 C 10 10 1
64, 65, 66 - FINANCIELE INSTELLINGEN EN VERZEKERINGS-

WEZEN
64, 65, 66 A Banken, verzekeringsbedrijven, beurzen 0 0 10 C 0 10 1
41, 68 - VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED
41, 68 A Verhuur van en handel in onroerend goed 0 0 10 0 10 1
77 - VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN
7711 Personenautoverhuurbedrijven 10 0 30 10 30 2
772 Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. 10 10 30 10 30 D 2
62 - COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE
62 A Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. 0 0 10 0 10 1
58, 63 B Datacentra 0 0 30 C 0 30 2
72 - SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
721 Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk 30 10 30 30 R 30 2
722 Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek 0 0 10 0 10 1
63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 - OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING
63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 A Overige zakelijke dienstverlening, kantoren 0 0 10 0