direct naar inhoud van Regels
Plan: Windpark Nij Hiddum-Houw
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9921.PIP2017NHH-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het inpassingsplan Windpark Nij Hiddum-Houw met identificatienummer NL.IMRO.9921.PIP2017NHH-VA01 van Provinciale Staten van Fryslân;

1.2 inpassingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarisch medegebruik:

een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarische gebruik is toegestaan;

1.6 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde, dan wel de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde, in verband met de in dat gebied mogelijk voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

1.7 bestaand

aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het plan of toegestaan op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.8 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van vaststelling van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.9 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.10 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel als het een wijzigingsbevoegdheid betreft, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening;

1.12 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.13 bouw windturbine

de oprichting van de windturbine, exclusief de inrichting van de opstelplaats en bijbehorende tijdelijke aanlegvoorzieningen, waaronder bouw- en onderhoudswegen;

1.14 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.15 brongeluid van de windturbines

bronvermogen van de windturbine in dB LE den als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift Windturbines;

1.16 dB LE den

decibel Level Emission (geluidemissie) day evening night;

1.17 extensieve recreatie

die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur en landschapsbeleving;

1.18 FAMKE

Friese Archeologische Monumentenkaart Extra;

1.19 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.20 generatorvermogen

het maximale elektrische vermogen in megawatt dat de generator van een windturbine kan produceren;

1.21 gondel

de behuizing van de rotoras, generator of tandwielkast van een windturbine;

1.22 hoogspanningsleiding

een kabel/leiding met een spanningsniveau hoger dan 1.000 volt wisselspanning (effectief) of 1.500 volt gelijkspanning;

1.23 in gebruik nemen van een windturbine

het na realisatie in gebruik nemen van een windturbine, waaronder ook begrepen het proefdraaien van die windturbine;

1.24 inkoopstation

bouwwerk behorende bij een cluster of lijnopstelling van windturbines ten behoeve van het transport van energie van de interne parkbekabeling van het windpark naar het externe energienet;

1.25 kunstwerk

bouwwerk geen gebouw zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke;

1.26 maaiveld

de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het gebouw, bouwwerk of windturbine;

1.27 maatgevende gevels van woningen

de gevels van de woningen met de hoogste cumulatieve geluidbelasting veroorzaakt door de windturbines nieuwe windturbines van het windpark en van de bestaande windturbines zoals aangegeven op bijlage 3 bij deze regels;

1.28 nieuwe windturbine

een windturbine, niet zijnde een windturbine ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding – te saneren windturbines – 1 of ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding – te saneren windturbines – 2;

1.29 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes- of stations, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.30 opstelplaats

een verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine;

1.31 overdraaien

het bovenlangskomen van een rotorblad van een windturbine over onderliggende gronden tijdens het in gebruik zijn van een windturbine;

1.32 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
1.33 rotor

het samenstel van rotorbladen (wieken) en hub (neus) van een windturbine;

1.34 rotorblad

de wiek van een windturbine;

1.35 tijdelijke voorzieningen

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede werken (waaronder opslagplaatsen) gedurende een periode van maximaal 5 jaar;

1.36 tip van het rotorblad

het uiteinde van een rotorblad;

1.37 verlichtingsplan

het verlichtingsplan en de oplegnotitie die als bijlage 1 bij deze regels zijn gevoegd, waarbij de oplegnotitie prevaleert boven het verlichtingsplan;

1.38 verschijningsvorm

het uiterlijk van de windturbine zoals dat wordt bepaald door het samenstel van de vorm van de gondel en wieken, de ashoogte en de rotordiameter van een windturbine;

1.39 windmeetmast

bouwwerk c.q. installatie om windsnelheden op ashoogte van een windturbine te meten;

1.40 windturbine

een bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering, gondel en rotor, ten behoeve van de opwekking van elektrische energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding;

1.41 windpark

het geheel van nieuwe windturbines met alle daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen;

1.42 woning in de sfeer van het windpark

een woning bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is gelet op de zodanige technische, functionele en organisatorische samenhang tussen woning en windpark.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 ashoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan het hart van de hub (neus);

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 breedte, lengte en diepte van een gebouw

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren;

2.5 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.6 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.7 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.8 rotordiameter van een windturbine

de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven;

2.9 tiphoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de tip (uiteinde) van het bovenste verticaal staande rotorblad;

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - Windpark

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Windpark' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de opwekking van duurzame energie door middel van windturbines;
  • b. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met inachtneming van het bepaalde in 8.2;
  • c. inkoopstations, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.1;
  • d. tijdelijke voorzieningen ten behoeve van de aanleg van het windpark;
  • e. kabels en leidingen ten behoeve van het windpark;
  • f. kunstwerken, alsmede voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken;
  • g. wegen en paden, op- en afritten;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. met daaraan ondergeschikt:
    • 1. agrarisch medegebruik;
    • 2. extensieve recreatie;
    • 3. watergangen, waterpartijen, oevers en taluds;
    • 4. waterhuishouding;
    • 5. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende natuurwaarden.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Windpark

Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende bepalingen:

  • a. er is maximaal één windturbine per bestemmingsvlak toegestaan;
  • b. de minimale en maximale ashoogte van een windturbine bedragen respectievelijk 90 meter en 140 meter;
  • c. de minimale en maximale rotordiameter van een windturbine bedragen respectievelijk 110 meter en 136 meter;
  • d. de maximale tiphoogte van een windturbine bedraagt 188 meter.
3.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. behoudens het bepaalde in artikel 3.2.1, 8.2 en 10.1 zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • b. de maximale bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt 5 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van palen en masten bedraagt 6 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 meter.
3.3 Specifieke gebruiksregels
  • a. Een nieuwe windturbine mag slechts in gebruik worden genomen en gehouden, indien:
    • 1. het brongeluid van die windturbine maximaal 109,9 dB LE den bedraagt;
    • 2. die windturbine geen slagschaduw veroorzaakt op de gevels van woningen en recreatiewoningen, niet zijnde woningen in de sfeer van het windpark;
    • 3. er obstakelverlichting op die windturbine gerealiseerd is conform het verlichtingsplan, met dien verstande dat voor de windturbines zoals aangegeven op bijlage 2 van deze regels, bij een tiphoogte van minder dan 150 meter geen obstakelverlichting wordt toegepast;
    • 4. alle bestaande windturbines ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - te saneren windturbines 1' zijn verwijderd en verwijderd blijven;
    • 5. ter voorkoming van verstoring van de defensieradar voorafgaand aan de bouw van het windpark aangetoond is dat het windpark niet leidt tot onaanvaardbare hinder op de radarstations Leeuwarden en Wier. Hierover dient op basis van radarverstoringsonderzoek een positieve beoordeling te zijn afgegeven door het Ministerie van Defensie;
  • b. Het windpark mag slechts in gebruik blijven, indien:
    • 1. de draairichting van alle nieuwe windturbines gelijk is en blijft;
    • 2. de verschijningsvorm van alle nieuwe windturbines identiek is en blijft;
    • 3. de cumulatieve geluidbelasting veroorzaakt door de nieuwe windturbines van het windpark en door de bestaande windturbines zoals aangegeven op bijlage 3 van deze regels, op de maatgevende gevels van woningen, niet zijnde woningen in de sfeer van het windpark, ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight bedraagt;
    • 4. het totale generatorvermogen van alle nieuwe windturbines tezamen minimaal 37 megawatt en maximaal 45 megawatt bedraagt;
    • 5. binnen 18 maanden na de ingebruikname van de eerste nieuwe windturbine, alle bestaande windturbines ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – te saneren windturbines 2' buiten gebruik worden gesteld en gehouden;
    • 6. binnen 20 maanden na de ingebruikname van de eerste nieuwe windturbine, alle bestaande windturbines ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – te saneren windturbines 2' zijn verwijderd en verwijderd blijven.
3.4 Omgevingsvergunning voor afwijken

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.3 onder a onder 3 voor de realisatie van obstakelverlichting, al dan niet in combinatie met een detectiesysteem, met dien verstande dat de obstakelverlichting minder lichtuitstraling heeft dan obstakelverlichting die gerealiseerd wordt conform het verlichtingsplan.

Artikel 4 Leiding-Kabeltracé

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding-Kabeltracé' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een kabeltracé ten behoeve van het windpark, niet zijnde een hoogspanningsleiding.

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen geen gebouwen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming;
  • b. het bepaalde in sub a is niet van toepassing op gronden met de bestemming Bedrijf - Windpark als bedoeld in artikel 3.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Verbod

In het belang van het kabeltracé als bedoeld in artikel 4.1 is het, behoudens het bepaalde in artikel 4.3.2, verboden op en in de in artikel 4.1 bedoelde gronden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen of afgraven, dieper dan 60 cm onder peil;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen, dieper dan 60 cm onder peil;
  • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen, dieper dan 60 cm onder peil;
  • d. diepploegen, dieper dan 60 cm onder peil;
  • e. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies, dieper dan 60 cm onder peil;
  • f. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen, dieper dan 60 cm onder peil;
  • g. het indrijven van voorwerpen, dieper dan 60 cm onder peil;
  • h. het uitvoeren van grondbewerkingen, dieper dan 60 cm onder peil.
4.3.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in artikel 4.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning, of;
  • d. betrekking hebben op de realisatie van een windpark.
4.3.3 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van het kabeltracé als bedoeld in artikel 4.1; en
  • b. vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 1

5.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden en/of waterbodem met een hoge archeologische verwachtingswaarde, bestemd voor 'Waarde - Archeologie 1', zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van archeologische waarden.

5.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van hepalen en het slaan van damwanden) met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 40 cm beneden maaiveld, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  • b. Indien uit het in 5.2 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen (zoals een archeologisch vriendelijk heipalenplan), waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 5.2 onder b, wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.

  • c. Het bepaalde onder 5.2 onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 4. activiteiten en/of bouwwerken die aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 5. activiteiten en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 6. activiteiten en/of bouwwerken die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 40 cm, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde betreft;
  • b. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het permanent verlagen van het waterpeil;
  • f. het aanplanten en/of het rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 40 cm diepte en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 40 cm wordt geroerd;
  • g. het aanleggen en/of verbreden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden.
5.3.2 Voorwaarden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.3.3 Advies

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 5.3.2 onder c wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.

5.3.4 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het verbod als bedoeld in 5.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • e. op archeologisch onderzoek gericht zijn;
  • f. te maken hebben met de aanleg van systematische drainage, mits sleufloos uitgevoerd.
5.4 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde ('Waarde - Archeologie 1') te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde ('Waarde - Archeologie 1') toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2

6.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden en/of waterbodem met een archeologisch verwachtingsgebied, bestemd voor 'Waarde - Archeologie 2', zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van archeologische waarden.

6.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper dan 40 cm, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  • b. Indien uit het in 6.2 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 6.2 onder b, wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.
  • d. In principe moeten alle activiteiten in de waterbodem worden gemeld bij het bevoegd gezag, ongeacht het al dan niet overschrijden van de vrijstellingsgrens van 500 m2. Dit om te toetsen of er sprake is van wrakken en/of andere bekende (punt)locaties met archeologische waarde. Hiermee wordt omgegaan zoals beschreven in sub c
  • e. Het bepaalde onder 6.2 onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met uitzondering van nieuwe kelders;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleinder dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 4. activiteiten en/of bouwwerken aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 5. activiteiten en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 6. activiteiten en/of bouwwerken die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Omgevingsvergunningplicht
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper gaan dan 40 cm, in afwijking hiervan geldt voor waterbodem een vrijstellingsgrens tot 500 m2 en geen vrijstellingsdiepte, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
    • 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde betreft ;
    • 2. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 3. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
    • 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage (met uitzondering van drainage van agrarische percelen) en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 5. het permanent verlagen van het waterpeil;
    • 6. het aanplanten en/of het rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 40 cm diepte en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 40 cm wordt geroerd;
    • 7. het aanleggen en/of verbreden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden.

In principe moeten alle activiteiten in de waterbodem worden gemeld bij het bevoegd gezag, ongeacht het al dan niet overschrijden van de vrijstellingsgrens van 500 m2. Dit om te toetsen of er sprake is van wrakken en/of andere bekende (punt)locaties met archeologische waarde. Hiermee wordt omgegaan zoals beschreven in 6.3.2 .

6.3.2 Voorwaarden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door de gemeentelijk archeoloog.
6.3.3 Advies

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 6.3.2 onder c wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.

6.3.4 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het verbod als bedoeld in 6.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • e. op archeologisch onderzoek gericht zijn;
  • f. te maken hebben met de aanleg van systematische drainage, mits sleufloos uitgevoerd.
6.4 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde ('Waarde - Archeologie 2') te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde ('Waarde - Archeologie 2') toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels

8.1 Veiligheidszone - windturbine

Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - windturbine' is tevens het overdraaien van de windturbine toegestaan.

8.2 Overige zone - parkinfrastructuur

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - parkinfrastructuur' zijn opstelplaatsen toegestaan, met dien verstande dat:

  • 1. maximaal 1 opstelplaats met een maximale oppervlakte van 1.000 m² per windturbine is toegestaan;
  • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 ten behoeve van de bouwwerkzaamheden voor maximaal 3 jaar, gerekend vanaf start bouw van de betreffende turbine, een maximale oppervlakte van 2.000 m2 per opstelplaats is toegestaan;
  • 3. alsmede waterberging, kabels en leidingen, bouw- en onderhoudswegen en tijdelijke voorzieningen ten behoeve van de aanleg van het windpark zijn toegestaan.

Ter plaatse is geen opslag en zijn geen gebouwen toegestaan, uitgezonderd gebouwen in de vorm van inkoopstations, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.1.

8.3 Overige zone - weg

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - weg' is een bouw- en onderhoudsweg toegestaan met een maximale breedte van 5 meter, uitgezonderd ter hoogte van kruisingen met andere wegen waar dit maximum niet geldt. Tevens zijn ter plaatse waterberging en kabels en leidingen toegestaan, alsmede fiets- en wandelpaden ter hoogte van kruisingen met bestaande fiets- en wandelpaden.

8.4 Overige zone - windmeetmast

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - windmeetmast' is maximaal één windmeetmast toegestaan ten behoeve van het windpark, met dien verstande dat:

  • 1. de maximale bouwhoogte 140 meter bedraagt;
  • 2. de windmeetmast is toegestaan gedurende een periode van maximaal 3 jaar;
  • 3. indien de windmeetmast uitgevoerd wordt met tuidraden dienen deze tuidraden ten behoeve van de zichtbaarheid voor vogels voorzien te zijn van markeringen, alvorens de windmeetmast in gebruik genomen en gehouden wordt.
8.5 Overige zone - woning in de sfeer van het windpark

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - woning in de sfeer van het windpark' wordt de woning tevens aangemerkt als een woning in de sfeer van het windpark.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

Bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 8.2 sub 2, met dien verstande dat:

  • a. de aldaar genoemde termijn van 3 jaar met maximaal 1 jaar verlengd mag worden indien bouwwerkzaamheden vertraging oplopen;
  • b. de aldaar bedoelde tijdelijke opstelplaats opnieuw aangelegd mag worden en maximaal gedurende 0,5 jaar in stand mag worden gehouden in geval van calamiteiten tijdens de exploitatiefase.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Bouwregels inkoopstations

Voor inkoopstations gelden de volgende bepalingen:

  • a. binnen het gehele plangebied zijn maximaal 3 inkoopstations toegestaan;
  • b. de maximale hoogte bedraagt 3,5 meter;
  • c. de maximale oppervlakte per inkoopstation bedraagt 50 m².

Artikel 11 Overige regels

11.1 Prioriteit van dubbelbestemmingen in dit plan
  • a. Waar een enkelbestemming uit dit plan samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming;
  • b. Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden:
    • 1. in de eerste plaats de regels van de bestemmingen “Waarde – Archeologie 1” en “Waarde – Archeologie 2”;
    • 2. in de tweede plaats de regels van de bestemming “Leiding-Kabeltracé”.
11.2 Verhouding met bestemmingsplannen
  • a. Voor zover de enkelbestemming Bedrijf - Windpark, als bedoeld in artikel 3 van dit plan samenvalt met de enkel- en/of dubbelbestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen , komen de enkel- en/of dubbelbestemmingen uit die bestemmingsplannen te vervallen;
  • b. voor zover de dubbelbestemmingen Leiding-Kabeltracé, Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2, als bedoeld in artikelen 4 t/m 6 van dit plan, alsmede de aanduidingen Veiligheidszone - windturbine, Overige zone - parkinfrastructuur, Overige zone - weg, Overige zone - windmeetmast en Overige zone - woning in de sfeer van het windpark als bedoeld in artikel 8 alsmede de aanduiding specifieke bouwaanduiding - te saneren windturbine 1 en specifieke bouwaanduiding- te saneren windturbine 2 in artikel 3.3 samenvallen met de bestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen , prevaleert de dubbelbestemming respectievelijk aanduiding als bedoeld in dit plan;
  • c. voor zover dit inpassingsplan de bestemmingsplannen en beheersverordeningen niet wijzigt, blijven de enkel- en dubbelbestemmingen en aanduidingen en de regels uit genoemde bestemmingsplannen onverkort van toepassing.
11.3 Bevoegdheid gemeenten

Een gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen onmiddellijk na vaststelling van dit inpassingsplan, indien daarbij wordt voorzien in de bestemmingen en aanduidingen en bijbehorende planregels zoals neergelegd in dit inpassingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Windpark Nij Hiddum-Houw.