| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Oostvoorne Tankstation Brielseweg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1992.Brielseweg115-0020 |
De gemeente Voorne aan Zee heeft met de eigenaar van het tankstation aan de Brielseweg 115 in Oostvoorne afspraken gemaakt over de uitbreiding van het tankstation met een snellaadstation. Naar verwachting zullen er circa 20 oplaadpunten worden gerealiseerd. De toevoeging van een snellaadstation, eventueel gecombineerd met een wacht- en koffieruimte, sluit goed aan bij de bestaande functie van het tankstation.
Om de ontwikkeling uitbreiding met snellaadstation planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een wijziging via een TAM-omgevingsplan doorgevoerd. De locatie bevind zich op grond van het bestemmingsplan Dorpsgebied Oostvoorne, dat sinds 1 januari 2024 onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Voorne aan Zee.
Het tankstation waarop de uitbreiding betrekking heeft, is gelegen aan de Brielseweg 115 te Oostvoorne, binnen de gemeente Voorne aan Zee. De uitbreiding is voorzien aan de noordzijde van het bestaande tankstation en beslaat een oppervlakte van circa 1.630 m². Dit bestaat in de huidige situatie uit grasland.
Het tankstation is ontsloten via de Brielseweg (Max 50 km/uur), en ligt daarnaast direct langs de provinciale weg N218 (maximaal 80 km/uur).
Ten westen van het perceel van het tankstation, waarop de uitbreiding wordt gerealiseerd, bevindt zich een kleine begroeide verhoging met daarachter een watergang. Aan de overzijde van deze watergang begint, op een afstand van circa 35 meter van het perceel van het tankstation, de bebouwde kom van Oostvoorne. De meest nabijgelegen woning betreft een vrijstaand woonhuis, waarna de aaneengesloten woonbebouwing van de wijk begint.
Ten zuidwesten van het tankstation, aan de overzijde van de Brielseweg, bevindt zich een klein bebost perceel, gevolgd door een bedrijventerrein.
De begrenzing van de planlocatie is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1: Ligging planlocatie in de omgeving
De gemeente heeft ervoor gekozen de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken door het omgevingsplan te wijzigen met een TAM-omgevingsplan. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Indien het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk op 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag de procedure ook na 1 januari 2026 worden afgerond met gebruikmaking van TAM-IMRO. Op termijn dient het vastgestelde TAM-omgevingsplan alsnog te worden geconverteerd naar een STOP/TPOD-omgevingsplan, conform de landelijke overgangsafspraken. Het wijzigingsbesluit bevat een motivering waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en aan de van toepassing zijnde instructieregels.
Na deze inleiding van de motivering, is de motivering voor het overige als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe vooroverleg, participatie en overleg met ketenpartners hebben plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het project getoetst aan relevant beleidskader en instructieregels. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De planlocatie omvat op dit moment een grasveld, dit ligt ten noorden van het bestaande tankstation (figuur 2.1). Het bestaande tankstation beschikt over in totaal negen brandstofpompen. Daarnaast is op het terrein een verkooppunt aanwezig in de vorm van een winkelfunctie, waar onder meer verse broodjes, koffie en overige gemaksproducten worden aangeboden.
Op het perceel bevindt zich een wasstraat (carwash). Tevens zijn er op het terrein twee elektrische laadpalen geplaatst, met een gezamenlijke capaciteit om gelijktijdig vier voertuigen op te laden. Het tankstation biedt motorbrandstoffen en LPG (Liquefied Petroleum Gas) aan.
Figuur 2.1 foto's planlocatie (bron: Toetsing in het kader van de natuurwetgeving)
Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee
Op dit moment staan de regels van het omgevingsplan Voorne aan Zee nog op verschillende plaatsen, te weten in:
Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende initiatief. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de locatie in strijd is.
Ad a1. Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan
Dorpsgebied Oostvoorne
Het bestemmingsplan Dorpsgebied Oostvoorne' is op 25 juli 2013 vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Westvoorne en is geheel onherroepelijk in werking.
Planlocatie
In figuur 2.2 is de planlocatie aangegeven. Deze grond is bestemd als Groen bestemming. Op de planlocatie ligt ook een dubbelbestemming met archeologische waarde. Er is een functieaanduiding: 'specifieke vorm van waarde – 2' opgenomen, ter plaatse van de aanduiding is een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m² en/of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen: heien en het slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan 0,4 m beneden het maaiveld toegestaan zonder onderzoeksverplichting.
Alsmede bevind zich op de projectlocatie een gebiedsaanduiding voor de geluidzone van industrie, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder.
Figuur 2.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'
Bestaande tankstation
In figuur 2.3 is het terrein van het bestaande tankstation aangegeven. Deze grond is bestemd als Bedrijf bestemming. Op de projectlocatie ligt tevens een bestemmingsvlak met archeologische waarde. Er bevinden zich 3 functieaanduidingen: 'specifieke vorm van waarde – 2', 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' en 'Specifieke vorm van bedrijf – bevi'. Alsmede bevind zich op de projectlocatie een gebiedsaanduiding voor de geluidzone van industrie, zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. Tot slot bevinden op de projectlocatie 2 maatvoeringen: Maximum bouwhoogte van 8 meter en maximum goothoogte van 4 meter.
Figuur 2.4 Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'
In de toekomstige situatie wordt op de planlocatie een snellaadstation gerealiseerd, mogelijk in combinatie met een wacht- en koffieruimte voor bezoekers. Het snellaadstation zal naar verwachting 20 laadpunten omvatten, geschikt voor het gelijktijdig opladen van meerdere elektrische voertuigen met hoge laadsnelheid. De toevoeging van een wacht-/koffieruimte biedt gebruikers van het snellaadstation de mogelijkheid om in een comfortabele omgeving te verblijven tijdens het opladen van hun voertuig. De inrichting van de planlocatie is nog niet definitief, op figuur 2.5 en bijlage 1 is een indicatieve invulling gegeven met 8 laadpalen waar per laadpaal 2 voertuigen gelijktijdig kunnen laden.
Figuur 2.5 Indicatieve inrichting (bron: Moerman2Fase2 (situatie met 16 laadplekken)
Met de ontwikkeling worden maximaal 20 laadplaatsen, een wacht/koffieruimte en overkapping(en) over de laadplaatsen mogelijk gemaakt. De koffie/wachtruimte heeft een maximale oppervlakte van 100 m² en kan binnen het gehele bouwvlak worden gebouwd, dit geldt eveneens voor de overkapping(en) deze hebben echter geen maximale oppervlakte. De hoogte van het gebouw en de overkapping(en) sluit aan bij het bestaande tankstation.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Met de ontwikkeling worden maximaal twintig laadplaatsen, een wacht- en koffieruimte en overkappingen over de laadplaatsen mogelijk gemaakt. De koffieruimte heeft een maximale oppervlakte van 100 m² en kan binnen het gehele bouwvlak worden gerealiseerd. Dit geldt eveneens voor de overkappingen, waarvoor geen maximale oppervlakte is bepaald. De hoogte van zowel het gebouw als de overkappingen sluit aan bij het bestaande tankstation, waardoor de ruimtelijke uitstraling van het terrein niet wezenlijk verandert.
De gemeenteraad van de gemeente Voorne aan Zee heeft op 3 oktober 2023 een besluit genomen over het participatiebeleid. In de opvolgende jaren gaat de gemeente het participatiebeleid 'Samen aan zet' uitvoeren. Voor een wijziging van het omgevingsplan is participatie verplicht.
In dit specifieke geval kan volstaan worden met de bekendmaking van het voornemen om een TAM-plan op te stellen. Na deze publicatie zijn, geen reacties uit omgeving ontvangen.
In deze paragraaf is beschreven hoe de belangen van andere bestuurslagen en ketenpartners meegewogen zijn en in het plan zijn verwerkt.
De omgevingsdienst DCMR is om advies gevraagd, daarnaast zijn de volgende ketenpartners geraadpleegd op basis van het concept-omgevingsplan:
Op grond van artikel 16.23 omgevingswet heeft het ontwerp TAM-Omgevingsplan zes weken (tot en met 22 januari 2026) ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Er is één zienswijze ingediend.
De zienswijze is samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien in de Nota van beantwoording zienswijze (bijlage 6). In deze nota is tevens een conclusie opgenomen of de zienswijze al dan niet heeft geleid tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan.
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. In paragraaf 4.5 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid. Tot slot wordt in paragraaf 4.6 het waterbeheerprogramma behandeld.
De Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. De NOVI is vastgesteld op 11 september 2020 en geheel onherroepelijk in werking. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing en conclusie Rijksbeleid
De ontwikkeling van het snellaadstation met wachtruimte draagt bij aan landelijke opgaven zoals geformuleerd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Daarbij komt het instrumenteel tegemoet aan:
Het NP-RES ondersteunt de 30 energieregio’s in Nederland bij het opstellen en uitvoeren van hun Regionale Energiestrategieën, waarmee zij invulling geven aan de nationale energietransitiedoelstellingen voor duurzame elektriciteit en warmtecapaciteit. De RES'en leggen regionaal vast:
Toetsing aan NP-RES
De voorgenomen ontwikkeling van een snellaadstation met wacht-/koffieruimte bij het bestaande tankstation te Oostvoorne ondersteunt de strategische uitgangspunten van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP-RES). Versterkt de integrale aanpak van de energie- en mobiliteitstransitie binnen energieregio’s. Verbindt lokale laadinfrastructuur met regionale energiesystemen.
De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn:
1. Samen werken aan Zuid-Holland
2. Bereikbaar Zuid-Holland
3. Schone energie voor iedereen
4. Een concurrerend Zuid-Holland
5. versterken natuur in Zuid-Holland
6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland
7. Gezond en veilig Zuid-Holland
Toetsing en conclusie Provinciaal beleid
De ontwikkeling van een snellaadstation sluit met name aan op de volgende drie ambities van de provincie Zuid-Holland:
Het snellaadstation, gelegen aan de N218 en Brielseweg, versterkt de bereikbaarheid van Oostvoorne en de regio. Het biedt gebruikers veilige, snelle en vooral duurzame infrastructuur, in lijn met de provinciale ambitie voor duurzame en toegankelijke mobiliteit.
De invoering van snellaadvoorzieningen versnelt de overgang naar emissievrij vervoer. Dit draagt bij aan het provinciale streven naar toegankelijke, betaalbare en schone energie-infrastructuur voor iedereen.
Zorgvuldig ontwerp van het snellaadstation, met aandacht voor luchtkwaliteit, verkeersveiligheid en gebruiksgemak, draagt bij aan een veilige en gezonde leefomgeving.
De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 Rotterdam Den Haag is het gezamenlijke plan van 23 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie Zuid-Holland om de CO2-uitstoot fors te verminderen: 50% in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van 1990.
De regio combineert een dichtbevolkt stedelijk gebied met een sterke haven en glastuinbouw. Daarom kiest men voor een haalbare, gebiedsgerichte aanpak waarin draagvlak, landschap en samenwerking centraal staan. Voor warmte ligt de nadruk op energiebesparing (20% in woningen, 30% in glastuinbouw) en het benutten van rest- en aardwarmte.
De RES streeft naar een betaalbaar, betrouwbaar en schoon energiesysteem. Gemeenten vertalen de strategie naar concrete projecten; uiterlijk in 2025 moeten de vergunningen voor zonne- en windenergie rond zijn om de doelen van 2030 te halen.
Toetsing
De voorgenomen realisatie van een snellaadstation (met ruimte voor een wacht-/koffieruimte bij het tankstation in Oostvoorne is conform de uitgangspunten van de RES 1.0:
Kortom: het project is goed in lijn met de RES Rotterdam Den Haag en ondersteunt de regionale energietransitie op lokaal niveau.
De Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040 is een gezamenlijke visie van de voormalige gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard en Westvoorne (nu Voorne aan Zee) om het eiland in 2040 duurzaam en toekomstbestendig te maken. Het plan richt zich op thema's als energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit, warmte en samenwerking.
Binnen deze thema's worden 10 speerpunten genoemd;
Recreatie en toerisme
Energiebesparing
Zon
Huishoudelijk afval
Warmte
Wind
Organische reststromen
Gebouwde omgeving
Duurzame mobiliteit
Samenwerking en organisatie
Belangrijke doelen zijn het besparen van energie (onder andere via isolatie en aardgasvrije nieuwbouw), het plaatsen van windmolens en het installeren van 100.000 zonnepanelen en 50 hectare zonneveld. Daarnaast wordt gewerkt aan een regionale warmtevisie en onderzoek naar het gebruik van biomassa en reststromen.
De uitvoering gebeurt samen met inwoners, bedrijven, onderwijs en organisaties. Via een platform duurzaam Voorne-Putten, bewustwordingscampagnes en een duurzaamheidsfonds wordt samenwerking bevorderd. De kern van de routekaart is verbinding: tussen thema's, projecten en partijen, met als doel een leefbare en duurzame toekomst voor Voorne-Putten in 2040.
Toetsing
Het initiatief sluit goed aan bij de Routekaart Duurzaam Voorne-Putten 2040. In deze routekaart is het stimuleren van duurzame mobiliteit een belangrijk speerpunt, met als concreet doel het opbouwen van een dekkende oplaadinfrastructuur voor elektrische auto's.
Door het laadstation te combineren met de bestaande functie van het tankstation wordt efficiënt gebruikgemaakt van de ruimte en wordt de transitie van fossiele naar duurzame energie op een logische plek zichtbaar gemaakt.
De Omgevingsvisie van Voorne aan Zee beschrijft een langetermijnvisie voor de leefomgeving op hoofdlijnen. De visie bevat veel thema’s die allemaal betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur en landschap, gezondheid, mobiliteit, recreatie, bedrijvigheid, wonen en maatschappelijke voorzieningen. Ook de relaties tussen deze thema's met het sociale domein worden beschreven. In de visie heeft de gemeente negen centrale thematische opgaven uitgewerkt. Dit zijn de volgende opgaven:
Toetsing omgevingsvisie Voorne aan Zee 2040
De voorgenomen realisatie van een snellaadstation (met ruimte voor een wacht-/koffieruimte bij het tankstation in Oostvoorne sluit op meerdere fronten aan bij de langetermijnambities van de gemeente Voorne aan Zee. De ontwikkeling draagt bij aan de duurzaamheidsopgave door de transitie naar emissievrije mobiliteit te faciliteren en levert een bijdrage aan een gezonde en veilige leefomgeving door vermindering van lokale uitstoot. Door de toevoeging van voorzieningen zoals een comfortabele wacht-/koffieruimte wordt tevens de leefbaarheid versterkt en ontstaat een plek met meer gebruikswaarde voor zowel inwoners als bezoekers.
De ligging nabij de N218 en aan de rand van de kern Oostvoorne versterkt de bereikbaarheid van de gemeente voor elektrisch verkeer, dit is van waar voor bewoners, toeristen en ondernemers. Samengevat sluit het initiatief aan bij meerdere thematische opgaven uit de Omgevingsvisie, waaronder duurzaamheid en klimaatbestendigheid, bereikbaarheid, ondernemerschap, gezondheid en leefbaarheid. Daarmee past het project binnen de koers die de gemeente Voorne aan Zee voor ogen heeft in de omgevingsvisie.
Het Waterschap Hollandse Delta beschikt over het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (vastgesteld 10 november 2021). In het Waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen. Het waterschap zet in op toekomstbestendig waterbeheer. Het zet zich in om verdere klimaatverandering tegen te gaan en de omgeving tijdig aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Dit doet het waterschap door zelf haar eigen werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal uit te voeren, gebieden klimaatbestendig en waterrobuust in te richten en door vergroening en biodiversiteit te stimuleren.
Het waterschap beschrijft drie ambities voor het waterbeheer:
Het waterschap biedt blijvende bescherming tegen overstromingen voor de burgers in haar gebied. Dit gebeurt robuust waar het moet, natuurlijk waar het kan en slim waar het loont. Het waterschap realiseert meerwaarde waar dat mogelijk is, maar doet hierbij geen concessies aan de veiligheid.
Het waterschap zorgt voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Ook zorgt het waterschap voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland.
Het waterschap draagt samen met de omgeving bij aan een circulaire waterketen met als doel een gezonde en duurzame leefomgeving.
Toetsing en conclusie
Het waterbeheerprogramma geeft sturing aan grote ontwikkelingen in het gebied. Voorliggende ontwikkeling is relatief klein. Hiermee ligt de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van het waterbeheerprogramma. In paragraaf 5.3 is verder ingegaan op het aspect water en zo ook op verharding in de planlocatie.
Voor het beoordelen van de ontwikkeling in voorliggende motivering voor het besluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels van de provincie staan in de provinciale omgevingsverordening.
In onderstaande tabellen zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.12 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt.
Tabel 5.1 Instructieregels Bkl
|
Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst) |
Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee |
| Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties | |
| § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid | Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid |
| § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen | Ja, zie paragraaf 5.3 |
| § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht | Ja, zie paragraaf 5.4 Kwaliteit van de buitenlucht |
| § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten | Ja, zie paragaaf 5.5 |
| ]§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen | Nee, niet relevant. |
| § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens | Nee, er zijn geen luchthavens aanwezig in de omgeving van de planlocatie. |
| § 5.1.4.4. Trillingen | Nee, er zijn geen trilling veroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig. |
| § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines | Nee, er zijn geen windturbines in de omgeving aanwezig. |
| § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.6 Bodemkwaliteit |
| § 5.1.4.6. Geur | Nee, er zijn geen geurveroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig. |
| § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Ja, zie paragraaf 5.7 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed |
| § 5.1voor duurzame verstedelijking | Ja, zie paragraaf 5.8 Ladder voor duurzame verstedelijking |
| § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies | Nee, er zijn geen reserveringen binnen de planlocatie opgenomen ten behoeve van behoud van ruimte voor toekomstige functies. |
| § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten | Nee, er zijn geen voorzieningen of infrastructuur aanwezig in de planlocatie. |
| § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken | Nee, er is geen sprake van woningbouw. |
| § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen | Ja, zie paragraaf 2.2.1 Ontwikkeling als geheel |
| Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving | |
| Artikel 5.163 voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen |
Nee, geen hoofdspoorweginfrastructuur of rijkswegen aanwezig. |
| Artikel 5.164 lokale spoorwegen binnen vervoerregio's |
Nee, geen lokale spoorwegen aanwezig. |
| Artikel 5.165 lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool |
Nee, niet van toepassing. |
| Artikel 5.165a bebouwingscontour jacht |
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. |
| Artikel 5.165b bebouwingscontour houtkap |
Nee, planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. |
| Afdeling 5.3. Ontheffing | |
| Artikelen opnemen waarvan ontheffing wordt verleend. | Nee, niet van toepassing |
Tabel 5.2 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
|
Afdelingen en paragrafen
(de ontwikkeling wordt op artikelniveau getoetst) |
Relevant voor de ontwikkeling
Ja of Nee |
| § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid | Nee |
| § 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering | Ja, zie paragraaf 5.2 Waarborgen van de veiligheid |
| § 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas | Nee |
| § 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes | Nee |
| § 7.3.4 Waterkeringen | Nee |
| § 7.3.5 Grondwaterkwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.6 Bodemkwaliteit |
| § 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol | Nee |
| § 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen | Ja, zie paragraaf 5.3 |
| § 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.7 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed |
| § 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen | Ja, zie paragraaf 5.8 Ladder voor duurzame verstedelijking en paragraaf 5.9 Mobiliteit en parkeren |
| § 7.3.8a Wonen | Nee, er is geen sprake van woningbouw |
| § 7.3.9 Detailhandel | Nee |
| § 7.3.10 Kantoren | Nee |
| § 7.3.11 Bedrijven | Nee, de gronden krijgen een bedrijfsbestemming hierop is enkel een snellaatsstation toegestaan waardoor de inhoud van het artikel niet relevant is ins. |
| Ja, de gronden krijgen een bedrijfsbestemming hierop is enkel een snellaatsstation toegestaan waardoor de inhoud van het artikel niet relevant is ins. § 7.3.12 Glastuinbouwgebied | Nee |
| § 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied | Nee |
| § 7.3.14 Bollenteeltgebied | Nee |
| § 7.3.15 Agrarische bedrijven | Nee |
| § 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland | Nee |
| § 7.3.17 Werelderfgoed | Nee |
| § 7.3.18 Archeologie | Ja, zie paragraaf 5.7 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed |
| § 7.3.19 Traditionele windmolens | nee |
| § 7.3.20 Landgoederen en kastelen | Nee |
| § 7.3.21 Energie | Nee |
| § 7.3.22 Provinciale vaarwegen | Nee |
| § 7.3.23 Recreatietoervaartnet | Nee |
| §7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden | Nee |
| § 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) | Nee |
| § 7.3.25 Ontheffing en afwijken | Nee |
Tabel 5.3 Thema's in het kader van ETFAL
| Thema | Wettelijk kader |
Relevant voor de ontwikkeling
Ja of Nee |
| Gezondheid | § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig. | Ja, zie paragraaf 5.12 |
| Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Nee |
| Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Nee |
| Mobiliteit en parkeren | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Ja, zie paragraaf 5.9 Mobiliteit en parkeren |
| Natuurbescherming NNN | Afdeling 7.3 van het Bal. | Nee |
| Ecologie: gebiedsbescherming | Afdeling 11.1 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 5.11 |
| Ecologie: soortenbescherming | Afdeling 11.2 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 5.10 |
| Ecologie: houtopstanden | Afdeling 11.3 van het Bal. | Nee |
| Bezonning / schaduwhinder | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Nee |
| Windhinder | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Nee |
| Lichthinder | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Nee |
| Duurzaamheid en klimaatadaptatie | Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden. | Ja, zie paragraaf 5.3 |
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.2. instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van:
Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is in artikel 7.18 een specifieke instructieregel opgenomen ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico)
De beoogde ontwikkeling betreft een snellaadstation met circa twintig oplaadpunten, mogelijk gecombineerd met een koffie- en wachtruimte. Deze ruimte ligt binnen het brand- en explosieaandachtsgebied van een bestaand tankstation en tevens binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Hoewel het snellaadstation zelf geen externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengt in relatie tot plaatsgebonden risicocontouren of aandachtsgebieden, geldt dit niet voor de koffie-/wachtruimte. Deze wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangemerkt als een kwetsbaar gebouw of locatie. Vanwege de functionele binding met het tankstation zijn de regels voor plaatsgebonden risico hier niet van toepassing, maar moet wel een verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld.
Verantwoording groepsrisico
In het kader van artikel 5.15 van het Bkl is bij deze ontwikkeling binnen aandachtsgebieden een afweging gemaakt ten aanzien van het groepsrisico. Daarbij is beoordeeld in hoeverre de bestaande bescherming van personen toereikend is en welke aanvullende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. De locatie is reeds ingericht als tankstation en beschikt over basisvoorzieningen zoals risicocommunicatie en een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten. De koffie-/wachtruimte zal naar verwachting een beperkte personendichtheid kennen, wat bijdraagt aan het beperken van het groepsrisico. Daarnaast worden aanvullende maatregelen getroffen, waaronder het realiseren van duidelijke vluchtroutes, het bieden van schuilmogelijkheden, het instrueren van personeel en bezoekers over het gewenste gedrag bij incidenten, en het positioneren van de ruimte op een veilige afstand van risicobronnen.
Wat betreft de bereikbaarheid van hulpdiensten is geborgd dat de locatie goed toegankelijk is via een route die voldoet aan de richtlijnen voor hulpverleningsverkeer. De locatie is binnen acceptabele aanrijtijden bereikbaar voor brandweer, ambulance en politie, en beschikt over een opstelplaats nabij de incidentlocatie. Voor de medewerkers van het gebouw wordt een calamiteitenplan opgesteld waarin relevante scenario’s zoals brand, explosie of gaslek worden beschreven. Dit plan bevat een duidelijke taakverdeling, vluchtroutes, verzamelplaatsen, contactgegevens van BHV’ers en hulpdiensten, en wordt periodiek geoefend en geactualiseerd.
Op basis van de functionele binding, de aard van de ontwikkeling en de getroffen maatregelen wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de vereisten voor de verantwoording van het groepsrisico zoals opgenomen in het Bkl. In het kader van deze verantwoording wordt de veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren en waar nodig aanvullende adviezen of maatregelen aan te dragen.
De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling blijkt dat de veiligheid op de planlocatie is gewaarborgd.
De veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling.
Er hoeven geen aanvullende regels te worden opgenomen om te voldoen aan de instructieregels en ETFAL.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In een plan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37, eerste lid, van het Bkl).
Omgevingsverordening Zuid-Holland
In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.6a instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen en ontwikkelingen. Uit deze paragraaf is artikel 7.41a van toepassing op de ontwikkeling.
Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
Huidige situatie
De planlocatie betreft in de huidige situatie een braakliggend terrein met een grassige ondergrond zonder hoogopschietende begroeiing.
Veiligheid en waterkeringen
Aan de hand van de legger blijkt dat er geen waterkeringen in of nabij de planlocatie zijn gelegen.
Waterkwantiteit
De dichtstbijzijnde watergang bevindt zich ten zuidwesten van de planlocatie. Dit betreft een primaire watergang, waarvoor een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden geldt. De watergang ligt op een afstand van ongeveer 30 meter van de planlocatie en valt daarmee buiten de beschermingszone.
Watersysteem en ecologie
Binnen de planlocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de planlocatie.
Gevolgen klimaat verandering
Klimaatadaptatie richt zich op het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, hittestress, droogte en overstromingen. Aan de hand van kaarten en gegevens van de klimaateffectatlas blijkt dat de locatie een stedelijk hitte stress kent van 0.4 tot 0.6 Celsius. Bij extreme neerslag is sprake van een waterdiepte van >30cm nabij de planlocatie. Het plaatsgebonden overstromingsrisico is getypeerd als zeer klein, met een kans van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar.
Toekomstige situatie
De ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bestaande tankstation en beslaat een oppervlakte van circa 1.630 m².
Veiligheid en waterkeringen
Aan de hand van de legger blijkt dat de planlocatie zich niet in een beschermingszone van een waterkering bevindt.
Waterkwantiteit
Waterschap Hollandse Delta hanteert de eis dat bij een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m², 5% van die toename gecompenseerd moet worden. De planlocatie heeft een totale oppervlakte van 1.630 m². Uitgaande een volledige verhardingspercentage komt de water compensatie eis uit op 81,5 m².
Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Hollandse Delta. In deze vergunningsprocedure moet onder andere worden vastgesteld:
De compensatie dient plaats te vinden binnen het peilgebied van de beoogde locatie. De meest voor de hand liggende oplossingsrichting is het vergroten van bestaande watergangen in de nabijheid van de planlocatie. Deze vergunningsprocedure dient vooraf de beoogde bouwwerkzaamheden te zijn doorlopen.
Bodem en grondwater
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor bodem en grondwater.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreiniging van water en bodem is het belangrijk om tijdens zowel de bouw- als gebruiksfase duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen.
Klimaatadaptatie
Op basis van de klimaateffectatlas en aanvullende gegevens blijkt dat hittestress geen aandachtspunt vormt voor de planlocatie. De gemeten stedelijke opwarming ligt tussen 0,4 en 0,6°C, wat relatief beperkt is en geen significante effecten oplevert voor het gebruik of de ontwikkeling van het tankstation.
Wel blijkt uit de klimaateffectatlas dat bij extreme neerslag sprake kan zijn van een waterdiepte van meer dan 30 cm nabij de planlocatie. Hoewel het plaatsgebonden overstromingsrisico zeer klein is (met een kans van 1 op 3.000 tot 1 op 30.000 per jaar), verdient lokale wateroverlast aandacht bij het plannen en uitvoeren van bouwwerkzaamheden.
Deze aspecten leiden niet tot significante milieueffecten, maar kunnen wel als aandachtspunten worden meegenomen in het ontwerp en de uitvoering van de ontwikkeling. Dit draagt bij aan een toekomstbestendig gebruik van het bestaande en toekomstige tankstation en sluit aan bij de doelstellingen van klimaatadaptatie, gericht op het beperken van de gevolgen van klimaatverandering zoals extreme neerslag, hittestress, droogte en overstromingen.
Voor de beoogde ontwikkeling dient een vergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Hollandse Delta. Binnen deze vergunningprocedure moet worden ingegaan op de watercompensatie, in verband met de toename van het verhard oppervlak. Gezien de omvang van de verharding is compensatie vereist conform de geldende normen van het waterschap.
Uit de beoordeling komen verder geen aanvullende aandachtspunten naar voren. Er wordt voldaan aan de instructieregels en bepalingen uit de waterschapsverordening. Er is sprake van een uitvoerbaar plan binnen de geldende kaders, zonder belemmeringen vanuit het waterbeheer.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema kwaliteit van de buitenlucht.
In het kader van ETFAL met betrekking tot het beschermen van de gezondheid is onderstaand de luchtkwaliteit ter plaatse wel beoordeeld op aanvaardbaarheid bij de toe te laten activiteit.
De planlocatie bevindt zich niet binnen de in artikel 5.51 van het Bkl genoemde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl met betrekking tot luchtkwaliteit.
Het snellaadstation is bedoeld voor elektrische voertuigen. De benodigde elektriciteit, zowel voor de installaties als voor het opladen van voertuigen, is afkomstig van duurzame bronnen zoals zon en wind. Daarmee draagt het station actief bij aan het verminderen van luchtverontreiniging.
Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht. Het maatgevende toetspunt is gelegen aan het Slagveld. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en fijnstof ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. In 2023 bedroegen de concentraties:
Deze waarden blijven ruim onder de grenswaarden zoals vastgesteld in het Bkl.
De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nader onderzoek is niet nodig. Er is geen noodzaak om regels op te nemen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1 en tabel 5.2.
Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
Tabel 5.2: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde.
Omgevingsverordening
De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten.
VNG-brochure
De VNG-brochure biedt gemeenten handvatten voor het ruimtelijk inpassen van milieubelastende activiteiten. Voor het aspect geluid zijn hierin indicatieve richtafstanden opgenomen tussen een activiteit en gevoelige functies zoals woningen.
De richtafstanden zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de geluidsbelasting op de gevel van een woning binnen aanvaardbare niveaus blijft:
Deze richtafstanden zijn niet juridisch bindend, maar dienen als hulpmiddel bij het beoordelen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Volgens de VNG-brochure en andere beschikbare handreikingen zijn er geen specifieke richtafstanden vastgesteld voor de geluidbelasting van een snellaadstation. Om toch een indicatie te geven van de mogelijke geluidseffecten, wordt aansluiting gezocht bij vergelijkbare activiteiten. In dit geval wordt uitgegaan van een elektriciteitsdistributiebedrijf met een capaciteit van minder dan 10 MVA.
Voor deze categorie geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In een gemengd gebied kan een richtafstand van 10 meter worden aangehouden.
De dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de perceelgrens tot aan de planologische grens van het snellaadstation. De feitelijke afstand tussen de woning en de geluidsbronnen is zelfs groter dan 30 meter, waardoor aan de richtafstand wordt voldaan.
Deze analyse toont aan dat er op basis van richtafstanden geen belemmeringen ontstaan voor de beoogde ontwikkeling. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning voldoet aan de indicatieve richtafstand, en de feitelijke afstand tot de geluidsbronnen ligt zelfs hoger.
Daarmee kan worden gesteld dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de ontwikkeling niet kan voldoen aan de geluidsnormen zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Eventuele geluidseffecten blijven naar verwachting binnen aanvaardbare grenzen en vormen geen significante milieubelasting.
Ter plaatse van de nabij gelegen woningen kan uit worden gegaan van een goed woon- en leefklimaat. De geluidsruimte van omliggende bedrijvigheid wordt niet beperkt door het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties mogelijk gemaakt. De beoogde snellaadstations met nevenfuncties vallen niet onder de definitie van bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl. Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van niet van toepassing.
Provinciale omgevingsverordening
In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, als bedoeld in artikel 7.27 van de provinciale omgevingsverordening.
§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie
Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek)
De ontwikkeling maakt geen bodemgevoelige gebouwen mogelijk, zoals bepaald in het Bkl. Hierdoor is er geen aanleiding voor bodemonderzoek en is het opnemen van aanvullende regels voor dit aspect niet noodzakelijk. Wel voorziet de ontwikkeling in een grondwatergevoelig gebouw (gebouw groter dan 50 m²), als bedoeld in artikel 7.27 van de provinciale omgevingsverordening. Om deze reden wordt er een historisch onderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd.
In opdracht van Rho Adviseurs b.v. is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als Brielseweg 115 te Oostvoorne. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2 . Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit deze rapportage overgenomen.
Conclusies historisch onderzoek
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen.
Uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied volgens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV).
Uit de bij Milieudienst Rijnmond opgevraagde bodemrapportage blijkt dat in 2019 een verontreiniging met minerale olie (meerdere componenten) is aangetroffen. De bron van deze verontreiniging, te weten een scheur in de vloeistofdichte vloer, is verwijderd en de verontreinigde grond is in 2021 gesaneerd. Uit de monitoring in de daaropvolgende jaren blijkt dat de concentratie van MTBE in het grondwater nog licht verhoogd is. Andere vluchtige componenten zijn niet boven de detectielimiet aangetoond.
Aanbevelingen historisch onderzoek
Op basis van de rapportage vormt de kwaliteit van de bodem en het grondwater geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden. Indien bij de voorgenomen (bouw)werkzaamheden grond wordt ontgraven én afvoer van grond plaatsvindt moet tenminste een week voor de start een melding ingevolge §4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verricht. Als de ontgraven grond op locatie volledig wordt teruggebracht in de bodem is een melding niet nodig. Opgemerkt wordt dat de ontgraven grond niet langer dan 8 weken na beëindiging van het graven tijdelijk mag worden opgeslagen op locatie.
Bij afvoeren en hergebruik van grond is de regelgeving onder de Omgevingswet van toepassing. Deze onderzoeksrapportage moet bij de omgevingsvergunning worden toegevoegd.
De ontwikkeling maakt geen bodemgevoelig gebouw mogelijk. Wel maakt het plan een grondwatergevoelig gebouw (gebouw groter dan 50m²) mogelijk op een grondwatergevoelige locatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.
Omgevingsverordening
In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit.
Verordening Fysieke Leefomgeving & Erfgoedverordening
Het erfgoedbeleid van de gemeente Voorne aan Zee is vastgelegd in zowel de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) als de Erfgoedverordening. Alle regels met betrekking tot erfgoed die raken aan de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de VFL. De regels die niet raken aan de fysieke leefomgeving (zoals subsidieregelingen en andere ambtelijke zaken) zijn opgenomen in de Erfgoedverordening.
Op basis van het bestemmingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, blijkt dat zich in of nabij de planlocatie geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of objecten bevinden. Ook uit de cultuurhistorische atlas van de provincie blijkt dat er in de directe omgeving geen cultuurhistorische elementen aanwezig zijn.
De beoogde ontwikkeling betreft een relatief beperkte ingreep en sluit aan bij het bestaande gebruik, aangezien het gaat om een uitbreiding van een bestaand tankstation. Hierdoor is de ontwikkeling niet gebiedsvreemd.
Gelet op de aard en omvang van het initiatief, en het ontbreken van cultuurhistorische waarden in de omgeving, kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op het cultuurhistorisch erfgoed.
Op de planlocatie geld op basis van het tijdelijk omgevingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 2'. Binnen dit archeologisch regime is sprake van een verwachtingswaarde voor archeologische resten. Er is geen archeologisch onderzoek vereist bij bouwwerken tot maximaal 200 m² en/of werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,4 meter onder het maaiveld.
Deze dubbelbestemming en functieaanduiding uit het vigerende plan zal worden overgenomen op de verbeelding en in de planregels van het voorliggend plan. Middels het opnemen van deze regels wordt er voldaan aan artikel 5.130 van het Bkl en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Doorkijk naar verdere planuitwerking
Wanneer de definitieve inrichting van de planlocatie bekend is dient advies ingewonnen te worden bij het BOOR. Bij verdere uitwerking van het plan en het uiteindelijke vergunningtraject dient er wellicht archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Vanuit beschikbare gegevens blijkt er geen aanleiding tot onoverkomelijke belemmeringen.
De ontwikkeling doet geen afbreuk aan cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden, met het overnemen van de archeologische dubbelbestemmingen. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. Daarnaast blijven met de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige kernkwaliteiten ter plaatse van de locatie behouden. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening Zuid-Holland.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand het uitgangspunt. Hiertoe wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in Artikel 5.129g Bkl. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling is toepassing van de ladder vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het Omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het tijdelijke Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is.
Het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Dat is hier het bestemmingsplan 'Dorpsgebied Oostvoorne'. De uitbreiding van het tankstation vindt plaats buiten de bestemming 'Bedrijf' en in de bestemming 'Groen'. Shell heeft momenteel 2 laadpalen waar 4 auto's kunnen laden, maar wil dit uitbreiden naar maximaal 20 laadpalen. De ontwikkeling beslaat een gebied groter dan 500 m2 bvo en is daarmee aan te merken als stedelijke ontwikkeling. De locatie ligt aan de rand van het stedelijk gebied van Oostvoorne een locatieafweging is dus niet nodig.
Behoeftebeschrijving
De behoefte aan uitbreiding van het tankstation met een snellaadstation komt voort uit de doelen ten aanzien van de energietransitie in Nederland en sluit aan bij de duurzaamheidsambities van de gemeente.
Duurzaamheidsambitie
De gemeente Voorne Putten maakt onderdeel uit van de Energieregio Rotterdam-Den Haag. In de Regionale Energiestrategie (RES) zijn afspraken gemaakt om de energietransitie de komende 10 jaar te versnellen. De energietransitie houdt in het overstappen van fossiele brandstoffen naar duurzame, schone energiebronnen zoals zon en wind.
Toevoegen van snelladers voor elektrische auto's draagt bij aan de mogelijkheden in de gemeente tot een duurzamere manier van vervoer.
Landelijke ontwikkeling
Het aantal elektrische voertuigen in Nederland stijgt dan ook al jaren. Volgens het CBS zijn er in Nederland nu (april 2025) 1 miljoen elektrische auto's. Daarmee is meer dan 10 procent van alle personenauto's volledig elektrisch of plug-in hybride. Het totale aantal stekkerauto's bedroeg in 2019 nog maar 139.000 (figuur 5.1). De toename blijft de laatste jaren doorgaan. Op 1 januari 2025 was het aantal stekkerauto's 33,3% groter dan het jaar ervoor. De groei van elektrische auto's is ook ten koste gegaan van auto's die rijden op traditionele brandstoffen. Het aantal dieselauto's daalde met 12,3 procent en het aantal benzineauto's met 1,3% ten opzichte van vorig jaar.
Figuur 5.1 Ontwikkeling aantal elektrische auto's in Nederland (bron: CBS, 28-05-2025)
Deze groei van het aantal elektrische auto's gaat ook gepaard met een behoefte aan mogelijkheden om auto's op te laden, met name voor volledig elektrische auto's. Het aantal laadpunten in Nederland is de afgelopen jaren dan ook flink toegenomen. Van circa 50.000 punten in 2019 naar circa 205.000 in 2025 (figuur 5.2). Binnen deze groei neemt ook het aantal snelladers (>50 kW) toe. In figuur 5.3 is een uitsplitsing naar vermogen te zien. Het totale aantal snelladers is toegenomen van circa 1.000 in 2020 naar circa 5.800 in 2025.
Figuur 5.2 Ontwikkeling aantal laadmogelijkheden in Nederland (bron: RVO, dashboard laadinfrastructuur)
Figuur 5.3 Ontwikkeling aantal snelladers in Nederland (bron: RVO, dashboard laadinfrastructuur)
Verzorgingsgebied
Het Shell-tankstation ligt op de hoek van de Brielseweg en de provinciale weg N218. Het tankstation, en toekomstig laadstation heeft daarmee een functie voor zowel de inwoners in de kern Oostvoorne als passanten over de provinciale weg. De N218 is de verbinding tussen Oostvoorne en Brielle, en verder tussen de Maasvlakte/Europoort en Spijkenisse.
Aanbod in Oostvoorne
In Oostvoorne is Shell het enige tankstation met snelladers (2x2 van 150 kW). Het daarna dichtstbijzijnde snellaadstation is die van FastNed aan de N57 (4x 50 kW en 2x 43 kW aan beide kanten van de weg en 2x 150 kW) (figuur 5.4). Verder zijn in Hellevoetsluis ook 2 snellaadmogelijkheden (2x 180 kW, 2x 120 kW en 2x 40kW). De overige stations in figuur 5.5 zijn een eigen snellader op het vakantiepark Roompot, en op de Maasvlakte.
Uitbreiding van het aantal snelladers bij het tankstation aan de Brielseweg zorgt dus voor meer aanbod voor het snelladen in zowel Oostvoorne als in de gemeente Voorne aan Zee.
Figuur 5.4 Snellaadstations in Oostvoorne en omgeving snel (43 tot 150 kW) en ultrasnel (>150 kW) (bron: routeplanner ANWB)
De uitbreiding van het tankstation aan de Brielseweg met snelladers past in de trend van een groeiend gebruik van elektrische voertuigen. De afgelopen jaren is het aantal elektrische auto's flink gestegen, en daarmee ook de vraag naar oplaadpunten voor deze auto's. Ook in het aantal elektrische laadpunten in Nederland is deze groei te zien, en de beoogde uitbreiding in Oostvoorne draagt hier aan bij. Het aantal snellaadmogelijkheden in Oostvoorne is in de huidige situatie beperkt, met de uitbreiding naar maximaal 20 laadpalen wordt dit aanbod vergroot. Het bieden van mogelijkheden voor duurzame energiebronnen draagt bovendien bij aan de doelen ten aanzien van energietransitie. Door in te spelen op deze energietransitie blijft het tankstation toekomstbestendig en kan deze ook behouden blijven voor de inwoners van Oostvoorne.
Geconcludeerd wordt dat er behoefte is aan de ontwikkeling van een snellaadstation. De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Ook de omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema mobiliteit en parkeren. Wel dient op basis van de instructieregel uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (artikel 7.54c) de bereikbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beschouwd te worden. Ook dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet.
Verkeer
Voor de beoogde ontwikkeling bestaan geen CROW-kengetallen die 1-op-1 aansluiten. Aan de hand van vergelijkbare projecten en ontwikkelingen blijkt dat er uit dient te worden gegaan van 2 à 4 vervoersbewegingen per laadpaal per uur. Voorliggend wijzigingsbesluit maakt maximaal 20 laadpalen mogelijk. Aan de hand van deze uitgangspunten ligt de verkeersgeneratie tussen de 40 en 80 verkeersbewegingen per uur.
Een belangrijk deel van deze verkeersbewegingen betreft autonome ritten, waarbij voertuigen zich zelfstandig verplaatsen zonder dat dit leidt tot extra verkeersdruk op het onderliggende wegennet. Daarnaast is de aantrekkingskracht van de laadvoorziening beperkt, aangezien deze primair voorziet in de behoefte van reeds aanwezige of passerende voertuigen. Er is dan ook geen aanleiding om uit te gaan van verkeersbelemmering of knelpunten in de doorstroming.
De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaand tankstation. De inrit en uitrit van het terrein sluiten aan op de bestaande infrastructuur, waarmee vanuit verkeersveiligheidsperspectief sprake is van een aanvaardbare situatie. De planlocatie ligt direct naast de Kleidijk en Brielseweg, beide wegen met voldoende capaciteit om de verwachte verkeersbewegingen op te vangen.
Parkeren
Er zijn geen aangewezen parkeerplaatsen op het snellaadstation, omdat het terrein geen parkeerfunctie heeft voor gebruikers of andere passanten. Indien op piekmomenten alle oplaadpunten in gebruik zijn, zullen bezoekers even moeten wachten. Hiervoor is op het snellaadstation voor de laadpunten voldoende ruimte.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven.
Om de potentiële gevolge voor beschermde soorten te onderzoeken is er een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot op 17 juni 2025. en is opgenomen in bijlage 3 Onderstaand betreft een samenvatting van het onderzoek.
De werkzaamheden vinden uitsluitend plaats op het grasveld, ten behoeve van eventuele watercompensatie is bij voorbaat ook de watergang onderzocht. Bijzondere houtopstanden zijn niet aan de orde. Op basis van de ecologische toetsing worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht. De volgende ecologische bevindingen zijn vastgesteld:
Ter naleving van de algemene en specifieke zorgplicht kunnen de in hoofdstuk 7 van de quickscan genoemde passende preventieve en herstelmaatregelen bij verdere planvorming in overweging worden genomen.
Om te waarborgen dat alle uitvoerende partijen op de hoogte zijn van de te nemen maatregelen met betrekking tot vogels en de zorgplicht, kan ervoor worden gekozen om een ecologisch werkprotocol op te stellen. In dit protocol worden maatregelen opgenomen die negatieve gevolgen voor (eventueel) aanwezige, van nature in het wild levende dieren helpen voorkomen.
De ontwikkeling draagt voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
De planlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Voornes Duin ligt op 800 meter, zie onderstaand figuur5.5. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich eveneens op Voornes Duin.
Figuur 5.5 0.1 Ligging planlocatie ten opzichte van de Natura 2000-gebied. (AERIUS calculator)
Stikstof
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht welke effecten de ontwikkeling heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ter onderbouwing is een stikstofberekening uitgevoerd, waarbij uitsluitend is gerekend aan de beoogde bouwwerkzaamheden.
Bij de berekening is uitgegaan van de realisatie van 20 oplaadstations. De stikstofmemo is opgenomen in bijlage 4, en de berekening is opgenomen in bijlage 5. Uit deze documenten blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt in Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling. Tijdens de bouwfase bedraagt de depositie 0,00 mol/ha/jaar.
De planlocatie bevindt zich niet in een beschermd gebied en de beoogde ontwikkeling is van een relatief kleine schaal. De ontwikkeling betreft een snellaadstation voor elektrische auto's. De ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking op stikstof uitstotende auto's. Er is daarom geen sprake van stikstofuitstoot in de gebruiksfase.
Op basis van het stikstofonderzoek kan worden geconcludeerd dat de uitvoering van het plan niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen vergunning- of meldplicht van toepassing met betrekking tot stikstofdepositie.
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Effecten op de gezondheid zijn niet van significante invloed op de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit en heeft daarmee geen negatieve invloed op de gezondheid van mens en omgeving. Er is geen sprake van relevante uitstoot van schadelijke stoffen, geluidsoverlast of aantasting van bodem- of waterkwaliteit. Op basis van de aard en omvang van de ingreep zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.
De ontwikkeling betreft het mogelijk maken van 20 laadstations voor elektrische voertuigen. Hiermee wordt actief bijgedragen aan de energietransitie en het stimuleren van emissievrij vervoer. Dit draagt op termijn positief bij aan de luchtkwaliteit en daarmee indirect aan de volksgezondheid, doordat het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van schadelijke stoffen zoals stikstofoxiden en fijnstof wordt verminderd.
Uit gegevens van het CIMLK blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen binnen de in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgestelde omgevingswaarden blijven. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden geactualiseerd:
Hoewel de concentraties fijn stof ter hoogte van de planlocatie boven deze advieswaarden liggen, betreft dit de achtergrondconcentratie die geldt voor de bredere regio. De bijdrage van lokale bronnen aan deze concentraties is beperkt. Gelet hierop is het vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit aanvaardbaar om de functie aan de planlocatie toe te delen.
Vanuit de overige omgevingsaspecten zijn er geen factoren die de gezondheidssituatie ter plaatse negatief beïnvloeden. Het plan voldoet aan de geldende normen en richtlijnen en is voor het aspect gezondheid uitvoerbaar. Alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen om de gezondheidssituatie te waarborgen en mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprake is van etfal vanuit gezondheidsperspectief.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan.
Indien nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.
De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de aspecten water en archeologie aanvullende bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels.
Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die de planlocatie binnen de omgeving kan vervullen. De ontwikkeling kan in dit wijzigingsbesluit mogelijk worden gemaakt, want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.