direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Boxmeer, Zandkant 1 en 3, uitbreiding hoogspanningsstation Boxmeer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1982.TAMBuBmrHSBoxmeer-VA01

Regels

Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling en uitbreiding van het hoogspanningsstation op de locatie Zandkant 1 en 3 in Boxmeer en vormt juridisch het nieuwe hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik en voorrangsbepaling

1.1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Zandkant 1 en 3 in het buitengebied van Boxmeer, (TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Boxmeer, Zandkant 1 en 3, uitbreiding hoogspaningsstation Boxmeer), waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuBmrHSBoxmeer-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl;

1.2 Voorrangsbepaling
  • a. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in de bestemmingsplannen:
    • 1. Buitengebied 2018 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0756.BP18BmrBuiten-VG01;
    • 2. Veegplan Buitengebied 2018 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0756.VP20BmrBuiten-VG01;
    • 3. Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.BPParkeernormen23-VA01;
    • 4. Buitengebied Sint Anthonis 2013 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPbuitengebied-VA02;
    • 5. Buitengebied, Veegplan 1 waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPveegplan1-VA01;
    • 6. Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1702.8BPBuiteng2016-VA01;

die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet.

  • b. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels van het omgevingsplan opgenomen in:
    • 1. hoofdstuk 22, afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan (vergunningplichtige activiteiten), en;
    • 2. hoofdstuk 22, afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten,

voor zover de regels als bedoeld in sub 1. en 2. in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Boxmeer, Zandkant 1 en 3, uitbreiding hoogspanningsstation Boxmeer, met identificatienummer NL.IMRO.1982.TAMBuBmrHSBoxmeer-VA01 , in deze regeling eveneens als 'dit hoofdstuk' of 'Hoofdstuk 22j' aangehaald;

3.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk;

3.3 verbeelding

de digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1982.TAMBuBmrHSBoxmeer-VA01;

3.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.6 aanduidingsvlak

een vlak, door aanduidingsgrenzen van andere vlakken gescheiden;

3.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

3.8 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

3.9 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

3.10 hoogspanningsstation

een installatie voor het schakelen van hoogspanningsverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoogspanningsnet;

3.11 hoogspanningsverbinding

een ondergrondse of bovengrondse verbinding met een spanningsniveau van 50 kV of hoger;

3.12 middenspanning

een spanningsniveau tussen 3 en 66 kilovolt;

3.13 middenspanningsstation

een installatie groter dan 15 m2 voor het schakelen van distributieverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het regionale elektriciteitsnet;

3.14 nota parkeernormen

"Nota Parkeernormen 2023 gemeente Land van Cuijk", vastgesteld op 2 november 2023 en werking getreden op 20 november 2023. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.8.

4.1 peil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
4.2 de hoogte van de weg

de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;

4.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee te vergelijken constructiedeel;

4.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd of het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.6 de inhoud van een bouwwerk

tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.7 de afstand tot de bouwperceelsgrens

vanaf de bouwperceelgrens tot aan het gevelvlak van een bouwwerk;

4.8 ondergeschikte bouwdelen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt en de hoogte niet meer dan 3 m bedraagt;

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-Omgevingsplan.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. paden en terreinverhardingen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1 Gebouwen

De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:

  • a. op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd.
7.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouw zijnde:

  • a. De bouwhoogte van omheiningen bedraagt maximaal 1,5 m;
  • b. Overige bouwwerken geen gebouw zijnde zijn niet toegestaan.
7.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het oprichten en in stand houden van omheiningen hoger dan 1,5 m;
7.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van omheiningen bedraagt maximaal 3 m; en
  • b. de grotere hoogte is noodzakelijk om dieren binnen de omheining te houden.
7.6 Specifieke functieregels
7.6.1 Aanwijzing verbod

Binnen een als Agrarisch aangewezen locatie geldt een verbod op:

  • a. het gebruik van gronden voor het opslaan van mest, storten of bergen van mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik. Mestbewerking is uitgesloten.

Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Bedrijf - Hoogspanningsstation.

8.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:

  • a. een hoog- en middenspanningsstation met de daarbij behorende voorzieningen;
  • b. bovengrondse en ondergrondse hoog- en middenspanningsverbindingen met de daarbij behorende voorzieningen;
  • c. de aanleg, realisatie en instandhouding van landschappelijke en ecologische inrichtings- en compensatiemaatregelen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding hoogspanningsstation Boxmeer' in Bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan bij deze regels; en
  • d. overige bijbehorende voorzieningen en activiteiten;
8.3 Beoordelingsregels bouwwerken
8.3.1 Gebouwen

De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken:

  • a. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt 6 m;
8.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:

  • a. de bouwhoogte van bliksempieken en portalen bedraagt niet meer dan 30 m;
  • b. de bouwhoogte van hekwerken, perceel- en erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 4 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt niet meer dan 15,5 m.
8.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het oprichten en in stand houden van bouwwerken als opslagtank voor gassen of vloeibare gevaarlijke stoffen.
8.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteit mag geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoog- en middenspanningsstation;
  • b. burgemeester en wethouders betrekken het schriftelijk advies van de netbeheerder van het hoog- en/of middenspanningsstation.
8.6 Specifieke functieregels
8.6.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Binnen een als Bedrijf - Hoogspanningsstation aangewezen locatie is het alleen toegestaan om nieuwe bouwwerken en verhardingen op te richten, mits voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal bouwen.
  • b. Het realiseren en in stand houden is een blijvende resultaatverplichting.
8.7 Aanwijzing afwijkend gebruik

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren

  • a. het opwekken van elektriciteit met een windturbine;
  • b. het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking.
8.8 Beoordelingsregels afwijkend gebruik
  • a. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.7 onder b. en c. gelden de volgende beoordelingsregels:
    • 1. De activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoog- en/of middenspanningsstation;
    • 2. Burgemeester en wethouders betrekken het schriftelijk advies van de netbeheerder van het hoog- en/of middenspanningsstation.

Artikel 9 Groen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Groen.

9.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:

  • a. de realisatie en instandhouding van landschapselementen, zoals opgenomen in Hoofdstuk 6 van het 'Landschappelijk inpassingsplan' in Bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. openbare, nuts- en verkeersvoorzieningen;
  • d. paden en terreinverhardingen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;
  • f. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en natuurwaarden en bestaande biotopen;
  • g. behoud van de natuurlijke hydrologische situatie;
  • h. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;
  • i. extensief recreatief medegebruik.
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
9.3.1 Gebouwen

De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:

  • a. Op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd.
9.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken, geen gebouw zijnde:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 9.2 aangewezen activiteiten gebouwd worden;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 5 m;
  • c. in uitzondering op het bepaalde onder b. bedraagt de bouwhoogte van palen voor nestgelegenheden niet meer dan 7 m.
9.4 Specifieke functieregels
9.4.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Binnen een als Groen aangewezen locatie is het alleen toegestaan om nieuwe bouwwerken en verhardingen op te richten, mits voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal bouwen.
  • b. Het realiseren en in stand houden is een blijvende resultaatverplichting.
9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door afgraving, ontgronding of ophoging;
  • b. het diepploegen, diepwoelen of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, en de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
  • d. het aanpassen van de waterstand;
  • e. het aanleggen van wegen, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;
  • f. het vellen of rooien van bomen en houtopstanden;
  • g. het verwijderen van landschapselementen.
9.5.2 Uitzonderingen

De in 9.5.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • c. krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. de aanleg en realisatie en/of het beheer van de landschapselementen betreffen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding Hoogspanningsstation Boxmeer' in bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • e. verband houden met de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation gedurende de termijn van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan tot twee jaar na het in bedrijf nemen van het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation.
9.5.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. gebleken is dat de in lid 9.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in artikel 9.2 genoemde functies en activiteiten.
9.5.4 Advies

Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van het hoog- en middenspanningsstation.

 

Artikel 10 Natuur

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Natuur.

10.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:

  • a. de realisatie en instandhouding van landschapselementen, zoals opgenomen in Hoofdstuk 6 van het 'Landschappelijk inpassingsplan' in Bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en natuurwaarden en bestaande biotopen;
  • c. behoud van de natuurlijke hydrologische situatie;
  • d. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • e. extensief recreatief medegebruik;
  • f. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer.
10.3 Beoordelingsregels bouwwerken
10.3.1 Gebouwen

De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:

  • a. op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd.
10.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouw zijnde:

  • a. de hoogte van palen ten behoeve van nestgelegenheden bedraagt niet meer dan 7 m;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 meter.
10.4 Specifieke functieregels
10.4.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Binnen een als Natuur aangewezen locatie is het alleen toegestaan om nieuwe bouwwerken en verhardingen op te richten, mits voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal bouwen.
  • b. Het realiseren en in stand houden is een blijvende resultaatverplichting.
10.5 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door afgraving, ontgronding of ophoging;
  • b. het diepploegen, diepwoelen of uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, en de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
  • d. het aanpassen van de waterstand;
  • e. het aanleggen van wegen, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;
  • f. het vellen of rooien van bomen en houtopstanden;
  • g. het verwijderen van landschapselementen.
10.5.2 Uitzonderingen

De in 10.5.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • c. krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. de aanleg en realisatie en/of het beheer van de landschapselementen betreffen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding Hoogspanningsstation Boxmeer' in bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • e. verband houden met de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation gedurende de termijn van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan tot twee jaar na het in bedrijf nemen van het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation.
10.5.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. gebleken is dat de in lid 10.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen afbreuk doen aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in artikel 10.2 genoemde functies en activiteiten.
10.5.4 Advies

Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van het hoog- en middenspanningsstation.

Artikel 11 Verkeer

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Verkeer.

11.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:

  • a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1', uitsluitend onverharde wegen;
  • c. voet- en rijwielpaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. kunstwerken;
  • h. waterlopen en waterpartijen;
  • i. vervoersvoorzieningen, zoals bushokjes/abri's;
  • j. straatmeubilair;
  • k. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' tevens voor de realisatie en instandhouding van landschapselementen, zoals opgenomen in Hoofdstuk 6 van het 'Landschappelijk inpassingsplan' in Bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan.
11.3 Beoordelingsregels bouwwerken
11.3.1 Gebouwen

De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen en openbaar vervoer voorzieningen, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte maximaal 4 m bedraagt;
    • 2. de maximale oppervlakte 15 m2 bedraagt.
11.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken, geen gebouw zijnde:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6 meter, met uitzondering van lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 12 meter bedraagt.
11.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het oprichten en in stand houden van bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de vorm van kunstwerken, voorwerpen betreffende de beeldende kunst, speelvoorzieningen en -toestellen.
11.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 11.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteit dient qua aard en omvang in de omgeving te passen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 15 meter;
  • c. de activiteit mag de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig aantasten;
  • d. bij speelvoorzieningen en -toestellen mag de bodem, op grond van voorafgaand bodemonderzoek niet zodanig verontreinigd zijn dat bezwaren bestaan tegen de realisering van speelvoorzieningen of -toestellen.
11.6 Specifieke functieregels
11.6.1 Aanwijzing verbod

Binnen een als 'Verkeer' aangewezen locatie geldt een verbod op:

  • a. kamperen;
  • b. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
  • c. evenementen, uitgezonderd incidentele evenementen voor de duur van maximaal tien aaneengesloten dagen, inclusief op- en afbouw;
  • d. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • e. buitenopslag.

11.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

11.7.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verharden van wegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - 1.
11.7.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 11.7.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden:

  • a. welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • b. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
11.7.3 Afwegingskader

De vergunning als bedoeld in artikel 11.7.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • b. de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.

Artikel 12 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding.

12.2 Functieomschrijving

De voor Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) en activiteiten, bestemd voor de aanleg, in werking hebben, onderhouden en beschermen van een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 380 kV, met de daarbij behorende masten en voorzieningen en bijbehorende activiteiten. De functie Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding gaat voor op de overige aan deze locatie toegekende functies en activiteiten.

12.3 Beoordelingsregels bouwwerken

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken:

  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige functies van deze gronden, mogen op of in deze functie begrepen gronden uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. bouwwerken ten behoeve van de in artikel 12.2 aangewezen functie(s) en activiteiten;
  • b. de hoogte van hoogspanningsmasten bedraagt niet meer dan 55 m;
  • c. de hoogte van bouwwerken anders dan hoogspanningsmasten bedraagt niet meer dan 4 m.
12.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het in stand houden van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd;
  • b. het realiseren van nieuwe bouwwerken welke toelaatbaar zijn op grond van het bepaalde in de andere functies.
12.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de bovengrondse hoogspanningsverbinding.
12.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
  • c. het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het tijdelijk en permanent opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  • e. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten die zijn toegestaan in artikel 12.2;
  • f. het aanbrengen en/of kappen van hoogopgaande en diepwortelende bomen en beplantingen;
  • g. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
12.6.2 Uitzonderingen

De in artikel 12.6.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige ter plaatse geldende regels;
  • b. al in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • c. die krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. door of in opdracht van de beheerder van de bovengrondse hoogspanningsverbinding worden verricht in verband met de aanleg, het beheer en onderhoud van functies overeenkomstig artikel 12.2 en/of de aanleg en het beheer van de landschapselementen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding Hoogspanningsstation Boxmeer' in bijlage 1 van de Regels.
  • e. verband houden met de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation gedurende de termijn van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan tot twee jaar na het in bedrijf nemen van het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation.
12.6.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de bovengrondse hoogspanningsverbinding betrekken.

Artikel 13 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding te vervallen

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding te vervallen.

13.2 Functieomschrijving

Ter plaatse van de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding te vervallen geldt de onderliggende dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van een bovengrondse 150-kV / 380-kV hoogspanningsverbinding, zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' met IMRO-code NL.IMRO.1702.8BPbuitengebied-VA02, onderdeel van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan tot twee jaar nadat de nieuwe hoogspanningsverbinding, zoals bedoeld in artikel 12 van dit Tam-omgevingsplan. in gebruik is genomen. De functie Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding te vervallen gaat tot die tijd voor op de overige aan deze locatie toegekende functies en activiteiten.

13.3 Specifieke functieregels

De onderliggende dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning', zoals bedoeld in lid 13.2 komt te vervallen vanaf twee jaar nadat de nieuwe hoogspanningsverbinding, zoals bedoeld in artikel 12 van dit TAM-omgevingsplan, in gebruik is genomen. Binnen twee jaar na het in gebruik nemen van de nieuwe hoogspanningsverbinding dient de te vervallen hoogspanningsverbinding uit bedrijf genomen te zijn.

13.4 Specifieke sloopregels

Binnen twee jaar na het in gebruik nemen van de nieuwe hoogspanningsverbinding, zoals bedoeld in artikel 12 van dit TAM-omgevingsplan, dient de te vervallen hoogspanningsverbinding verwijderd te zijn.

Artikel 14 Leiding - Middenspanning

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Leiding - Middenspanning.

14.2 Functieomschrijving

De voor Leiding - Middenspanning aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) en activiteiten, bestemd voorde aanleg, in werking hebben, onderhouden en beschermen van een ondergrondse middenspanningsverbinding, met de daarbij behorende voorzieningen en bijbehorende activiteiten. De functie Leiding - Middenspanning gaat voor op de overige aan deze locatie toegekende functies en activiteiten.

14.3 Beoordelingsregels bouwwerken

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken:

  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige functies van deze gronden, mogen op of in deze functie begrepen grond uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. bouwwerken voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse middenspanningsverbinding en bijbehorende activiteiten tot een maximale bouwhoogte van 3,5 m.
14.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het in stand houden van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd;
  • b. het realiseren en/of in stand houden van nieuwe bouwwerken.
14.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 14.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse middenspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de ondergrondse middenspanningsverbinding.
14.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;
  • c. het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het tijdelijk en permanent opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  • e. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten die zijn toegestaan in artikel 14.2;
  • f. het aanbrengen en/of kappen van hoogopgaande en/of diepwortelende bomen en beplantingen;
  • g. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
14.6.2 Uitzonderingen

De in artikel 14.6.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige ter plaatse geldende regels;
  • b. al in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • c. die krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. door of in opdracht van de beheerder van de ondergrondse middenspanningsverbinding worden verricht in verband met de aanleg het beheer en onderhoud van functies overeenkomstig artikel 14.2 en/of de aanleg en het beheer van de landschapselementen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding Hoogspanningsstation Boxmeer' in bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan;
  • e. verband houden met de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation gedurende de termijn van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan tot twee jaar na het in bedrijf nemen van het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation.
14.6.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de activiteitgeen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse middenspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de ondergrondse middenspanningsverbinding betrekken.

Artikel 15 Leiding - Ondergrondse hoogspanning

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Leiding - Ondergrondse hoogspanning.

15.2 Functieomschrijving

De voor Leiding - Ondergrondse hoogspanning aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) en activiteiten, bestemd voor:

  • a. de realisatie, instandhouding en bescherming van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een maximale spanning van 380 kV en de bijbehorende belemmeringenstrook;
  • b. toegangswegen en andere (tijdelijke) voorzieningen ten behoeve van de functie en andere bouwwerken.

De functie Leiding - Ondergrondse hoogspanning gaat voor op de overige aan deze locatie toegekende functies en activiteiten.

15.3 Beoordelingsregels bouwwerken

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken:

  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige functies van deze gronden, mogen op of in deze functie begrepen grond uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. bouwwerken voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse hoogspanningsverbinding en bijbehorende activiteiten tot een maximale bouwhoogte van 3,5 m.
15.4 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het in stand houden van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd;
  • b. het realiseren en/of in stand houden van nieuwe bouwwerken.
15.5 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 15.4 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de activiteit mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.
15.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • b. het aanleggen van watergangen, of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder peil;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen dieper dan 0,80 meter onder peil;
  • e. het aanbrengen van verhardingen, wegen en paden;
  • f. het tijdelijk en permanent opslaan van goederen;
  • g. het aanleggen van andere kabels en leidingen anders dan in de functieomschrijving aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • h. het aanbrengen en/of kappen van hoogopgaande en/of diepwortelende bomen en beplantingen, dieper dan 0,80 meter onder peil;
  • i. het aanleggen van drainage dieper dan 1,0 meter onder peil;
  • j. het aanleggen van zonnepanelen, en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
15.6.2 Uitzonderingen

De in artikel 15.6.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer ten aanzien van de hoogspanningsverbinding en belemmeringenstrook betreffen;
  • b. al in uitvoering zijn krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • c. die krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. door of in opdracht van de beheerder van de ondergrondse hoogspanningsverbinding worden verricht in verband met de aanleg, het beheer en onderhoud van functies overeenkomstig artikel 15.2 en/of de aanleg en het beheer van de landschapselementen, zoals opgenomen in het 'Landschapsplan Uitbreiding Hoogspanningsstation Boxmeer' in bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • e. verband houden met de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation gedurende de termijn van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan tot twee jaar na het in bedrijf nemen van het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation.
15.6.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de activiteitgeen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbinding;
  • b. burgemeester en wethouders hierbij het schriftelijk advies van de beheerder van de ondergrondse hoogspanningsverbinding betrekken.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 16 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 17 Algemene regels voor bouwactiviteiten

17.1 Parkeerregels
17.1.1 Algemene parkeerregels

Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen.

17.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen

Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

17.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen

Indien het geheel of gedeeltelijk veranderen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte worden voorzien in voldoende parkeermogelijkheden. De parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de nota parkeernormen. Indien deze nota gedurende de planperiode wijzigt of wordt vervangen, geldt de gewijzigde c.q. de vervangende nota.

17.2 Ondergronds bouwen
  • a. Op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  • b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
  • c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
17.2.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken

Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende activiteiten:

  • a. Ondergronds bouwen.
17.2.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 17.2.1 (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Op plaatsen waar hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  • b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan één bouwlaag;
  • c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde onder a. voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.

Artikel 18 Algemene regels voor functies en activiteiten

18.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder strijdig gebruik in dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:

  • a. Het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • b. Het gebruik van een bedrijfswoning, dienstwoning, woning en/of wooneenheid anders dan voor één huishouden;
  • c. Het gebruik van een bijgebouw of bijbehorende bouwwerk ten behoeve van wonen in een onzelfstandige woonruimte.
  • d. Het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken;
  • e. Het gebruik van gronden en gebouwen voor speelautomatenhal, bingohal, discotheek of dancing;
  • f. Permanente bewoning van voorzieningen ten behoeve van verblijfsrecreatie en kleinschalig kamperen;
  • g. Mestvergisting;
  • h. Het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak voor de opslag van mest, zoals mestzakken en foliebassins.
18.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  • a. Tot een gebruik, strijdig met de gegeven functie wordt in ieder geval gerekend: het bouwen, in gebruik nemen en in gebruik houden van een hoog- en middenspanningsstation en de daarbij behorende bouwwerken als bedoeld in artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation zonder te voorzien in de aanleg en instandhouding van landschapselementen conform Hoofdstuk 6 van het als bijlage 1 bij de regels van dit plan opgenomen Landschappelijk inpassingsplan, met dien verstande dat deze elementen uiterlijk 2 jaar na realisatie van de bouwwerken die benodigd zijn voor het in bedrijf nemen van het hoog- en middenspanningsstation gereed dienen te zijn.
  • b. Het realiseren, in stand houden en beheren van landschapselementen conform Hoofdstuk 6 van het als bijlage 1 bij de regels van dit plan opgenomen Landschappelijk inpassingsplan is een blijvende resultaatverplichting.
18.3 Aanwijzing afwijkend gebruik

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:

  • a. het realiseren en in stand houden van andere landschapselementen dan bedoeld in artikel 18.2.
18.4 Beoordelingsregels afwijkend gebruik

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 18.3 gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Er dient aangetoond te worden dat niet alle maatregelen uit het landschapsplan op alle punten uitvoerbaar zijn en een minimaal gelijk te stellen maatregel wordt getroffen om tot een goede landschappelijke inpassing te komen, of;
  • b. Er is sprake van verbetering van het landschapsplan, zoals dat is opgenomen in Bijlage 1 van de regels van dit TAM-omgevingsplan; en
  • c. Burgemeester en wethouders betrekken bij hun besluit de provincie Noord-Brabant, grondeigenaren en beheerders op wiens gronden de landschappelijke inpassing zal plaatsvinden.

18.5 Voorwaardelijke verplichting Ecologisch werkprotocol

Werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van functies overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation, Artikel 9 Groen, Artikel 10 Natuur, Artikel 12 Leiding - Bovengrondse hoogspanningsverbinding, Artikel 14 Leiding - Middenspanning en Artikel 15 Leiding - Ondergrondse hoogspanning zijn uitsluitend toegestaan indien deze uitgevoerd worden overeenkomstig een ecologisch werkprotocol, waaruit blijkt dat er geen aantasting plaatsvindt van de ecologische waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Brabant.

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels

19.1 geluidzone - industrie
19.1.1 Functieomschrijving
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van gronden en bouwwerken, welke deel uitmaken van een industrieterrein, waar geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn toegelaten;
  • b. ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone – industrie’ mogen, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke functies, geen nieuwe geluidgevoelige functies zoals bedoeld in het Bkl worden gebouwd of in gebruik worden genomen.
19.1.2 Aanwijzing afwijkende bouwwerken en afwijkend gebruik

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in voor het lid 19.1.1 onder b. of in gebruik nemen van een nieuw geluidgevoelig object, mits:

  • a. dit is toegestaan op grond van de geldende functie;
  • b. een hogere waarde is vastgesteld.
19.2 geluidzone - industrie te vervallen

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie te vervallen' vervalt de aanduiding 'geluidzone - industrie', zoals vastgesteld in de bestemmingsplannen 'Buitengebied 2018' (Boxmeer) en 'Veegplan Buitengebied 2018' (Boxmeer), beiden onderdeel van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, vanaf het moment dat het nieuwe hoog- en middenspanningsstation inclusief bijbehorende functies, zoals bedoeld in artikel 8 Bedrijf - Hoogspanningsstation in gebruik is genomen en het bestaande 380kv-hoogspanningsstation uit bedrijf is genomen en geamoveerd is. Tot het moment van het vervallen van de functie blijft de aanduiding gelden.

19.3 overige zone - tijdelijke dassencompensatie
19.3.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone tijdelijke dassencompensatie' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies mede aangewezen voor het aanleggen en tijdelijk in stand houden van tijdelijke dassencompensatiemaatregelen overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

19.3.2 Specifieke functieregels
a Aanwijzing verbod

Binnen een als 'overige zone - tijdelijke dassencompensatie' aangewezen locatie geldt een verbod op:

  • a. het gebruik van gronden overeenkomstig de functie Agrarisch, indien dat gebruik in strijd is met de dassencompensatiemaatregelen overeenkomstig de daarvoor verleende omgevingsvergunning en de daarvoor bepaalde termijn.
19.4 vrijwaringszone - hoogspanningsstation
19.4.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - hoogspanningsstation' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de bescherming en het veilig gebruik van functies op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Bedrijf - Hoogspanningsstation'

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.
  • b. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • c. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • d. Het bepaalde onder a. en b. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder betrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.
20.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit artikel onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in dit artikel onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Dit artikel onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.