direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Sint Anthonis, Den Hoek 10
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

De heer Hurkmans, hierna "initiatiefnemer", is eigenaar van het bedrijf aan Den Hoek 10 in het buitengebied van Sint Anthonis. Hier staan verschillende bedrijfsgebouwen waaronder ook een voormalige "directeurswoning". Het plan is enkele (weinig fraaie) delen te slopen en hiervoor een bedrijfswoning te realiseren. Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Sint Anthonis. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0001.png" Globale ligging van het plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan Den Hoek 10 in het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis, ten zuiden van de gelijknamige kern. De omgeving van het plangebied is landelijk, maar rond het plangebied zijn een aantal woningen geconcentreerd. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door Den Hoek, en aan de zuidzijde door de Rondveld. Ten westen van het perceel ligt het woonhuis aan Den Hoek 11, en aan de oostzijde wordt het perceel begrenst door het perceel van de woning aan Den Hoek 8. Navolgende afbeelding geeft een luchtfoto van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0002.png"
Luchtfoto van het plangebied


Op het perceel is een kleinschalig bedrijf voor reparatie van specifieke (vracht)auto's, onderdelen en metaalbewerking gevestigd. Het bedrijf is gevestigd in een voormalige melkfabriek, met een oppervlakte van ca. 1.850 m2. Het terrein van het bedrijf is volledig verhard. Onderdeel van de bebouwing is tevens een voorheen als zodanig gebouwde en in gebruik geweest zijnde "directeurswoning".

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0003.png"

Voorzijde van het complex aan de straat Den Hoek

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om een deel van de bedrijfspanden met een oppervlakte van 300 m2 aan de achterzijde te slopen. Op deze plek komt dan een bedrijfswoning met een uitrit aan de Rondveld. Het terrein rond de woning zal worden ingericht ten behoeve van de woonfunctie. Door deze woning op déze plek te realiseren, samen met de tuin die een groene inrichting verzorgd wordt het ruimtelijke beeld hier duidelijk versterkt (een alternatief zou het weer hergebruiken van de voormalige directeurswoning zijn maar dat brengt veel complicaties met zich mee en is in die zin dan ook niet haalbaar. De gebouwdeel is van buiten nog enigszins herkenbaar als woning maar van binnen in het geheel niet. Dit gebouwdeel is, en blijft, onderdeel van het bedrijfsmatige gebruik). De woning is noodzakelijk voor de doelmatige bedrijfsvoering van het bedrijf. Denk bij die doelmatige bedrijfsvoering aan hele wezenlijke als ook eenvoudige zaken zoals dat het bij kleine specialistische garagebedrijven als deze niet volstaat om van 09:00 tot 17.00 aanwezig te zijn. Klanten komen eerder of later. En doordat er veel waardevolle roerende goederen staan is toezicht omwille van het tegengaan van diefstal ook nodig (alleen al de aanwezigheid van een woning met bewoners maakt al dat diefstal stukken minder aantrekkelijk wordt). Hierdoor is er een reëel belang voor de initiatiefnemers deze bedrijfswoning te willen.

Een verdere kwaliteitsverbetering is het versterken van de inrichting aan Den Hoek. Dat gebeurd door het aanleggen van een tweetal groene terrein(tjes). Hiermee sluit de inrichting van het plangebied beter aan op de omgeving. Navolgende afbeelding geeft de toekomstige situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0004.png"

Uitsnede schetsontwerp (Bron Buro SRO)

In een inrichtingsplan, zie bijlage 3, is bovenstaande planconcept landschappelijk verder uitgewerkt. Dit is tevens voorwaardelijk verplicht en daarmee geborgd dat deze aanleg ook daadwerkelijk uitgevoerd en vervolgens onderhouden wordt.

2.3 Duurzame stedenbouw

Een duurzame leefomgeving is een leefomgeving waarin bewust wordt omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om duurzaamheid te integreren in de planvorming. Dat wordt bereikt door de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin mee te nemen in de planvorming. Zo ontstaat een afwegingskader dat leidt tot een goed gemotiveerd plan dat voor die ene plek, in die omgeving en binnen de (financiële) kaders het beste plan is.

Duurzame stedenbouw bestaat voor een deel uit aspecten die sectoraal gezien al geruime tijd in beeld zijn. Denk aan de omgang met hemelwater dat bij voorkeur geborgen wordt op het eigen terrein en een goede stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing in de omgeving waarbij rekening wordt gehouden met natuur- en cultuurhistorische waarden. Zo ontstaat zowel een prettige leefomgeving voor mens en dier, en is het plan ook beter bestand tegen bijvoorbeeld hittestress, droogte en hevige regenval. Andere aspecten van duurzame stedenbouw zijn het multifunctioneel bouwen en het aspect circulair bouwen. Gebouwen met een passende architectuur dragen ook bij aan de duurzaamheid van de omgeving. Denk bijvoorbeeld aan de jaren-dertig-woonwijken welke nog steeds zeer gewild zijn (energetisch ligt daar een opgave, maar dat hele wijken nog steeds gewild zijn is óók duurzaam). Een aspect dat inmiddels ook centraal staat in de duurzame stedenbouw is het aspect energie. Dit geldt op gebouwniveau (bijvoorbeeld extra isoleren, toepassing zonnepanelen en warmtepompen) en op gebiedsniveau (grootschalige energieopwekking, warmte-koudeopslag). De wetgeving gaat hierin mee: nieuwe gebouwen dienen in 2021 (vrijwel) energieneutraal te worden gebouwd (BENG, Bijna Energie Neutraal gebouw). Duurzame stedenbouw is zo een instrument dat leidt tot plekken waar mensen zich prettig en veilig voelen. Een prettige leefomgeving is bovendien een gezonde leefomgeving wat betreft bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid.

Al deze thema's over ruimte, klimaat en mens dienen afgewogen te worden en in relatie te worden bezien met de investerings- en beheerkosten. Het resultaat van deze integrale afweging is een bepaald duurzaamheidsniveau dat in het stedenbouwkundige plan uitgewerkt kan worden. Dat vormt vervolgens weer de basis voor (onder meer) het bestemmingsplan om e.e.a. ook juridisch te borgen.


Planspecifiek
In voorliggend plan is sprake van zuinig ruimtegebruik, omdat er een oud bedrijfsgebouw van 300 m2 wordt gesloopt en een nieuwe bedrijfswoning met een kleinere oppervlakte wordt terug gebouwd. Tevens is met de toevoeging van de woning en de aanleg van de groene delen aan Den Hoek sprake van een goede landschappelijke inpassing en een kwaliteitsverbetering in het gebied.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Er zijn geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

Ladder duurzame verstedelijking

Voorliggend plan betreft de sloop van een deel van de bedrijfsbebouwing en het realiseren van een nieuwe woning. De nieuwe bebouwing heeft maximaal de oppervlakte van de verouderde bebouwing (440 m2). Bij de bouw van één woning is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

Het rijksbeleid staat uitvoering van dit plan niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014

Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie welke in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen. Een deel van het provinciale beleid uit de vigerende beleidsstukken is nog steeds actueel en blijft ongewijzigd. De provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren.

De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: groenblauwe structuur, agrarische structuur, stedelijke structuur en infrastructuur.

Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.

Planspecifiek
Voorliggend plan betreft de sloop van een deel van de bedrijfsbebouwing en de bouw van een nieuwe bedrijfswoning. Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. Deze verbetering van de landschappelijke kwaliteit wordt in dit plan bereikt door het inrichten van het plangebied langs de Rondveld als woongebied, en door de aanleg van twee groene plaatsen langs Den Hoek. Met deze verbeteringen sluit het plangebied beter aan bij de woonpercelen rond het plangebied, en krijgt het terrein een meer groene uitstraling vanaf de wegen gezien. Dit wordt tevens voorwaardelijk geborgd. Zie in bijlage hoe de landschappeijke inpassing vormgegeven wordt.

In lijn met artikel 3.70 van de Interim omgevingsverordening kunnen bestemmingsplannen voorzien in de bouw van een bedrijfswoning indien die bedrijfswoning noodzakelijk is en die noodzaak niet tevens het gtevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning. In paragraaf 2.2 staat beschreven dat aan deze beide voorwaarden voldaan wordt.

Voorliggend initiatief is passend binnen het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis

De raad van de gemeente Sint Anthonis heeft op 27 januari 2014 de Structuurvisie voor het Buitengebied vastgesteld. In deze Structuurvisie zijn de hoofdlijnen voor het buitengebied van de gemeente uitgewerkt. Het geeft weer welke waarden belangrijk zijn voor het buitengebied, welke dienen te worden behouden, welke maatschappelijke ontwikkelingen plaatsvinden en hoe de gemeente daarop reageert. In het document worden de identiteit van de gemeente, de belevingskwaliteit en de maatschappelijke trends met elkaar gecombineerd. Samen met de in het document uitgesproken visie op het buitengebied vormen deze uitgangspunten de hoofdlijnen van het beleid voor het buitengebied.

In de Structuurvisie wordt de gemeente onderverdeeld in 6 verschillende gebieden. Voor elk gebied geldt een eigen kader waarbinnen de ontwikkelingen vorm kunnen krijgen. De 6 gebieden zijn:

  • 1. Het agrarische hart;
  • 2. De groene ader;
  • 3. Dynamisch areaal;
  • 4. Markante atmosfeer;
  • 5. Landelijke periferie;
  • 6. Kleurenpalet.


Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in deelgebied 6 'Kleurenpalet' van de Structuurvisie Buitengebied. In het oorspronkelijke oude agrarische landschap, met zijn kleinschalige karakteristiek van het landschap, gaan agrarische bedrijfsactiviteiten meer en meer over naar wonen, toerisme en recreatie, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid. De gemeente wil dat deze functionele ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteiten verder versterken en de kleinschaligheid respecteren en ondersteunen. De ontwikkeling van het plangebied door middel van de toevoeging van een bedrijfswoning en het inrichten van groene delen langs Den Hoek Sluit aan bij deze visie. Met de ontwikkeling van de bedrijfswoning en het inrichten van groene gebieden op het perceel past het bedrijfsperceel beter binnen het woongebied en wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Hiermee past het plan binnen de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis.

3.3.2 Werken aan Ruimtelijke Kwaliteit, Aanvulling Structuurvisies Kernen en Buitengebied

De gemeente Sint Anthonis heeft de provinciale regel voor kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 2.2 van de Verordening ruimte) verder uitgewerkt in haar beleid Werken aan Ruimtelijke Kwaliteit, Aanvulling Structuurvisies Kernen en Buitengebied. In dit beleid staat omschreven hoe bij ontwikkelingen wordt omgegaan met de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld, bij iedere categorie hoort een andere tegenprestatie:

  • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie
  • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing
  • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap

Planspecifiek

Met het plan wordt een nieuwe bedrijfswoning gerealiseerd in het plangebied. Dit is een cat. 3-plan "nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning. Hierbij behoort een investering in de ruimtelijke kwaliteit verricht te worden van 20% van de bestemmingswinst. in bijlage 5 is een berekening opgenomen waaruit blijkt dat dit plan (ruim) voldoet aan deze investering. Dat komt doordat er enerzijds kosten worden gemaakt voor de landschappelijke inpassing (zie bijlage 3 van de planregels). In dit plan worden aan de noordzijde van het perceel, waar dat bedrijfsmatig past, een groenere inrichting aangelegd. De woning op het achtererf van het bedrijf wordt ook ingepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0005.png"

Uitsnede inpassingsplan

3.3.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013", vastgesteld op 18 juni 2013. Op 7 juli 2016 is de "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis" vastgesteld. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Bedrijf' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Tevens heeft het de gebiedsaanduidingen 'overige zone - waarde archeologie 3', 'overige zone - agrarisch gebied' en 'overige zone - bebouwingsconcentratie'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0006.png"
Uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013", plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de huidige bestemming is het realiseren van een bedrijfswoning op dit perceel niet toegestaan. Daarom is het initiatief strijdig met het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief passend is op deze locatie en zal leiden tot een betere landschappelijke inpassing, heeft de gemeente besloten om medewerking te verlenen aan een herziening van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Voor deze locatie is bekend dat er ter plekke van de te slopen bedrijfsbebouwing een bodemvervuiling aanwezig is. Hier geldt een saneringsopgave voordat de bedrijfswoning gebouwd kan worden. Dit is bekend en (juist) onderdeel van de planopzet waar rekening mee wordt gehouden als onderdeel van de uitvoerbaarheid. Het bodemonderzoek is te raadplegen in bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. Uit dat onderzoek komt naar voren dat er een matige verontreiniging aanwezig is. Dat houdt in dat deze met een vrij eenvoudige sanering in lijn met het Besluit Uniforme Saneringen aangepakt kan worden. De verontreiniging is circa 55 m3 groot. Om inzicht te krijgen in de financiële gevolgen, en daarmee in de vraag of deze vervuiling de financiële uitvoerbaarheid ter discussie stelt of niet, is een raming van de duurste saneringsmethode -afvoeren- opgenomen (deze is tot slot opgneomen in de bijlage). Geizen de kosten, € 18.500, kan, gezien het project en de totale kosten en (vermogens)opbrengsten geconcludeerd worden dat het saneren van deze vervuiling betaalbaar is. Daarmee is dit initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt, via de bouwverordening en het besluit Bodembescherming, verder invulling gegeven aan het zorgen voor de laatste benodigde details m.b.t. onderzoek en sanering. In voorliggend bestemmingsplan is, tot slot, tevens voorstaande voorwaardelijk geborgd (zie artikel 3.1.1).

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 228828 (aan Den Hoek ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2017 (µg/m3)   17,27 µg/m3   19,32 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan het toevoegen van 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met dit initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Voor het initiatief is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is te lezen in bijlage 3. De conclusie van de rapportage is dat de voorkeurswaarde van 48 dB met één dB overschreden wordt: 49 dB. Hiervoor wordt een hogere grenswaarde afgegeven.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m³  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Verordening Geurhinder en veehouderij 2016

De gemeente Sint Anthonis heeft een eigen geurbeleid opgesteld, middels de “Verordening geurhinder en

veehouderij gemeente Sint Anthonis 2016”, d.d. 23 juni 2016. Hierin is een aantal scenario's voor de normen en streefwaarden voor geurbelasting onderzocht en is een voorkeurscenario gekozen. Dit vormt de onderbouwing voor de gekozen afwijkingen van Wgv in de Verordening geurhinder en veehouderij voor de gemeente Sint Anthonis.

Streefwaarden voor de achtergrondbelasting zijn opgenomen in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis. Indien de achtergrondbelasting op een geurgevoelig object hoger is dan de toetswaarde, dan is er in beginsel geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De streefwaarden en toetswaarden voor de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) zijn weergegeven in de volgende tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0007.png"

Streefwaarden achtergrondbelasting Beleidsregel

Planspecifiek
Met het initiatief wordt een nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Op basis van de gemeentelijke geurverordening ligt het plangebied binnen het buitengebied, wat wordt aangemerkt als deelgebied E. Hier geldt de gemeentelijke streefwaarde van 10 ou en de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting. Hieraan wordt onderhavige ontwikkeling getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0009.png"

Uitsnede Geurverordening Wgv Sint Anthonis 2016

Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de bedrijfswoning ten aanzien van geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van de indicatieve achtergrondbelasting in 2016 zoals vastgesteld in de geurverordening (zie navolgende afbeelding), is er in het plangebied sprake is van een redelijk goed leefklimaat. Dit komt overeen met een achtergrond belasting van 13,1 ouE/m³. Aangezien de omliggende veehouderijen op slot zitten door naderbij gelegen gevoelige objecten (woningen en bedrijven), geeft deze kaart een realistisch beeld van de huidige achtergrondbelasting ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0011.png"

In de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016 is aangegeven dat binnen het Buitengebied - norm 8 de achtergrondbelasting als 'voldoende' wordt geclassificeerd als er sprake is van een belasting van maximaal 20 ouE/m³. Met een belasting van maximaal 13,1 ouE/m³ wordt aan deze toetswaarde voldaan. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft de sloop van een deel van de bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning. Hiermee wordt een voor omliggende bedrijven milieugevoelig object toegevoegd. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen aanwezig. Op een afstand van 75 meter ligt aan de Rondveld 21 een agrarisch bedrijf met een winkel voor ruitersport artikelen. OP 65 meter ten noorden van het plangebied ligt een tatoeage studio aan Den Hoek 7. Deze vallen beide onder de categorie 'Detailhandel voor zover niet eerder genoemd" in de VNG publicatie, en hebben een richtafstand van 10 meter op basis van mogelijke geluidshinder. Hiermee wordt ruim aan de richtafstanden voldaan. Met onderhavig plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. Tevens worden omliggende bedrijven door ontwikkeling van dit plan niet in hun rechten noch hun mogelijkheden beperkt.

Tevens is bekeken of deze woning eventueel als burgerwoning bestemd en in gebruik genomen kan worden. Voor omliggende woningen en omliggende bedrijven heeft dat geen betekenis maar voor het bedrijf zelf heeft dat wel gevolgen omdat voor een relevant deel van de inrichting deze woning dan de meest nabijgelegen (maatgevende) woning wordt en daarmee beperkend is.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk 2012-2015

De gemeente Sint Anthonis heeft, samen met de overige gemeente in het Land van Cuijk de Beleidsvisie externe veiligheid 2012 gemeenten Land van Cuijk opgesteld. Doelen van deze beleidsvisie zijn:

  • nieuwe ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid beschrijven;
  • gevoel van urgentie/prioriteit geven bij de verschillende EV-situaties door deze situaties te beschrijven;
  • beschrijven hoe de gemeenten gaan voldoen aan de kwaliteitscriteria externe veiligheid.

De beleidsvisie is opgedeeld in 3 hoofdstukken, die de verschillende doelstellingen van de beleidsvisie volgen. In hoofdstuk 3 worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt beschreven in welke mate externe veiligheid bij verschillende risicovolle activiteiten binnen het Land van Cuijk een rol speelt. In het vijfde hoofdstuk wordt ingegaan op de organisatie van externe veiligheid bij de gemeenten in het Land van Cuijk.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0012.png"

Uitsnede risicokaart met in de blauwe cirkel het plangebied (bron: risicokaart.nl)
De nieuwe bedrijfswoning is een kwetsbaar object. Uit de risicokaart is op te maken dat aan Den Hoek 3 een gasdrukregelstation aanwezig is. Daarnaast loopt een buisleiding van het regelstation in westelijke richting.

Gezien de grote afstanden tussen deze locatie en het plangebied levert dit geen belemmeringen op. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig.

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.1.7 Volksgezondheid

Veehouderij en Gezondheid Omwonenden

Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Blootstelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch

(bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.

In onderhavig plangebied en de omgeving hangen gezondheidsrisico’s met name samen met de aanwezigheid van veehouderijen. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, zijn veehouderijen getoetst aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Vooralsnog mag ervanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

In 2016 zijn de resultaten van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd. In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is een aanvullende studie naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan die de eerdere resultaten

bevestigen.

Door het Rijk wordt momenteel een landelijk toetsingskader voor endotoxine ontwikkeld op advies van de Gezondheidsraad. Deze hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervanuit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen teveel aan endotoxinen kan worden beschermd. Omdat dit toetsingskader nog niet is afgerond, heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid vooruitlopend daarop de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0” en de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” opgesteld. Onderdeel daarvan is een stappenplan, dat moet worden doorlopen om te beoordelen of in het kader van het planvoornemen advisering door de GGD wenselijk is.

Stappenplan 2.0:

  • 1. Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Uit deze beoordeling blijkt dat het bedrijfsgebouw uit voorliggend plan zich niet binnen de richtafstanden van veehouderijen in de omgeving bevindt.
  • 2. Het plan betreft het slopen van een oude stal en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
  • 3. Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond). De afstand tot veehouderijen met dieren zonder emissiefactor is groter dan 50 m in het buitengebied (zie paragraaf 4.1.4).
  • 4. Binnen de omliggende veehouderijen is geen sprake van het bedrijfsmatig houden van meerdere diersoorten.
  • 5. Er is geen sprake van de ontwikkeling van een nieuwe geitenhouderij, pluimveebedrijf of overige veehouderij.
  • 6. Er is geen sprake van realisatie mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.
  • 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.

Endotoxinen (pluimvee- en varkenshouderij)

In de VGO-onderzoeken werd aangetoond dat omwonenden gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen.

Het plangebied bevindt zich niet binnen de richtafstanden van pluimvee- of varkenshouderijen.

Geitenhouderijen in de omgeving

Uit de VGO-onderzoeken komt naar voren dat omwonenden van met name pluimveehouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van longontsteking. Echter ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Naar aanleiding van de VGO-onderzoeken adviseert de GGD aan gemeenten om geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij.

Binnen een afstand van 2 kilometer rondom het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Gelet daarop is het planvoornemen aanvaardbaar.

Conclusie

Voorliggend plan heeft in het kader van volksgezondheid geen negatieve invloed op de omgeving van het plangebied. Ook is andersom het woon- en leefklimaat ter plaatse geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van volksgezondheid.

4.1.8 Spuitzonering

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Sinds 1 januari 2017 is het grond van het artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%. Uitgaande van deze verplichte spuitmethode is middels de onderzoeksresultaten van de WUR te onderbouwen dat met een minimale afstand van 35 meter van de bebouwing tot de eerste bomenrij er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Planspecifiek

In de omgeving van onderhavig plangebied zijn de omliggende agrarische gronden niet in gebruik voor de teelt van gewassen, waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen noodzakelijk is. Spuitzonering vormt zodoende geen belemmering voor dit plan.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect spuitzonering.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid Waterschap Aa en Maas

Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:

  • 1. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;
  • 2. Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer';
  • 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 500 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de volgende rekenregel worden toegepast voor het berekenen van de benodigde compensatie:

Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat hiervan is toegevoegd als bijlage 4. Uit de watertoets blijkt dat in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Daarnaast zal de hoeveelheid verhard oppervlak met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen en daarmee onder de vrijstellingsgrens van 500 m2 verhardingstoename blijven.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Dit gebied ligt op circa 8,5 kilometer afstand van het plangebied. Door de geringe omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het te beschermen gebied, is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Het optreden van significante negatieve effecten kan worden uitgesloten.

Soortenbescherming
Het plangebied bestaat uit een geheel verhard bedrijfsperceel met enkele bedrijfsgebouwen. Ten behoeve van de beoogde realisatie van de bedrijfswoning dienen enkele bedrijfsgebouwen te worden gesloopt. Om te beoordelen of deze panden geschikt zijn voor het verblijf van beschermde soorten en, zo ja, of hier dan een ontheffing voor nodig kan zijn en, zo ja, deze dan (al dan niet onder voorwaarden) verkregen kan worden is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dat is te vinden in bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De conclusie van het onderzoek is dat de bebouwing mogelijk geschikt is en ook dat als blijkt dat er inderdaad beschermde soorten aanwezig zijn, dat daar dan (indien nodig) een ontheffing voor verleend kan worden.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied blijft op dezelfde wijze ontsloten via Den Hoek. De verkeersbewegingen van het bedrijf veranderen niet. Met voorliggend plan wordt een deel van de bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt daar een bedrijfswoning voor teruggebouwd welke via het zuiden, via de weg Den Hoek, wordt ontsloten. Zowel het Rondveld als de Den Hoek hebben voldoende capaciteit om de beperkte verkeerstoename als gevolg van deze woning op te vangen.

Wat betreft parkeren is aangesloten bij de parkeernormen van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een vrijstaande woning in het buitengebied van een weinig stedelijke gemeente. De gemiddelde parkeernorm voor deze functie is 2,4 parkeerplaatsen, oftewel 3 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie
Aan de voorzijde van het perceel staat de originele bebouwing van de melkfabriek die hier in het verleden gevestigd was, inclusief de voormalige directeurswoning. Deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing wordt in het voorliggend plan niet gewijzigd. In en rondom het plangebied zijn verder geen cultuurhistorische waarden aanwezig die met voorliggend initiatief worden aangetast.

Archeologie
Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Sint Anthonis weergegeven.
afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0013.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1982.8BPDenHoek10-VA01_0014.png"
Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Sint Anthonis
Het plangebied valt in categorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen met een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 50 cm. Voorliggend plan betreft de sloop van 300 m2 aan bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning met een gelijk of kleiner oppervlak. Hiervoor zal een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Het plan is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Planspecifiek

In onderhavig plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningsverbindingen. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.

4.7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe is voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Bedrijf', met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 3'. Binnen deze bestemming is een bedrijfswoning toegestaan.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met de aanduiding 'Waarde archeologie 3', voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte archeologische waarden.

Verder heeft het gebied de aanduiding 'bebouwingsconcentratie', wat aangeeft dat deze gronden onderdeel vormen van een bebouwingslint of bebouwingscluster.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg niet toegezonden aan de provincie omdat er geen sprake is van een bovenlokaal belang. Het Waterschap Aa en Maas is middels de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan. Over de gewenste situatie bestaat overeenstemming.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van de inspraak ex artikel 3.1.6 Bro opgenomen.

6.4 Verslag zienswijzen

Voor onderhavig plan wordt gezien de aard en beperkte omvang geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.