1.1 Aanleiding
Voor de herontwikkeling van de locatie aan de Van Vlietstraat in Nieuw-Lekkerland, gemeente Molenlanden, is een nieuw plan opgesteld. Onderhavig plan heeft betrekking op het deel dat in bezit is van woningcorporatie Lek en Waard Wonen. De huidige opstallen van 14 duplexwoningen, 1 eengezinswoning en 43 opstallen op de betreffende gronden zullen met de beoogde ontwikkeling plaatsmaken voor 8 grondgebonden woningen, 16 appartementen voor 1 en/of 2-persoons huishoudens en circa 8 garageboxen.
De gemeente heeft in een reactie op het principeverzoek (5 maart 2019) aangegeven positief tegenover dit initiatief te staan en medewerking te willen verlenen aan deze planontwikkeling.
De beoogde ontwikkeling past echter niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Derhalve is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Van Vlietstraat aan de westzijde van de kern Nieuw-Lekkerland welke onderdeel uit maakt van de gemeente Molenlanden.
De betreffende locatie is gelegen in een woonwijk, de locatie grenzend aan de oostzijde van het plangebied is tevens een ontwikkellocatie. Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de rivier de Lek en ten westen van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'Boezems Kinderdijk'.
De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (wit omcirkeld, bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied (wit omkaderd, bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 juni 2012 door de toenmalige gemeente Nieuw-Lekkerland. Daarnaast is een heel klein gedeelte in het noorden van het plangebied gelegen in 'Bestemmingsplan Dijkverzwaren Nieuwlekkerland', welke is vastgesteld op 26 februari 2014.
Het plangebied is in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Groen', 'Verkeer', 'Verkeer - Garage' en 'Wonen'. Daarnaast beschikken de betreffende gronden over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' met uitzondering van een klein gedeelte met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Tevens is het noordelijk gedeelte voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk'.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan (plangebied: rood omkaderd, bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
De beoogde ontwikkeling van 8 grondgebonden woningen aan de Van Vlietstraat en 16 appartementen gestapeld in 2 lagen op het achterterrein past niet geheel binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Om het voorgenomen plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient het geldende bestemmingsplan partieel herzien te worden ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komt de planbeschrijving aan bod. In dit hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige situatie van het gebied toegelicht. De toekomstige situatie betreft het mogelijk maken van de verschillende functies. Volgend op dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader geschetst waarin het relevante beleid voor het planvoornemen uiteen wordt gezet. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeken naar verscheidene haalbaarheidsaspecten toegelicht. In de hoofdstukken 5 tot en met 7 komen achtereenvolgens de juridische planopzet, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid aan bod.
hoofdstuk 2 Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen in de wijk Middelweg in de kern Nieuw-Lekkerland. Deze wijk heeft een eenvoudige architectonische uitstraling en kent weinig tot geen detail. In het plangebied zijn rijwoningen gesitueerd aan de Van Vlietstraat. Deze woningen zijn voorzien van een voor- en achtertuin, hebben een eenvoudige opzet van twee lagen met een kap en bestaan uit 14 duplexwoningen en 1 eengezinswoning.
Navolgende afbeelding toont de huidige situatie van de woningen in het plangebied.
Huidige situatie woningen aan de Van Vlietstraat
Op het achtererf bevinden zich 43 garageboxen welke te bereiken zijn via een entree aan de Van Vlietstraat ten noorden van de bestaande woningen. De garageboxen, bestaande uit één bouwlaag met een plat dak, verkeren in vervallen staat en hebben een rommelige uitstraling.
Navolgende afbeelding geeft de huidige situatie van de garageboxen weer.
Huidige situatie garageboxen
Achter de garageboxen ligt een groene zone bestaande uit grasland, struiken en een waterloop. Een gedeelte van deze groenstrook maakt onderdeel uit van het plangebied, dit betreft het grasland. De waterloop betreft een sloot die overtollig regenwater afvoert naar de wetering.
Navolgende afbeelding toont de huidige situatie van de groene zone.
Huidige situatie groene zone
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied aan de Van Vlietstraat te herontwikkelen. Met de beoogde ontwikkeling worden de huidige woningen, bestaande uit 14 duplexwoningen en 1 eengezinswoning, en de 43 garageboxen gesloopt en worden er nieuwe woningen gerealiseerd. Het nieuwe woonprogramma bestaat uit 8 grondgebonden woningen, bestaande uit twee bouwlagen met een plat dak, aan de Van Vlietstraat en een appartementencomplex op het achterterrein, bestaande uit 16 appartementen, binnen een bouwblok van twee lagen met een plat dak.
De grondgebonden woningen zijn eengezinswoningen en de appartementen zijn geschikt voor één- of tweepersoons huishoudens. Het plan voorziet tevens in 8 garageboxen en 24 bergingen.
Het gebied tussen beide bouwblokken wordt gedeeltelijk ingericht als achtertuinen behorende bij de grondgebonden woningen en het overige deel als gemeenschappelijke tuin. De waterloop aan de achterzijde van het ontwikkelgebied blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. Een deel van noodzakelijk parkeren, 18 plaatsen, wordt aan de zuidzijde van het plangebied opgelost welke via de Van Vlietstraat te bereiken zijn. Hier zijn tevens de 8 garageboxen voorzien.
Op het naastgelegen perceel is de bouwonderneming Den Dunnen bezig met een eigen woningbouw ontwikkeling van rijwoningen. De ontwikkeling van de aangrenzende terreinen wordt solitair uitgevoerd.
Navolgende afbeelding geeft de beoogde situatie weer.
Tekening beoogde situatie plangebied (Bron: JMW Architecten)
Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de beoogde grondgebonden woningen en appartementen.
Impressie beoogde grondgebonden woningen (Bron: JMW Architecten)
Impressie beoogde appartementen (Bron: JMW Architecten)
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Planspecifiek
De SVIR is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek
Het plangebied valt niet binnen een van de thema's van de nationale belangen, het Barro is derhalve niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
- Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
- Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien ligt bij 11 woningen.
De beoogde ontwikkeling voorziet in totaal in 24 woningen (8 grondgebonden woningen en 16 appartementen). Hiermee wordt de ondergrens van 11 woningen overschreden. Wel zijn er in de huidige situatie reeds 15 woningen aanwezig waarmee er ten opzichte van de huidige situatie 9 extra woningen bijkomen, hiermee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desondanks zal de behoefte kort worden toegelicht.
Behoefte
In
toelichting paragraaf 3.4.2 wordt nader ingegaan op de woningbehoefte van Nieuw-Lekkerland, hieruit blijkt dat er met name vraag is naar grondgebonden woningen en sociale huurappartementen. De beoogde ontwikkeling voorziet in deze vraag door het realiseren van 8 grondgebonden woningen en 16 appartementen. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan het op peil houden van de sociale huurwoningen. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied en wordt er met de sloop van de verouderde/vervallen opstallen en de beoogde nieuwbouw een kwaliteitsimpuls gegeven aan het plangebied en directe omgeving.
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsbeleid
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het beleid bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn in werking getreden op 1 april 2019.
Daarnaast zijn operationele doelstellingen opgenomen in het Omgevingsbeleid. Hiermee wordt inzicht verschaft in hoe de provincie invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en - plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
3.2.1.1 Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie is in werking getreden op 1 april 2019.
De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen:
- Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
- het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov(hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
- de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
- het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur
- de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
- de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
- het bodem- en watersysteem;
- energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.
De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
- Naar een klimaatbestendige delta
- Naar een nieuwe economie: the next level
- Naar een levendig meerkernige metropool
- Energievernieuwing
- Best bereikbare provincie
- Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
- Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
- Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.
- Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.
- Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
- Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).
Planspecifiek
- Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief.
- Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling.
- Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
Laag van de ondergrond
Het plangebied maakt onderdeel uit van een Rivierdeltacomplex, de ondergrond bestaat uit rivierklei en veen. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. de oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is in het landschap terug te zien. Voor ontwikkelingen in het rivierengebied is het van belang dat het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar worden gehouden.
Met de beoogde ontwikkeling worden er geen veranderingen aangebracht in de ondergrond waardoor het verschil tussen komgronden en oeverwallen wordt aangetast.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Het plangebied betreft een veenlandschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald voor de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Het landschap kenmerkt zich door een weids gebied met lange zichtlijnen, smalle kavels, vele sloten met hoogwaterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Bij ontwikkelingen dient er met de volgende richtpunten rekening gehouden te worden:
- Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
- Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen
- Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden
- Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
- Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Met de beoogde ontwikkeling wordt er aangesloten bij de richtpunten van het veenlandschap. De ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen het bestaande verkavelingspatroon. Daarnaast wordt de ontwikkeling binnen bestaande structuren gerealiseerd en wordt de huidige bebouwing vervangen.
Laag van de stedelijke occupatie
De beoogde ontwikkeling valt binnen het gebied 'Steden en dorpen'. Elk dorp ontwikkeld zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.
De beoogde ontwikkeling past binnen de bestaande structuur van het dorp en er wordt aangesloten bij de bestaande identiteit van het gebied.
- Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.
Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart:
Herkenbaar waterrijk veenweide
Het veenweidegebied wordt in deze regio gekenmerkt door de langgerekte percelen van de cope-verkaveling met smalle perceelsloten. Meer beeldbepalend dan de kavelstructuur zijn de weteringen en de structuur van de kamers. zij vormen de belangrijkste ruimtelijke eenheden. De ambities voor deze gronden zijn met name gericht op het buitengebied. Onderhavige ontwikkeling bevindt zich in stedelijk gebied ter vervanging van bestaande bebouwing, de herkenbaarheid van de veenweide wordt met deze ontwikkeling dan ook niet aangetast.
Komgronden
De komgronden zijn de gebieden die verder van de rivieren gelegen zijn. Deze werden vroeger regelmatig overstroomd. Ontwikkelingen dien bij te dragen aan het versterken van het contrast tussen verdichte, multifunctionele oeverwallen/ stroomruggen en open kompolders/ veenweide. Daarnaast dienen ontwikkelingen bij te dragen aan de versterking van de visuele relatie tussen de rivier en het achterliggend landschap met de typerende strokenverkaveling. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de typerende strokenverkaveling. De woningen worden in de lengterichting van de kavel geplaatst, waardoor de bestaande structuur benadrukt en behouden wordt.
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities.
3.2.1.2 Omgevingsverordening
Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
- de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
- indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in
toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 2.1.1 van de verordening.
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
- de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
- zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
- het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
- een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
- het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de bestaande structuren en past bij de aard en de schaal van het gebied.
Het plangebied is gelegen binnen de door de provincie aangewezen bebouwde ruimte. Het beter benutten en opwaarderen van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door de ontwikkeling van nieuwe woningen waarbij het aspect duurzaamheid een belangrijke rol speelt. Daarbij worden de vervallen garageboxen verwijderd wat tevens bijdraagt aan een kwalitatieve verbetering van de ruimte.
Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in
toelichting paragraaf 3.2.1.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet
Conclusie
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.2.2 Programma ruimte
In het Programma ruimte is het strategische beleid uit de Visie ruimte en mobiliteit door vertaald naar operationeel beleid en is aangegeven welke mix aan instrumenten de provincie voornemens is om in te zetten en aan wil bieden om deze doelen te realiseren. Op 15 februari 2019 is de geconsolideerde versie van het Programma ruimte in werking getreden.
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio.
Bij het bepalen van de regionale behoefte voor wonen gelden de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van de actuele Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) per gebied die worden beschreven in het Programma ruimte, alsmede eventuele afspraken over het accommoderen van een bovenregionale behoefte. De behoefteramingen geven een bandbreedte aan en worden driejaarlijks geactualiseerd. Regio’s geven hieraan invulling via regionale woonvisies. Aanvullend kan het Programma ruimte ook kwalitatieve- en locatiecriteria formuleren als uitgangspunten voor de regionale visies.
De provincie heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de Verordening ruimte. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk handvat in de fase van regionale visievorming. Als de visies voor wonen en kantoren voldoen aan de behoefteramingen, de locatiekeuzes en kwalitatieve uitgangspunten, zullen Gedeputeerde Staten de visies formeel aanvaarden en beoordeelt de provincie niet langer individuele bestemmingsplannen die overeenkomen met deze regionale visies. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van Gedeputeerde Staten, is daarmee voldaan aan de eerste trede van de ladder. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. Voor aanpassing en het afronden van de regionale visies voor wonen en kantoren geldt als uiterste termijn 1 juli 2015. Nieuwe verstedelijking moet passen in regionale visies en de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit en andere in de visie en verordening aangegeven ruimtelijke kaders. Tevens moet nieuwe verstedelijking passen binnen wettelijke voorschriften.
Planspecifiek
De ontwikkeling bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied en de ontwikkeling is reeds getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie
toelichting paragraaf 3.1.3). Naast het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de provincie de ruimte beter benutten door in te zetten op transformeren, herstructureren en verdichten. De beoogde ontwikkeling sluit hier bij aan. De woningbehoefte wordt nader besproken in het kader van gemeentelijk beleid (zie
toelichting paragraaf 3.4.2). Gesteld wordt dat de ontwikkeling in lijn is met het Programma ruimte.
3.3.1 Regionale woonvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden
Deel I van de regionale woonvisie (2013) schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het ‘wie en waar’ van het wonen in de regio. In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: ‘wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?
In 2017 is de woonvisie geactualiseerd. Een actualisatie van de visie is voldoende, omdat de hoofdlijn van de woonvisie nog steeds actueel is: een krachtige en sociale regio vormen die economisch, sociaal en ruimtelijk zo aantrekkelijk is dat inwoners, bedrijven en bezoekers er graag verblijven.
Wensbeeld 2020
De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Bijzonder, omdat het steden als Gorinchem en Leerdam met voorzieningen en vitale woonmilieus combineert met landelijke, rustige woonmilieus waar vooral traditionele groepen wonen. Dat is een unieke combinatie voor een woongebied op de grens met de Randstad. De Regio levert woonkwaliteit die zorgt voor binding van de eigen inwoners en aantrekken van mensen van buitenaf. Bewoners profiteren van de economische dynamiek van de Randstad en de Brabantse stedenrij (de route naar het Duitse achterland) terwijl het gebied zelf in de luwte daarvan ligt.
De meeste bewoners van de regio blijven hun kern, gemeente of de regio trouw en uitstroom van stedelijk georiënteerde groepen is beperkt. Dat lukt onder meer door goede samenwerking op het gebied van wonen. Die samenwerking is in een stroomversnelling gekomen, met als ankerpunt de regionale woonvisie van 2013. De visie helpt gemeenten om te doen waar ze sterk in zijn, en aan buurgemeenten over te laten waar zij sterk in zijn. Oog voor de onderlinge verschillen en kansen zorgt voor meerwaarde. Het resultaat is meer dan de som der delen.
Het voorzieningendorp Nieuw-Lekkerland is vitaal, door investeringen in bestaande woningen en nieuwbouw. Er komen levensloopbestendige woningen bij, maar velen blijven - na lang wikken en wegen - in de huidige woning wonen en passen deze waar nodig aan. Hier wordt gericht gebouwd voor senioren die de directe nabijheid van voorzieningen en het comfort van seniorenwoningen belangrijk vinden. Deze voorzieningendorpen zijn ook een goede woonplek voor jongere bewoners. In Mentality-termen: de opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden. Velen van hen willen graag in een dorp wonen, maar dan wel goed bereikbaar met voorzieningen. Door hier met woningverbetering én nieuwbouw precies op in te spelen, is dit dorp een passend thuis, zowel voor starters als (daarna) als doorgroeiers.
Kwantitatieve behoefte
Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van ca. 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de Regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regioniveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei.
De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar.
Kwalitatieve behoefte
Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in:
- behoud van kwaliteit en uitstraling,
- woonlastenbeperking en energie en
- comfortverbetering in relatie tot zorg.
Geen van de gebieden gaat 'op slot' maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment.
Planspecifiek
De zogenoemde Mentality-doelgroepen die voor Nieuw-Lekkerland het meest relevant zijn, zijn de Traditionele burgerij (TB) en de Moderne burgerij (MB). Met de beoogde ontwikkeling wordt er met name aangesloten bij woningbouw voor de MB, nabij voorzieningen, traditioneel-eigentijds, grondgebonden en appartementen, meestal middelduur. Tevens draagt de ontwikkeling bij aan de kwantitatieve woningbehoefte van de regio.
Een actie en inspanning uit de woonvisie is 'vervanging van woningen tot 2020': corporaties bouwen 1050 sociale huurwoningen en 250 vrijesector-huurwoningen ter vervanging van 1.100 huidige sociale huurwoningen. Uit de actualisatie van 2017 blijkt dat in de periode 2012-2016 zijn ca. 650 huurwoningen (zowel sociaal als vrije sector) nieuw gebouwd zijn. De visie uit 2013 stuurt aan op een vrijwel stabiele sociale huurvoorraad, met mogelijk nog groei in stedelijk gebied. Op basis van de actuele biedingen van de corporaties zal de sociale huurvoorraad regionaal gezien krimpen, met als gedachte dat enerzijds de zoektijd kort is in de regio, en anderzijds dat er voor middeninkomens goede alternatieven ontstaan in de goedkope koopsector tot €200.000 en (in mindere mate) in de vrijesectorhuur. Corporaties blijven ondertussen wel investeren in voorraadvernieuwing. Er is daarmee geen druk op de sociale huurvoorraad. Met de beoogde ontwikkeling wordt de sociale huurvoorraad op peil gehouden en worden er goedkope huurappartementen toegevoegd.
Het programma is regionaal afgestemd. Het programma is getoetst aan de regionaal gemaakte afspraken en akkoord bevonden door de gemeente Molenlanden. "De beneden- en bovenwoningen bieden de mogelijkheid voor starters om in Nieuw-Lekkerland te huren en niet te hoeven verhuizen naar omliggende kernen. De kleine eengezinswoningen bieden de mogelijkheid voor stellen om samen te gaan wonen waarmee appartementen vrij kunnen komen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Het sloop- en nieuwbouwplan heeft geen concurrentie van andere plannen. In Nieuw-Lekkerland zijn de komende tijd geen andere nieuwbouwplannen in de sociale huur gepland." aldus de gemeente Molenlanden.
3.3.2 Regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden
In de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden van RBOI, wordt een groot belang gehecht aan de leefbaarheid van de kleine kernen en het behoud van een basisvoorzieningenniveau. De kernenprofilering biedt hiervoor een helder kader. In de kernenprofilering wordt de kern Nieuw-Lekkerland aangeduid als verzorgingskern met perspectief op uitbreiding wonen op lange termijn. De structuurvisie zegt hierover dat de basisvoorzieningenfunctie van vooral de verzorgingskernen moet worden versterkt. Nieuw-Lekkerland is zo’n verzorgingskern.
Planspecifiek
Met de sloop van de bestaande woningen en vervallen garageboxen en de bouw van nieuwe woningen wordt er gezorgd voor een kwaliteitsimpuls waarmee wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van de kern Nieuw-Lekkerland. Indirect draagt de ontwikkeling ook bij aan het behoud van het basisvoorzieningenniveau doordat de nieuwe woningen nieuwe bewoners aantrekken ofwel bewoners vasthouden. Verder is de structuurvisie niet specifiek van toepassing.
3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard 2030
In de toekomstvisie (voorjaar 2012) heeft de voormalige gemeente Molenwaard de beleidsdoelen en ambities voor verschillende thema’s benoemd: wonen, economische dragers, ondersteuning, voorzieningen en landschap. Impliciet is in de doelen rekening gehouden met een veranderende wereld: een veranderende bevolkingssamenstelling, veranderende leefstijlen, een veranderende economische structuur en klimaatverandering. De doelen geven richting aan en kaders voor de gemeentelijke inzet. De volgende beleidsthema’s zijn benoemd:
- Wonen: woonbehoeften dorpen en stad zijn leidend.
- Economische dragers: werk voor onze inwoners
- Ondersteuning: samen een vangnet vormen
- Voorzieningen: vraaggericht
- Landschap: waardevol cultuurlandschap benutten
Planspecifiek
Met name het beleidsthema 'Wonen' is relevant voor het voorliggende plangebied. Voormalige gemeente Molenwaard, waar de kern Nieuw-Lekkerland onderdeel van uitmaakte, wil een comfortabele en veilige woon- en werkomgeving bieden in een levendig, groen en duurzaam landschap en binnen een sociaal hechte gemeenschap. Er wordt in ieder geval plaats geboden aan de mensen die al in de voormalige gemeente Molenwaard wonen en die willen blijven wonen en mensen die binding hebben met de gemeente, bijvoorbeeld omdat ze hier werken of hier voorheen gewoond hebben. Met de beoogde ontwikkeling worden 15 woningen gesloopt en daarvoor in de plaats worden in totaal 24 nieuwe woningen gebouwd (8 grondgebonden woningen en 16 appartementen). Hiermee wordt ruimte geboden aan inwoners die in aanmerking komen voor sociale woningbouw. Tevens draagt de ontwikkeling bij aan een levendig, groen en duurzaam landschap. In
toelichting paragraaf 3.4.2 wordt nader ingegaan op de woningbehoefte van de voormalige gemeente Molenwaard.
3.4.2 Meerjarenperspectief Wonen Molenwaard
Het Meerjarenperspectief Wonen (MPW) heeft het karakter van een leidend principe. Het MPW vormt het vertrekpunt en geeft richting aan projecten van zowel gemeenten als van derden. In het MPW staat de vraag centraal. Dat gebeurt in de eerste plaats door het ontwikkelen van projecten binnen het Kernprogramma.
Belangrijke principes zijn:
- De geprognosticeerde woningbehoefte is richtinggevend voor het te bouwen aantal woningen per kern.
- De vraag in de kern is leidend.
De focus voor woningbouw ligt op mensen die al in de gemeente wonen en die willen blijven, mensen die een binding hebben met de gemeente, starters, doorstromers en senioren.
Planspecifiek
In de kern Nieuw-Lekkerland is voor de periode 2015-2030 het programma 330 woningen. De behoefte voor deze periode is geraamd op 430 tot 690 woningen. Daarmee is nog ruimte voor ca. 100 tot 360 woningen.
Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van inbreiding in Nieuw-Lekkerland. De ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte. In de sociale huursector is met name behoefte aan appartementen om tegemoet te komen aan de woonwensen van een veranderende bevolking.
Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met het MeerjarenPerspectief Wonen Molenwaard.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
- de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
- Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
- Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
- De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Planspecifiek
Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) beperkt toe. De ontwikkeling valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie 11.2 onder D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Echter voldoet de ontwikkeling niet aan de grenswaarde van 2000 woningen of meer. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid c.
Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze conclusie zal nader getoetst worden door het bevoegd gezag.
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Planspecifiek
Gezien er delen in het plangebied zijn waar sprake is van een wijziging naar een strenger bodemgebruik, dient er ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem in overeenstemming is met het beoogde gebruik. er is derhalve een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd door AT MilieuAdvies B.V. voor de Van Vlietstraat 1a-15b in Nieuw-Lekkerland (februari 2019, zie
bijlagen bij toelichting).
Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er conform de wet bodembescherming (Wbb) aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek. Het nader onderzoek richt zich enerzijds op de aangetoonde matige verontreiniging met zink in de sliblaag ter plaatse van de slootdemping op locatie en anderzijds op de aangetroffen asbestverontreiniging in de grond achter de garages aan de oostzijde van de locatie. Derhalve is nader bodem en asbestonderzoek uitgevoerd door AT MilieuAdvies B.V. (april 2019, zie
bijlagen bij toelichting).
Op basis van de ingeschatte omvang van de sterk zinkverontreiniging is volgens de Wet bodembescherming (Wbb) geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Mogelijk loopt de gedempte sloot door tot buiten de grenzen van de onderzoekslocatie (in noordwestelijke richting) en daarmee ook de verontreiniging met zink. Hierdoor is het niet uitgesloten dat het bevoegd gezag toch een deelsanering kan opleggen. Het definitief vaststellen van de ernst van de verontreiniging is voorbehouden aan het bevoegd gezag.
Op basis van de resultaten van het nader asbestonderzoek in grond is de hoeveelheid met asbest verontreinigde bovengrond tot boven de normwaarde achter de twee aanwezige garageblokken op de locatie ingeschat op in totaal 10 m². Ten aanzien van asbest in grond zijn conform de Wet bodembescherming saneringsmaatregelen noodzakelijk. Voorafgaand aan de saneringsmaatregelen dient een saneringsplan of een BUS-melding op te worden gesteld.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
- scholen;
- kinderdagverblijven;
- verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
De realisatie van 8 grondgebonden woningen en 16 appartementen ter vervanging van de huidige 15 woningen aan de Van Vlietstraat in Nieuw-Lekkerland, kan gezien de beperkte omvang aangemerkt worden als een NIBM-project. De toename het aantal verkeersbewegingen dat met de beoogde ontwikkeling veroorzaakt zal worden zal 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van NSL-monitoring (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit nabij het plangebied. De achtergrondconcentraties (rekenpunt 141162) over 2017 geven de volgende waarden: 22,7 μg/m³ NO2, 18,5 µg/m³ PM10 en 11,4 µg/m³ PM2,5. Uit de achtergrondconcentraties van stikstof (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is en de luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.
Planspecifiek
In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt. Dit is de zone langs een weg waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn de wegen:
- die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
- waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/u.
De nieuw te realiseren woningen liggen binnen de bebouwde kom van Nieuw-Lekkerland binnen de geluidzone van de Lekdijk, op een afstand van circa 82 m. Tevens liggen er enkele drukken 30 km/u wegen in de nabijheid van het plangebied. Er dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Derhalve heeft Adviesburo van der Boom de geluidbelasting van wegverkeer voor de beoogde woningen aan de Van Vlietstraat onderzocht (21 maart 2019,
bijlagen bij toelichting).
Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Lekdijk op de noordgevel ten hoogste 42 dB bedraagt na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee niet overschreden. Een hogere waarde voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Lekdijk is niet nodig.
De geluidbelasting door alle wegen samen, inclusief omliggende 30 km wegen, bedraagt ten hoogste 52 dB. Voor het aspect geluid zal er dan ook sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening wanneer er voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt dan GA;k 20 dB, dat is de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. Er zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig die de minimumeisen te boven gaan.
Er bevindt zich geen spoor in de nabijheid van het plangebied waar geluidshinder van verwacht kan worden. Tevens zijn er geen bedrijven in de omgeving van het plangebied die mogelijk geluidsoverlast kunnen veroorzaken ter plaatse van het plangebied.
Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling van 8 grondgebonden woningen en 16 appartementen aan de Van Vlietstraat in Nieuw-Lekkerland.
4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart (Plangebied: zwart omcirkeld, bron: Risicokaart.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat de dichtst bijgelegen risicovolle inrichting zich op een afstand van circa 275 m bevindt. Deze risicovolle inrichting betreft een chloorbleekloogtank van een zwembad. Van deze inrichting is geen plaatsgebonden risico en groepsrisicoafstand bekend. Echter gezien afstand, en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de ligging van woningen op kortere afstand tot de inrichting kan er aangenomen worden dat het zwembad geen belemmering vormt voor de beoogde woningen.
Daarnaast bevindt zich op een afstand van circa 313 m ten noorden van het plangebied de Lek, welke onderdeel uitmaakt van het Basisnet water. Volgens de Regeling basisnet kent de Lek (vanaf Lekkanaal tot Nieuwe Maas) een plaatsgebonden risico contour (PR10-6) van 0 m, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Tevens ligt de ontwikkeling niet binnen 200 m vanaf het hart van het Basisnet water, daarmee is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te verantwoorden. Bovendien voorziet de ontwikkeling slechts in 9 extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan gesteld worden dat het Basisnet water geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Er bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen andere risicovolle inrichtingen en/of transportroutes en buisleidingen. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan aan de Van Vlietstraat in Nieuw-Lekkerland.
4.6 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
- bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
- decentralisatie van verantwoordelijkheden;
- vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
- strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
- andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.
Planspecifiek
In het kader van de beoogde ontwikkeling aan de Van Vlietstraat in Nieuw-Lekkerland is er door Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd (februari 2018, zie
bijlagen bij toelichting). De bevindingen worden navolgend toegelicht.
Gebiedsbescherming
Het plangebied valt niet binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 of NNN. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, bevindt zich op circa 300 m afstand ten westen en zuidwesten van het plangebied. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen niet verwacht.
Desondanks dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling niet leidt tot stikstoftoename ter plaatse van het Natura 2000-gebied. Om de stikstof te berekenen is een AERIUS berekening toegepast in het kader van het voormalige Programma Aanpak Stikstof (PAS) (zie
bijlagen bij toelichting). Inmiddels heeft de Raad van State beslist dat het PAS niet meer gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Uit de berekening blijkt echter dat er geen toename (0,00 mol/ha/j) van stikstofdepositie op treedt met de beoogde ontwikkeling. Het Natura 2000-gebied vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie.
De onderzoekslocatie ligt tevens in de nabijheid van een gebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 125 m ten noorden van het plangebied. Het betreft de rivier de Lek. Door de beoogde ontwikkeling in combinatie met de afstand van het plangebied, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast.
Vervolg onderzoek in het kader van Natura 2000-gebieden of het NNN wordt niet noodzakelijk geacht.
Soortenbescherming
Uit dit onderzoek is gebleken dat aanvullend ecologisch onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen nodig is. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.
Aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd van april tot en met september 2018 door Econsultancy (zie
bijlagen bij toelichting).
Op basis van de resultaten van het aanvullend ecologisch onderzoek kan met voldoende zekerheid worden gesteld dat bij de voorgenomen herontwikkeling geen sprake is van verstoring van vaste nest- en rustplaatsen van de huismus en gierzwaluw, en van vaste voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van essentieel foerageerhabitat van vleermuizen niet in het geding komen en vliegroutes van vleermuizen zullen niet worden verstoord. Als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht.
Het is mogelijk dat zich op de onderzoekslocatie ten tijde van de voorgenomen ingreep algemene broedvogels, grondgebonde zoogdieren en amfibieën bevinden. Ondanks dat voor deze te verwachten soorten overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet aan de orde zijn vanwege een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. In het geval van algemene broedvogels kunnen bijvoorbeeld overtredingen worden voorkomen door eventueel aanwezige nest-gelegenheden buiten het broedseizoen te verwijderen. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden.
4.7 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in het westen van de kern Nieuw-Lekkerland en bevindt zich in een omgeving met vrijwel alleen woningen. Voor de onderhavige aanvraag moet inzichtelijk gemaakt worden of er voor de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of de nieuwe woningen bestaande bedrijven niet in bedrijfsvoering hindert.
Onderstaande tabel geeft nabijgelegen bedrijven/inrichtingen en bijbehorende richtafstanden weer op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'.
| Adres | SBI 2008 | Bestemming | Milieucategorie | Minimale afstand tot plangebied | Werkelijke afstand tot plangebied | Voldoet |
| Middelweg 4 | 561 | Restaurant | 1 | 10 | 45 | ja |
| Klipperstraat 20 | 931 | Sporthal | 3.1 | 50 | 240 | ja |
| Vletstraat 9 | 931 | Tennisclub | 3.1 | 50 | 230 | ja |
| Vletstraat 2 | 931 | Zwembad | 4.1 | 200 | 285 | ja |
Uit voorgaande tabel blijkt dat de nieuwe woningen op voldoende afstand van omliggende functies zijn gesitueerd. In het vigerende bestemmingsplan is het terrein grenzend aan de oostzijde van het plangebied bestemd voor een bedrijf behorende tot categorie 1 of 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het is echter niet noodzakelijk om hier aan te toetsen gezien het bedrijf reeds is verdwenen en er plannen liggen om woningbouw te realiseren op dit terrein.
Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw. Tevens zullen de woningen bedrijven of inrichtingen niet belemmeren in de bedrijfsvoering.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
Archeologie
Voor het overgrote deel van het plangebied geldt in het vigeren bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Met deze waarde is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm-Mv. Gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen is archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Transect heeft dit benodigde archeologisch onderzoek uitgevoerd (25-03-2019, zie
bijlagen bij toelichting).
Uit het bureau- en verkennend booronderzoek is gebleken dat een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. Er bevinden zich geen archeologisch relevante niveaus (binnen 5m -Mv). er wordt geadviseerd om in het toekomstige bestemmingsplan geen dubbelbestemming archeologie op te nemen. In het kader van geplande ontwikkelingen wordt dan ook geadviseerd het plangebied vrij te geven wat betreft archeologisch onderzoek. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken aan het licht komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag.
Cultuurhistorie
In of in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische gebouwen of monumenten. Het dichtst bijgelegen rijksmonument betreft een molen en bevindt zich op een afstand van circa 240 m van het plangebied. Deze molen is niet voorzien van een molenbiotoop. Tevens bevindt de ontwikkeling zich op een ruime afstand achter reeds bestaande bebouwing. De ontwikkeling heeft geen invloed op het zicht en de windvang van de molen. Het rijksmonument vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.9.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.9.2 Waterschap Rivierenland
Waterschapsbeleid
De gemeente en het Waterschap Rivierenland hebben het stedelijk waterplan Leerdam vastgesteld (mei 2008), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.
Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.
4.9.3 Watertoets
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
Planspecifiek
In de huidige situatie is het plangebied voor een groot gedeelte verhard. Met de beoogde ontwikkeling van woningbouw wordt het bestaande grasveldje deels verhard ten behoeve van parkeergelegenheid. Daarmee wordt er een toename van de verharding verwacht. Onderstaande tabel toont de verhardingsbalans van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie.
| | Bestaande situatie (m²) | Bestaande situatie verhard (m²) | Toekomstige situatie (m²) | Toekomstige situatie verhard (m²) |
| Water | 217 | - | 217 | - |
| Groen | 732 | - | 757 | - |
| Dakoppervlak (woningen) | 380 | 380 | 903 | 903 |
Dakoppervlak (garages/bijgebouwen) | 745 | 745 | 263 | 263 |
| Verharding (overig) | 757 | 757 | 890 | 890 |
| Tuin (60% verhard) | 575 | 345 | 374 | 224 |
| Totaal oppervlak | 3.405 | 2.227 | 3.404 | 2.280 |
Uit de verhardingsbalans blijkt dat het verhard oppervlak toeneemt met (2.280 m² - 2.227 m²) 53 m². Hiermee blijft de toename aan verharding ruim onder de grenswaarde van 500 m². Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk.
De riolering van de nieuwbouw zal aangesloten worden op het gemeentelijk riool. Hemelwater zal worden afgekoppeld van het rioleringssysteem en wordt direct afgevoerd naar de wetering via de sloot aan de oostzijde van het plangebied.
Het plangebied valt gedeeltelijk binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Een klein gedeelte van de beoogde bebouwing valt binnen deze dubbelbestemming. Gezien de ligging en de omvang van de ontwikkeling zal er geen onevenredige aantasting ontstaan van de belangen van de waterkering en het kwalitatieve waterbeheer. Tevens zal de dubbelbestemming in het nieuwe bestemmingsplan behouden blijven, op deze manier blijft de kwaliteit van de waterkering gewaarborgd.
4.10 Duurzaamheid
Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn.
Nederland in 2050 vrij van aardgas
Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.
De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
Energie (EPC)
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Vanaf 1 januari 2015 geldt voor woningen een wettelijke EPC van 0,4. In 2020 wordt deze verder aangescherpt en streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal.
MilieuPrestatie Gebouwen (MPG)
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.
De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.
Milieuprestatie Gebouw (MPG)
Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²).
Planspecifiek
De gemeente Molenlanden streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven.
De beoogde woningen zullen als 'nul op de meter-woningen' worden uitgevoerd. De woningen worden gasloos gebouwd en voorzien van zonnepanelen en infraroodverwarming. De woningen voldoen hiermee aan de BENG-eisen.
4.11 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied.
4.11.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Met de ontwikkeling worden er 8 grondgebonden woningen gerealiseerd en 16 appartementen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt er uitgegaan van 'niet stedelijk gebied' in 'rest bebouwde kom'.
Navolgende tabel geeft de verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de kengetallen uit publicatie 381 van het CROW.
| | Verkeersgeneratie per woning | Aantal | Totale verkeersgeneratie |
| Huur, huis, sociale huur | 5,2 | 8 | 41,6 |
| Huur, appartement, sociale huur | 3,7 | 16 | 59,2 |
| | | | 100,8 |
Met de beoogde ontwikkeling vindt er een beperkte toename plaats van het aantal verkeersbewegingen. Bovendien komen de huidige verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de bestaande woningen te vervallen. Verwacht wordt dat de Van Vlietstraat over voldoende capaciteit beschikt om de beperkte verkeerstoename op te vangen.
Gesteld wordt dat het aspect verkeer geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.11.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
De voormalige gemeente Molenwaard heeft de Nota Parkeernormen (2018) opgesteld. In de huidige situatie zijn er voor de bestaande woningen voldoende parkeerplaatsen voorzien in de openbare ruimte. Er wordt van uitgegaan dat deze parkeerplaatsen beschikbaar blijven voor de toekomstige woningen.
Daarnaast worden er met de beoogde ontwikkeling nog eens 18 parkeerplaatsen aan de zuidzijde van het plangebied gerealiseerd en 8 garageboxen die tevens gebruikt kunnen worden voor het parkeren van auto's. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de situatietekening ter plaatse van de beoogde parkeerplaatsen in het plangebied.
Beoogde parkeerplaatsen in het zuiden van het plangebied (parkeervlakken: wit, garageboxen: grijs)
De beoogde ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid. De gemeente heeft reeds aangegeven dat het aantal parkeervoorzieningen voldoet aan de vraag.
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving
5.1 Planvorm
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden.
Het bestemmingsplan bestaat uit de juridische bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergeven, met daarbij de randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan.
De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2 Opbouw regels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
5.3 Bestemmingen
In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.
Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting:
Groen
De strook tussen de grondgebonden woningen en de appartementen krijgt een groenbestemming. De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermstroken en plantsoenen. Op de gronden binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming.
Verkeer
De bestemming 'Verkeer' is aangewezen voor de gronden van de beoogde wegen/ in- en uitritten en parkeervoorzieningen. Daarnaast is deze bestemming onder andere ook bestemd voor groenvoorzieningen, verblijfsvoorzieningen en zitgelegenheden.
Verkeer-Garage
De bestemming 'Verkeer-Garage' is opgenomen ter plaatse van de beoogde garageboxen. Hier zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan die ten dienste staan van deze bestemming. de bouwhoogte van garageboxen mag niet meer dan 3 m bedragen en de breedte mag maximaal 4 m bedragen.
Wonen
Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de bestemming 'Wonen' toegekend. Binnen deze bestemming is aan de nieuw te realiseren hoofdgebouwen een bouwvlak toegekend. De specifieke aanduiding 'aaneengebouwd' regelt dat uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding en de specifieke aanduiding 'gestapeld' regelt dat uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding.
hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is voorliggend bestemmingsplan gestuurd naar de relevante overlegpartners. Van deze overlegpartners heeft alleen Waterschap Rivierenland het plan van inhoudelijke reactie voorzien. De reactie is verwerkt in het bestemmingsplan.
6.2 Zienswijzen
Er is één zienswijze ingediend; in essentie richt deze zich tegen het feit dat een kaart met daarop de minimale afstanden tussen de woning/het perceel van betrokkene en de nieuwbouw niet ter beschikking is gesteld. In reactie daarop heeft initiatiefnemer de kaart ter beschikking gesteld, met daarin de minimale afstanden zoals tussen initiatiefnemer en de indiener van de zienswijze is overeengekomen. De ingediende zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot een wijziging van het plan. In de Nota Zienswijzen, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 8, is een volledige behandeling van de zienswijze opgenomen.
hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voorliggend bestemmingsplan heeft echter een conserverend karakter en staat geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen toe. Gezien de beperkte mate waarin er extra ruimte is om kassen te bouwen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, is er geen sprake van een bouwplan volgens het Bro. Enkel aan het opstellen van het bestemmingsplan zijn kosten verbonden die door de gemeente bekostigd worden. Verder worden er geen kosten gemaakt bij het opstellen van het bestemmingsplan. De economische haalbaarheid van het plan kan hierdoor als aangetoond worden beschouwd.
Planspecifiek
Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers woningen gebouwd.
De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld.
De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.