| Plan: | Hoogblokland, Bazeldijk 50 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1978.BPBazeldijk50HBL-VG01 |
APH is voornemens om op het bedrijfsterrein aan de Bazeldijk 50 te Hoogblokland opslag van asfaltgranulaat te overkappen. De overkapping is benodigd om de benzeenemissie te reduceren.
De beoogde overkapping is op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ niet toegestaan.
Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken moet er voor de beoogde overkapping een partiële herziening van het bestemmingsplan worden vastgesteld.
De locatie van de voorgenomen overkapping is gelegen op het bedrijfsterrein van APH. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het bedrijventerrein met de situering van de beoogde overkapping (hierna: plangebied) weergegeven.
Afbeelding 1.1: ligging en globale begrenzing plangebied
Het bestemmingsplan 'Hoogblokland, Bazeldijk 50' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en daarin wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving.
Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden' vigerend, vastgesteld op 27 juni 2013 door de gemeenteraad Giessenlanden. Afbeelding 1.2 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weer.
Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Ter hoogte van de beoogde overkapping gelden de volgende bestemmingen:
Bedrijf met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - asfaltverwerkingsbedrijf'
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - asfaltverwerkingsbedrijf': uitsluitend een asfaltproductie-, -bewerkings- en -verwerkingsbedrijf;
Bouwregels
Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming worden gebouwd:
met dien verstande dat:
Gebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
De voorgenomen ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan, omdat de gewenste overkappingen buiten het bouwvlak worden gesitueerd.
Gelet op bovengenoemde dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een partiële herziening van het bestemmingsplan worden opgesteld, waarmee de beoogde overkapping mogelijk wordt gemaakt.
Op de archeologische dubbelbestemmingen ter hoogte van het plangebied wordt ingegaan in paragraaf 4.7. De gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' komt aan bod in paragraaf 4.1.
In de regels en verbeelding is de gehele bedrijfsbestemming meegenomen (Bazeldijk 50 in afbeelding 1.2), waar ter hoogte van de overkapping een bouwvlak is opgenomen met de daarbij behorende bouw- en goothoogtes.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en beoogde situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht.
Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein van APH aan de Bazeldijk 50 in Hoogblokland. Het bedrijventerrein is gelegen in het buitengebied ten zuiden van Meerkerk en ten noorden van Hoogblokland en Arkel. De locatie is direct gelegen aan het Merwedekanaal.
In onderstaande afbeelding is het plangebied en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 2.1: plangebied en omgeving
APH is een asfaltverwerkingsbedrijf dat is gespecialiseerd in de productie van warm- en koudasfalt. Sinds 1969 is het asfaltverwerkingsbedrijf gevestigd aan de Bazeldijk 50 te Hoogblokland. Toen de eerdere asfaltcentrale in 1999 werd vernieuwd, is vanwege de landschappelijke inpassing de groene zoom rondom het opslagterrein aangelegd.
In de onderstaande afbeelding is de bestaande situatie van het bedrijventerrein weergegeven, met de locatie van de voorgenomen overkappingen.
Afbeelding 2.2: Bestaande situatie met locatie beoogde overkappingen
Ter hoogte van de voorgenomen overkapping zijn nu reeds zes opslagvakken voor recyclingasfalt aanwezig. De bestaande keerwanden van deze opslagvakken zijn 3,2 meter hoog. De totale oppervlakte van deze zes opslagvakken bedraagt nu circa 4.300 m2.
Benzeen
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.5, lid 1, 4, 7) is een norm (emissiegrenswaarde) opgenomen voor benzeen, deze bedraagt 1 mg/Nm3.
In april 2021 zijn er metingen verricht bij APH naar onder meer stof benzeen. Gebleken is dat de norm van 1 mg/Nm3 voor benzeen werd overschreden. Naast de meting in april 2021 heeft in het voorjaar van 2021 nader onderzoek naar benzeen plaatsgevonden in opdracht van de Vakgroep Bitumineuze Werken van Koninklijke Bouwend Nederland (VBW). Dit onderzoek met continue metingen had het doel inzicht te krijgen welke parameters invloed hebben op de benzeenemissie.
Door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is aan APH gevraagd oplossingsrichtingen te beschrijven om de benzeenemissie zo spoedig mogelijk binnen de wettelijke norm te krijgen. Op 21 juni 2021 heeft APH een plan gepresenteerd dat bestaat uit maatregelen om de benzeenemissie te beheersen. Eén van de maatregelen is het overkappen van de opslagvakken voor recyclingasfalt.
Het voornemen bestaat uit het realiseren van een zestal overkappingen over de reeds aanwezig opslagvakken voor recyclingasfalt.
Tot nu toe wordt dit 'asfalt geschikt voor warm hergebruik' in de open lucht opgeslagen. Echter, voor de productie van recyclingasfalt moeten de grondstoffen, waaronder het asfaltgranulaat, droog zijn. Het droog opslaan van recyclingasfalt heeft twee voordelen, het is namelijk duurzaam en het zorgt voor het reduceren van benzeenemissie.
Reduceren benzeenemissie (bron: rapportage VBW onderzoeksprogramma reductie benzeenemissie bij asfaltproductie, d.d. 29 juni 2021)
De benzeenemissie ontstaat in de zwarte trommel waar asfaltgranulaat wordt gedroogd en verwarmd. Toename van het vochtpercentage heeft tot gevolg dat meer energie per eenheid asfaltgranulaat moet worden toegevoerd maar dat de asfaltgranulaatdeeltjes minder snel opwarmen omdat het verdampen van water (bij 100°C) veel energie vergt. Als het asfaltgranulaat met meer vocht, dus natter, in de recyclingtrommel komt, wordt met een hogere branderstand het asfaltgranulaat op temperatuur gebracht. Door deze hogere branderstand wordt er meer stralingswarmte geproduceerd, waardoor er ook meer benzeen ontstaat. Door asfaltgranulaat onder de overkapping op voorraad te leggen blijft het vochtgehalte zo laag mogelijk.
Duurzaam
Naast het reduceren van benzeen heeft de overkapping ook een positieve uitwerking op het oogpunt van duurzaamheid, doordat er minder aardgas gestookt hoeft te worden dan wanneer de asfaltgranulaat vochtig in de recyclingtrommel gaat.
Het dak van de overkapping wordt daarnaast voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen duurzame elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd.
Landschappelijke inpassing
In navolgende afbeeldingen zijn de locatie en de aanzichten van de voorgenomen overkappingen weergegeven (afbeelding 2.4 en 2.5).
Toen de eerdere asfaltinstallatie in 1999 werd vernieuwd, is vanwege de landschappelijke inpassing de groene zoom rondom het opslagterrein aangelegd. Verder is destijds, vanwege de zichtbaarheid, het bouwvolume van de asfaltinstallatie uitgevoerd in twee neutrale kleuren. De onderzijde tot "boomhoogte" is toen uitgevoerd in donker grijs en het bouwvolume boven de bomen in lichtgrijs. Op afbeelding 2.3 is te zien dat de boomhoogte gelijk is aan de toegepaste donker grijze kleur bij de asfaltinstallatie.
Omdat de hoogte van de overkapping ongeveer gelijk is aan de hoogte van de omringende bomen van de groene zoom, wordt de overkapping uitgevoerd in donker grijs, zoals de onderzijde van het bestaande bouwvolume. Op deze wijze wordt het landschappelijk ingepast. Zie hiervoor afbeelding 2.5.
Afbeelding 2.3: boomhoogte gelijk aan donker grijze kleur asfaltinstallatie
Afbeelding 2.4: Locatie overkapping
Afbeelding 2.5: aanzichten
De gehele overkapping heeft een hoogte van circa 16,8 m (inclusief PV-panelen) en een breedte en diepte van circa 159 meter en 31 meter. Deze is opgedeeld in zes vakken van ieder circa 26,4 meter breed.
De hoogte van circa 16,8 m is benodigd, omdat er een vrije hoogte van 14 meter moet zijn. De vrije hoogte van 14 meter is benodigd voor de kiephoogte van trailers.
De hoogte van de keerwanden van 3,2 meter blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. De oppervlakte van de opslagvlakken blijft in de nieuwe situatie ook circa 4.300 m2. Het dak heeft een overstek aan de voorzijde wat er voor zorgt dat het bebouwd oppervlak circa 4.900 m2 bedraagt.
De andere bouwwerken op het bedrijventerrein blijven ongewijzigd.
In dit hoofdstuk komt het relevante beleid van verschillende overheden aan bod.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomst- perspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond.
Het plan is kleinschalig van aard en er worden daarmee geen Rijksbelangen geschaad.
Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen.
Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Het plan maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke Rijksbelangen in het Barro.
In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt er een overkapping mogelijk gemaakt op een bestaand bedrijfsterrein. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet noodzakelijk.
Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 7 augustus 2021 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 in werking getreden (Omgevingsvisie Zuid-Holland inzake Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon:
De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
Bevorderen energietransitie
De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 85 -95% in 2050 ten opzichte van 1990. Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken.
De beste manier om het gebruik van fossiele bronnen terug te dringen, is het volgen van de trias energetica. Op de eerste plaats door besparen. Op de tweede plaats hernieuwbare bronnen benutten. Op de derde plaats onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken zodat ze tot een zo min mogelijk CO2-uitstoot leiden.
Om een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland te realiseren wordt rekening gehouden met de (omgevings)kenmerken van Zuid-Holland, zoals relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen. De provincie spant zich daarnaast in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energiegebruik en uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), energiebesparing is de voordeligste manier van CO2 –reductie.
De provincie werkt op een integrale manier aan het bevorderen van de energietransitie, waarbij de mainport, de greenports, het stedelijk gebied en mobiliteit alle van belang zijn. Vijf hoofdthema’s zijn van belang: warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Naast deze vijf prioriteiten zet de provincie, daar waar zich kansen aandienen, ook in op andere energie-oplossingen, zoals bij de getijdencentrale in de Brouwersdam. Door samen met de regionale partners ruimtelijke energie-actieagenda’s op te stellen, beoogt de provincie een meer integrale en resultaatgerichte benadering van besparing, opwekking en CO2-reductie te bereiken.
Ruimtelijke kwaliteit
De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen
De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven.
Bedrijventerreinen vormen een belangrijke voorwaarde voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Met het bedrijventerreinenbeleid wordt een bijdrage geleverd om te komen tot een economisch concurrerend Zuid-Holland. Om dit te realiseren worden drie beleidslijnen aangehouden:
Naast het reduceren van benzeen heeft de overkapping ook een positieve uitwerking op het oogpunt van duurzaamheid, doordat er minder aardgas gestookt hoeft te worden dan wanneer de asfaltgranulaat vochtig in de recyclingtrommel gaat.
Het dak van de overkapping wordt daarnaast voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen duurzame elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd.
Op deze wijze vindt er op het bestaande bedrijfsterrein verduurzaming plaats.
De ruimtelijke kwaliteit blijft gewaarborgd door de overkappingen landschappelijk in te passen. Omdat de hoogte van de overkapping ongeveer gelijk is aan de hoogte van de omringende bomen van de groene zoom, wordt de overkapping uitgevoerd in donker grijs, zoals de onderzijde van het bestaande bouwvolume. Op deze wijze wordt het landschappelijk ingepast.
Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale ambities en beleidskeuzes uit de omgevingsvisie.
Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
Stedelijke ontwikkeling bedrijven
In artikel 6.12 zijn regels opgenomen inzake bedrijven.
Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën
In artikel 6.9 zijn regels opgenomen voor de ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied en de overkapping is gelegen binnen de beschermingscategorie 2, belangrijk weidevogelgebied.
Archeologie
Het plangebied is gelegen binnen een gebied met (zeer) hoge archeologische waarde. In artikel 6.27 zijn regels opgenomen voor gebieden met (zeer) hoge archeologische waarde.
Binnen een bestaand bedrijfsterrein wordt het middels dit bestemmingsplan mogelijk om de bestaande opslag van asfaltgranulaat te overkappen. Met het plaatsen van de overkapping vindt er geen functie- of bestemmingswijziging plaats. Het plangebied blijft in gebruik voor de opslag van grondstoffen ten behoeve van de asfaltproductie.
Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een overkapping op een bestaand bedrijventerrein. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Hierbij is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend in dit gebied.
Binnen dit bestemmingsplan zijn ter hoogte van het plangebied dubbelbestemmingen archeologie opgenomen om de archeologische waarden te beschermen. In paragraaf 4.7 wordt verder ingegaan op het aspect archeologie ter plaatse van het plangebied.
Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale regels uit de omgevingsverordening.
Gemeente Molenlanden is op 1 januari 2019 ontstaan uit een fusie van de gemeenten Molenwaard en Giessenlanden. Het plangebied maakte onderdeel uit van de gemeente Giessenlanden.
In 2017 is de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. In de visie staan 8 omgevingskwaliteiten voor duurzame ontwikkeling centraal:
De omgevingskwaliteit 'stimuleren van duurzame maatregelen' heeft het meest betrekking op de voorgenomen ontwikkeling. Giessenlanden wil namelijk een duurzame gemeente zijn. Denk hierbij aan het terugdringen van uitstoten zoals CO2, fijnstof ed. en hierdoor het verbeteren van de luchtkwaliteit, het opwekken, opslag en besparen van energie. Daarom worden maatregelen gestimuleerd die de kwaliteit van het leefmilieu verbeteren.
Voor de productie van recyclingasfalt moeten de grondstoffen, waaronder het asfaltgranulaat, droog zijn. Het drogen en verwarmen van het asfaltgranulaat vindt plaats in een aardgas gestookte recyclingtrommel. Om aardgas te besparen en de benzeenemissie te reduceren wil APH het asfaltgranulaat droog opslaan.
Het dak van de overkapping zal worden voorzien van een zonne-energiesysteem (PV-panelen). De opgewekte energie wordt gebruikt binnen de eigen inrichting voor de asfaltproductie en de ondersteunende processen. Door het besparen van gas en het opwekken van eigen elektrische energie wordt een reductie voor CO2-emissie gerealiseerd.
Het uitgangspunt voor deze welstandsnota is dat voor alle gebieden, met uitzondering van de beschermde stads- en dorpsgezichten van Nieuwpoort, Noordeloos en Kinderdijk, in de gemeente Molenlanden een welstandsvrij beleid geldt. In de van toepassing zijnde wetgeving betekent dit dat in hoofdzaak geen ‘redelijke eisen van welstand’ worden toegepast op een aanvraag omgevingsvergunning. Dit heeft de volgende voordelen:
Het plangebied valt binnen het regime ‘welstandsvrij’. Voor deze gebieden geldt geen beoordeling door de welstandscommissie of stadsbouwmeester.
De Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 geeft een overzicht van de parkeernormen die door de gemeente Molenlanden worden gehanteerd. Deze normen dienen in acht te worden gehouden bij alle ruimtelijke initiatieven binnen de grenzen van de gemeente. De in de nota opgenomen normen gelden vanaf 1 januari 2020.
Op basis van publicatie 381 van het CROW ('Toekomstbestendig parkeren' d.d. december 2018) is een lijst met parkeernormen voor de gemeente Molenlanden opgesteld. De gemeente werkt binnen de kaders van het verkeer en vervoerbeleid met ‘vaste parkeernormen’ (zonder bandbreedte). Dit biedt duidelijkheid voor alle betrokkenen.
In de regels van dit bestemmingsplan is verankerd dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
In paragraaf 4.9 wordt ingegaan op het verkeer en parkeren.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, water en verkeer en parkeren.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd, er hoeft geen toetsing plaats te vinden van de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai op de inrichting. De inrichting bevindt zich wel op het geluidgezoneerd industrieterrein 'Bazeldijk'. De wijzigingen die plaatsvinden binnen de inrichting moeten worden getoetst aan de geluidvoorschriften in de vigerende vergunning. Daarnaast dient de zonebeheerder, de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, te toetsen of de wijzigingen binnen de inrichtingen akoestisch inpasbaar zijn. Door Aveco de Bondt is er een memo 'geluideffecten overkappingen APH' opgesteld.
De conclusie van de memo wordt hierna behandeld. Voor de memo wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.
De overkappingen van asfaltgranulaat zorgen voor afscherming richting een aantal toetspunten, waardoor de geluidbelastingen lager is. Met de overkappingen wordt voldaan aan de vergunde waarden. Ten aanzien van het aspect geluid is sprake van een milieuneutrale verandering.
De zonebeheerder heeft aangegeven dat de wijzigingen akoestisch inpasbaar zijn.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. Bij bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik.
De overkappingen zijn geen bouwwerken als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Woningwet omdat er niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven. Met het plaatsen van de overkapping vindt er geen functie- of bestemmingswijziging plaats. Het plangebied blijft in gebruik voor de opslag van grondstoffen ten behoeve van de asfaltproductie. Bij het realiseren van de overkapping komt geen grond vrij welke afgevoerd dient te worden. Daarnaast is de verharding ter hoogte van de opslagvakken reeds uitgevoerd in asfalt. Gelet op het voorgaande is geen bodemonderzoek benodigd.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:
De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
De vergunde productiecapaciteit en de daarmee samenhangende emissie naar de omgeving wijzigen niet. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de grenswaarde 3%, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).
Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
Afbeelding 4.1: uitsnede risicokaart
Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied is de volgende risicobron aanwezig:
Bij nieuwe ontwikkelingen in het invloedsgebied van de leidingen, waarbij de personendichtheid in redelijke mate toeneemt, dient een toets aan groepsrisico plaats te vinden. Door het plaatsen van de overkapping veranderen de bestaande activiteiten niet. De personendichtheid zal niet toenemen, waardoor er geen sprake is van een noodzaak tot verantwoording van het groepsrisico. Bovendien kan APH niet worden aangemerkt als een (beperkt) kwetsbare inrichting. In het kader van de procedure wordt zowel de Gasunie als de Veiligheidsregio om advies gevraagd.
Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen:
Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).
De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.
Binnen het bedrijfsterrein van APH worden milieubelastende activiteiten uitgeoefend die van invloed kunnen zijn op omliggende percelen. De activiteiten vallen in categorie 4.2 (sbi 2008: 2399 D1 asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur). Een dergelijke categorie kent een richtafstand van 300 meter, veroorzaakt door het aspect geluid. Het aspect geluid is geregeld in de geluidzone rondom het industrieterrein 'Bazeldijk' waarvan onderhavig perceel deel uitmaakt. Voor de akoestische gevolgen van de overkapping wordt verwezen naar paragraaf 4.1. Geconcludeerd wordt in deze paragraaf dat aan de wettelijke normen voldaan wordt en de overkappingen zelfs een positief effect hebben op deze geluidwaarden.
Het aspect geur kent in deze een richtafstand van 200 meter. Binnen deze richtafstand zijn meerdere gevoelige functies gelegen. Aangezien het plaatsen van de overkapping niet tot gevolg heeft dat de productiecapaciteit wordt vergroot, is geen sprake van een wijziging in het woon- en leefklimaat ten gevolge van dit aspect. Voor stof (richtafstand van 100 meter) geldt eveneens dat er geen sprake is van een wijziging in het woon- en leefklimaat, aangezien ter plaatse van de uitbreiding geen stuifgevoelige stoffen worden opgeslagen. Voor gevaar (richtafstand van 50 meter) geldt dat ook geen sprake is van wijzigingen.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de functies in de omgeving geen belemmering vormen voor het realiseren van voorgenomen ontwikkeling en dat voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor de functies in de omgeving.
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).
Natuur Netwerk Nederland
De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland
In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Binnen het plangebied zijn geen beschermde flora en fauna te verwachten, aangezien de verharding ter hoogte van de opslagvakken reeds is uitgevoerd in asfalt en de werkzaamheden binnen het plangebied bestaan uit het opslaan van asfalt binnen deze opslagvakken. Om de overkappingen mogelijk te maken hoeven er geen bomen gekapt te worden. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna wordt niet noodzakelijk geacht.
Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Zuid-Holland. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Lingegebied & Diefduik-Zuid en Zouweboezem op circa 3 en 3,5 km afstand van het plangebied.
Gelet op afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden en de beperkte impact van de ingreep, kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht, geluid en stikstof op voorhand worden uitgesloten.
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
Het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
In opdracht van acht gemeenten in de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden heeft BAAC bv in 2009 voor het gehele grondgebied van deze gemeenten een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld.
De verschillende archeologische verwachtingswaarden hebben geleid tot verschillende dubbelbestemmingen archeologie in het bestemmingsplan 'Buitengebied Giessenlanden', met bijbehorend vergunningenstelsel.
Ter hoogte van de te plaatsen overkapping gelden drie dubbelbestemmingen.
Afbeelding 4.2: archeologische dubbelbestemmingen
Het grootste gedeelte van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1', waarvoor tevens de strengste eisen gelden.
Indien het bouwwerk of activiteit een grotere oppervlakte heeft dan 250 m2 en dieper gaat dan 30 cm gaat dient een rapport overgelegd te worden waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is.
Ter hoogte van de beoogde overkapping is een archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage 2) uitgevoerd. Uit dit bureauonderzoek is het volgende gebleken:
Op basis van onderhavig archeologisch onderzoek geldt voor het plangebied een archeologische waarde op een diepte van 1,1 tot 1,8 m -NAP (uitgaande van het maaiveld op 0,7 m geldt een diepte van 1,8 tot 2,5 m -Mv). Het voornemen is om in het plangebied een overkapping te plaatsen. Om dit mogelijk te maken worden betonnen poeren aangelegd op circa 50 cm -Mv. De poeren worden geheel in de recente ophoging aangelegd en hierbij vinden dus geen verstoringen plaats in het archeologisch relevante niveau. De heipalen worden wel dieper geslagen en raken het archeologisch relevante niveau. De heipalen worden echter op een rij geplaatst met een onderlinge afstand van ruim 5,0 m. Gezien de grote tussenafstand blijft het archeologisch relevante niveau in voldoende mate beschikbaar voor eventueel toekomstig onderzoek. Er is in onze optiek geen sprake van een onevenredige verstoring. Ook worden er geen nieuwe verstoringen verwacht door het opbrengen van grond en/of het aanleggen van verharding, aangezien er al sprake is van een aanzienlijke ophoging en geheel gesloten verharding op het terrein. Samenvattend vindt er in onze optiek geen onevenredige verstoring plaats bij het realiseren van de overkapping en adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente Molenlanden).
Door de vele ingrepen in het gebied zijn er geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied behouden gebleven. De industriële ingrepen overheersen het landschap. In en in de directe omgeving van het plangebied is geen historisch waardevolle bebouwing aanwezig. Het Merwedekanaal maakt wel deel uit van de Oude Hollandse Waterlinie, maar deze ligt buiten het plangebied.
Het plaatsen van de overkapping heeft dan ook geen consequenties voor de cultuurhistorische waarde van het gebied.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve gevolgen van de huidige waterhuishoudkundige situatie.
Waterkwantiteit
Het plangebied is niet gelegen binnen de Beschermingszone van de Regionale Waterkering Merwedekanaal. Met voorgenomen ontwikkeling vindt er geen verandering in het verhard oppervlak plaats, de waterkwantiteit blijft daarmee onveranderd.
Afbeelding 4..3: legger waterkeringen waterschap Rivierenland
Waterkwaliteit
De verharding ter hoogte van de opslagvakken is reeds uitgevoerd in asfalt. Er vindt geen toename aan verhard oppervlak plaats door de realisatie van de overkapping. Om verontreiniging van de bodem en water te voorkomen wordt bij het realiseren van de overkapping gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen die niet uitlogen. Er wordt daarnaast geen verontreinigd water of huishoudelijk afvalwater geproduceerd en/of afgevoerd.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
De parkeernormen zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020’ en het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’. Omdat het bvo als gevolg van de overkappingen toeneemt moet er formeel getoetst worden aan de parkeernormering voor de hoofdfunctie werken.
Het bedrijfsproces wijzigt echter niet door het plaatsen van de overkappingen. Er zijn geen veranderingen ten aanzien van het verkeer en parkeren. In de 'Parapluherziening Parkeren Molenlanden' is een afwijking opgenomen voor situaties waarin het voldoen aan de bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Deze situatie doet zich hier voor. Er heeft daarmee voor de voorgenomen ontwikkeling geen toetsing plaatsgevonden aan de hand van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'.
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed.
Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een MER nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.- beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU):
In onderhavige situatie is er sprake van een overkapping op een bestaand bedrijventerrein. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. De realisatie van een overkapping op een bestaand bedrijventerrein wordt evenmin specifiek genoemd op de D-lijst. Een categorie waar het mogelijk onder valt is: D11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.
Volgens de beschrijving onder categorie D11.3 gaat het in deze categorie om gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De overkapping wordt mogelijk gemaakt op een bestaand bedrijventerrein. Er is hiermee geen sprake van een uitbreiding of het aanleggen van een bedrijventerrein.
De wijziging die plaatsvindt vindt plaats op het bestaande bedrijventerrein, waarbij er geen functie- of bestemmingswijziging plaatsvindt. Het plangebied blijft in gebruik voor de opslag van grondstoffen ten behoeve van de asfaltproductie. Er is enkel sprake van het verruimen van de bebouwingsmogelijkheden. Hierbij kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak: ECLI:NL:RVS:2014:1467 d.d. 23 april 2014. De Afdeling heeft hierbij geoordeeld dat het verruimen van bebouwingsmogelijkheden zodanig ondergeschikt zijn dat een wijziging van een industrieterrein als bedoeld in het Besluit m.e.r. geen sprake is en derhalve geen m.e.r.-beoordelingsplicht geldt vanwege D 11.3.
Daarnaast betreft het realiseren van een overkapping geen plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden en is het niet aangewezen als MER-plichtig op grond van de provinciale milieuverordening.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden het realiseren van de overkapping op een bestaand bedrijventerrein niet mer-beoordelingsplichtig is en dat ook een MER niet noodzakelijk is.
De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.
Inleidende regels
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:
Bestemmingsomschrijving:
De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
Bouwregels:
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);
Afwijken van de bouwregels:
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van bijvoorbeeld het oppervlak;
Specifieke gebruiksregels:
In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
Afwijken van de gebruiksregels:
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel:
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
Algemene bouwregels:
In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;
Algemene aanduidingsregels:
In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;
Algemene afwijkingsregels:
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Algemene wijzigingsregels:
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;
Overige regels:
Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld parkeren.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht:
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
Slotregel:
Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:
Enkelbestemming
Bedrijf
Ter categorisering van de bedrijven is in de regels van het bestemmingsplan de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegevoegd. Bedrijven die vallen in de categorie 1 en 2 zijn rechtstreeks toelaatbaar binnen elke bedrijfsbestemming. Daarnaast heeft dit perceel een specifieke aanduiding gekregen, namelijk een asfaltverwerkingsbedrijf en kantoor en laboratorium. Op dit perceel mag alleen deze type bedrijven gevestigd zijn of een bedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Dubbelbestemming
Waarde-Archeologie
De gemeente heeft samen met de andere gemeenten van de Alblasserwaard/ Vijfheerenlanden archeologisch beleid opgesteld. Hierin is een verwachtings- en beleidsadvieskaart opgenomen. Op deze kaart is het grondgebied van de gemeente opgedeeld in verschillende archeologische zones, waar in meer of mindere mate archeologische waarden te verwachten zijn. Deze zones met bijbehorende regelgeving zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Per zone zijn bouwregels en regels voor de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden opgenomen.
Gebiedsaanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen:
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad een exploitatieplan dient vast te stellen voor gronden waarop bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro is aangegeven welke categorieën als bouwplan worden aangemerkt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het mogelijk maken van overkappingen niet aangemerkt wordt als een bouwplan. Voor het mogelijk maken van de overkapping hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Alle kosten zullen worden gedragen door de initiatiefnemer APH B.V. De realisering van het plan leidt derhalve niet tot kosten die voor de rekening van de gemeente Molenlanden komen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Vanaf 30 december 2021 heeft het voorontwerp bestemmingsplan voor een periode van vier weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen inspraakreacties binnen gekomen op het voorontwerp bestemmingsplan.
Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken wordt de coördinatieregeling toegepast. Op 23 november 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden het volgende besluit genomen:
De coördinatieregeling maakt het mogelijk de verscheidene voorbereidingsprocedures, waaronder de publicaties in zienswijzenperioden, te coördineren. De gecoördineerde besluiten worden daarnaast in de beroepsfase als één besluit aangemerkt.
De provincie is bevoegd gezag wat betreft het verlenen van de benodigde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1-1a en artikel 2.1-1e van de Wabo.
De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 5 april 2022 ter inzage gelegen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 29 april 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen tegen de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan ingediend.
De omwonenden zijn op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling. In bijlage 3 is de omgevingsdialoog weergegeven. Door de omwonenden zijn ten tijde van de toelichting een aantal vragen gesteld en beantwoord door de initiatiefnemer. Vanuit de omgeving is er positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling van het realiseren van de overkapping.