| Plan: | Iedyk 15 te Jannum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1970.InIedyk15WP-VA01 |
Initiatiefnemer exploiteert aan de Iedyk 15 te Jannum een melkveehouderij. Het voornemen is om een nieuwe ligboxenstal te bouwen om de bedrijfsvoering te optimaliseren. De huidige gebouwen zijn verouderd, voldoen niet meer aan de huidige dierwelzijnseisen met betrekking tot licht en ruimte, en kunnen niet in de gewenste ontwikkeling voorzien. Die ontwikkeling is mede gericht op een uitbreiding van het aantal dieren die een welzijnsvriendelijk onderkomen moeten krijgen voor een optimale productie. Hiervoor is een nieuwe ligboxenstal ontworpen die expliciet gericht is op het onderbrengen van het melkvee.
De gewenste locatie van de ligboxenstal is echter gelegen buiten het huidige bouwvlak. Binnen het bouwvlak is ruimte aanwezig, echter dit is gelegen direct achter het buurperceel. Een locatie van de stal binnen het huidige bouwvlak is niet haalbaar omdat het qua ontsluiting en akoestiek niet inpasbaar is gelet op de ligging t.o.v. het buurperceel.
Het huidige bestemmingplan buitengebied biedt de mogelijkheid om het bestaande bouwvlak aan te passen via een wijzigingsbevoegdheid. Met de aanpassing die nu wordt voorgesteld wordt een deel van het bouwvlak van achter het buurperceel verplaatst direct achter en ten westen het bedrijf van initiatiefnemer. In dit wijzigingsplan wordt toegelicht waarom de gewenste locatie niet alleen bedrijfstechnisch naar ook vanuit ruimtelijk- en milieuhygiënisch oogpunt passend is.
Het melkveehouderijbedrijf van initiatiefnemer ligt aan de Iedyk 15 te Jannum in de gemeente Noardeast-Fryslân in de provincie Friesland. Jannum ligt ten westen van Dokkum. Zie afbeelding 1 voor de ligging van planlocatie.
Afbeelding 1: ligging plangebied (bron: Googlemaps)
Op de locatie is het bestemmingplan 'Buitengebied', vastgesteld op 13 februari 2014 vigerend. Op afbeelding 2 is een fragment van de verbeelding ter plaatse van de Iedyk 15 weergegeven. In paragraaf 3.3.1 wordt verder ingegaan op de van toepassing zijnde bestemmingen en aanduidingen en wordt ingegaan op de voorwaarden voor het wijzigen van het bouwvlak.
Afbeelding 2: fragment verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied' ter plaatse van de Iedyk 15 te Jannum (rode marker) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In hoofdstuk 5 komt de juridische vormgeving aan bod. Het laatste hoofdstuk gaat in op maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
Het huidige melkveebedrijf bestaat uit 120 stuks melkkoeien en vrouwelijk jongvee. Het bedrijf heeft 58 hectare grond in bezit en pacht daarnaast nog 22 hectare grond. Op het erf staat een ligboxenstal uit 1979, later is hier een jongveestal, een nieuwe melkstal en mestsilo aan toegevoegd. De stallen zijn niet meer van deze tijd en zijn ventilatie technisch en qua daglichttoetreding niet meer te beschouwen als welzijnsvriendelijke onderkomen voor de dieren. Afbeelding 3 is een weergave van het huidige erf.
Afbeelding 3: luchtfoto planlocatie (bron: Googlemaps)
In de huidige situatie is sprake van verouderde stallen en te weinig ruimte om te kunnen ontwikkelen binnen de contouren van het huidige erf. Zoals in de aanleiding al is aangegeven biedt het huidige bouwvlak ook planologisch te weinig ruimte omdat situering van de stal op een andere plek ruimtelijk niet inpasbaar is.
De bestaande stallen voldoen niet langer aan de eisen en wensen van een moderne melkveehouderij en ook de rest van het erf is verouderd. Om het bedrijf verder te ontwikkelen is het plan opgevat om een nieuwe ligboxenstal te realiseren. Deze nieuwe ligboxenstal biedt de mogelijkheid om door te groeien tot 200 melkkoeien en 140 stuks bijbehorend jongvee. De nieuwe stal wordt voorzien van een emissiearme vloer, voldoende daglicht en ventilatie door de zijwanden. Door het toepassen van melkrobots in combinatie met weidegang wordt gekozen voor een arbeidsefficiënt proces waarbij wordt voldaan aan de eisen voor het toepassen van weidegang. Dit proces, waarbij de melkkoeien op eigen gelegenheid de stal en het land kunnen bereiken, kan goed tot uitvoering gebracht worden met de nieuwe stal op de gewenste locatie.
De bestaande stallen worden ingericht voor het houden van het jongvee. In het verlengde van deze stallen kan een werktuigbering worden gerealiseerd als hier behoefte aan is. Achter op het perceel is ruimte voor meer ruwvoeropslag om ook in de toekomstige voerbehoefte te kunnen voorzien. Ook wordt er en nieuwe inrit aangelegd om het 'nieuwe erf' makkelijker en beter te kunnen bereiken.
In overleg met de gemeente gekozen nieuwe Nije Pleats sessie met bijbehorend advies (zie Bijlage 1). Het resultaat van sessie heeft tot een gewijzigde erfopzet geleid. De nieuwe erfopzet weergegeven op afbeelding 5. Op de locatie waar nu de ligboxenstal is gepland is nu nog een mestsilo en sloot aanwezig. De mestsilo wordt gesloopt en de sloot verplaatst. Achter de bestaande stallen is een (mogelijke) nieuwe werktuigberging ingetekend. Achter op het erf is ruimte voor sleufsilo's nieuwe sleufsilo's die nodig zijn voor de toename van voeropslag. . Voor en naast de nieuw te bouwen ligboxenstal zal een bomenrij verrijzen en naast de bestaande stallen en werktuigberging een groene invulling.
Afbeelding 5: fragment Nije Pleats sessie met de nieuwe locatie van de stal
De exacte invulling van de nieuwe erfbeplanting is een beplantingsplan opgesteld (zie Bijlage 2). Hierbij is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de opzet van het Nije Pleats advies d.d. 17 december 2021. In dit beplantingsplan is het aantal aan te planten bomen en de soort beschreven. Tevens is rekening gehouden met bestaande routing op het erf zodat de gronden aan de oostzijde nog steeds toegankelijk blijven.
Afbeelding 6: fragment beplantingsplan (Bron: Rombou)
Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op het voorliggende bestemmingsplan. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, voor zover dat is gerelateerd aan het plangebied en het voorliggende initiatief.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
Toets
Het planvoornemen heeft geen directe invloed op één van de prioriteiten uit de NOVI. Ook het Barro bevat geen regels die invloed uitoefenen op het planvoornemen
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd om planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk te maken binnen bestaand stedelijk gebied. Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren als zodanig en zijn 'Ladderplichtig'. Ontwikkelingen mogen alleen plaatsvinden als er sprake is van duurzame verstedelijking. Om dit te kunnen beoordelen wordt er getoetst of er behoefte is aan de ontwikkeling.
Toets
Het voornemen betreft de realisatie van een nieuwe ligboxenstal. Dit is geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 Bro . Verdere toetsing aan de ladder kan achterwege blijven.
De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Conclusie
Het voornemen is in overeenstemming met het Barro.
De toets aan de structuurvisie, de ladder en het besluit laat zien dat het voornemen in overeenstemming is met het relevante Rijksbeleid.
Het Streekplan streeft naar behoud en versterking van de leefbaarheid en de vitaliteit van het platteland, vooral ten behoeve van de inwoners van het platteland zelf. Deze doelstelling komt tot uitdrukking in:
Het landelijk gebied is primair bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging en bestaande woon- en werkfuncties en voorzieningen.
Toets
Bij dit planvoornemen wordt voorzien in de uitbreiding van een bestaande melkveehouderij. Het bouwvlak wordt in omvang niet vergroot. Een dergelijke ontwikkeling is passend binnen de uitgangspunten van het Streekplan.
De ontwerp omgevingsvisie stelt een vitale, veerkrachtige, karakteristieke en gezonde Friese leefomgeving centraal. De provincie stelt zich vier opgaven ten aanzien van de leefomgeving. De eerste opgave betreft een leefbaar, vitaal en bereikbaar Fryslân. Hier wordt stilgestaan bij o.a. de vergrijzing, krimp op het platteland,verouderde bebouwing en de betaalbaarheid van het OV. De tweede opgave betreft de energietransitie. De opgave bestaat uit het reduceren van broeikasgassen en een balans vinden tussen duurzaamheidsdoelstellingen en ruimtegebruik. Opgave 3 gaat over de klimaatadaptatie van de Provincie Fryslân. Doelstelling is Fryslân in 2050 klimaatbestendig ingericht te hebben. Opgave vier gaat over het versterken van de biodiversiteit. De biodiversiteit dient versterkt te worden via herstel van de kwaliteit van de leefgebieden. Daarnaast wil men de verbinding leggen tussen biodiversiteit en de samenleving.
Naast de vier opgaven wordt er voor drie specifieke gebieden integrale opgaven beschreven. Het gaat om de gebieden: Waddengebied, IJsselmeer en het Veenweidegebied.
Er wordt in de Omgevingsvisie toegelicht hoe de werkwijze rondom ruimtelijke initiatieven vorm wordt gegeven. Hierbij wordt er uitgegaan van een ja, mits principe ten aanzien van ruimtelijke plannen. Er zijn vier inhoudelijke principes waar een plan aan tegemoet moet komen. Zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities en gezondheid en veiligheid.
Toets
Het voornemen op de planlocatie is noodzakelijk voor een toekomstbestendig bedrijf. Tijdens de planvorming is er rekening gehouden met impact op ruimtelijke kwaliteit door toepassing te geven aan de Nije Pleats methode. Dit krijgt zijn beslag in het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 2) dat onderdeel is van dit wijzigingsplan.
Provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document “Grutsk op ‘e Romte” als thematische structuurvisie over landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.
Afbeelding: kleigebied Oostergro
Het plangebied is gelegen in het 'Kleigebied Oostergro'. Het open kleiterpenlandschap en de vrij lege kweldervlakte met groene puntverdichtingen in de vorm van terpen, radiaire terpdorpen (met kerk), terpnederzettingen (zonder kerk) en (veelal verhoogde) boerderijerven, en eendenkooien met een ondergrond van zeeklei, een rijk stelsel van geulen, kreken en prielen en de vaarten en opvaarten naar dorpen en boerderijen.
In relatie tot de boerderijerven wordt een advies gegeven in de structuurvisie. Advies met betrekking tot het behouden van puntverdichtingen in de openheid in de vorm van boerderijerven door:
Toets
Het planvoornemen wordt voorzien van een landschappelijke inpassing waarbij beperkt bomen worden toegevoegd. Zo wordt de stal (deels) aan het zicht onttrokken en vindt er een nieuwe begrenzing van het erf plaats.
In de 'Verordening Romte Fryslân' worden die onderwerpen uit het 'Streekplan 2007' en 'Grutsk op 'e Romte' geregeld, waarvan de juridische doorwerking en borging in ruimtelijke plannen van gemeenten noodzakelijk is. Het onderhavige initiatief betreft een ruimtelijk plan. Dit betekent dat bij de interpretatie en toepassing van bepaalde artikelen in concrete situaties zoals deze, getoetst moet worden aan het provinciale beleid. De volgende regels uit de verordening zijn hier van belang.
Artikel 2.1 Ruimtelijke kwaliteit
binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b.
Artikel 6 Landbouw
6.1.2 Oppervlakte bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf
Toets
2.1 Ruimtelijke kwaliteit
Er is een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf aanwezig in voorliggend plan (zie paragraaf 2.2.1).
6.1.2 Oppervlakte bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf
De oppervlakte van het huidige bouwvlak is niet groter dan 1,5 ha, de ontsluiting naar de Iedyk maakt hier geen onderdeel van uit. De begrenzing van het bouwvlak wordt gewijzigd qua begrenzing maar niet vergroot.
Het initiatief voldoet aan het van toepassing zijnde provinciale beleid en regels van de provinciale Verordening Romte 2014. Het provinciale beleid en regelgeving vormen geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
De gronden ter plaatse van het plavnoornemen maken onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de voormalige gemeente Ferwerderadiel, vastgesteld op 13 februari 2014.
De gronden hebben de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - reliëf terpen en kruinige percelen'. Er is een bouwvlak toegekend met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf'. Verder geldt er een maximale bouwhoogte van 89 m.
Toets
De bouw van de nieuwe stal vindt plaat buiten het huidige bouwvlak. Op dit punt is het plan in strijd met het bestemmingsplan. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de situering bedrijfskavel/bouwvlak. Voorwaarde uit het principebesluit is dat er wordt voldaan aan deze voorwaarden. Hieronder vindt een toets aan deze voorwaarden plaats.
Wijzigen situering bedrijfskavel/bouwvlak
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat een ter plaatse aangegeven bedrijfskavel, met inbegrip van een daarbinnen gelegen bouwvlak, bij gelijkblijvende oppervlakte, qua situering wordt gewijzigd, mits:
Ad a.
De bedrijfstechnische noodzaak is gelegen in het feit dat binnen de huidige bedrijfsgebouwen en erfopzet er geen mogelijkheid is het bedrijf verder te kunnen ontwikkelen. Zoals omschreven in de aanleiding en beschrijving van de toekomstige situatie van dit plan, is onder andere de bouw van een nieuwe stal voor het melkvee noodzakelijk voor de ontwikkeling van het bedrijf. Daarbij is ook gekeken naar de toekomstige invulling m.b.t. sleufsilo's en berging van materieel.
Het huidige bouwvlak is voor een groot deel direct gelegen achter de woning van het buurperceel Iedyk 19. Uitbreiding van het bedrijf op deze locatie stuit op weerstand van de bewoners van dit perceel. Het bouwen van de nieuwe stal op deze locatie binnen het huidige bouwvlak brengt met zicht mee dat er een nieuwe inrit aan de oostelijke kant van het buurperceel komt te liggen. Ruimtelijk en met name akoestisch gezien is dit niet inpasbaar.
Door het wijzigen van de bedrijfskavel en bouwvlak ontstaat een situatie die ruimtelijk goed passend is. Het bedrijf ontwikkelt zich in een andere richting die beter bereikbaar wordt door een nieuwe inrit aan te leggen naar het 'nieuwe' erf.
Ad b.
Er is een erfinrichtingsplan opgesteld voor de inpassing van de nieuwe stal (zie Bijlage 2). Hierbij wordt aangesloten bij het bestaande kavelpatroon. Voor en naast de stal wordt beplanting geplaatst overeenkomstig het Nije Pleats advies.
Ad c.
De locatie is gelegen in de open ruimte van het buitengebied op zeer grote afstand van een kern. Door deze ligging doet het planvoornemen geen afbreuk aan zichtlijnen op dorpssilhouetten.
Ad d.
In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteedt aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Uit de beoordeling van deze aspecten volgt dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de genoemde aspecten en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Conclusie
Gelet op de bovenstaande toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden is het planvoornemen passend binnen de uitgangspunten van het bestemmingsplan 'Buitengebied'.
In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld met betrekking tot het planvoornemen. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft voor de het milieu en de omgeving van de locatie.
In kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Deze omstandigheden betreffen:
Indien er belangrijk nadelige gevolgen en/of bijzondere omstandigheden worden geconstateerd moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
Toets
Het het voorliggende initiatief betreft een melkveehouderij waar 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee gehouden kunnen worden. Met dit planvoornemen worden geen grenswaarden uit het Besluit m.e.r. overschreden. Voor het aspect stikstof is een voortoets uitgevoerd waaruit blijkt dat er sprake is van intern salderen en er geen (nieuwe) passende beoordeling nodig is die mogelijk zou leiden tot een MER plicht.
In dit geval is er sprake van een vormvrije-mer beoordeling. Uit de toets aan de verschillende omgevingsaspecten komt naar voren dat er als gevolg van het project geen belangrijke nadelige gevolgen optreden voor het milieu. Ook doen zich geen bijzondere omstandigheden voor met het bouwen, slopen en aanleggen van een nieuwe sloot die het maken van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.
Conclusie
Voor dit initiatief hoeft m.e.r. beoordeling uitgevoerd te worden.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de inrichting met milieubelastende functie(s) en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het vigerende bestemmingsplan mogelijk is.
Toets
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig gebied:
Tabel: richtafstanden tot omgevingstype
Voor het bedrijf van de ondernemers is de activiteit 'Fokken en houden van rundvee' (categorie 3.2) aangehouden. Op basis van deze activiteit gelden richtafstanden van 100 meter voor het aspect geur, 30 meter voor geluid en 10 meter voor stof.
In de onderhavige situatie is de dichtstbijzijnde milieugevoelige functie het woonerf aan de Iedyk 19. In de huidige situatie grenzen beide percelen aan elkaar en kan niet voldaan worden aan de 100 meter.
Met het planvoornemen komen de bedrijfsactiviteiten niet dichter bij het woonerf van de Iedyk 19. Met de verplaatsing van het bouwvlak in westelijke richting wordt het het deel van het bouwvlak dat nu achter de woning Iedyk 19 ligt op een grotere afstand tot deze woning geplaatst. Er wordt echter nog (steeds) niet voldaan aan de richtafstand van 100 meter.
Als niet kan worden voldaan aan de richtafstand zal de wettelijke afstandnorm voor geur getoetst moeten worden. Deze volgen uit de Wet geurhinder en veehouderij en het activiteitenbesluit. Voor wat betreft het aspect geur wordt daarom verwezen naar paragraaf 4.4. Uit deze toets volgt dat het planvoornemen voldoet aan de wettelijke afstandnormen.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarisch bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Hierna wordt het risico van geurhinder voor deze activiteiten getoetst aan de wettelijke criteria.
Dierenverblijven
Voor de beoordeling van geurhinder vanwege het houden van dieren in dierenverblijven is de Wet geurhinder en veehouderij het exclusieve toetsingskader.
Voor melkrundvee en paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. De beoordeling van geurhinder vindt plaats op basis van afstandsnormen tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de omliggende voor geur gevoelige objecten. Bij natuurlijke ventilatie wordt de dichtstbij gelegen opening van de stal gezien als emissiepunt. Om geurhinder te voorkomen moet de afstand tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object in het buitengebied ten minste 50 meter bedragen. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom moet de afstand ten minste 100 meter bedragen.
Toets
Vaste afstanden
Voor melkrundvee en paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. De beoordeling van geurhinder vindt plaats op basis van afstandsnormen tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de omliggende voor geur gevoelige objecten. Bij natuurlijke ventilatie wordt de dichtstbij gelegen opening van de stal gezien als emissiepunt. Om geurhinder te voorkomen moet de afstand tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object in het buitengebied ten minste 50 meter bedragen. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom moet de afstand ten minste 100 meter bedragen
In de omgeving van de veehouderij ligt één gevoelig object, te weten de woning aan de Iedyk 19. Deze woning is gelegen buiten de bebouwde kom. Er zal derhalve aan een afstand van 50 meter tussen emissiepunt en het woongedeelte van de woning aan de Iedyk 19 voldaan moeten worden. In de gewenste situatie komen alle dierenverblijven (emissiepunten) op meer dan 50 meter van het woongedeelte van de Iedyk 19 te liggen. Dit is weergegeven op onderstaande afbeelding.
Afbeelding: Afstand emissiepunten tot Iedyk 19. Beide cirkels geven respectievelijk de 25 meter (gevel-gevel) en 50 meter tot het dichtstbijzijnde emissiepunt aan tot de woning.
Opslag en bewerken van mest en kuilvoer
Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De afstand van sleufsilo's en mestopslag is in de gewenste situatie meer dan 50 meter tot het woongedeelte van de Iedyk 19. Hiermee wordt in elk geval voldaan aan de afstanden uit het Acitivteitenbesluit milieubeheer.
Conclusie
Voor het aspect geur kan het initiatief uitvoerbaar worden geacht.
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.
Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Toets
Ter plaatse van de nieuw te bouwen stal en toekomstige sleufsilo's is de grond in gebruik ten behoeve van de agrarische productiefunctie van voornamelijk grasgewas. Hier is sprake van een laag bodemrisico. De bestaande mestsilo en een tweetal dammen wordt gesloopt en verwijderd. Bij deze locaties is wel sprake van een verdachte situatie gelet op het bestaande gebruik. Ter plaatse van deze mestsilo en de te verwijderen dammen zal in het kader van de omgevingsvergunning een bodemonderzoek uitgevoerd worden.
Conclusie
Uit bovenstaande toets volgt dat bodemonderzoek achterwege kan blijven. Voor het aspect bodem is het plan uitvoerbaar.
Wegen, spoor en industrieterreinen
De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting.
Inrichting
Via de regels van het Activiteitenbesltuit wordt bescherming geboden aan gevoelige objecten en terreinen in de omgeving. Hierbij wordt aangesloten bij de Wet geluidhinder (Wgh).
Toets
Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd om de akoestische situatie ter plaatse te kunnen beoordelen (zie Bijlage 3). Uit dit onderzoek volgt dat er in de nieuwe situatie sprake is van een aanvaardbare situatie. Ook zal voldaan worden aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit.
Conclusie
Het voorgenomen initiatief voldoet aan de Wet geluidhinder en de kaders van het activiteitenbesluit. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van dit bestemmingsplan.
De optredende luchtemissies worden getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 bij de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). In artikel 4 van het “Besluit niet in betekende mate bedragen” (NIBM) is bepaald dat voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Toets
Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. In mei 2010 is de definitieve “Handreiking fijn stof en veehouderijen” gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer een uitbreiding of oprichting van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Met behulp van fijn stofemissie factoren kan de emissie van fijn stof uit de stallen worden berekend. Op basis van standaard emissiefactoren van de toegepaste huisvestingssystemen en het aantal dieren dat in de stallen wordt gehouden gedraagt de totale emissie fijn stof na realisatie van het plan is 32.920 gram PM10 per jaar.
Tabel 4.1 NIBM bijdrage
In bovenstaande tabel, die afkomstig is uit paragraaf 2.2 van de "handreiking fijn stof en veehouderijen” is aangegeven wanneer er sprake is van een NIBM-bijdrage. Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom dan is er conform de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” sprake van een NIBM-bijdrage. Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter er sprake is van een NIBM-bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. Aangezien de totale fijnstof emissie slechts 32.920 gram bedraagt en de afstand tot een te beoordelen object minimaal 50 meter bedraagt, is er sprake van een NIBM-bijdrage.
Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting zal nauwelijks wijzigen t.o.v. de huidige situatie. Alleen bij projecten met een groot aantal nieuwe verkeersbewegingen worden grenswaarden overschreden.
Conclusie
Het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit in de omgeving en kan op dit punt uitvoerbaar worden geacht.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 106 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Toets
Het planvoornemen betreft een uitbreiding van de veehouderij. Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken.
Op onderstaande uitsnede van de risicokaart is het plangebied te zien met omliggende veiligheidsrisicobronnen. Van deze afbeelding is af te leiden dat er alleen een buisleiding is gelegen op een afstand van 1,57 kilometer van het plangebied. In de omgeving zijn geen andere risicobronnen aanwezig.
Afbeelding: uitsnede provinciale risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
Uit de toets aan de risicokaart volgt dat het plangebied zich niet bevindt in de invloedssfeer van transportroutes, buisleidingen en inrichtingen.
Conclusie
Externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Watertoets
De ontwikkeling is voorgelegd aan het Wetterskip Fryslân via de digitale watertoets. Deze is bijgevoegd als Bijlage 4.
Compensatie
De ontwikkeling is voorgelegd aan het Wetterskip Fryslân via de digitale watertoets. Met de beoogde ontwikkeling neemt de oppevlakte van verharding toe met ca. 3.320 m2. Vanwege de uitbreiding boven de 1.500 m2 dient de normale procedure voor de watertoets te worden doorlopen.
Uit het wateradvies komt naar voren dat 10% van de toename verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd. Voor dit plan moet dan 330 m2 compensatie van waterberging plaatsvinden in hetzelfde peilgebied. Met het planvoornemen wordt aan de noordzijde sloot gerealiseerd.
Demping
De bestaande sloten die wordt gedempt (570 m2) worden 1 op 1 gecompenseerd door het graven van een nieuwe sloot ten zuiden van de stal en ten noorden van het plangebied. Samen met de compensatie dient er 902 m2 gegraven te worden. Uit de tekening in Bijlage 4 volgt dat hier aan wordt voldaan.
Aanleg uitrit
De voorgenomen uitrit wordt aangelegd op een zogenaamde waterkering. Dit is, net als het gehele plan, voorgelegd aan het waterschap. Uit de reactie van het het waterschap (zie Bijlage 4) volgt dat het niet tot problemen leidt en er een watervergunning aangevraagd dient te worden.
Erfafspoeling
Op het perceel worden diverse voorzieningen getroffen voor de afvoer en opvang van hemelwater en perssappen. Het vuilwater uit de sleufsilo's wordt opgevangen in een afwateringsput. Het schoon water wordt afgevoerd naar de sloot. Het percolaat dat ontstaat bij de vaste mestopslag wordt opgevangen en afgevoerd naar de mestkelder. Hemelwater dat terecht komt op de stal wordt afgevoerd naar omliggende sloten. Deze maatregelen leiden er toe dat er geen erfafspoeling van verontreiningde waterstromen plaatsvindt. Voor dit aspect vindt in het kader van 'Schoon erf, Schoon water, afstemming plaats.
Conclusie
Voor wat betreft het aspect water kan het plan uitvoerbaar worden geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
Soortenbescherming
Sinds 1 januari 2017 regelt Wet natuurbescherming de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen.
Toets
Gebiedsbescherming
Het dichtstbij gelegen zeer kwetsbare gebied als bedoeld in de Wav ligt op circa 7,6 kilometer afstand van de inrichting.
Afbeelding 4.3: Wav gebieden in de omgeving (Bron: Provincie Fryslân)
Het project ligt buiten de zone van 250 meter rond een 'zeer kwetsbaar gebied' als bedoeld in de Wav. Op grond van de Wav gelden geen beperkingen ten aanzien van de ammoniakemissie.
De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (EHS) is op grote afstand gelegen van de projectlocatie, c.a. 6,9 kilometer. Het initiatief heeft hier geen invloed op.
Figuur 4.4: Afstand projectlocatie tot NNN (planologische EHS groen)
In de omgeving van de projectlocatie zijn een aantal Natura 2000-gebieden gelegen zie afbeelding 4.5. Het gebied 'Waddenzee' ligt op een afstand van circa 7 kilometer en het gebied 'Groote Wielen' op een afstand van 9 kilometer.
Voor eventuele gevolgen van de emissie van stikstof vanuit de inrichting op de voor stikstof gevoelige N2000-gebieden is een voortoets uitgevoerd (zie Bijlage 5). Uit deze voortoets volgt dat het project geen toename van stikstofdepositie met zich meebrengt. Uit jurisprudentie van de Raad van State (uitspraak 201907146/1/R2) volgt dat voor een project waar toepassing wordt gegeven aan intern salderen geen natuurvergunning nodig is. Gelet op de grote afstand tot de gebieden is van overige effecten geen sprake.
Afbeelding 4.5: ligging projectlocatie t.o.v. N2000-gebieden.
Soortbescherming
Voor het project is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6) Uit deze quickscan volgt dat de werkzaamheden voor het project afgestemd moeten worden op de voortplantingsperiode van vogels.
Conclusie
Het aspect ecologie staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de huidige Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen worden over enige tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen)
Toets
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied en in de omgeving zijn diverse cultuurhistorische waarden aanwezig. In het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn deze cultuurhistorische waarden vastgelegd met de dubbelbestemming 'Waarde - reliëf terpen en kruinige percelen'. De cultuurhistorische kaart van de Provincie Fryslân laat nog enkele waardevolle elementen zien, weergegeven op afbeelding 4.5. In het Adviesrapport Nije Pleats is uitgebreid ingegaan op de ontwikkeling van het erf in relatie tot ligging in een gebied met onregelmatige blokverkaveling.
Afbeelding 4.5: aanwezige cultuurhistorische waarden (Bron: CHK provincie Fryslân)
Bijzonder aan de locatie, en dat volgt ook uit CHK, is dat er een tweetal stinzen aanwezig zijn. Deze stinzen behoorden tot het uithof van klooster Klaarkamp en stond het bekend als Bernardaburen. De uitbreiding van het erf licht achter de oorspronkelijke uithof. Hierdoor is de verandering aan de zijde van de bestaande bebouwing beperkt en worden de randen van het erf opnieuw vorm gegeven door nieuwe beplanting en aanleg van een sloot. De invloed op de openheid en op eventuele zichtlijnen blijft beperkt tot het gebied naast de stal.
Archeologie
De zone direct ten oosten van het plangebied is in 2018 onderzocht met een bureauonderzoek en een karterend en waarderend booronderzoek. Het huidige plangebied ligt volgens de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) op dezelfde terp en binnen hetzelfde boerenbedrijf. In overleg met de gemeente is enkel een beknopt bureauonderzoek uitgevoerd voor het huidige plangebied (zie Bijlage 7)
De verwachting uit het vooronderzoek was dat op basis van de nabijgelegen boringen in de diepe ondergrond (dieper dan 2,5 m-mv) een toenmalig hoger gelegen dekzandlandschap verwacht werd dat geschikt was voor bewoning in de steentijd. Daarboven zou vanaf het Holoceen veen gevormd (top rond 1,5 m-mv) en op het veen is vanaf de IJzertijd een kleidek afgezet. Het plangebied leek op basis van het AHN en de nabijgelegen eerder uitgevoerde boringen geen onderdeel te zijn van de terp.
Uitkomsten veldonderzoek
Deze landschappelijke opeenvolging werd op hoofdlijnen ook in het plangebied aangetroffen tijdens het booronderzoek. De top van het dekzandlandschap lag echter dieper en door het ontbreken van een (podzol)bodem in de top van het dekzand is dit geen kansrijk archeologische niveau. Er zijn ook geen archeologische indicatoren in dit niveau waargenomen. Op de overgang van de veenvorming naar de afzetting van de kwelderafzettingen lijkt een stilstandsfase aanwezig te zijn geweest die in theorie een kansrijk niveau kan zijn geweest voor een vindplaats uit de Bronstijd t/m Romeinse tijd. Er zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen die dit vermoeden bevestigen. Zoals verwacht is er in de top van de kwelderafzettingen geen terp waargenomen.
Selectieadvies
Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting is archeologisch vervolgonderzoek niet nodig.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van zowel archeologie als cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar.
In de huidige situatie is een 'krappe' inrit aanwezig waar via een smalle verbinding langs de bestaande stallen het achtererf bereikt kan worden. Deze verbinding is niet geschikt voor het huidige, steeds groter wordende, landbouwverkeer. Door het aanleggen van een nieuwe inrit naar het 'nieuwe erf' kunnen landbouwvoertuigen, melkwagen etc. makkelijk het erf bereiken.
De bestaande inrit zal voor privé doeleinden gebruikt worden. Daar waar de nieuwe inrit aansluit op de Iedyk zijn geen grote bomen aanwezig en is voldoende zicht op de weg. Zo is er sprake van een verkeersveilige situatie.
Parkeren voor privé doeleinden vindt plaats naast de oude boerderij aansluitend op de huidige inrit. Landbouwvoertuigen kunnen achter op het perceel gestald worden in de toekomstige wagenberging.
Qua aantallen verkeersbewegingen van en naar de inrichting zal niet wezenlijk iets veranderen. Melk- en voertransporten blijven gelijk, ook al neemt het aantal melk-koeien binnen de inrichting toe, en ook de oppervlakte aan te bewerken gronden blijft gelijk. Voor het parkeren van privé voertuigen en de landbouwvoertuigen is voldoende ruimte aanwezig in de toekomstige situatie.
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen.
Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van de documenten ten behoeve van de omgevingsvergunning zijn voor de initiatiefnemer. Er wordt vanuit gegaan dat de initiatiefnemer het plan kan financieren en dat het daarom economisch uitvoerbaar is.
Met de initiatiefnemer zal een anterieure- of planschadeovereenkomst gesloten worden tussen initiatiefnemer en gemeente waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld.
Procedure
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is vooroverleg bij een uitgebreide procedure van toepassing. Gezien het beleid van het rijk in deze is vooroverleg met deze partij niet noodzakelijk. Vooroverleg met de provincie wordt wel gevoerd. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in een ontwerpwijzigingsplan.
Vervolgens wordt het ontwerpwijzigingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd op grond van artikel 3.1 Wro. Gedurende deze termijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Ontvangen zienswijzen zullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het wijzigingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan.
Vervolgens wordt het wijzigingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door het college en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State.
Participatie
Het planvoornemen is kenbaar gemaakt aan de direct omwonenden aan de Iedyk 13 en 19. Bewoners van de Iedyk 19 zijn bevinden zich direct naast het plangebied. Eerdere bezwaren van deze bewoners hebben er toe geleid dat het plan is aangepast naar de huidige vorm. het deel van het oorspronkelijke bouwvlak achter de woning Iedyk 19 wordt verplaast en ook de nieuwe inrit krijgt een andere plek. Hier kunnen de bewoners van Iedyk 19 zich goed in vinden.
De bewoners van Iedyk 13 liggen op grotere afstand van de bedrijfslocatie maar hechtten waarde aan de (uit)zichtlijnen die aanwezig zijn. Door de stal niet te ver naar achter te situeren, de beplanting alleen naast de stal de plaatsen en het bouwvlak in te laten springen aan de achterzijde, worden deze zichtlijnen gerespecteerd.