direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Spanjaardsdijk Zuid 5a Aduard
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Spanjaardsdijk Zuid 5a, gelegen in het buitengebied ten oosten van Zuidhorn en ten westen van Aduard, was een nertsenfokkerij aanwezig. Inmiddels is dit bedrijf gestopt. Het voornemen is om in de plaats van de gesloopte bedrijfsbebouwing, twee bouwkavels met vrijstaande woningen te realiseren. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden maar wordt opgewaardeerd.

In het ter plaatse geldende bestemmingsplan is een algemene wijzigingsregel opgenomen dat er een mogelijkheid is om twee woningen te realiseren ter compensatie van de afbraak van 2.000 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing. Hieraan is een aantal voorwaarden gekoppeld. Dit wijzigingsplan maakt gebruik van deze wijzigingsregel. In deze toelichting worden de voorwaarden verder uitgewerkt. Ook wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt tussen Zuidhorn en Aduard in, op circa een kilometer afstand van de bebouwde kom van beide dorpen. Het plangebied ligt aan de Spanjaardsdijk Zuid, een weg waarmee met name een aantal agrarische percelen wordt ontsloten. De grens van het plangebied komt overeen met het terrein dat nu als 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' is bestemd.

Op onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0001.png"

Figuur 1.1. Luchtfoto plangebied en omgeving

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden meerdere juridisch-planologische regelingen. De eerste betreft het 'bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn', dat is vastgesteld op 24 mei 2012. Vervolgens is hierna een herziening vastgesteld onder de naam: 'Buitengebied Zuidhorn (herziening)'.

Tot slot geldt voor het gebied een voorbereidingsbesluit 'Geitenstop'. Dit voorbereidingsbesluit is vastgesteld om te voorkomen dat uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen mogelijk is. Vervolgens is het facetbestemmingsplan 'Geitenhouderijen' opgesteld en deze heeft als ontwerp ter inzage gelegen.

De onderstaande figuur bevat een uitsnede van de verbeeldingen van de bestemmingsplannen. De navolgende tekst geeft weer wat de geldende regels zijn van de bestemmingsplannen en in hoeverre deze regels een conflict opleveren met het voorgenomen plan. Voor het bestemmingsplan 'Geitenhouderijen' geldt dat deze als ontwerp ter inzage ligt en inhoudelijk geen invloed heeft op het planvoornemen. Om die reden wordt dat plan buiten beschouwing gelaten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0002.png"

Figuur 1.2. Uitsnede geldende bestemmingsplannen, het plangebied bevindt zich bij het rode aanwijspunt (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

'bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn'
Ten eerste maken de gronden deel uit van het 'bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn'. Op basis van dat bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Op grond van die bestemming zijn de gronden bedoeld voor "de uitoefening van het agrarisch bedrijf - met uitzondering van een boom- en/of sierkwekerij, houtteelt- of fruitteeltbedrijf - met daarbijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, tuinen, erven en agrarische gronden". Dat maakt dat het gebruik van de gronden voor woningen niet is toegestaan. Ook volgt uit de bouwregels van dat bestemmingsplan dat het bouwen van reguliere woningen niet is toegestaan. Om deze reden wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

Op het plangebied ligt de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' waardoor ter plaatse een intensieve beehouderij als hoofdtak en neventak aanwezig mag zijn.

'Buitengebied Zuidhorn (herziening)'

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn, naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State en actualisatie (locatiegebonden of algemeen). Voor het plangebied zijn in dit bestemmingsplan alleen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Op het thema archeologie wordt in paragraaf 4.2 ingegaan.

Tevens is in dit bestemmingsplan de algemene wijzigingsregel opgenomen. Hierop wordt in paragraaf 3.5.2 nader ingegaan.

1.4 Systematiek van nieuwe bestemmingsplannen

Het plan voldoet aan de eisen van de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening en is opgezet overeenkomstig de landelijk geldende standaard. Deze landelijke standaard wordt gevormd door de Standaard Vergelijkbare Plannen 2012 (SVBP2012) met de daarbij behorende bijlagen en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen (PRBP) en de Standaard voor de Toegankelijke Ruimtelijke Instrumenten (STRI).

1.5 Leeswijzer

Voorliggende toelichting kent zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk komt in Hoofdstuk 2 de beschrijving van de ontwikkeling aan de orde. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader. Het daarop volgende hoofdstuk behandelt de toetsing aan de omgevingsaspecten (Hoofdstuk 4). Hoofdstuk 5 bevat de juridische vormgeving en Hoofdstuk 6 gaat ten slotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is in de huidige situatie voor het grootste deel onbebouwd. De voormalige 'sheds', de verblijven voor de pelsdieren die hier voorheen stonden, zijn inmiddels gesloopt. Aan de noordkant van het perceel is de inrit vanaf de Spanjaardsdijk Zuid. Ook bevindt zich hier de bedrijfswoning en een schuur. Het perceel bestaat verder uit stallen.

Het perceel wordt aan de oost- en westzijde begrensd door een smalle groenstrook / bomenrij. Om het perceel heen ligt verder voornamelijk grasland. Alleen aan de noordzijde is nog een agrarisch bedrijf aanwezig.

Op onderstaande luchtfoto is de situatie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0003.png"

Figuur 2.1. Luchtfoto plangebied ingezoomd (bron: Adema architecten)

2.2 Nieuwe situatie

Functies

In de nieuwe situatie worden twee bouwkavels voor woningen opgenomen in het plangebied, op de plaats van de voormalige stallen en schuur. De bestaande bedrijfswoning blijft bestaan en wordt opgewaardeerd.

Ontwerp en uitgangspunten

Op onderstaande afbeelding is het ontwerp voor het plangebied weergegeven. In bijlage 2 is een toelichting op het ontwerp en de uitgangspunten gegeven, evenals een analyse van de historie van de plek als uitgangspunt voor het ontwerp.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0004.png"

Figuur 2.2. Ontwerp (bron: Frans Beune landschap en stedenbouw)

In het planconcept is vooralsnog niet uitgegaan van integrale ophoging van het plangebied. Dit is een weinig duurzame ingreep en zal problemen opleveren met de bestaande hoogtes rond de te handhaven woning. Uitgangspunt voor de bouw is het min of meer handhaven van de huidige maaiveldhoogtes en intensivering van het slotenstelsel, naast het creëren van een wat grotere waterberging (225 m2) in de zuidoosthoek van het plangebied. Dit biedt de waarborg voor een goede drooglegging van de nieuwe woonkavels en de centrale ontsluitingsweg van de nieuwe boerderijwoning. Door uit te gaan van de bestaande maaiveldhoogtes kunnen de bomen langs de perceelgrenzen worden gespaard en aangevuld met nieuwe bomen. Hierdoor blijft het karakter van een besloten groene “kamer” in het open wierdenlandschap gehandhaafd.

Binnen de ringsloot worden 3 percelen afgebakend door nieuw te graven smalle sloten. Deze sloten staan in verbinding met de ringsloot en de nieuwe waterberging. De perceelgrenzen komen in het hart van de nieuwe watergangen te liggen. Met de uitkomende grond van de waterberging en het nieuwe slotenstelsel, kunnen de twee nieuwe bouwkavels plaatselijk wat worden opgehoogd; er wordt in een gesloten grondbalans gewerkt.

Op de zuidelijke helft van de planlocatie wordt een boerderijwoning gerealiseerd. De toegangsweg naar deze boerderijwoning wordt aan weerszijden voorzien van leilindes en sloten. Deze sloten zorgen voor een goede drooglegging van deze nieuwe ontsluitingsweg. De leilindes zorgen voor een “privacybuffer” tussen de tuin van de bestaande woning en de nieuw te ontwikkelen schuurwoning aan de westzijde van de leilindelaan. De bestaande woning kan worden voorzien van een nieuwe gevelbekleding, die verwantschap vertoont met de gevelbekleding van de nieuwe schuurwoning. Dit kan bijvoorbeeld naturel of zwart gebeitst hout zijn. De beide entreegedeeltes van de 2 noordelijke kavels worden door hagen begrensd. De tuinterrassen van de 3 woningen liggen op het zuidwesten. Parkeren vindt aan de noordzijde van de 3 woningen plaats. Bij de nieuwe woningen zijn 2 parkeerplaatsen op eigen terrein ontworpen. Bij de bestaande woning kan op de huidige oprit worden geparkeerd.

Het voorhuis van de boerderijwoning krijgt een aantrekkelijke ligging op het zuiden; de oostzijde van het voorhuis wordt geflankeerd door de nieuwe waterberging, de westzijde door het tuinterras. Aan de oostzijde van de nieuwe sloot wordt een boomgaard met oude hoogstamfruitrassen gerealiseerd. Deze boomgaard is via twee kleinschalige vlonderbruggetjes vanaf de boerderijwoning bereikbaar.

De schuurwoning heeft een oppervlakte van 150 m2; de boerderijwoning heeft een oppervlakte van 250 m2.

Het totale nieuw gerealiseerde wateroppervlak (sloten en berging) bedraagt 450 m2, dit is ruim 45% van het nieuwe te realiseren verhardings-en dakoppervlak (totaal circa 1.070 m2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0006.png"

Figuur 2.3. 3D impressies (bron: Adema architecten)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Algemeen

Aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen liggen relevante beleidsdocumenten met beleidsuitgangspunten ten grondslag. Daarnaast dienen nieuwe ontwikkelingen passend te zijn binnen het beleid van de verschillende overheidsniveaus. In de navolgende paragrafen worden daarom de relevante beleidsuitgangspunten op rijksniveau, provinciaal niveau, regionaal niveau en gemeentelijk niveau beschreven.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI.

In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.

Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie artikel 1.1.1 van het Bro) mogelijk maakt.

3.2.3 Verwerking in het wijzigingsplan

Het plan is in overeenstemming met de rijksbelangen. Het rijksbeleid werkt wel door in het beleid van lagere overheden. Het rijksbeleid werkt tevens door in de verschillende omgevingsaspecten die in dit wijzigingsplan zijn getoetst.

In dit wijzigingsplan is er vanuit gegaan dat een 'stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in het Bro zich hier niet voordoet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beschouwt het mogelijk maken van twee woningen niet als een 'stedelijke ontwikkeling'. Een nadere toets aan de Ladder is derhalve niet aan de orde. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte van het plan aan te worden getoond. In de paragrafen 3.4.1 Regiovisie Groningen - Assen 2030 en 3.5.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025 wordt hier nader op ingegaan.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie van de provincie Groningen bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Doel van de Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen, samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen'.

RUIMTE

  • 1. Ruimtelijke kwaliteit
  • 2. Aantrekkelijk vestigingsklimaat
  • 3. Ruimte voor duurzame energie
  • 4. Vitale landbouw

NATUUR EN LANDSCHAP

  • 5. Beschermen landschap en cultureel erfgoed
  • 6. Vergroten biodiversiteit

WATER

  • 7. Waterveiligheid
  • 8. Schoon en voldoende water

MOBILITEIT 

  • 9. Bereikbaarheid

MILIEU

  • 10. Tegengaan milieuhinder
  • 11. Gebruik van de ondergrond

De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

3.3.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening Provincie Groningen bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. De onderhavige ontwikkeling is getoetst aan het provinciaal beleid en bijbehorende voorschriften. Hieronder volgen de voor dit plan relevante regels uit de verordening.

Niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (afdeling 2.3)

In artikel 2.13.4 van de verordening is de Ruimte-voor-Ruimte-regeling opgenomen. Hiermee wordt het mogelijk om in het buitengebied een woning te bouwen ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing. Het is ook mogelijk om twee woningen te bouwen ter compensatie van afbraak van 2000 m2. Hiervoor zijn de volgende voorwaarden opgenomen:

  • 1. het toevoegen van nieuwe woningen past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1;
  • 2. de nieuw te bouwen woning of woningen wordt/worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van (een) woning(en) op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie (een) woning(en) mag/mogen worden gebouwd;
  • 3. de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert;
  • 4. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing en de erfinrichting passen in het landschapsbeeld;
  • 5. de gezamenlijke oppervlakte van een woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in de aanhef;
  • 6. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
  • 7. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
  • 8. de betreffende gronden niet zijn gelegen binnen de op kaart 6 aangegeven 'NNN-beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'.

In totaal wordt circa 2.600 m2 aan bebouwing gesloopt. (zie bijlage Bijlage 1) Hieronder per voorwaarde hoe hiermee om wordt gegaan in dit plan:

  • 1. Het plan voldoet hieraan, zie paragraaf 3.5.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025;
  • 2. De woningen worden gebouwd op hetzelfde perceel als waar de voormalige stallen stonden;
  • 3. Het plan voldoet hieraan, de huidige bebouwing is verouderd en niet meer in gebruik en draagt niet iets bij aan de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Zie paragraaf 2.2;
  • 5. Deze maximum oppervlakte is geborgd in de regeling;
  • 6. Er heeft uitvoering overleg plaatsgevonden over de inrichting van het plangebied met de gemeente, waaronder de gemeentelijke stedenbouwkundige;
  • 7. Niet van toepassing;
  • 8. De gronden zijn niet gelegen binnen deze gebieden.

Woningbouw (afdeling 2.4)
In de Omgevingsverordening zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van woningbouw. Een bestemmingsplan dat voorziet in de bouw van nieuwe woningen moet naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale woonvisie.

De ruimtelijke ontwikkeling is getoetst aan het regionaal woonbeleid in paragraaf 3.4.1 Regiovisie Groningen - Assen 2030 en de gemeentelijke woonvisie in paragraaf 3.5.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025. Vooruitlopend op deze paragrafen kan geconcludeerd worden dat het plan aansluit bij de woonbehoefte zoals vastgelegd het regionaal en gemeentelijk beleid. Voor deze locatie zijn inmiddels twee woningen gereserveerd. Het plan voldoet daarmee aan het voorschrift zoals opgenomen in afdeling 2.4 van de provinciale Omgevingsverordening.

Landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling (artikel 2.60.4)

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 7 aangegeven landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling, bevat regels gericht op bescherming van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling.

3.3.3 Verwerking in het wijzigingsplan

Het plan is in overeenstemming met het provinciaal omgevingsbeleid. In de regeling van dit wijzigingsplan is een artikel opgenomen voor de bescherming van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regiovisie Groningen - Assen 2030

De gemeente Westerkwartier werkt met zeven gemeenten en de provincies Groningen en Drenthe samen op het vlak van onder andere woningbouw in het kader van de Regio Groningen-Assen (RGA).

Het samenwerkingsverband heeft voor de gewenste ontwikkeling van de regio tot 2030 in 2004 een visie op hoofdlijnen vastgesteld. Deze visie is in 2013 geactualiseerd met de publicatie 'Veranderende context, blijvend perspectief, actualisatie regiovisie Groningen-Assen'.

De oorspronkelijke hoofddoelstellingen voor de Regio blijven in de geactualiseerde visie overeind. Dit betreft het benutten en uitbouwen van economische kansen en het behouden en versterken van gebiedskwaliteiten. Van die hoofddoelstellingen zijn voor de komende periode nieuwe speerpunten afgeleid, namelijk het verder ontwikkelen van het economisch kerngebied, het versterken van de interne samenhang tussen steden en regio en het behouden en versterken van de kwaliteit van stad en land.

In 2015 is besloten om onderzoek te doen naar de actuele trends en ontwikkelingen en zijn nieuwe prognoses opgesteld. Dit onderzoek bevestigde de enorme populariteit van het stedelijke wonen in Groningen. Tevens gaf het een geactualiseerd en genuanceerder beeld van de om de stad heen liggende regio.

In de 'Regionale woningmarktanalyse regio Groningen Assen 2017-2030', het vervolg op dit onderzoek, is de vraag gesteld of de afspraken uit 2012 - tot stand gekomen ten tijde van de economische crisis en stagnerende woningmarkt en sterk gericht op aantallen - ook niet herijkt zouden moeten worden. Deze analyse bevestigde dat de opgave op de woningmarkt anno 2017 anders is dan in 2012. In 2012 moest drastisch in het aantal nieuwbouwwoningen worden gesnoeid. De regionale woningmarktmonitor liet zien dat er in 2017 sprake was van een sterk toegenomen vraag naar woningen. De analyse leidde begin 2018 tot vaststelling van het 'Regionaal Woondocument Regio Groningen - Assen', waarin de actuele behoefteraming het regionale uitgangspunt is.

De recente woningmarktmonitor laat zien dat er sprake is van een sterk toegenomen vraag naar woningen en een duidelijk gespannen marktsituatie in delen van de regio, met name in Groningen en Assen. Deze monitor is vervolgens uitgewerkt in het Regionaal Woondocument.

Het plangebied ligt in de regio Zuidwest. Voor de regio Zuidwest geldt dat de bevolking de komende 15 jaar licht gaat krimpen en dat het aantal huishoudens, en dus ook de woningvraag, tot 2025 blijft groeien. Dit algemene beeld geldt voor de gemeenten Haren, Leek, Noordenveld en Tynaarlo, maar niet voor Zuidhorn. De bevolking in de gemeente Zuidhorn blijft groeien tot 2030 en ook het aantal huishoudens groeit fors. In de praktijk kunnen ook de andere gemeenten blijven groeien, afhankelijk van hoeveelheid overdruk vanuit de stad Groningen op deze gemeenten afkomt. Voor de periode 2017-2030 wordt voor de regio Zuidwest een toename van de woningvraag verwacht met 1.900 tot 3.300 woningen (waarvan 750 excellent wonen), aangevuld met ca. 2.000 grondgebonden woningen vanuit de stedelijke woonvraag, (waarvan ca. 1.000 excellent). Het netto bouwprogramma van de vijf gemeenten tot 2030 bedraagt in totaal ca. 4.000 woningen. De regio heeft dus bij het gemiddelde scenario net voldoende capaciteit om een deel van de overdruk uit de stad Groningen over te nemen.

De ontwikkeling waar dit wijzigingsplan voor is opgesteld past in de cijfers van het Regionaal Woondocument en pas in het algemeen bij de sterk toegenomen vraag naar woningen (in en nabij de stad Groningen).

3.4.2 Verwerking in het wijzigingsplan

Het plan is in overeenstemming met de Regiovisie Groningen - Assen 2030 en de daarbij behorende woondocumenten.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025

In 2021 is de nieuwe woonvisie opgesteld door de gemeente Westerkwartier. In de Woonvisie Westerkwartier 2020 – 2025 (en het woningmarktonderzoek dat eraan ten grondslag ligt) is een raming voor de woningbehoefte opgenomen. Deze woonvisie is ook de wettelijke basis onder nieuwe prestatieafspraken, zoals wordt voorgeschreven in de Woningwet uit 2015. De woonvisie legt op hoofdlijnen vast wat corporaties van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van corporaties vraagt. Hieronder volgen kort de aandachtspunten vanuit de nieuwe woonvisie voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

De gemeente Westerkwartier heeft de ambitie om de beste woongemeente te worden van Nederland. Om dat te behouden en uit te bouwen, werkt de gemeente in de Woonvisie vanuit drie invalshoeken aan het wonen:

  • 1. investeren in netwerken van vitale dorpen;
  • 2. versnelde ontwikkeling langs bereikbaarheidsassen;
  • 3. meer verbinding tussen voorzieningenkernen.

Naast de drie invalshoeken heeft de gemeente Westerkwartier nog een aantal onderwerpen opgenomen in de woonvisie, waaronder nieuwbouw. Ten aanzien van nieuwbouw zijn dit de gemeentelijke ambities:

  • groei benutten voor aantrekkelijke dorpen;
  • herontwikkeling boven uitbreiding;
  • in Leek kansen voor herontwikkeling;
  • gevarieerd ontwikkelen in Zuidhorn;
  • tempo in voorzieningen- en basisdorpen;
  • ook in kleine dorpen nieuwbouw bieden;
  • de gemeente geeft richting aan bouwplannen;
  • de gemeente geeft ruimte aan kwaliteit;
  • experimentele woonvormen.

Het voornemen sluit in elk geval aan bij de vierde en achtste ambitie. Door het voornemen komen er twee kwalitatief goede en ruime vrijstaande woningen bij in het buitengebied van Zuidhorn. Deze woningen bieden variatie naast de andere nieuwbouw die bij het dorp Zuidhorn plaatsvindt.

In de woonvisie is ook opgenomen: We bieden ook ruimte voor nieuwbouw in kleine dorpen, passend bij de behoefte van huishoudens en bij de schaal van het dorp. [...] Hierbij zijn [...] 'ruimte voor ruimte' regelingen vaak van toepassing. Voor deze woningbouwontwikkelingen is een bandbreedte opgenomen voor (clusters) van dorpen. Deze bandbreedte is een inschatting. Er is steeds enige bouwruimte paraat. De twee woningen die dit plan toevoegt aan de woningvoorraad passen op grond van dit beleid.

Ten aanzien van duurzaam wonen heeft de gemeente ook ambities opgenomen in de Woonvisie:

  • 1. meer huiseigenaren investeren duurzaam;
  • 2. afspraken met de corporaties over het vervolg;
  • 3. pilots om verduurzaming te versnellen.

Naast deze ambities zijn er nog thema's die in de woonvisie niet worden verbonden aan concrete doelen of ambities. Zoals een klimaat adaptieve inrichting van de ruimte, circulair bouwen en gezondheid. De gemeente Westerkwartier voorziet dat deze thema's in de komende jaren op steeds meer plekken en in steeds meer gevallen om aandacht zal vragen. Per geval voegen ze dan ambities toe aan de plannen.

Het voornemen sluit aan bij deze ambities en thema's. De ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee woningen.

3.5.2 Ruimte-voor-ruimte-regeling

De ruimte-voor-ruimte regeling is opgenomen in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Zuidhorn (herziening). In artikel 48.1 lid 1 onder g staat dat Burgemeester en wethouders kunnen:

het plan wijzigen ten behoeve van de mogelijkheid om een woning te bouwen ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing of de mogelijkheid om twee woningen op te richten ter compensatie van de afbraak van 2.000 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing, mits:

  • 1. het toevoegen van nieuwe woningen past in de Regionale woonvisie Westerkwartier (2015), vastgesteld door de raad van Zuidhorn op 9 maart 2015, dan wel, indien een opvolgende woonvisie is vastgesteld, in die opvolgende woonvisie;
  • 2. de nieuw te bouwen woning of woningen wordt/worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt;
  • 3. de ruimtelijke kwaliteit in visueel-landschappelijk opzicht door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert;
  • 4. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing en de erfinrichting passen in het landschapsbeeld;
  • 5. de gezamenlijke oppervlakte van een woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2;
  • 6. over de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Deze voorwaarden komen overeen met de eerste 6 voorwaarden zoals opgenomen in de ruimte-voor-ruimte-regeling uit de provinciale Omgevingsverordening. Voor toelichting op het voldoen aan deze voorwaarden, zie paragraaf 3.3.2.

In artikel 48.1 lid 2 zijn de afwegingskaders opgenomen voor het toepassen van het wijzigingsplan. Een evenredige belangenafweging moet plaatsvinden waarbij het voldoende wordt betrokken:

  • a. de mate waarin de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  • b. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad;
  • c. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie;
  • d. de mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • e. de mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur;
  • f. de mate waarin het woon- en leefklimaat van omwonenden kan worden geschaad;
  • g. de mate waarin de nachtelijke lichtuitstraling wordt beïnvloed.

Hieronder per voorwaarde hoe hiermee om wordt gegaan in dit plan:

  • a. het plan heeft niet specifiek betrekking op het beschermen van waarden, wel geldt dat in het plan een dubbelbestemming is opgenomen om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen en om de blokverkaveling te beschermen;
  • b. in paragraaf 4.3 van deze toelichting wordt op dit punt ingegaan, in hoeverre de ontwikkeling de bedrijfsactiviteiten in de omgeving belemmerd. Van eventuele andere schade van belangen is in het geval van dit plan geen sprake;
  • c. op deze thema's wordt ingegaan in hoofdstuk 4 van deze toelichting;
  • d. op de landschappelijke inpasbaarheid wordt ingegaan in paragraaf 2.2 van deze toelichting;
  • e. er is geen sprake van gevolgen voor de infrastructuur. Er is nauwelijks sprake van verkeerstoename, dus ook beïnvloeding van de verkeerssituatie is niet aan de orde;
  • f. hier wordt ook op ingegaan in paragraaf 4.3 van deze toelichting. Omdat er echter sprake is van het toevoegen van woningen, en niet op bedrijfsactiviteiten, is geen sprake van schade aan woon- en leefklimaat van omwonenden;
  • g. door het plan wordt de hoeveelheid bebouwing ten opzichte van de huidige situatie teruggebracht. Ook vinden er geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. Vanwege dit feit, en het feit dat het een kleinschalige woningbouwproject van twee woningen betreft, is er geen sprake van lichtuitstraling in onevenredige mate op de omgeving.
3.5.3 Beleid bijgebouwen

Uitgangspunten van beleid zijn:

  • met de bijgebouwenregeling inspelen op extra behoefte (door toenemende mobiliteit, vergrijzing) met een maximum van zeventig vierkante meter;
  • geen onderscheid tussen aan-, uit- en bijgebouwen.

In de regeling van dit wijzigingsplan wordt dit nader uitgewerkt.

3.5.4 Welstand

Uitgangspunten van beleid:

  • het welstandsbeleid voor dit gebied is opgenomen in de Welstandsnota Zuidhorn mei 2013 van de voormalige gemeente Zuidhorn;
  • in de nota zijn voor het 'Humsterland/Wierdenlandschap', waarin het plangebied is gelegen, criteria opgenomen waaraan de bebouwing getoetst wordt, evenals een beschrijving van geschikte landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de belangen van natuur en milieu, cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden bij het plan zijn betrokken. Dit hoofdstuk van de toelichting gaat in op de doorwerking van deze aspecten in dit wijzigingsplan.

4.2 Archeologie

Toetsingskader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).

Toetsing
Het initiatief leidt tot graafwerkzaamheden. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zuidhorn (herziening)' heeft het betreffende perceel een archeologische verwachtingswaarde, waarbij een ingreep met een oppervlakte van duizend vierkante meter en dieper dan 50 centimeter verkennend archeologische veldonderzoek is vereist. Aangezien deze oppervlakte niet wordt overschreden, kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. De archeologische dubbelbestemming wordt evenwel overgenomen in de regels van dit wijzigingsplan.

Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Het wijzigingsplan is dus voor het aspect archeologie uitvoerbaar.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader
Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig.

Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven.

De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken:

  • binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen;
  • concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie;
  • de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn;
  • afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken.

De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving.

Toetsing
Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving
In de omgeving van het projectgebied (rondom 500 meter vanaf het gebied) zijn drie agrarische bedrijven aanwezig. Het gaat om de volgende bedrijven:

  • Spanjaardsdijk Zuid 3;
  • Spanjaardsdijk Zuid 4;
  • Spanjaardsdijk Zuid 11.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0007.png"

Figuur 4.1. Ligging omliggende bedrijven (bron: GoogleMaps)

Voor de bedrijven op nr. 3 en 11 geldt dat deze liggen op de afstand van meer dan 200 meter (respectievelijk 220 en 370 meter). Ten aanzien van agrarische activiteit geldt dat de grootste richtafstand die hiervoor in de VNG brochure is opgenomen, tweehonderd meter is. Deze bedrijven vallen buiten deze richtafstand en vormen dus geen belemmering voor het voornemen.

Het bedrijf op nr. 4 ligt op kortere afstand van het plangebied. De precieze afstand om te meten is vanaf de grens van de bestemming van het bedrijf tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het wijzigingsplan mogelijk is. Deze afstand is circa 45 meter (tussen het agrarisch bedrijfsperceel en de noordwestelijk gelegen woning).

Vanwege deze beperkte afstand is het daarom relevant na te gaan welke activiteiten hier precies plaatsvinden. Het gaat om een melkveehouderij. Voor het fokken en houden van rundvee wordt in de VNG brochure een afstand aangehouden van 100 meter voor geur, en 30 meter voor stof en geluid. Zoals betreft gaat het hier om richtafstanden.

In dit geval wordt niet voldaan aan de afstand van 100 meter voor geur. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn gerichtere regels gesteld voor bedrijven die landbouwhuisdieren houden. Deze gelden alleen voor bedrijven en zijn dus andersom niet bedoeld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Toch kunnen deze regels wel in die zin gebruikt worden om na te gaan of het bedrijf niet door de ontwikkeling wordt belemmerd en nog kan voldoen aan de wettelijke regels. Daarnaast zijn deze regels opgesteld om geurhinder te voorkomen.

Voor dieren zonder geuremissiefactor (waar melkrundvee onder valt) geldt in artikel 3.117 van dit besluit een afstand tot een geurgevoelig object zoals een woning, van 100 meter voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Deze afstand geldt tussen het dierenverblijf en het geurgevoelig object. In dit geval is de afstand tussen het dichtstbij gelegen dierenverblijf en het bouwvlak waar een woning mogelijk wordt gemaakt (buiten de bebouwde kom) ruim 100 meter. Er wordt dus voldaan aan deze afstand.

In het Activiteitenbesluit zijn daarnaast regels voor geur opgenomen voor het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (artikel 3.46). Ook voor deze activiteit gelden op grond van dit artikel de afstanden van 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. In dit geval is de afstand vanaf de kuilvoeropslag circa 40 meter tot de bestaande woning en 50 meter tot de dichtstbij geplande nieuw te bouwen woning. De afstand tussen de bestaande woning voldoet niet aan de afstand van 50 meter, maar dit is in de huidige situatie ook al het geval. Het agrarisch bedrijf wordt door het plan daarom niet extra belemmerd. Het kan wel zo zijn dat ter plaatse van de bestaande woning geurhinder ontstaat. Omdat dit een bestaande situatie is en er nu geen knelpunten bekend zijn, acht de gemeente het in dit geval acceptabel. De nieuwe woningen voldoen aan de afstand van 50 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0008.png"

Figuur 4.2. Afstand opslag kuilvoer tot bestaande woning (bron: pdokviewer.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0009.png"

Figuur 4.3. Afstand opslag kuilvoer tot locatie nieuw te bouwen woning (bron: pdokviewer.nl)

Gelet op het bovenste kan worden geconcludeerd dat er door het plan geen belemmeringen zijn voor de agrarische bedrijven in de omgeving. Ook geldt dat er geen geurhinder wordt verwacht.

Hinder als gevolg van het voorliggende plan
De volgende vraag is of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het planvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit wijzigingsplan voorziet. Goed beschouwd gaat het dan om het gebruik van gronden voor bewoning. Vanuit de functie gaat geen hinder uit naar omliggende functies.

Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

4.4 Bodem

Toetsingskader
Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit vormen de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.

Toetsing
Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van een gebouw of bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) zullen verblijven. Dat maakt dat het noodzakelijk is bodemonderzoek uit te voeren. Gezien de hoeveelheid verharding en bebouwing op het erf zal het bodemonderzoek worden uitgevoerd na de sloop van de bebouwing. Indien uit het onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de woonfunctie, dan zal de grond worden gesaneerd in de bodem geschikt gemaakt worden voor de beoogde functie.

4.5 Cultuurhistorie

Toetsingskader
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.

Toetsing
De gemeente Westerkwartier heeft in totaal 323 monumenten. De monumenten geven een beeld van de unieke en veelzijdige geschiedenis van de gemeente Westerkwartier. Op de site van de gemeente Westerkwartier is een monumentenkaart te vinden die een overzicht geeft van de tachtig gemeentelijke-, en 243 rijksmonumenten. Uit de kaart blijkt dat in of in de nabijheid van het plangebied zijn geen monumenten gelegen.

Verder zijn de landschappelijke kwaliteiten van het gebied reeds in paragraaf 2.1 (Huidige situatie) besproken en worden deze kwaliteiten door middel van dit wijzigingsplan niet aangetast en waar nodig geborgd.

Conclusie
Op basis van de bovenstaande analyse wordt het plan wat betreft het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar worden geacht.

4.6 Ecologie

Toetsingskader
Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden. In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd voor de projectlocatie. Het rapport dat naar aanleiding hiervan is opgesteld is opgenomen als Bijlage 3 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Hieronder volgt kort de conclusie van het onderzoek.

Toetsing
Soortenbescherming
Voor dit plan is op 23 augustus 2021 een veldbezoek gedaan en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de NDFF geraadpleegd. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens is een voldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied verkregen om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit deze toetsing komt naar voren dat het plan niet zal leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, mits bij de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebied 'Leekstermeergebied'. Gezien de af-stand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.

Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen (>7 kilometer) wordt geen toename van stikstofdepositie boven 0.00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden verwacht.

Gezien de afstand tot het NNN, natuur buiten het NNN, akker- en weidevogelleefgebied en de aard van het plan, zijn geen negatieve effecten te verwachten op dergelijke gebieden. Het project is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

Beschermde houtopstanden

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom.

Het terrein ligt buiten de bebouwde kom. Als de bomenrijen langs de oost- en westrand van het terrein meer dan 21 bomen bevatten zijn deze beschermd onder het onderdeel Houtopstanden van de Wnb. Bij kap van bomen in deze rijen is het indienen van een kapmelding bij de provincie Groningen nodig. Ook geldt dan de herplantplicht.

Conclusie
Het thema ecologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel gelden een paar aandachtspunten, zoals het rekening houden met het broedseizoen bij werkzaamheden en de kapmeldingsplicht en herplantplicht bij de kap van meer dan 21 bomen. Deze punten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7 Externe veiligheid

Toetsingskader
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft voorwaarden voor nieuwe en bestaande situaties ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van inrichtingen waarin bepaalde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, opgeslagen of geproduceerd. Het plaatsgebonden risico onderscheidt grens- en richtwaarden voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het betreft de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Deze kans mag maximaal één op een miljoen (10-6) per jaar zijn. Het groepsrisico is van toepassing op groepen personen in het invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen en de kans op overlijden. Dit wordt weergegeven in een Fn-curve en getoetst aan een oriënterende waarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 is de nieuwe wetgeving rond transportroutes, het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) met het bijbehorende Basisnet, in werking getreden. Dit besluit vervangt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Het Besluit transportroutes externe veiligheid sluit aan op de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen omtrent het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarnaast wordt het Basisnet voor wegen, spoor en water opgesteld. Dit basisnet omvat alle rijkswegen, spoorlocaties met goederenvervoer en kanalen en rivieren met goederenvervoer, met de bijbehorende (eventueel aanwezige) risicoafstanden.

Buisleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (vijf meter bij leidingen met een druk boven de veertig Bar), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Toetsing
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de digitale Risicokaart voor het projectgebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0010.png"

Figuur 4.4. Uitsnede risicokaart met in het blauw kader het plangebied, rode stippellijn is de dichtstbij gelegen buisleiding (bron: risicokaart.nl, januari 2021)

Buisleidingen
Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. De buisleiding ten zuidwesten van het plangebied ligt op circa anderhalf kilometer afstand. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle leidingen.

Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.

Spoor, weg en water
Op kaart 3 van de provinciale Omgevingsverordening zijn de transportroutes voor gevaarlijke stoffen weergegeven wanneer het provinciale wegen betreft. Hieronder is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Het plangebied ligt buiten de veiligheidszones die voor deze transportroutes worden aangehouden. Deze routes vormen daarom geen belemmering voor het voornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.WZBG21HERS3-VA01_0011.png"

Figuur 4.5. Uitsnede kaart 3 provinciale Omgevingsverordening Groningen (ruimtelijkeplannen.nl)

Verder is ten noorden van het plangebied het Van Starkenborghkanaal gelegen. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voor het kanaal geldt een invloedsgebied van 1.070 meter. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van deze transportroute. Op grond van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico en de PAG-zone (vrijwaringszone Barro). Bij toetsing aan de artikelen uit het Bevt blijkt het volgende.

In artikel 7 is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan waarvan het plangebied binnen het invloedsgebied ligt, in elk geval in moet gaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute. Ten aanzien van bestrijdbaarheid geldt dat het plan van de woningen aan de Spanjaardsdijk niet ervoor zorgt dat het kanaal bijvoorbeeld minder goed bereikbaar zou zijn voor hulpdiensten. De huidige ontsluitingsweg blijft behouden en de toename van het aantal verkeersbewegingen is zo beperkt dat de ontsluitingsweg goed blijft functioneren als eventuele toegangsweg richting het kanaal.

Daarnaast moet op grond van artikel 7, voor plannen die een nog niet aanwezig kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk maken, ingegaan worden op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een ramp. Voor deze locatie geldt dat de percelen vanaf de zuidzijde bereikbaar zijn via een ontsluitingsweg. Hiermee kunnen aanwezige personen in een veilige richting, van de ramp af, vluchten wanneer dat nodig is.

Artikel 8 is alleen van toepassing bij plannen die geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van de transportroute liggen. Dit plan ligt op een afstand van circa 475 meter. Dit artikel is daarom niet van toepassing.

Artikel 9 schrijft voor dat het bevoegd gezag advies moet vragen bij de veiligheidsregio over de onderwerp die vanwege artikel 7 en 8 zijn benoemd. Dit advies is opgevraagd en opgenomen in Bijlage 5.

Tot slot gaat artikel 10 over plasbrandaandachtsgebieden en vrijwaringszones zoals in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening zijn vastgesteld. In dit geval ligt het plangebied niet binnen de vrijwaringszone van het kanaal. Dit artikel is daarom niet van toepassing.

Conclusie
Ten aanzien van inrichingen en buisleidingen wordt dit plan niet belemmerd. Deze risicobronnen liggen op grote afstand van het plangebied. Ook is de afstand tussen provinciale wegen die onderdeel zijn van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, voldoende.

Wat betreft het Van Starkenborghkanaal is in deze paragraaf onderbouwd waarom het plan, op grond van het Bevt, voor het thema externe veiligheid voldoet. Wanneer het advies van de Veiligheidsregio binnen is, zal deze paragraaf hiermee worden aangevuld.

4.8 Geluid

Toetsingskader
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur. De wet stelt dat akoestisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer binnen zones van (spoor)wegen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing, zoals woningen, wordt gerealiseerd. Uit zulk onderzoek moet dan blijken in hoeverre de vastgestelde voorkeurgrenswaarden al dan niet worden overschreden. Daarnaast moet op grond van de Wet ruimtelijke ordening worden aangetoond dat een project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Geluidsaspecten die een rol kunnen spelen betreffen:

  • menselijk stemgeluid;
  • wegverkeerslawaai;
  • aanwezigheid natuurgebieden;
  • lawaaisporten;
  • industrielawaai;
  • stiltegebieden.

In het kader van dit wijzigingsplan is alleen mogelijk sprake van wegverkeerslawaai. Overige potentiële factoren liggen op dusdanige afstand dat daarvan geen sprake is.

Toetsing
De weg Spanjaardsdijk Zuid grenst aan het plangebied. Deze weg is ter plaatse doodlopend en heeft enkel als functie de ontsluiting van de aanliggende percelen en agrarische bedrijven. Van enig ander verkeer over deze weg is vrijwel geen sprake. Er liggen geen functies aan de weg die veel verkeer genereren. Gelet hierop en de verkeersintensiteit van omliggende wegen is niet aannemelijk dat het huidige aantal motorvoertuigen in de toekomst fors zal toenemen. Om die reden bestaan er geen belemmeringen op grond van Wet geluidhinder.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Luchtkwaliteit

Toetsingskader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan luchtverontreiniging.

De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van drie procent verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Met behulp van de nibm-tool is de toename van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) te bepalen.

Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Toetsing
Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van twee woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Andersom is ook beoordeeld of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat ter plaatse van de woningen worden overschreden.

Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, gepubliceerd door het RIVM (geodata.rivm.nl/gcn), zijn met vierkante kilometervakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Uit deze kaart blijkt dat in het vierkante kilometervak waarin het plan ligt de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim voldoen aan grenswaarden van de Wet milieubeheer en de WHO-advieswaarde.

Conclusie
Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

4.10 Water

Toetsingskader
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin moet worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water.

Het plangebied van het wijzigingsplan ligt binnen het beheersgebied van waterschap Noorderzijlvest.

Toetsing
Via de Digitale Watertoets is waterschap Noorderzijlvest van onderhavig initiatief op de hoogte gebracht. De aanmelding heeft ertoe geleid dat de korte procedure wordt doorlopen. Er is voor de ruimtelijke procedure geen nadere afstemming met het waterschap nodig. De watertoets is als Bijlage 4 (Watertoets) opgenomen.

Uit de watertoets blijkt dat rekening gehouden moet worden met de volgende aandachtspunten.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater.

Uitgangspunt voor de bouw is het min of meer handhaven van de huidige maaiveldhoogtes en intensivering van het slotenstelsel, naast het creëren van een wat grotere waterberging (225 m2) in de zuidoosthoek van het plangebied. Binnen de ringsloot worden 3 percelen afgebakend door nieuw te graven smalle sloten. Deze sloten staan in verbinding met de ringsloot en de nieuwe waterberging. Hemelwater wordt voor zover mogelijk afgevoerd naar de sloten en daarmee naar de nieuwe waterberging.

Het totale nieuw gerealiseerde wateroppervlak (sloten en berging) bedraagt 450 m2, dit is ruim 45% van het nieuwe te realiseren verhardings-en dakoppervlak (totaal circa 1.070 m2).

Door de beperkte toename van verharding (in totaal is zelfs sprake van afname doordat de shed's worden verwijderd), zijn compenserende maatregelen niet verplicht.

Grondwater

In de watertoets zijn indicatieve droogleggingsnormen opgenomen om grondwateroverlast te voorkomen.

Waterwet

Mogelijk is een watervergunning nodig voor het aanpassen van de sloten. Dit is voor de ruimtelijke procedure niet van belang, maar geldt wel als aandachtspunt voor de uitvoering van dit project.

Conclusie

Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor het plan.

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader
In het Besluit milieueffectrapportage zijn activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De grenswaarden die voor deze activiteiten zijn opgenomen voor een m.e.r.-beoordelingsplicht zijn indicatief. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG).

Onderzoek
Allereerst is de vraag óf de activiteit die het wijzigingsplan mogelijk maakt, onder één van de categorieën valt die in het Besluit milieueffectrapportage zijn genoemd.

Het wijzigingsplan biedt de mogelijkheid om twee extra woningen te realiseren. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 11.2 betreft: "uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen".

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het betwiste plan voorziet in de bouw van twee woningen op een perceel grasland in een kleine kern. De Raad van State heeft in voornoemde uitspraak geoordeeld dat het plan, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.

Ook de planontwikkeling aan de Spanjaardsdijk Zuid 5a kent een beperkt ruimtebeslag en een beperkte bebouwing. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het bebouwd oppervlak gering af: agrarische opstallen worden gesloopt en daarvoor in de plaats worden twee woningen teruggebouwd met een beperkter volume. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Dat betekent dat er geen sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Conclusie
Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.

4.12 Conclusie

Vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Realisatie van voorgenomen initiatief is wat betreft de omgevings- en milieuaspecten haalbaar.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit wijzigingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het wijzigingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een ruimtelijk plan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het wijzigingsplan bestaat uit:

  • een verbeelding van het plangebied, zowel analoog als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen;
  • de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een wijzigingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het wijzigingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om wijzigingsplan te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe wijzigingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het wijzigingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit wijzigingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het wijzigingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het wijzigingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige planregels puntsgewijs besproken.

5.2 Dit wijzigingsplan

In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de regels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:

De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.

5.2.1 Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Begrippen) en de wijze van meten (Wijze van meten). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'wijzigingsplan'.

Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij andere bestemmingsplannen in de gemeente Westerkwartier. Voor de wijze van meten geldt hetzelfde.

5.2.2 Bestemmingsregels

'Wonen'
Dit wijzigingsplan kent de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming maakt de twee nieuwe woningen mogelijk alsmede de bestaande woning. Ten aanzien van deze bestemming is aangesloten bij de woonbestemming van het buitengebied. Aanvullend daarop bepalen de regels dat de bestaande woning, die op de verbeelding is aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - vrijgekomen bebouwing', onder andere niet mag worden vergroot.

Waarde - Archeologie 5
Ter plaatse van het plangebied kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Om deze te beschermen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Deze dubbelbestemming bepaalt dat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig is.

5.2.3 Algemene regels

De algemene regels bestaan uit een aantal regels:

De 'Anti-dubbeltelregel' is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een wijzigingsplan wordt overgenomen. De overige algemene regels zijn op basis van andere bestemmingsplannen in de gemeente en de bevatten verscheidene regels van algemene strekking. Zo mag van de in de bestemmingsregels gegeven maten in een aantal gevallen worden afgeweken. Ook is het niet toegestaan om in het plangebied schroot op te slaan.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt.

Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe wijzigingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Tot slot bevat Overgangs- en slotregels de slotregel waarin is aangegeven hoe het wijzigingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten van het voornemen komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin is vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het wijzigingsplan, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het wijzigingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In deze paragraaf worden, voorzover beschikbaar, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Bro uiteengezet. Ook de resultaten van de zienswijzefase worden hier uiteengezet.

6.2.1 Overleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is ten behoeve van vooroverleg naar de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio gestuurd. Hieronder zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De vooroverlegreacties zijn opgenomen in Bijlage 5.

Provincie

Ruimte-voor-ruimte-regeling

In artikel 2.13.4 van de verordening is de Ruimte-voor-ruimte-regeling opgenomen. De oprichting van twee woningen is op grond van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 48.1, eerste lid, onder g van de planregels mogelijk als o.a. ter compensatie de afbraak van minimaal 2000m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing plaatsvindt. De provincie verzoekt aanvullend in de toelichting onder paragraaf 3.3.2 en 3.5.2 de exacte oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing aan te geven. Daarnaast is abusievelijk een verkeerde bijlage toegevoegd.

Reactie gemeente

De te slopen oppervlakte is toegevoegd in de toelichting en de bijlage vervangen.

Bodem

Uit paragraaf 4.4. van de toelichting blijkt dat na sloop van de bebouwing bodemonderzoek zal worden uitgevoerd. De provincie verzoekt de resultaten van dit onderzoek en de gevolgen voor het plan in de toelichting op te nemen.

Reactie gemeente

Gezien de grote hoeveelheid bebouwing en verharding op dit moment is het niet mogelijk bodemonderzoek uit te voeren. Het onderzoek zal worden uitgevoerd na sloop en verwijderen van de verharding en dus na vaststelling van het wijzigingsplan.

Veiligheidsregio

Veiligheidsregio Groningen heeft een beoordeling gedaan op de aanwezigheid van externe risicobronnen en de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor de planontwikkeling. Daarbij is de veiligheidsregio tot de volgende conclusies gekomen:

  • Op de planontwikkeling zijn geen significante externe veiligheidsrisico's van invloed;
  • Het plangebied is voldoende bereikbaar om een incident binnen het plangebied te bestrijden;
  • Binnen het plangebied en de omgeving zijn geen primaire en secundaire bluswatervoorzieningen aanwezig in de vorm van brandkranen en open water.


Ten aanzien van dit tekort aan bluswater adviseert de veiligheidsregio primaire bluswatervoorzieningen te realiseren binnen het plangebied. De handleiding ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening regio Groningen B&B’ (Veiligheidsregio Groningen, juli 2013) geldt als uitgangspunt voor de beoordeling van de bluswatervoorziening.


Reactie gemeente 

Hoe invulling wordt gegeven aan het advies met betrekking tot bluswater is reeds bekend. De aanleg hiervan zal als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Waterschap

Waterschap Noorderzijlvest kan instemmen met dit wijzigingsplan. De wateraspecten zijn goed beschreven in de waterparagraaf, refererend aan de resultaten van de Digitale Watertoets.


De afname van verhardingen en toename aan oppervlaktewater hebben een gunstig effect op het watersysteem. Het ophogen van het terrein draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast in het plangebied. Voor een goede drooglegging dien men uit te gaan van een waterpeil van -1.20 mNAP in de watergangen binnen en rond het plangebied.

Voor het realiseren van extra oppervlaktewater met eventuele dammen met duiker of bruggen dient een watervergunning te worden aangevraagd.


Reactie gemeente 

De gemeente neemt de reactie voor kennisgeving aan.

6.2.2 Zienswijzen

Deze paragraaf wordt aangevuld met de behandeling van de zienswijzen wanneer de terinzagelegging periode is afgerond.