Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Hoofdstuk 22D nabij Rijksstraatweg 13 Zuidhorn
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1969.TPZU25POST01-VA01

PREAMBULE

Dit TAM-omgevingsplan  is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie nabij Rijksstraatweg 13  te Zuidhorn en is als een nieuw hoofdstuk 22D opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorzieningen, bedoel in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op htpps://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22D van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22D gelezen worden. In de kop van de bijlagen, indien aanwezig, bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22D gelezen worden.

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van de overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D nabij Rijksstraatweg 13 Zuidhorn', tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

 

2.1 plan

het omgevingsplan hoofdstuk 22D nabij Rijksstraatweg 13 Zuidhorn met identificatienummer NL.IMRO.1969.TPZU25POST01-VA01 van de gemeente Westerkwartier;

2.2 aanbouw

een gebouw dat door een scheidingsmuur is begrens met het hoofdgebouw;

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.4 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.5 bebouwingspercentage

een percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

2.6 bed & breakfast

het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, welk verblijf en ontbijt moeten plaatsvinden in de woning;

2.7 bestaand

a. t.a.v. bebouwing:
bebouwing, zoals legaal, met vergunning, aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van dit hoofdstuk, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en verleende of te verlenen;
 
b. t.a.v. gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dit hoofdstuk rechtskracht heeft verkregen;

2.8 bijgebouw

een gebouw dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een, op hetzelfde bouwperceel gelegen, hoofdgebouw, maar daarmee niet in directe verbinding staat;

2.9 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.10 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.11 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.12 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.13 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.14 dak

iedere boven beëindiging van een gebouw;

2.15 erker

een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een ‘lichte’ constructie met een overwegend transparante uitstraling;

2.16 gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsluiten ruimte vormt;

2.17 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de functie als het belangrijkste gebouw valt aan te merken;

2.18 kap

een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt;

2.19 mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

2.20 meetverschil

een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een aangegeven functie- of bouwgrens;

2.21 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier;

2.22 overkapping

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;

2.23 peil

  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld;
  3. indien in, op of over water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);

2.24 uitbouw

een gebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat een uitbreiding van een ruimte in dat gebouw vormt;

2.25 verminderd zelfredzamen personen

De volgende gebruiksfuncties worden als gebruiksfuncties gezien voor verminderd zelfredzamen personen
  1. een woonfunctie voor 24-uurszorg; 
  2. een bijeenkomstfunctie:
    1. voor kinderopvang; of
    2. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
  3. een celfunctie (gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen);
  4. een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied;
  5. een onderwijsfunctie:
    1. voor basisschoolonderwijs; of
    2. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking;

2.26 weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden;

2.27 woning

een complex van ruimten, uitsluitend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

2.28 woonhuis

een gebouw dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Rijksstraatweg ong. Zuidhorn, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.TPZU25POST01-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn op de locatie, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, de regels zoals opgenomen in het Parapluplan parkeren Westerkwartier (vastgesteld op 14-6-2023) en het bestemmingsplan Geitenhouderijen (vastgesteld op 29-9-2021) die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, op deze locatie nog steeds van toepassing.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 2.1 tot en met 2.4.

4.1 Gebouwen en bouwwerken

4.1.1 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
4.1.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
4.1.3 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
4.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
4.1.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en /of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
4.1.6 de afstand tot de perceelgrens
vanaf de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelgrens;

4.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of functievlakken, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- of kroonlijsten en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de bouw-n c.q. de functiegrens met niet meer dan 1,50m wordt overschreden.

4.3 Dakopbouwen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte van een bouwwerk, worden dakopbouwen als ondergeschikte bouwonderdelen aangemerkt, mits de bouwhoogte van een bouwwerk met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden.

4.4 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:
  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (°).

4.5 Meten

Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan gemeente Westerkwartier, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven functies en/of gebiedsaanwijzingen.

2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Agrarisch’ heeft de volgende functies:
  1. het agrarisch grondgebruik, met uitzondering van boom- en/of sierkwekerij-, houtteelt- of fruitteeltbedrijf;
  2. de landschappelijke waarde zoals deze tot uitdrukking komt in de openheid en de verkavelingsstructuur van het gebied;
  3. volkstuinen, ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin';
met daaraan ondergeschikt:
  1. bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare;
  2. voorzieningen voor de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen voor het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen voor ijsbanen of siervijvers;
  3. waterlopen;
  4. wegen en paden;
 Met de daarbij behorende: 
  1. gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen en geen windturbines zijnde, en andere werken.

7.3 Beoordelingsregels

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie ‘Agrarisch’ worden gebouwd.
7.3.1 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan gemeente Westerkwartier gelden voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte mag niet meer dan 1,50 m bedragen;
  2. bouwwerken voor teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan.

7.4 Specifieke functieregels

7.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de opslag van kuilvoer en mest.

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.5.1 Vergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter;
  2. het aanbrengen van verhardingen over een oppervlakte van meer dan 200 m²;
  3. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen;
  4. het aanleggen van recreatieve paden en/of voorzieningen.
7.5.2 Uitzondering
Het bepaalde in lid 7.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke
  1. het normale onderhoud of de normale exploitatie betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het moment van het van kracht worden van het plan.
7.5.3 Voorwaarden
De genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het gebied.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Wonen’ heeft de volgende functies:
  1. het wonen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;
met de daarbij behorende:
  1. bouwwerken;
  2. tuinen;
  3. paden;
  4. parkeervoorzieningen;
  5. watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. erven en terreinen.

8.3 Beoordelingsregels

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie ‘Wonen’ worden gebouwd.
8.3.1 Algemeen
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gemeente Westerkwartier gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:
  1. alle gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  2. per bouwperceel is maximaal 1 woonhuis toegestaan;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande gebouwen en overkappingen is maximaal 50 m², woonhuizen niet meegerekend;
  4. alle gebouwen en bouwwerken dienen in of achter de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn' te worden opgericht.
8.3.2 Woonhuizen
In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gemeente Westerkwartier gelden voor het  bouwen woonhuizen de volgende regels:
  1. een woonhuis dient vrijstaand te worden gebouwd;
  2. de maximale goothoogte van een woonhuis 3,50 m bedraagt;
  3. de maximale bouwhoogte van een woonhuis 10,00 m bedraagt;
  4. de dakhelling minimaal 30° en maximaal 60° bedraagt.
8.3.3 Bijbehorende bouwwerken
In afwijking van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan Westerkwartier gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:
  1. de maximale goothoogte van een vrijstaand gebouw 3,50 m bedraagt;
  2. de maximale bouwhoogte van een vrijstaand gebouw 6,0 m bedraagt.
8.3.4 Erf- en terreinafscheiding
Voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen gelden de regels van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan Westerkwartier.
8.3.5 Overkappingen
In afwijking van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan Westerkwartier gelden voor het bouwen van overkappingen de volgende regels:
  1. de maximale bouwhoogte van een overkapping 3,00 m bedragen;
  2. per bouwperceel is de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen maximaal 25 m²;
  3. een overkapping moet worden gebouwd op minimaal 1,00 m achter de dichtstbijzijnde naar de weg gekeerde gevel van een woonhuis.
8.3.6 Overige bouwwerken
In afwijking van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan Westerkwartier gelden voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels:
  1. de maximale oppervlakte 1 m² bedraagt.

8.4 Omgevingsplanactiviteiten Bouwen of Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

8.4.1 Dakhelling
In afwijking van artikel 8.3.2 sub d kan een omgevingsvergunning worden verleend voor de dakhelling van een woonhuis wordt verlaagd tot 0° dan wel wordt verhoogd tot maximaal 80°, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid; en
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.4.2 Maximale oppervlakte
In afwijking van artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan Westerkwartier kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een maximale oppervlakte van 50 m² is toegestaan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid; en
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.4.3 Overkapping
In afwijking van artikel 8.3.5 sub c kan een omgevingsvergunning worden verleend voor dat een overkapping op minder dat 1 m achter de dichtstbijzijnde, naar de weg gekeerde gevel van een woonhuis mag gebouwd, zij het dat een overkapping nooit voor deze gevel mag worden gebouwd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid; en
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.5 Specifieke functieregels

 
8.5.1 Algemeen
Het is verboden om:
  1. het gebruik van vrijstaande gebouwen, die geen woonhuis zijn, voor bewoning;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, zodanig dat:
    1. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan één derde deel van het vloeroppervlak van de gebouwen op een bouwperceel;
    2. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan 30% van de grondoppervlakte van het woonhuis;
    3. het bedrijfsvloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf meer bedraagt dan 50m²;
    4. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, geen hoofdbewoner van de woning is;
    5. de woonfunctie niet in overwegende mate behouden blijft;
    6. er detailhandel plaatsvindt, anders dan detailhandel die ondergeschikt is aan en verbonden aan met het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;
    7. de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling niet passen in een woonomgeving;
    8. de activiteiten meldingsplichtig of vergunningplichtig zijn ingevolge van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij er aantoonbaar geen sprake zal zijn van overlast voor de (woon)omgeving;
    9. de verkeersaantrekkende werking van het beroep of bedrijf leidt tot verkeersoverlast in de omgeving en/of vereist dat er verkeersmaatregelen genomen moeten worden;
  3. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een bed-and-breakfast;
  4. het gebruik van de gronden voor bedrijfsmatige activiteiten anders dan een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;
  5. het gebruiken of laten gebruiken van de gebouwen als een object voor verblijf van minder zelfredzame personen.
8.5.2 Voorwaardelijke verplichting aanvullend onderzoek
De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uitsluitend verleend, mits aanvullend ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd naar de effecten op beschermde dier- en plantensoorten, en indien nodig, maatregelen worden getroffen om deze te beschermen.

8.6 Omgevingsplanactiviteit of Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

In afwijking van artikel 8 lid 5 sub a kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend voor vrijstaande gebouwen die geen woonhuis zijn worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 4

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’ heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies de functie als ‘Waarde – Archeologie 4’ prevaleert.

9.3 Beoordelingsregels

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gemeente Westerkwartier gelden voor het bouwen de volgende regels:
  1. op of in de in artikel 9 lid 2 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken voor een overige aan deze gronden toegekende functie worden gebouwd, mits op basis van archeologisch (voor)onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudens waardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudens waardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad;
  2. het vereiste archeologische (voor)onderzoek in sub a is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte kleiner dan 500 m².

9.4 Omgevingsplanactiviteiten Bouwen of Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

  1. met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 3 voor een overige aan deze gronden toegekende functie, indien is gebleken dat het oprichten van een bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zijn;
  2. er wordt niet afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 3 dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de archeologische beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria;
  3. voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor de omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudens waardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 3, indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988;
    3. de verplichting de oprichting van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester eb wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

9.5.1 Vergunningsplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen en ontgraven van de bodem;
  2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegd waterschap;
  5. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt;
  7. het rooien van boomgraad, waarbij de stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard;
  9. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  10. het scheuren van grasland;
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
9.5.2 Voorwaarden
De genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien:
  1. door die werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  2. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de in beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
  3. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  4. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  5. de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
Voor zover de in 9.5.1  genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen leiden tot een onevenredige verstoring van behoudens waardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in 9.5.1 indien aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988;
  3. de verplichting de oprichting van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Het in 9.5.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden:
  1. in het kader van archeologisch vooronderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht foor een daartoe erkende partij;
  2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan
De in 9.5.2 genoemde uitzonderingsregels gelden niet indien in de periode van 24 maanden voor de datum van voorgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een uitzonderingsregel van toepassing is geweest op aangrenzende terreinen of terreinen op een afstand van minder dan 25 m van het onderhavige terrein.
9.5.3 Uitzondering
Het bepaalde in 9.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 500 m² bedraagt en/of die minder dan 50 cm onder maaiveld plaatsvinden.
9.5.4 Advies
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in 9.5.1 winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.

Artikel 10 Waarde - Glaciale rug

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde - Glaciale rug’.

10.2 Functieomschrijving

De voor ‘Waarde - Glaciale rug’ aangewezen gronden heeft als functie, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid van de glaciale heuvels en ruggen.

10.3 Specifieke functieregels

Het is verboden om me de functie ‘Waarde - Glaciale rug’ aangewezen grond volgende werkzaamheden uit te voeren:
  1. het diepploegen, egaliseren van de gronden en het afschuiven van de rug;
  2. activiteiten ten behoeve van houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden, gebouwen of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

12.2 Specifieke gebruiksverboden

In aanvulling op artikel 12 lid 1 wordt in elk geval als strijdig gebruik aangemerkt:
  1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor permanente bewoning;
  2. het gebruik van verblijfsrecreatieve voorzieningen voor permanente bewoning;
  3. het gebruik van (een deel van) de woning voor een bed & breakfastvoorziening, met uitzondering van bed & breakfastvoorzieningen die met een omgevingsvergunning zijn vergund;
  4. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als recreatieappartement, met uitzondering van recreatieappartementen die met een omgevingsvergunning zijn vergund;
  5. het gebruik van gronden voor kleinschalig kampeerterrein, met uitzondering van de kleinschalige kampeerterreinen die met een omgevingsvergunning zijn vergund;
  6. het gebruik voor verminderd zelfredzame personen.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Geluidzone - weg

  1. De ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - weg' aangewezen gronden hebben de functie, het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige objecten;
  2. Voor het bouwen van gebouwen geldt dat een op grond van de basisfunctie toelaatbaar geluidsgevoelig gebouw of een uitbreiding van een geluidsgevoelig gebouw niet mag worden gebouwd;
  3. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder b en toestaan dat nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of uitbreidingen van geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd, mits de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  4. Het is verboden niet-geluidsgevoelige objecten te gebruiken als geluidsgevoelig object;
  5. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder d en toestaan dat niet-geluidsgevoelige objecten worden gebruikt als geluidsgevoelig objecten, mits de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op het geluidgevoelige object niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde.

13.2 Veiligheidszone - leiding

  1. De voor 'veiligheidszone - leiding' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen functies, mede aangewezen voor het tegengaan van de vestiging van objecten voor langdurig verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen.
  2. Gebouwen en/of terreinen mogen niet worden gebruikt als een object voor langdurig verblijf van verminderd zelfredzame personen.
  3. In afwijking van het bepaalde onder a en b mag bestaand gebruik worden voortgezet.
  4. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub b en toestaan dat gebouwen en/of terreinen worden gebruikt als een object voor het langdurig verblijf van verminderd zelfredzame personen binnen de als 'veiligheidszone - leiding' aangeduide gronden, mits vooraf een positief advies is afgegeven door de veiligheidsregio

Artikel 14 Overige regels

14.1 Voldoende parkeergelegenheid

  1. een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  2. bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
  3. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

14.2 Voldoende waterberging

Het oprichten van bebouwing is uitsluitend toegestaan indien:
  1. voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform het gemeentelijk beleid en het waterbeheerplan van de het waterschap;
  2. de bovenzijde van de vloer op minimaal +3,50 mNAP wordt aangelegd.

4 Overgangsregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. 
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

15.2 Overgangsrecht functioneel gebruik

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22D' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.