direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Zandumerweg 27 Oldekerk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.TPOK24POST02-VA01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Zandumerweg 27 te Oldekerk en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22U) van het Omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22U van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22U' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22U' gelezen worden."

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in lid 1.1 van voorliggend "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U Zandumerweg 27 Oldekerk" daarvan is afgeweken.

1.1 Aanvullende begripsbepalingen

De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Zandumerweg 27 te Oldekerk, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand. Voor de locatie opgenomen nadere begrippen zijn in Bijlage 1 bij de regels opgenomen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Zandumerweg 27 te Oldekerk, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1969.TPOK24POST02-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl;
  • 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn op de locatie, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, de regels zoals opgenomen in het Parapluplan parkeren Westerkwartier (vastgesteld op 14-6-2023), het facetbestemmingsplan Geitenhouderijen (vastgesteld op 29-9-2021) en het Facetbestemmingsplan Kruimelregeling (vastgesteld 20-11-2024), die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier, op deze locatie nog steeds van toepassing.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in %, m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 3.1 tot en met 3.4.

3.1 Gebouwen en bouwwerken
3.1.1 De breedte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.

3.1.2 De dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.1.3 De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.1.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.1.5 De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.1.6 De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.1.7 De bouwhoogte van een reclame- of antennemast

vanaf het hoogste punt van het bouwwerk tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994.

3.1.8 De ashoogte van een windturbine

vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994.

3.1.9 De tiphoogte van een windturbine

de hoogte van de windturbine wanneer één van die wieken verticaal boven de mast staat.

3.1.10 De wieklengte van een windturbine

de afstand tussen de uiterste punt van een wiek en de naaf.

3.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt.

3.3 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:

  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. voor hoeken/hellingen in graden (°).
3.4 Meten

Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van de lijn.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

  • 1. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven functies en/of gebiedsaanwijzingen;
  • 2. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch'.

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies:

  • a. het agrarisch grondgebruik, met uitzondering van een boom- en/of sierkwekerij-, houtteelt- of fruitteeltbedrijf;
  • b. de landschappelijke waarde zoals deze tot uitdrukking komt in de openheid van het gebied;
  • c. bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare;
  • d. infrastructurele voorzieningen zoals deze bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;
  • e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers;
  • f. natuurvriendelijke oeverzones van 5 m breed aan weerszijden van een watergang;
  • g. voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik, zoals wandel-, fiets- en ruiterpaden en parkeervoorzieningen ten behoeve van toeristische overstappunten;

met daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde - geen windturbines zijnde - en andere werken.

6.3 Beoordelingsregels

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze functie worden gebouwd.

6.3.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer dan 1,50 m bedragen;
  • b. kuilvoerplaten, sleufsilo's en voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest zijn niet toegestaan;
  • c. teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan.

6.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de waarde van een andere ter plaatse voorkomende functie.

6.5 Algemene beoordelingsregels

Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in artikel 6.6 in dit hoofdstuk moet worden voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, mogen niet worden geschaad;
  • b. de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden mogen niet worden geschaad;
  • c. de uitvoerbaarheid moet zijn aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie, archeologie en nachtelijke lichtuitstraling;
  • d. de landschappelijke inpasbaarheid moet zijn aangetoond;
  • e. de verkeerssituatie mag niet negatief worden beïnvloed.

6.6 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
6.6.1 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders kunnen middels een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in 6.3.1 onder a, mits:

  • a. bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3m.
  • b. er wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels zoals genoemd in artikel 6.5.

6.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • 1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
    • b. het dempen van kleine geïsoleerde wateren (o.a. dobben, pingo's);
    • c. het aanbrengen van oppervlakteverharding meer dan 200 m2; en het vergroten van bestaande oppervlakte verharding tot meer dan 200 m2;
    • d. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen;
    • e. het aanleggen van (dag)recreatieve voorzieningen, zoals wandel- en fietspaden, picknickplaatsen en parkeervoorzieningen;
    • f. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart in Bijlage 3;
    • g. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen;
    • h. het aanleggen van wegbegeleidende hoogopgaande beplanting in het dijken- en wierdenlandschap aangeduid op de kaart in Bijlage 4;
  • 2. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of normale exploitatie betreffen;
  • 3. voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één inrichtingsplan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken;
  • 4. de onder 1 bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de aan de gronden toegekende te behouden en/of te beschermen waarden;
  • 5. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • 6. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.

6.8 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Tot een met het functiegebied 'Agrarisch' strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 6.2 opgenomen functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschaps- en inrichtingsmaatregelen conform het in de Bijlage 2 van de regels opgenomen plan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 4

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als'Waarde - Archeologie 4'.

7.2 Functieomschrijving

De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 4' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies mede voor:

  • a. doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte (hoge of specifieke (beekdal)) archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies de functie 'Waarde - Archeologie 4' prevaleert.

7.3 Beoordelingsregels
  • a. Op of in de in 7.2 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende functie worden gebouwd, mits op basis van archeologisch (voor)onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
  • b. het vereiste archeologische (voor)onderzoek in 7.3 onder a is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte niet groter dan 500 m².

7.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

In afwijking van het bepaalde in lid 7.3 kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits:

  • a. indien is gebleken dat er geen archeologische resten in de bodem, waarop wordt gebouwd, aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een door de aanvrager over te leggen rapport van een deskundige instantie op het gebied van archeologie;
  • b. voor zover sprake zou kunnen zijn van een verstoring van archeologische resten, indien aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om werkzaamheden ten behoeve van de bouw te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg (volgens Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het ophogen, afgraven, vergraven, diepwoelen of egaliseren van gronden;
    • b. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
    • c. het scheuren van grasland;
    • d. het indrijven van voorwerpen in de grond;
    • e. het verwijderen van stobben;
    • f. het aanleggen van drainage;
    • g. het aanbrengen en verwijderen van dammen en stuwen;
    • h. het dempen van kleine geïsoleerde wateren (o.a. dobben, pingo's);
    • i. het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
    • j. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • k. het rooien van erfbeplanting op wierde;
    • l. het aanbrengen van houtgewas (m.u.v. erfbeplanting)
    • m. het omzetten van grasland in bouwland;
    • n. het omzetten van gras-/bouwland in graszoden
    • o. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart Bijlage 3;
    • p. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen;
  • 2. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of normale exploitatie betreffen;
  • 3. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 500 m2 bedraagt en die minder dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden;
  • 4. voordat de onder 1 bedoelde vergunning wordt verleend dient de aanvrager een rapport te overleggen van een deskundige instantie op het gebied van de archeologie, in welk rapport de in 7.2 genoemde archeologische waarden van het terrein in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • 5. het overleggen van een rapport als bedoeld onder 2 is niet noodzakelijk als uit eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische resten aanwezig zijn;
  • 6. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • 7. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 5

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5'.

8.2 Functieomschrijving

De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 5' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies mede voor:

  • a. doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte (middelhoge) archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere functies de functie 'Waarde - Archeologie 5' prevaleert.

8.3 Beoordelingsregels
  • a. Op of in de in 8.2 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende functie worden gebouwd, mits op basis van archeologisch (voor)onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
  • b. het vereiste archeologische (voor)onderzoek in 8.3 onder a is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte niet groter dan 1.000 m².

8.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

In afwijking van het bepaalde in lid 8.3 kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits:

  • a. indien is gebleken dat er geen archeologische resten in de bodem, waarop wordt gebouwd, aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een door de aanvrager over te leggen rapport voor een deskundige instantie op het gebied van de archeologie;
  • b. voor zover sprake zou kunnen zijn van een verstoring van archeologische resten, indien aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om werkzaamheden ten behoeve van de bouw te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg (volgens Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het ophogen, afgraven, vergraven, diepwoelen of egaliseren van gronden;
    • b. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
    • c. het scheuren van grasland;
    • d. het indrijven van voorwerpen in de grond;
    • e. het verwijderen van stobben;
    • f. het aanleggen van drainage;
    • g. het aanbrengen en verwijderen van dammen en stuwen;
    • h. het dempen van kleine geïsoleerde wateren (o.a. dobben, pingo's);
    • i. het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
    • j. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • k. het rooien van erfbeplanting op wierde;
    • l. het aanbrengen van houtgewas (m.u.v. erfbeplanting)
    • m. het omzetten van grasland in bouwland;
    • n. het omzetten van gras-/bouwland in graszoden
    • o. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart in Bijlage 3;
    • p. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen
  • 2. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of normale exploitatie betreffen;
  • 3. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die betrekking hebben op een oppervlakte die minder dan 1.000 m2 bedraagt en die minder dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden;
  • 4. voordat de onder 1 bedoelde vergunning wordt verleend dient de aanvrager een rapport te overleggen van een deskundige instantie op het gebied van de archeologie, in welk rapport de in 8.2 genoemde archeologische waarden van het terrein in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • 5. het overleggen van een rapport als bedoeld onder 2 is niet noodzakelijk als uit eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische resten aanwezig zijn;
  • 6. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • 7. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.

Artikel 9 Waarde - Open gebied

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Open gebied'.

9.2 Functieomschrijvijng

De voor 'Waarde - Open gebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de vorm van grootschalige open weidegebieden met een dicht slotenstelsel en een hoge grondwaterstand.

9.3 Specifieke functieregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden voor nieuwe houtteelt;
  • b. het gebruik van de gronden voor de aanleg van bossen en boomgaarden.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het ophogen, afgraven, afschuiven, vergraven of egaliseren van gronden;
    • b. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
    • c. het scheuren van grasland;
    • d. het aanleggen van een drainagestelsel;
    • e. het aanbrengen van onderbemaling;
    • f. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten en/of verkleinen van het doorstromingsprofiel en het aanbrengen en verwijderen van dammen en stuwen;
    • g. het dempen van kleine geïsoleerde wateren (o.a. dobben, pingo's);
    • h. het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
    • i. het omzetten van grasland in bouwland;
    • j. het omzetten van gras-/bouwland in graszoden;
    • k. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart in Bijlage 3;
    • l. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen;
    • m. het aanleggen van wegbegeleidende hoogopgaande beplanting in het dijken- en wierdenlandschap aangeduid op de kaart in Bijlage 4;
    • n. het aanbrengen van oppervlakteverharding meer dan 200 m2;
    • o. het aanbrengen of verwijderen van ondergrondse leiding;
    • p. het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen, zoals wandel- en fietspaden, picknickplaatsen en parkeervoorzieningen;
  • 2. de onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • 3. voor zover voor meerder werken en/of werkzaamheden vergunning worden gevraagd en deze in één inrichtingsplan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken;
  • 4. de onder 1 bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de aan de gronden toegekende te behouden en/of te beschermen waarden;
  • 5. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • 6. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen'.

10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangegeven als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen in woonhuizen met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, tuinen, erven en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat:
  • b. de gronden mede zijn bestemd voor landschappelijke inpassing;
  • c. de gronden mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen;
  • d. de gronden mede mogen worden gebruikt ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik en voor bestaand agrarisch gebruik door derden;
  • e. per bouwperceel niet meer dan 1 hobbymatige paardenbak en/of andere aan de paardensport gerelateerde voorzieningen voor eigen gebruik, zoals longeercirkels, paddocks en stap- en trainingsmolens, zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 800 m2, waarvoor geldt dat de afstand tot de woning van derden niet minder dan 25 m mag bedragen;
  • f. de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen mede mogen worden gebruikt en verbouwd ten behoeve van een bed & breakfast met maximaal 2 kamers tot een oppervlakte van niet meer 30% van het bestaande vloeroppervlak van de bebouwing op het perceel, met een maximum van 50 m2;
  • g. de gronden mede zijn bestemd voor een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 70 m2;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de gezamenlijke grondoppervlakte van het hoofdgebouw, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;
    • 3. internethandel zonder fysieke bezoekmogelijkheden en zonder afhaalpunt is toegestaan;
    • 4. buitenopslag is niet toegestaan.
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis' op de bestemmingsvlakken gelegen op de volgende adressen tevens de volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan tot de aangegeven oppervlakte in m2.
Oldekerk, Zandumerweg 27   caravanstalling   600 m2 in de bestaande loods  

10.3 Beoordelingsregels

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie 'Wonen' worden gebouwd.

10.3.1 Gebouwen

Voor gebouwen geldt dat:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • b. de oppervlakte van het woonhuis inclusief de bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste 300 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt.
10.3.2 Hoofdgebouwen in casu woonhuizen

Voor hoofdgebouwen in casu woonhuizen gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 woonhuis worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' het aantal aaneen te bouwen woningen niet meer mag bedragen dan het aangegeven aantal en dat de aaneen gebouwde woonhuizen niet mogen worden vervangen door vrijstaande woonhuizen;
  • b. het woonhuis wordt gebouwd binnen een zone van 20 m diep, gemeten vanuit de voorgevel zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan of het verlengde daarvan;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • e. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 25° en niet meer dan 60° bedragen;
  • f. In afwijking van het bepaalde onder b geldt dat indien op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan een gebouw aanwezig was dat voor een diepte van meer dan 20 m als woonhuis werd gebruikt, deze grotere diepte als maximale zone, gemeten vanaf de voorgevel geldt;
  • g. in afwijking van het bepaalde onder c tot en met f geldt, indien een grotere oppervlakte, een hogere goothoogte, een hogere bouwhoogte of een andere dakhelling aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dat deze oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte of dakhelling voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw als maximale oppervlakte, maximale goothoogte, maximale bouwhoogte en minimale of maximale dakhelling geldt;
  • h. Een wooneenheid heeft een gebruiksoppervlakte van minimaal 60 m2.
10.3.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor een aanbouw, een uitbouw en een bijgebouw gelden de volgende regels:

  • a. een aanbouw, uitbouw of bijgebouw dient achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, waarbij de afstand tot de voorgevel en het verlengde daarvan niet minder dan 2 m mag bedragen;
  • b. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een aanbouw, uitbouw of bijgebouw mag niet meer dan 5 m bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde in a tot en met c geldt, indien een kleinere afstand, een hogere bouwhoogte, een hogere goothoogte aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, deze afstand, bouwhoogte, goothoogte als minimale afstand, maximale oppervlakte, maximale bouwhoogte en maximale goothoogte geldt voor dat gebouw en voor uitbreidingen van dat gebouw.
10.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van omheiningen bij paardenbakken en andere aan de paardensport gerelateerde voorzieningen mag niet meer dan 1,80 m bedragen.

10.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het beginsel van bebouwingsconcentratie;
  • b. het bebouwingsbeeld;
  • c. de landschappelijke inpassing;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • g. de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen;
  • h. de landschappelijke en/of de natuurlijke waarden.

10.5 Algemene beoordelingsregels

Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in artikel 10.6 en 10.8 in dit hoofdstuk moet worden voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, mogen niet worden geschaad;
  • b. de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden mogen niet worden geschaad;
  • c. de uitvoerbaarheid moet zijn aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie, archeologie en nachtelijke lichtuitstraling;
  • d. de landschappelijke inpasbaarheid moet zijn aangetoond;
  • e. de verkeerssituatie mag niet negatief worden beïnvloed.

10.6 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.6.1 Andere functies

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 10.2 aanhef en toestaan dat wordt gebouwd ten behoeve van een functie waarvoor een omgevingsvergunning is of wordt verleend als bedoeld in artikel 10.6, als wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. er wordt voldaan aan de in artikel 10.5 genoemde voorwaarden;
  • b. wordt gebouwd conform de beoordelingsregels voor bouwactiviteiten in artikel 10.3;
  • c. er wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels uit artikel 10.5.
10.6.2 Afwijkende dakvorm

Het bevoegd gezag kan afwijken van artikel 10.3.2 onder e ten behoeve van een afwijkende dakvorm, als er wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;
  • b. er wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels uit artikel 10.5.

10.7 Specifieke functieregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 10.2 genoemde functies van de gronden.

10.8 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
10.8.1 Bed and breakfast

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een bed & breakfast groter dan 50 m2, mits voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van een bed & breakfast maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlakte van de bebouwing op het perceel bedraagt, met een maximum van 250 m2;
  • b. het parkeren van de gasten van de bed & breakfast op eigen erf plaatsvindt;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • d. er wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels uit artikel 10.5.
10.9 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
    • a. het aanleggen van grondwallen/aarden wallen;
    • b. het aanbrengen van oppervlakte verharding meer dan 200 m2;
    • c. het dempen van de huisgracht op/langs de wierde;
    • d. het rooien van de erfbeplanting op de wierde;
    • e. het aanleggen of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels binnen de begrenzing zoals is aangeduid op de kaart in Bijlage 3;
    • f. het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen;
    • g. het aanleggen van wegbegeleidende hoogopgaande beplanting in het dijken- en wierdenlandschap aangeduid op de kaart in Bijlage 4;
  • 2. de onder 1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • 3. voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één inrichtingsplan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken;
  • 4. de onder 1 bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de aan de gronden toegekende te behouden en/of te beschermen waarden;
  • 5. bij het aanleggen en/of (gedeeltelijk) rooien van houtsingels zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden;
  • 6. bij het kappen, dunnen of afzetten van beeldbepalende bomen zijn de Spelregels Houtsingelhoofdstructuur onverkort van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 5. Indien voornoemde regeling wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.

10.10 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Tot een met het functiegebied 'Wonen' strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 10.2 opgenomen functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschaps- en inrichtingsmaatregelen conform het in de Bijlage 2 van de regels opgenomen plan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Bebouwingsgrenzen
12.1.1 Afstand tot wegas

Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen dienen bij de bouw van gebouwen de volgende afstanden tot de as van de weg in acht te worden genomen:

  • a. wegen met de functie 'Verkeer - 1' 100 m;
  • b. wegen met de functie 'Verkeer - 3' 30 m;
  • c. wegen met de functie 'Verkeer - 4' 15 m;
  • d. wegen in overige functie 10 m.
12.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouder kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 12.1.1, indien en voor zover uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat.

12.2 Geluidzones langs wegen

Idien en voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone van:

  • a. 250 m ter weerszijden van een weg met een of twee rijstroken;
  • b. 400 m ter weerszijden van een weg met drie of vier rijstroken;

mogen toegelaten geluidsgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd of vervangen met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde, behoudens voor zover artikel 76, lid 3 van de Wet geluidhinder van toepassing is.

12.3 Reclame-uitingen

Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen geldt dat de oppervlakte van reclame-uitingen niet meer dan 0,5 m2 mag bedragen.

12.4 Reclamemasten

Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen geldt dat de bouwhoogte van reclamemasten niet meer dan 6 m mag bedragen.

12.5 Windturbines

Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen geldt dat de ashoogte van windturbines niet meer dan 15 m mag bedragen.

12.6 Vrijgekomen gebouwen

Gebouwen met de aanduiding 'vrijgekomen bebouwing buitengebied' mogen niet worden vergroot. Daarnaast mogen er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Algemeen

Tot een gebruik strijdig met de gegeven functies wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het kappen of rooien van houtsingels anders dan voor normaal onderhoud;
  • b. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden voor de opslag van gras-, hooi- en strobalen, ander vormen van veevoeders en machines buiten de agrarische bedrijfsbestemming;
  • c. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering;
  • d. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden als paardenbak, renbaan of menterrein, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan;
  • e. het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor permanente bewoning;
  • h. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande bedrijfsgebouwen voor bewoning;
  • i. het gebruiken of laten gebruiken van aanbouwen, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor bewoning door een ander huishouden dan het huishouden dat de woning bewoond;
  • j. het gebruik van gronden ter plaatse van een bestemmingsvlak of een aanduidingsvlak die op een afstand van 50 meter of minder van elkaar zijn gelegen voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing, niet zijnde bestaande agrarische bedrijfsbebouwing, die, gelet op hun organisatorische, functionele of technische verbondenheid, tot hetzelfde bedrijf behoren en waarbij de gezamenlijke oppervlakte van de bestemmingsvlakken of aanduidingsvlakken meer bedraagt dan 1 hectare;
  • k. het gebruik van gronden en gebouwen voor de nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als neventak bij een (agrarisch) bedrijf;
  • l. het gebruik van gronden en gebouwen voor de uitbreiding van een bestaande geitenhouderij met één of meer geiten;
  • m. het gebruik van windturbines en zonnepanelen zodanig dat tevens energie aan derden wordt geleverd;
  • n. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van nieuwe risicovolle inrichtingen;
  • o. het diepploegen van gronden.

13.2 Toegestaan gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift een omgevingsvergunning is vereist en deze is verleend;
  • b. het gebruik van gronden en gebouwen voor kleinschalige daghoreca, waaronder wordt verstaan het verstrekken van (alcoholvrije) dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, daar waar bij de hoofdfunctie de nevenactiviteiten dagrecreatie, dagopvang/dagbesteding, bed & breakfast, zorgboerderij, boerderijwinkel, boerderijterras en/of theetuin zijn toegestaan;
  • c. de opslag van materiaal en het stallen van caravans in (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen;
  • d. het tijdelijk gebruiken van de gronden voor doorloopstallen;
  • e. het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en/of leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
    • 1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" en/of een druk van meer dan 40 bar;
    • 2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie met een diameter van meer dan 4;
    • 3. hoogspanningsleidingen;
    • 4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

14.1 Afwijkingsbevoegdheid
14.1.1 Maatvoering

Met een omgevingsvergunning kan, met inachtneming van de hierna genoemde beoordelingsregels, worden afgeweken van de regels in dit omgevingsplan:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages, met uitzondering van oppervlakte- en inhoudsmaten en met uitzondering van de ashoogte van windturbines, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • d. toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • e. toestaan dat wordt gebouwd voor nutsvoorzieningen tot een bouwhoogte van niet meer dan 3 m en een oppervlakte van niet meer dan 25 m2;
  • f. het bepaalde ten aanzien van de maximale hoogte van gebouwen en toestaan dat de hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m2, met dien verstande dat de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker niet meer bedraagt dan 4 m2;
  • g. toestaan dat ten behoeve van het behoeve van het bevorderen van beeldbepalende en karakteristieke hoofdgebouwen een hoofdgebouw naar haar oorspronkelijke omvang wordt herbouwd.
14.1.2 Paardenbakken, paddocks en stapmolens

Met een omgevingsvergunning kan, met inachtneming van de hierna genoemde beoordelingsregels, worden afgeweken van de regels in dit omgevingsplan:

  • a. ten behoeve van het gebruik de aanleg en de bouw van een paardenbak, met dien verstande dat:
    • 1. voor wat betreft de situering van de paardenbak geldt dat:
      • deze enkel voor eigen gebruik dient;
      • de paardenbak dient te worden geplaats op een bestemmingsvlak waar sprake is van een woonfunctie (al dan niet als bedrijfswoning) en niet zijnde een recreatiewoning, en wel achter de voorgevelrooilijn van de woning aansluitend aan de bestaande bebouwing, dan wel indien dat ruimtelijk gezien onmogelijk is, mag de paardenbak:
      • direct aansluitend aan de achterzijde van het bouwperceel (ook bouwpercelen voor woningen die gesitueerd zijn in de bestemmingsplangebieden voor de dorpen) worden geplaatst, dan wel achter de voorgevelrooilijn van de (bedrijfs)woning;
      • bij de bestemming 'Wonen' tot maximaal 25 m buiten het bestemmingsvlak worden gerealiseerd tenzij sprake is van een situatie waarin geen overlast wordt veroorzaakt en/of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving in welke gevallen de afstand meer dan 25 m mag bedragen;
      • de afstand tussen de paardenbak en de (bedrijfs/recreatie)woning van derden niet minder mag zijn dan 25 m;
      • situering van de paardenbak buiten het bestemmingsvlak is niet toegestaan in kwetsbare gebieden;
    • 2. voor wat betreft aantallen en maatvoering van de paardenbak geldt dat:
      • per woning mag niet meer dan 1 paardenbak worden gerealiseerd;
      • de oppervlakte van de paardenbak mag bij een oppervlakte van het betreffende bestemmingsvlak kleiner dan of gelijk aan 1,0 ha niet meer dan 1.000 m2, en bij een oppervlakte van het bestemmingsvlak groter dan 1 ha, niet meer dan 1.400 m2;
    • 3. voor wat betreft stapmolens bij de paardenbak geldt:
      • een stapmolen uitsluitend mag worden gerealiseerd op een perceel met een oppervlakte van ten minste 0,5 ha;
      • de buitendiameter niet meer dan 14 m mag bedragen, dan wel indien sprake is van het bedrijfsmatig houden van paarden, niet meer dan 20 m;
      • de spilhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen;
      • deze direct aansluitend aan de achterzijde van het bouwperceel worden geplaatst, dan wel achter de voorgevelrooilijn van de (bedrijfs)woning;
    • 4. voor wat betreft omheiningen bij een paardenbak geldt dat de hoogte niet meer dan 1,80 m mag bedragen;
      • voor wat betreft lichtmasten bij een paardenbak geldt dat:
      • de hoogte niet meer dan 6 m mag bedragen;
      • de afstand tot gebieden welke in het kader van de Wet natuurbescherming als beschermde gebieden moeten worden aangemerkt ten minste 100 m dient te bedragen;
  • b. de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
      • de natuurlijke waarden van de voorgenomen afwijking voor gebieden waarvoor bovendien geldt dat boscompensatie aan de orde is;
      • de natuurlijke waarden van de voorgenomen afwijking voor gebieden welke in het kader van de Wet natuurbescherming als beschermde gebieden moeten worden aangemerkt, waarbij geen sprake mag zijn van mogelijk (significant) negatieve gevolgen;
      • de archeologische waarden, waarbij in elk geval geldt dat realisatie binnen gronden met een archeologische dubbelbestemming een omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische en/of cultuurhistorische waarde geen bezwaar bestaat en nadat een erkend archeoloog daaromtrent is gehoord;
      • en uitsluitend indien:
      • de belangen van gebruikers, dan wel eigenaren van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad, waarbij in elk geval aandacht dient te worden besteed aan de aspecten geur-, stof-, geluid- en lichthinder;
      • sprake is van een goede landschappelijke inpassing, waarbij aandacht wordt besteed aan kleurstelling (donker) en materiaalgebruik (zo mogelijk hout) van de omheining, alsmede aan de beplantingssoorten (inheems);
      • sprake is van een goede drainage;
      • geen onevenredige schade wordt toegebracht aan het milieu.
  • c. ten behoeve van vergroting van de maximum oppervlakte van paardenbakken tot 1.200 m2, mits:
    • 1. de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de landschappelijke en/of natuurlijke waarden;
      • de natuurlijke waarden van de voorgenomen afwijking voor gebieden waarvoor bovendien geldt dat boscompensatie aan de orde is;
      • de natuurlijke waarden van de voorgenomen afwijking voor gebieden welke in het kader van de Wet natuurbescherming als beschermde gebieden moeten worden aangemerkt, waarbij geen sprake mag zijn van mogelijk (significant) negatieve gevolgen;
      • de archeologische waarden, waarbij in elk geval geldt dat realisatie binnen gronden met een archeologische dubbelbestemming een omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische en/of cultuurhistorische waarde geen bezwaar bestaat en nadat een erkend archeoloog daaromtrent is gehoord;
      • en uitsluitend indien:
      • de belangen van gebruikers, dan wel eigenaren van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad, waarbij in elk geval aandacht dient te worden besteed aan de aspecten geur-, stof-, geluid- en lichthinder;
      • sprake is van een goede landschappelijke inpassing, waarbij aandacht wordt besteed aan kleurstelling (donker) en materiaalgebruik (zo mogelijk hout) van de omheining, alsmede aan de beplantingssoorten (inheems);
      • sprake is van een goede drainage;
      • geen onevenredige schade wordt toegebracht aan het milieu;
  • d. ten behoeve van het gebruik de aanleg en de bouw van één of meerdere paddock(s), met dien verstande dat:
    • 1. de totale oppervlakte van de paddock(s) maximaal 400 m2 bedraagt;
    • 2. een paddock uitsluitend mag worden gerealiseerd op een perceel met een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,5 ha;
    • 3. voor wat betreft de situering van de paddock geldt dat:
      • deze enkel voor eigen gebruik dient;
      • de paddock dient te worden geplaats op een bestemmingsvlak waar sprake is van een woonfunctie (al dan niet als bedrijfswoning) en niet zijnde een recreatiewoning, en wel achter de voorgevelrooilijn van de woning aansluitend aan de bestaande bebouwing, dan wel indien dat ruimtelijk gezien onmogelijk is, mag de paddock:
      • direct aansluitend aan de achterzijde van het bouwperceel (ook bouwpercelen voor woningen die gesitueerd zijn in de bestemmingsplangebieden voor de dorpen) worden geplaatst, dan wel achter de voorgevelrooilijn van de (bedrijfs)woning;
      • bij de bestemming 'Wonen' tot maximaal 25 m buiten het bestemmingsvlak worden gerealiseerd tenzij sprake is van een situatie waarin geen overlast wordt veroorzaakt en/of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving in welke gevallen de afstand meer dan 25 m mag bedragen;
      • de afstand tussen de paddock en de (bedrijfs/recreatie)woning van derden niet minder mag zijn dan 25 m;
      • situering van de paddock buiten het bestemmingsvlak is niet toegestaan in kwetsbare gebieden;
    • 4. voor wat betreft omheiningen bij een paddock geldt dat de hoogte niet meer dan 1,80 m mag bedragen;
    • 5. voor wat betreft lichtmasten bij een paddock geldt dat deze niet zijn toegestaan;
    • 6. de omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de landschappelijke en/of natuurlijk waarden;
      • de archeologische waarden, waarbij in elk geval geldt dat de realisatie binnen gronden met een archeologische dubbelbestemming een omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de archeologische en/of cultuurhistorische waarde geen bezwaar bestaat;
      • en uitsluitend indien:
      • de belangen van gebruikers, dan wel eigenaren van aangrenzende gronden niet onevenredig worden geschaad, waarbij in elk geval aandacht dient te worden besteed aan de aspecten geur-, stof- en geluidhinder;
      • sprake is van een goed landschappelijke inpassing, waarbij aandacht wordt besteed aan kleurstelling (donker) en materiaal gebruik (zo mogelijk hout) van de omheinging, alsmede aan de beplantingsoorten (inheems);
      • geen onevenredige schade wordt toegebracht aan het milieu.
14.1.3 Grondgebonden opstellingen van zonnepanelen

Van de regels in dit omgevingsplan kan, met een omgevingsvergunning en met inachtneming van de hierna genoemde beoordelingsregels, worden afgeweken ten behoeve van grondgebonden opstellingen van zonnepanelen, mits:

  • a. plaatsing op het dak niet mogelijk is;
  • b. de zonnepanelen op het achtererf binnen het bouwperceel worden geplaatst;
  • c. de zonnepanelen, wanneer er geen ruimte is binnen het bouwperceel op het achtererf, direct aansluitend achter de voorgevelrooilijn van het bouwperceel worden geplaatst;
  • d. de opstelling onderdeel is van een woonerf of daar direct op aansluit en een maximale omvang van 150 m2 heeft
  • e. de opstelling onderdeel is van een (agrarisch) bedrijfsperceel of daar direct op aansluit en een maximale omvang van 0,5 ha heeft;
  • f. de opstelling uitsluitend bedoeld is voor het eigen stroomgebruik;
  • g. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,8 meter op zij- en achtererf;
  • h. het perceel geen natuurfunctie vervult op grond van het gemeentelijk omgevingsplan;
  • i. het perceel niet is gelegen binnen de in de provinciale omgevingsverordening aangegeven 'NNN-beheergebieden', 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN-natuuraanpassingsgebied', het 'zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland;
  • j. de situering van de zonnepanelen geen onevenredige afbreuk doet aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van de (aangrenzende) gronden;
  • k. voldaan wordt aan de volgende beeldkwaliteitseisen:
    • 1. er wordt één type zonnepanelen en plaatsingssysteem toegepast;
    • 2. de zonnepanelen worden in één hoofdrichting geplaatst;
    • 3. de opstelling heeft een duidelijke en eenvoudige vorm, zoals een vierkant of rechthoek, of een vorm die de landschappelijke verkaveling volgt;
    • 4. het zonnepaneel, inclusief frame, donker van kleur zijn (blauw/zwart/antraciet).
14.1.4 Vergroten vrijgekomen gebouw

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels ten behoeve van:

  • a. het vergroten van vrijgekomen gebouwen, mits:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte met niet meer dan 20% toeneemt;
    • 2. de ruimtelijk relevante kenmerken van de gebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld;
  • b. het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, mits
    • 1. voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een onafhankelijke of een door de gemeente aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met:
      • de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
      • de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
      • een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van gebouwen;
      • het woon- een leefklimaat van direct omwonenden, en;
      • het aspect nachtelijke lichtuitstraling;
    • 2. de bebouwing en de voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en/of aangelegd;
    • 3. de erfbeplanting wordt aangelegd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan;
  • c. het oprichten van een of meer nieuwe bijbehorende bouwwerken, mits:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen met niet meer dan 20% toeneemt;
    • 2. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bijgebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld;
  • d. het oprichten van een of meer nieuwe bijbehorende bouwwerken met een grotere oppervlakte dan 20% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, mits:
    • 1. voor deze uitbreiding de maatwerkmethode is gevolgd onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, waarbij rekening wordt gehouden met:
      • de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingstructuur;
      • de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
      • een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de gebouwen;
      • het woon- en leefklimaat van direct omwonenden, en;
      • het aspect nachtelijke lichtuitstraling;
    • 2. de bebouwing en de voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en/of aangelegd;
    • 3. de erfbeplanting wordt aangelegd en in stand gehouden conform het erfinrichtingsplan.
14.1.5 Inwoning

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van:

  • a. het begrip 'woning' voor de huisvesting van twee huishoudens ten behoeve van inwoning, ten behoeve waarvan de woning mag worden verbouwd, indien en voor zover:
    • 1. er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals:
      • de noodzakelijkheid voor de continuïteit van de bedrijfsvoering; of
      • de noodzakelijkheid van verzorgen van een ouder of ander familielid;
    • 2. de twee huishoudens in het bouwvolume van de woning worden ondergebracht;
    • 3. er is sprake van een ondergeschikte wooneenheid, deze mag maximaal een derde van het volume van de gehele woning innemen;
    • 4. de ondergeschikte wooneenheid mag maximum een derde van het volume van de gehele woning innemen;
    • 5. er bestaat een open verbinding tussen de wooneenheden;
    • 6. de nieuwe wooneenheid heeft geen eigen voordeur;
    • 7. de woning heeft maximaal één huisaansluiting voor de verschillende nutsvoorzieningen met daarbij maximaal één meterkast per nutsaansluiting;
    • 8. splitsing in meerder woningen is uitgesloten;
    • 9. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
14.2 Aanvullende beoordelingsregels

Voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.1 gelden, naast de in het betreffende artikel genoemde voorwaarden, de volgende beoordelingsregels:

  • a. de mate waarin de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  • b. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad;
  • c. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie, archeologie en nachtelijke lichtuitstraling;
  • d. de mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • e. de mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur.
14.2.1 Weigering omgevingsvergunning

Indien de waarden en/of belangen als genoemd in artikel 14.2 onder a en b onevenredig worden geschaad en/of de artikel 14.2 onder c en d genoemde uitvoerbaarheid/inpasbaarheid niet is aangetoond en/of de artikel 14.2 onder e genoemde verkeerssituatie onevenredig wordt beïnvloed, vindt de afwijkingsbevoegdheid geen toepassing.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofstuk 22U' aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22U voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.