Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Tam-Omgevingsplan Hoofdstuk 22h Oud Heinenoordseweg 18 Heinenoord
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1963.TAM22hOudHein18HND-VG01

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van een loods, het legaliseren van een stapmolen en op het verwerken van de in 2017 verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van het perceel Oud Heinenoordseweg 18 in Heinenoord als paardenpension. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22h’ gelezen worden.
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c, is niet van toepassing;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk (H22h) zijn van toepassing op de locatie Oud Heinenoordseweg 18 te Oud Heinenoord, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1963.TAM22hOudHein18HND-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Toepassingsbereik begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in Bijlage I van het omgevingsplan, Bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en Bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
 
3.1 Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
3.2 Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
3.3 Aanduidingsvlak
Een vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens.
 
3.4 Agrarisch bedrijf
Een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
 
3.5 Agrarisch verwant bedrijf
Een bedrijf of instelling in hoofdzaak gericht op werkzaamheden ten dienste van particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden uitgezonderd mestbewerking. Hieronder worden in ieder geval verstaan: dierenklinieken, dierenasiels, hondenkennels, paardenstalhouderijen, paardenafricht-/-trainingsbedrijven, hoveniersbedrijven, groencomposteringsbedrijven, proefbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs.
 
3.6 Bouwgrens
De grens van een bouwvlak.
 
3.7 Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
3.8 Extensief dagrecreatief medegebruik/ extensieve dagrecreatie
Recreatief medegebruik van gronden, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen.
 
3.9 Paardenpension
Een agrarisch bedrijf waarbij de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het houden van paarden van derden. Hieronder wordt verstaan de verhuur van stalling met accommodatie en of weiland en het verzorgen van de paarden.
 
Artikel 4 Meet- en regelbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
4.1 Goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.2 Overschrijding van de bouw- c.q. functiegrenzen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,75m bedraagt
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
2 Functies en gebiedsaanwijzingen
  
Artikel 7 Agrarisch
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als agrarisch.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als agrarisch aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. De uitoefening van een agrarisch verwant bedrijf in de vorm van een paardenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch- paardenpension’;
  2. Een paardenbak en stapmolen;
  3. Ter hoogte van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ is geen bedrijfswoning toegestaan.
  4. De bescherming van de openheid van het landschap;
  5. Extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden;
  6. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. Groenvoorzieningen;
  8. Ontsluitingsvoorzieningen;
  9. Hobbymatig houden van vee.
 
7.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels:
 
7.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie agrarisch uitsluitend worden gebouwd:
  1. Gebouwen;
  2. Bijbehorende bouwwerken.
  3. Bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
7.3.2 Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
  2. De bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)- gebouw’ is aangegeven;
  3. Het bouwen van kassen is niet toegestaan;
 
7.3.3 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels;
  1. Mogen uitsluitend binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
  2. Ter hoogte van de aanduiding ‘Specifieke vorm van Agrarisch- geen gebouwen toegestaan’ zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  3. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)- bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ is aangegeven;
  4. In afwijking van sub a mogen erf-, of terreinafscheidingen ook buiten het bouwvlak gebouwd worden;
  5. De bouwhoogte van erf-, of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)- erf-, en terreinafscheiding’ is aangegeven.
 
7.4 Specifieke functieregels gebruik
7.4.1. Agrarisch
  1. Per bouwvlak is slechts één bedrijf toegestaan.
 
7.5 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruik van de opslagloods zoals weergegeven in bijlage 22h van deze planregels is alleen toegestaan op voorwaarde dat de landschappelijke inpassing in overeenstemming met het ‘Plan Landschappelijke inpassing 2024_ inclusief aanvulling 2025’ (Ars Virens) van bijlage 22h binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van onderliggend omgevingsplan is aangelegd en in stand wordt gehouden.
 
Artikel 8 Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde- Archeologische verwachting middelhoog 1’.
 
8.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1' aangewezen gronden hebben, naast de andere daar voorkomende functie(s), de volgende functie:
  1. De bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
 
8.3 Beoordelingsregels
8.3.1 Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels
In afwijking van het bepaalde bij andere functies mag alleen worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
 
8.3.2 Voor het oprichten van bouwwerken gelden de volgende regels
  1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.3.1 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functies, mits is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  2. Afwijking als bedoeld in sub a is niet vereist, indien:
    1. Op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
    2. Het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
    3. Het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 500 m2.
 
8.3.3 Voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden gelden de volgende regels
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. Het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  2. Het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  3. Het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m vanaf maaiveld;
  4. Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  5. Het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  6. Het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
  
8.3.4 Toetsingscriterium
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.3 wordt slechts verleend, indien door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
8.3.5 Uitzonderingen
Het in artikel 8.3.3 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  1. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. Er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 500 m2 en niet dieper dan 0,5 m vanaf het maaiveld;
  3. Op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  4. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
    1. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    2. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  5. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
  
Artikel 9 Waarde – Archeologische verwachting hoog 1
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde- Archeologische verwachting hoog 1’.
 
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Archeologische verwachting hoog 1' aangewezen gronden hebben, naast de andere daar voorkomende functie(s), de volgende functie:
  1. De bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
 
9.3 Beoordelingsregels
9.3.1 Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels
In afwijking van het bepaalde bij andere functies mag alleen worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
 
9.3.2 Voor het oprichten van bouwwerken gelden de volgende regels
  1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.3.1 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functies, mits is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  2. Afwijking als bedoeld in sub a is niet vereist, indien:
    1. Op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
    2. Het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
    3. Het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 100 m2.
 
9.3.3 Voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden gelden de volgende regels
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. Het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  2. Het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  3. Het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m vanaf maaiveld;
  4. Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  5. Het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  6. Het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
 
9.3.4 Toetsingscriterium
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.3 wordt slechts verleend, indien door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
9.3.5 Uitzonderingen
Het in artikel 9.3.3 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
  1. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. Er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 100 m2 en niet dieper dan 0,5 m vanaf het maaiveld;
  3. Op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  4. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
    1. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    2. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
  5. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
 
Artikel 10 Algemene regels
 
10.1 Regels over parkeren
10.1.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, het uitbreiden of wijzigen van gebouwen en het uitbreiden of wijzigen van de functie van gebouwen of gronden.
 
10.1.2 Parkeergelegenheid
Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Onder voldoende parkeergelegenheid wordt verstaan datgene dat is vastgelegd in de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’ dat als bijlage 1 bij dit hoofdstuk is opgenomen, inclusief diens rechtsopvolger.
 
10.1.3 Maatwerk- en vergunningvoorschrift
Het bevoegd gezag kan over het bepaalde in artikel 10.1.2 een maatwerkvoorschrift geven en daarbij afwijken van het bepaalde onder artikel 10.1.2, maar uitsluitend als:
  1. Op andere wijze in voldoende parkeer- of stallinggelegenheid wordt voorzien; of
  2. Het voldoen aan dat artikel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.
 
 
Artikel 11 Anti- dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.