Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-Omgevingsplan Buitenzomerlanden
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1963.TAM22cBuitenzmlHND-VG01

Regels

 
Preambule
 
Deze tijdelijke alternatieve maatregel (TAM)-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een natuurontwikkeling van de Buitenzomerlanden ten noordoosten van Heinenoord. Hierbij worden ook een zonneveld en energieopslagsysteem mogelijk gemaakt. Deze mogelijkheden zijn als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard. In de artikelkoppen van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22c’ gelezen worden.
 
1 Algemeen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
 
  1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c, is niet van toepassing;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk; De regels in dit hoofdstuk (H22c) zijn van toepassing op de locaties, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1963.TAM22cBuitenzmlHND-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
 
3.1 plan
Het TAM-omgevingsplan “Buitenzomerlanden” met identificatienummer NL.IMRO.1963.TAM22cBuitenzmlHND-VG01 van de gemeente Hoeksche Waard.
 
3.2 aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
3.3 aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
3.4 agrarisch bedrijf
Een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen.
 
3.5 archeologische verwachtingswaarde
De kans op het aantreffen van archeologische resten in een bepaald gebied.
 
3.6 beplantingsplan
Plan voor de aanplant van bomen en struiken in het plangebied (landschappelijke inpassing), zoals beschreven in het Beplantingsplan dat als bijlage 1 is opgenomen bij deze regels.
 
3.7 energieopslagsysteem (EOS)
Een EOS is een installatie bestaande uit één of meerdere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze bouwwerken omvatten onder andere energiedragers waar tijdelijk energie opgeslagen kan worden in de vorm van elektriciteit, omvormers, eventueel transformatoren, datacommunicatie en (subsysteem) EMS (systeemcontroller). Met de daarbij behorende elektrische infrastructuur en voorzieningen zoals ontsluitingspaden, bouwwerk voor onderhouds- of nutsvoorziening, erfafscheidingen en landschappelijke voorzieningen.
 
3.8 extensief dagrecreatief medegebruik / extensieve dagrecreatie
Recreatief medegebruik van gronden, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen.
 
3.9 landschapswaarden
De aan een gebied toegekende waarden in visueel ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch opzicht.
 
3.10 nutsvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes en apparatuur voor telecommunicatie.
 
3.11 omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard.
 
3.12 PGS-37-1
Het document “Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 37-1, Richtlijn voor de veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen” (versie van 12 december 2023).
 
3.13 terp
Een aansluitend afgewerkt terrein dat past bij het verdere verloop van het terrein en als zodanig deel uitmaakt van het maaiveld, maar dat hoger ligt dan het maaiveld zoals aanwezig op 30 juni 2025.
 
3.14 windturbine
Een bouwwerk voor opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige
toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
4.1 Goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het aansluitend afgewerkt terrein tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.2 Overschrijding van de bouw- c.q. functiegrenzen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,75m bedraagt.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
 
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 7 Agrarisch
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  2. extensieve dagrecreatie;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. ontsluitingsvoorzieningen, wegen en paden;
  6. nutsvoorzieningen;
  7. een zonneveld ter plaatse van de aanduiding ‘zonneveld’;
  8. een energieopslagsysteem ter plaatse van de aanduiding ‘energieopslagsysteem’;
  9. een terp ten behoeve van ruimte voor de rivier ter plaatse van de aanduiding ‘terp - ruimte voor de rivier’.
 
7.3 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
 
7.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie ‘Agrarisch’ uitsluitend worden gebouwd:
a. bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
7.3.2 Aanvulling uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26
In aanvulling op artikel 22.27 geldt het verbod, bedoeld in artikel 22.26, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken binnen de aanduiding ‘zonneveld’ en ‘energieopslagsysteem’:
  1. Zonnepanelen, als voldaan wordt aan de volgende eisen:
    1. een bouwhoogte van maximaal 2,5 meter
    2. er is van bovenaf gezien minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen aanwezig
  2. Energieopslagsysteem, als voldaan wordt aan de volgende eisen
    1. een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter;
  3. Transformatoren als voldaan wordt aan de volgende eis:
    1. Een bouwhoogte van maximaal 4,5 meter
    2. Een vermogen van maximaal 12 MVA
  4. Erf- of terreinafscheidingen, als voldaan wordt aan de volgende eis:
    1. Een bouwhoogte van maximaal 3 meter
  5. Camera- of lichtmasten, ten behoeve van beveiliging van het afgebakende terrein het gebruik als zonneveld en/of energieopslagsysteem wordt uitgeoefend, als voldaan wordt aan de volgende eis:
    1. Een bouwhoogte van maximaal 5 meter
  6. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als voldaan wordt aan de volgende eis:
    1. Een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
  
7.3.3 Melding bouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. Het is verboden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen zonder dit ten minste 4 weken voor het begin van de start van de bouw ervan te melden, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, vlaggen- en lichtmasten.
  2. Bij een melding als bedoeld in lid a, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. Naam en locatie activiteit;
    2. Naam en adres melder;
    3. Situatietekening met maatvoering, op schaal en met een beschrijving van het bouwwerk.
 
7.3.4 Voorwaardelijke verplichting externe veiligheid zonnepark
Voor het in gebruik nemen en houden van een zonnepark dient een aanvaardbare veiligheidssituatie te worden gewaarborgd door de bereikbaarheid en bluswatervoorziening te laten voldoen aan Handreiking risicobeheersing Advies veilige PV-systemen [Bijlage 2] en de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening 2019 [Bijlage 3].
 
7.3.5 Voorwaardelijke verplichting externe veiligheid energieopslagsysteem
Voor het in gebruik nemen en houden van een energieopslagsysteem dient een aanvaardbare veiligheidssituatie te worden gewaarborgd door:
  1. Te voldoen aan de op het systeem van toepassing zijnde maatregelen conform de Richtlijn voor de veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen (PGS 37-1) en tevens;
    1. Aantonen dat op afstand kan worden ingegrepen bij een calamiteit, waarbij in ieder geval een EOS kan worden afgesloten op afstand;
    2. Een door de veiligheidsregio goedgekeurd veiligheids/noodplan te overleggen;
    3. Te voldoen aan IEC 62933-5-2 (EOS als geheel) en NEN-EN-IEC 62619 (energiedragers);
    4. De bereikbaarheid en bluswatervoorziening te laten voldoen aan de Handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening 2019 [Bijlage 3].
    5. De aanvrager moet vanaf beide toegangswegen een bluswatervoorziening realiseren, waarbij:
      1. De bluswatervoorziening een minimale waterlevering van 60 m³ per uur kan garanderen; en
      2. Deze levering moet beschikbaar zijn binnen 6 minuten en gedurende minimaal 4 uur gehandhaafd blijven;
      3. Indien gebruik wordt gemaakt van een bluswatervoorziening met een pomp, moet de intrededruk minimaal 1 bar zijn.
    6. een QRA overleggen gebaseerd op de Rekenmethode omgevingsveiligheid lithiumhoudende energiedragers [Bijlage 4].
  2. Of alternatieve maatregelen te treffen die een vergelijkbaar beschermingsniveau waarborgen als onder a genoemd.
  
7.3.6 Voorwaardelijke verplichting biodiversiteit zonnepark
Voor het in gebruik nemen en houden van een zonneveld dient de biodiversiteit te worden gewaarborgd door:
  1. De aanwezigheid van een inrichtingsplan en beheerplan dat ten doel heeft om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen voor een periode van minimaal vijftien jaar.
  2. Monitoring van de effecten van de productie-installatie op de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit.
  3. Indien de monitoring een verslechtering aantoont, worden aanvullende maatregelen genomen om de geconstateerde verslechtering te voorkomen.
  4. Een uitgevoerde nulmeting waarin de huidige waarde van de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit is vastgesteld.
  
7.3.7 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Ter plaatse van de aanduiding 'zonneveld’ en ‘energieopslagsysteem’ geldt - in afwijking van de daar toegedeelde functie(s) - dat het gebruik volgens de toegedeelde functie(s) alleen is toegestaan op voorwaarde dat het Beplantingsplan [Bijlage 1] is aangelegd en in stand wordt gehouden.
 
7.3.8 Einde exploitatie
De bouwwerken behorende tot het zonnepark en/of energieopslagsysteem binnen de aanduiding ‘zonneveld’ en ‘energieopslagsysteem’ moeten na beëindiging van functioneel gebruik worden verwijderd.
 
Artikel 8 Natuur
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Natuur’.
 
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Natuur’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. de bescherming en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschappelijke inpassing’ de landschappelijke inpassing van de locatie, overeenkomstig het Beplantingsplan [Bijlage 1] en overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.3.6 van dit hoofdstuk;
  3. met daaraan ondergeschikt:
  4. extensief dagrecreatief medegebruik;
  5. sport- en speeltoestellen;
  6. paden en ontsluitingsvoorzieningen;
  7. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
 
8.3 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
8.3.1 Algemeen
Op deze gronden mogen ten behoeve van de functie ‘Natuur’ uitsluitend worden gebouwd:
  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
Artikel 9 Waarde – Archeologische verwachtingswaarde hoog 1
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde hoog 1’.
 
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde hoog 1' aangewezen gronden hebben, naast de andere daar voorkomende functie(s), de volgende functie:
  1. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
 
9.3 Binnenplanse vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden
9.3.1 Binnenplanse vergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
Ter plaatse van de in artikel 9.1 bedoelde gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  2. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen;
  4. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  6. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  7. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
9.3.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 9.3.1 is niet van toepassing indien:
  1. het activiteiten bedoeld onder 9.3.1 onder b, c en g betreft, tot een diepte van maximaal 2 meter ten opzichte van het maaiveld.
  2. de werkzaamheden zien op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  3. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m²;
  4. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 2 meter beneden maaiveld.
  5. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn.
 
9.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
 
9.3.4 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  2. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden;
  3. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
  4. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);
  5. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);
  6. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse voor de Archeologie in acht worden genomen;
  7. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies.
 
Artikel 10 Waarde – Archeologische verwachtingswaarde middelhoog 1
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde middelhoog 1’.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde middelhoog 1' aangewezen gronden hebben, naast de andere daar voorkomende functie(s), de volgende functie:
  1. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.
 
10.3 Binnenplanse vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden
 
10.3.1 Binnenplanse vergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
Ter plaatse van de in artikel 10. bedoelde gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  2. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen;
  4. het verwijderen, trekken of afbreken van funderingspalen;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  6. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  7. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
10.3.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 10.3.1 is niet van toepassing indien:
  1. het ophogen betreft van maximaal 1,5 meter ten opzichte van maaiveld op de gronden met de aanduiding ‘energieopslagsysteem’;
  2. het ophogen betreft van maximaal 2,5 meter ten opzichte van maaiveld op de gronden met de aanduiding ‘terp - ruimte voor de rivier’;
  3. het activiteiten bedoeld onder 10.3.1 onder b, c en g betreft, tot een diepte van maximaal 2 meter ten opzichte van het maaiveld.
  4. de werkzaamheden zien op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  5. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 500 m²;
  6. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 2 meter beneden maaiveld.
  7. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn.
 
10.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
 
10.3.4 Beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
  2. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden;
  3. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
  4. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek);
  5. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ);
  6. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse voor de Archeologie in acht worden genomen;
  7. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies.
 
Artikel 11 Waterstaat – Waterkering
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Waterkering’.
 
11.2 Functieomschrijving
11.2.1 Algemeen
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waterstaat - Waterkering' heeft de volgende functies:
a. het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering;
b. bij de onder a. genoemde functie behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken.
 
11.2.2 Voorrangsbepaling
Bij strijd tussen het bepaalde in dit artikel en het bepaalde elders in de regels van dit TAM-omgevingsplan, prevaleert het bepaalde in dit artikel.
 
11.3 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
11.3.1. Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in artikel 11.2.1 bedoelde functies, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de elders in de regels van dit TAM-omgevingsplan toegestane functies, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de bij de betrokken functies behorende beoordelingsregels voor bouwwerken worden in acht genomen;
    2. het belang van de waterkering wordt niet onevenredig geschaad en hieromtrent wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.
  3. Het bevoegd gezag kan aan de onder c. bedoelde omgevingsvergunning voorschriften verbinden teneinde het doelmatig en veilig beheren en/of functioneren van de waterkering te waarborgen.
 
Artikel 12 Waterstaat – Waterstaatkundige functie
 
12.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Watersstaatkundige functie’.
 
12.2 Functieomschrijving
12.2.1 Algemeen
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waterstaat – Waterstaatkundige functie' heeft de volgende functies:
  1. berging en afvoer van hoog oppervlaktewater, sediment en ijs;
  2. de waterhuishouding;
  3. de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en het vergroten van de afvoercapaciteit met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
12.2.2 Voorrangsbepaling
Bij strijd tussen het bepaalde in dit artikel en het bepaalde elders in de regels van dit hoofdstuk, prevaleert het bepaalde in dit artikel.
 
12.3 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
12.3.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in artikel 12.2.1 bedoelde functies, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
    1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
    2. in afwijking van sub a de bouwhoogte van scheepvaartvoorzieningen niet meer bedragen dan 18 meter.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de elders in de regels van dit hoofdstuk toegestane functies, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de bij de betrokken functies behorende beoordelingsregels voor bouwwerken worden in acht genomen;
    2. het belang van de waterkering wordt niet onevenredig geschaad en hieromtrent wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.
  3. Het bevoegd gezag kan aan de onder a. en b. bedoelde omgevingsvergunning voorschriften verbinden teneinde het doelmatig en veilig beheren en/of functioneren van de waterstaatkundige functie te waarborgen.
 
3 Algemene regels
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
 
14.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘vrijwaringszone – windturbine’.
 
14.2 Algemeen
Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – windturbine’ hebben de gronden, behalve de daar voorkomende functies, tevens de volgende functie:
  1. de overdraai van de rotor van een windturbine is toegestaan.
 
14.3 Bouw- en gebruiksverbod
Op gronden met de aanduiding ‘vrijwaringszone - windturbine’ zijn een toename van risicoveroorzakende activiteiten niet toegestaan. Het gaat om de volgende activiteiten:
  1. zoals aangewezen in hoofdstukken 3 en 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  2. specifieke milieubelastende activiteiten, zoals vermeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
 
Artikel 15 Vergunningsplicht voor afwijken
 
15.1 Afwijkingsbepaling landschappelijke inpassing
Voor zover de bouw- dan wel gebruiksregels in dit hoofdstuk een landschappelijke inpassing of beplantingsplan vereisen, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsplanactiviteit afwijken van de oorspronkelijk vastgelegde landschappelijke inpassing of beplantingsplan, onder de voorwaarden dat:
  1. de nieuwe inpassing past bij de kwaliteiten van de omgeving c.q. het landschap;
  2. de oppervlakte van de inpassing tenminste gelijk blijft;
  3. de verkeersveiligheid geborgd is.
 
15.2 Afwijkingsbepaling doelmatig gebruik
Burgemeester en wethouders weigeren een omgevingsvergunning niet op grond van het feit dat een bouwwerk afwijkt van de regels die op een locatie gelden, als het gaat om de volgende gevallen:
  1. Het afwijken van de regels voor het bouwen binnen de aanduidingsgrens noodzakelijk is uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en bebouwing;
  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
    1. de afwijking meer dan 10 meter bedraagt ten opzichte van de begrenzing van de aanduidingsgrens aangegeven in dit hoofdstuk;
    2. de landschappelijke en/of stedenbouwkundige kwaliteit die met het dit hoofdstuk is beoogd onevenredig wordt aangetast.