| Plan: | Bevershoekstraat 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1963.Bevershoekstr2SGVD-VG01 |
De woning aan de Bevershoekstraat 2 te 's-Gravendeel staat al geruime tijd te koop, omdat er weinig vraag is naar woningen in het zeer exclusieve segment. Hierdoor is er voor gekozen de woning te transformeren naar een woonzorgvilla. Met deze transformatie is ook een beperkte uitbreiding voorzien. Deze uitbreiding is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Hiertoe is een nieuw juridisch planologisch kader noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van de bebouwing en het gebruik hiervan als woonzorgvilla mogelijk.
's-Gravendeel ligt in het oosten van de gemeente Hoeksche Waard (provincie Zuid-Holland), het plangebied bevindt zich op het adres Bevershoekstraat 2, 3295 AE te 's-Gravendeel.
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.
Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is: "'s-Gravendeel", zoals vastgesteld op 10 oktober 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Binnenmaas. In dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als 'Wonen' met een bouwvlak én de aanduiding 'Vrijstaand'. De oostzijde van het plangebied heeft de bestemming 'Tuin' een deel hiervan kent de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waarde Archeologie - 3' van toepassing waarvan de waarde archeologie 1 over een klein deel op de noordzijde van het plangebied is gelegen. Tevens ligt er over het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'Geluidszone industrie'.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan "'s-Gravendeel".
De voorliggende toelichting beschrijft, aan de hand van de verschillende hoofdstukken, waarom de beoogde ontwikkeling gebaseerd is op een goede ruimtelijke ordening. Verder zijn in deze toelichting de planregels en de verbeelding uitgelegd. In hoofdstuk 2 komt het beleidskader aanbod. Dit kader beschrijft het relevante rijks-, provinciaal- en gemeentelijke beleid. Het daarop volgende hoofdstuk (3) bevat de planbeschrijving, hier wordt ingegaan op het concrete plan. De sectorale aspecten zijn omschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 geeft de juridische planbeschrijving waarin de wijze van bestemmen uiteen is gezet. In hoofdstuk 6 is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Keuzes
De belangrijkste keuzes zijn:
Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal een grote impact hebben op de ruimtelijke ordening.
Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijven. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Toetsing
Het mogelijk maken van een beperkt aantal nieuwe woningen in het dijklint van Heinenoord past binnen het rijksbeleid.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat om kaders voor bijvoorbeeld rijksvaarwegen, het kustfundament, project Mainportontwikkeling Rotterdam en grote rivieren.
Toetsing
Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten beschrijven waarom er behoefte is aan de ontwikkeling en als die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, motiveren waarom er niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toetsing
Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied
In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat om meer dan 11 woningen op een perceel met een woonbestemming.
Iedere gemeente maakt afspraken met de provincie over het aantal woningen dat gebouwd wordt en welke ontwikkelplannen dit zijn. Deze afspraken staan in de Woningbouwprogrammering. We vinden het belangrijk dat de woningen die gebouwd worden, aansluiten bij de wensen en behoeften van de (toekomstige) inwoners van de Hoeksche Waard. Daarom is er een Woningbehoefteonderzoek gedaan. Dit Woningbehoefteonderzoek 2019 geeft richting aan welke woningbouwprojecten wij opnemen in de Woningbouwprogrammering 2019
Woningbehoefteonderzoek 2019
In het Woningbehoefteonderzoek 2019 is onderzocht wat de woningbehoefte per dorp is en hoe deze zich ontwikkelt in de toekomst (tot 2040). Denk hierbij aan aantallen woningen, typen, huur of koop, prijsklassen en voor welke doelgroepen. Ook is er onderzocht wat de behoeften zijn op het gebied van wonen en zorg, speciale woonvormen of wonen voor speciale doelgroepen. Het Woningbehoefteonderzoek geeft richting aan de Woningbouwprogrammering.
De nieuwe gemeente Hoeksche Waard wil komen tot een integraal gemeentelijk woonbeleid, met een op de individuele dorpen afgestemde woningbouwprogrammering die recht doet aan de verschillen tussen de dorpen. Daarbij vinden de gemeente en woningcorporatie HW Wonen het essentieel dat bij de gesprekken rond het maken van nieuwe prestatieafspraken gesproken wordt vanuit een gezamenlijk beeld van de volkshuisvestelijke opgave. Daarom is een actualisering uitgevoerd van de in 2016 door Companen uitgevoerde woningmarktanalyse. Aanvullend daarop is de woonbehoefte in beeld gebracht van ouderen met een zorgvraag en andere kwetsbare groepen, en van enkele bijzondere doelgroepen binnen de gemeente.
Demografische ontwikkeling
Geschiktheid van de woningvoorraad
Ontwikkeling van de woningbehoefte
Vraag naar collectieve woonvormen
Behoefte aan wonen met zorg
Woningmarktopgaven Wonen met zorg
Verdere aandachtspunten
Woningbouwprogrammering 2019-2030
In de Woningbouwprogrammering 2019-2030 staat waar binnen de gemeente nieuwe woningen worden gebouwd. Het zijn de afspraken tussen gemeente Hoeksche Waard en provincie Zuid-Holland. Het Woningbehoefteonderzoek geeft richting aan wat er in het programma wordt opgenomen. Daarnaast wordt er rekening gehouden met kwaliteit, zoals duurzaamheid, toekomstbestendigheid, meerwaarde voor de omgeving, de manier waarop de nieuwbouw past binnen het dorp of het landschap en de kernkwaliteiten van de Hoeksche Waard behoudt én versterkt.
Toetsing
Het voorliggende plan maakt onderdeel uit van dit geactualiseerde woningbouwprogramma.
Ervaring Percura Zorg
De woonvorm is zeer specifiek en laat zich dan ook lastig meten in globale behoefteramingen, Percura Zorg heeft jarenlange ervaring met diverse vormen van zorgwonen, ook uit vele gesprekken in de gemeente en daarbuiten blijkt een enorme toename van de behoefte aan zorgwoningen. Onze bevolking vergrijst en we zien dat veel mensen langer zelfstandig blijven wonen. Maar met het toenemen van de leeftijd is er een groeiende groep ouderen met somatische klachten; mensen die zorg behoeven, maar toch hun eigen woning prefereren boven een verpleegtehuis. Ook in de Hoeksche Waard is die trend zichtbaar, onder andere beschreven in diverse beleidsnota's Wonen van de gemeente. Percura Zorg is dan ook overtuigd dat met dit project wordt voorzien in die groeiende behoefte.
Conclusie
Op basis van het woningbehoefteonderzoek blijkt dat er grote vraag is naar kleinschalige woonvormen voor ouderen gecombineerd met zorg. Dit sluit naadloos aan bij de voorgenomen ontwikkeling.
In de gemeentelijke woningbouwprogramma die is afgestemd met de provincie is ruimte opgenomen voor 14 woonzorgeenheden ter plaatse van de Bevershoekstraat.
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen.
Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio.
Toetsing
De ontwikkeling is een verdichting van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling die door voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt is daarmee conform de omgevingsvisie.
De 14 wooneenheden zijn afgestemd met de regionale woningbouwplanning.
In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Toetsing
Omdat sprake is van inpassen (geen wijzigingen op structuurniveau binnen dit bestaand stads- en dorpsgebied), zijn de overige leden van dit artikel verder niet relevant.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Toetsing
Met dit plan worden 14 woonzorgeenheden mogelijk gemaakt binnen stedelijk gebied, derhalve is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er worden immers meer dan 11 woningen toegevoegd. Het plan is getoetst aan de ladder en de locatie is kleiner dan 3 hectare. Daarmee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
De gemeente Hoeksche Waard heeft een Omgevingsvisie voor het gehele grondgebied opgesteld. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dat noemen we Waardmaken.
Identiteit
's-Gravendeel is gesticht in 1593, ligt in het oosten van de Hoeksche Waard aan de Dordtse Kil. Via de Kiltunnel is het dorp verbonden met Dordt. Het dorp heeft twee havens. Een haven bij het dorp en een 'vluchthaven' bij het buurtschap De Wacht.
Enkele eeuwen geleden was 's-Gravendeel nog een overslaghaven voor Rotterdam. Later groeide het uit tot één van de belangrijkste vlascentra van Nederland. De herinnering aan het grote vlasverleden is nu alleen nog terug te vinden in de straatnamen in de wijk Nieuw Bonaventura.
De oudste bebouwing van 's-Gravendeel is geconcentreerd rondom de voormalige binnenhaven en langs de dijken. Hier vindt ook de jaarlijkse feestweek plaats, een belangrijk evenement binnen het dorp. Aan het einde van de haven springt de Hervormde Kerk in het oog.
Verder bepalen de molen 't Vliegend Hert en de watertoren de skyline van het dorp. De provinciale weg N217 is de levensader van 's-Gravendeel.
Bouwstenen 'Het DNA van 's-Gravendeel'
Figuur 2.1 Verzameltekening bouwstenen 'Het DNA van 's-Gravendeel'.
Maatschappelijke opgaven
De relevante maatschappelijke opgave in de Hoeksche Waard is als volgt geformuleerd:
Hoeksche Waard 'Dorpse Trots'
Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. Doordat de Hoeksche Waard letterlijk een eiland is, zijn mensen op elkaar aangewezen, staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. De Hoeksche Waard kent (mede daardoor) kleine, hechte gemeenschappen met veelal een geheel eigen identiteit. De combinatie van ondernemerszin en de zorg voor elkaar maakt het eiland zeer aantrekkelijk voor gezinnen.
De dorpen in de Hoeksche Waard zijn nauw verbonden met de inpolderingsgeschiedenis. Veel nederzettingen zijn gekoppeld aan de dijken of aan het water. De dijken in de dorpen zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Dit heeft tot verschillende typen dorpen geleid, met een eigen stedenbouwkundige structuur. Belangrijkste hoofdgroepen zijn de voorstraatdorpen en de dijkdorpen, daarnaast zijn er nog rivier rug- en kreekrugdorpen. Er zijn ook combinatietypen zoals voorstraatdorpen.
De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. In het dorpsgericht werken moeten initiatieven bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp.
Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp.
Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp.
Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp.
Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken.
Versterken van de inclusieve samenleving.
De Ruimtelijke opgaves en aandachtspunten zijn weergegeven op onderstaande figuur 2.2.
Figuur 2.2 Opgaven voor 's Gravendeel.
Toetsing en conclusie
Met de transformatie van één woning naar 14 wooneenheden voor welgestelde ouderen in een uniek segment draagt voorliggend plan bij aan de diversiteit in woonmilieus door middel van een creatieve aanpak binnen de Hoeksche Waard.
De ontwikkeling voldoet zo op meerdere punten aan het gemeentelijk beleid.
Het plangebied bestaat uit het perceel behorende bij de Bevershoekstraat 2, het perceel is circa 2.800 m² groot en de bestaande bebouwing heeft een vloeroppervlak van 953 m². Op de begane grond is de woning 210 m² groot, de verdieping en de zolder zijn beide 199 m². Het zwembad is 101 m² (bruto). De garage / serre heeft een oppervlakte van 235 m² met een verdieping op de garage van 118 m² (bruikbaar gedeelte).
Een groot deel van het perceel is een in cultuur gebrachte tuin. De bouwhoogte is gelaagd tussen de 5 en 10 m. Aan de voorzijde (oostkant) van de woning zijn parkeergelegenheden in de voortuin.
Figuur 3.1 Het plangebied in vogelvlucht (Google Earth).
Het plan is om de woning op het adres Bevershoekstraat 2 om te bouwen tot woonzorgvilla, hiertoe wordt de woning uitpandig en inpandig verbouwd. Het totale gebouw biedt ruimte aan 14 wooneenheden. In het bestaande gebouw komen 6 appartementen, in de nieuwbouw komen er 5 in de achtertuin en 3 richting de Verbruggestraat. Er wordt circa 600 m² grondoppervlak toegevoegd. De woningen zullen in het hogere prijs segment worden verhuurd, het pand blijft in eigendom van de huidige eigenaar en de zorgaanbieder zal de exploitatie in handen nemen.
De hoofdingang blijft hetzelfde net als de secundaire ingang aan de Verbruggestraat zijde, hier kunnen geen auto's door alleen service karretjes, voetgangers met eventueel fietsen en bewoners met rollators. Binnen het plangebied worden 10 parkeerplaatsen gerealiseerd. Ook zal er voorzien worden in voldoende fietsenstallingen. Op figuur 3.2 is de plattegrond van de ontwikkeling weergegeven. Het hierop aangegeven groen zal behouden blijven.
Doelgroep
In de woonzorgvilla is plaats voor 2-4 koppels en/of 10-14 singels. Er zijn 14 appartementen aanwezig. De doelgroep die er komt wonen is somatisch, zij hebben (meerdere) lichamelijke klachten. Het betreft personen van gemiddeld genomen 75 jaar. Dit zijn mensen die een zorgvraag hebben en/of behoefte hebben aan gezelschap. Doelstelling is om hen te begeleiden en een fijne oude dag te geven tot en met hun laatste levensfase. Er wordt 24 uur per dag zorg verleent. Er is dus 24 uur per dag verzorging aanwezig. Alleen de nachtdienst wordt ingevuld door een slaapwacht. Over het algemeen hebben de bewoners geen auto, maar hebben vaak wel een fiets. De activiteiten zijn inpandig voor de bewoners en niet openbaar, hiervoor is de locatie te klein. Ook zou dit zorgen voor een grotere verkeersaantrekkende werking en leiden tot een hogere parkeerbehoefte.
Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat er op de gronden plaats wordt geboden aan mensen met verslavingsproblematiek zoals in de vorm van een afkickkliniek of aan mensen met zwaar psychiatrische problemen die overlast veroorzaken in de omgeving. Hiervoor is deze locatie ongeschikt.
Personele bezetting en bevoorrading
Op een werkdag zullen er circa 5 verzorgende personeelsleden aanwezig zijn, daarnaast zijn 2 personen voor de ondersteuning zoals schoonmaken, koken en activiteiten aanwezig. Ín de nacht loopt er 1 zogeheten nachtwacht in het gebouw. Andere personen zoals fysio, kapper en schoonheidsspecialist zullen periodiek langskomen en waarschijnlijk meerdere personen aansluitend behandelen. Het beleid van de zorgexploitant is om het personeel en de ondersteunende dienst zoveel mogelijk uit de directe omgeving te halen en te motiveren met de fiets te komen.
Bevoorrading
De bevoorrading van het gebouw gaat via kleine busjes die circa 3 keer per week het gebouw aan zullen doen. De levensmiddelen en andere artikelen daar waar mogelijk zullen lokaal worden ingekocht. Om de rust voor de bewoners en omwonenden te garanderen zullen de toeleverancier(s) worden geïnstrueerd tussen 9:00 en 17:00 te bezorgen.
Figuur 3.2 Het bouwplan (bron: Friso Woudstra architecten bna.)
De nieuwbouw zal in stijl en vormgeving aansluiten op het bestaande gebouw. De massa van de nieuwbouw sluit eveneens aan op de bestaande bebouwing met een maximale goothoogte van 4 meter (1 bouwlaag) en een maximale dakhelling van 60graden, hiermee is zowel een plat- als schuin dak toegestaan. Op figuur 3.3 is een impressie gegeven van het aanzicht vanaf de Verbruggenstraat richting de bebouwing op de Bevershoekstraat 2. Op figuur 3.4 is de zuidgevel weergegeven. Op figuur 3.5is het aanzicht vanaf de noordkant op de bebouwing weergegeven. Op figuur 3.6 zijn de voor- en achtergevels in de beoogde situatie weergegeven.
Figuur 3.3 Aanzicht vanaf de Verbruggenstraat (bron: Friso Woudstra architecten bna).
Figuur 3.4 Aanzicht zuidgevel (B) (bron: Friso Woudstra architecten bna).
Figuur 3.5 Aanzicht van de noordgevel.
Figuur 3.6 Aanzicht voor- en achtergevel (bron: Friso Woudstra architecten bna).
De ontwikkeling van 14 woonzorgeenheden heeft gevolgen voor diverse verkeersaspecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie, afwikkeling van het verkeer en de parkeerbehoefte voor de nieuwe ontwikkeling. Uitgangspunt hierbij is dat de bewoners niet beschikken over een eigen auto.
Het plangebied wordt door middel van een erftoegangsweg ontsloten.
De wegen zijn ingericht als erftoegangswegen, waarin het verblijfskarakter kenmerkend is. Gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer maken hier gebruik van dezelfde rijbaan. Ten behoeve van voetgangers zijn trottoirs aanwezig.
De voorzieningen van 's-Gravendeel zijn gelegen binnen 1.000 m van het plangebied.
Afhankelijk van de gezondheid van de cliënten is deze afstand te voet, met de scootmobiel of op de fiets voor de meerderheid goed te overbruggen.
Op circa 850 meter van het plangebied is bushalte "'s-Gravendeel, Weegje" gelegen. Hier halteren twee keer per uur bussen naar Dordrecht centraal en Rotterdam Zuidplein.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie worden bij verpleeg- verzorgingstehuizen geen kencijfers gegeven. De verkeersgeneratie is daarom handmatig berekend in tabel 4.1 aan de hand van het aantal wooneenheden, werknemers en bevoorradingen.
Tabel 4.1 Verkeersgeneratie.
| Woningtype | Hoeveelheid | Motorvoertuigbewegingen | Verkeersgeneratie |
| Bezoek | 15 | 2 | 30 |
| Personeel | 9 | 2 | 18 |
| Bevoorrading | 2 | 2 | 4 |
| Totaal | 52 |
De ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van circa 52 mvt/etmaal. Het plangebied wordt via de Bevershoekstraat op de omliggende wegenstructuur aangesloten. De verkeerstoename zal op deze wegen niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling. Op de Bevershoekstraat zelf zal het wel merkbaar drukker worden.
Voor de woonzorgvilla is aangesloten bij de parkeernorm voor verpleeg- en verzorgingstehuizen binnen de bebouwde kom: 0,6 per wooneenheid (Bron: CROW-publicatie 381). De parkeerbehoefte is berekend en weergegeven in tabel 4.2.
Tabel 4.2 Parkeerbehoefte.
| Woningtype | Hoeveelheid | Parkeerkencijfer | Parkeerbehoefte |
| verpleeg- en verzorgingstehuizen | 14 | 0,6 | 8,4 |
| Totaal | 9 |
Er zal op de gronden van de Bevershoekstraat 2 worden voorzien in de parkeerbehoefte van zowel de bezoekers als het personeel. Hiervoor zijn 10 parkeerplaatsen ingericht. Op basis van bovenstaande berekening en ervaring van de exploitant is dit aantal parkeerplaatsen ruim voldoende.
De bereikbaarheid van het plangebied is goed te noemen voor de diverse modaliteiten, de toename in verkeersbewegingen zal niet leiden tot problemen. Het plan biedt voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien, het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
Wegverkeerslawaai
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.
De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Industrielawaai
De woningen worden geprojecteerd binnen de geluidzone van industrieterrein Groote-Lindt/DordtWest. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein, buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor nieuwe woningen in de zone is akoestisch onderzoek nodig. Voor nieuwe woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Bij een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A) kan, onder voorwaarden, door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot, behoudens enkele uitzonderingen, maximaal 55 dB(A).
Op grond van artikel 163 van de Wet geluidhinder dienen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een industrieterrein geheel of in hoofdzaak is gelegen ervoor te zorgen dat er voldoende informatie beschikbaar is over de geluidruimte binnen de zone. Voor industrieterreinen van regionaal belang berust deze taak bij Gedeputeerde Staten.
De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is namens het bevoegd gezag belast met het zonebeheer van de industrieterreinen.
In het plangebied wordt de bestaande woning getransformeerd en uitgebreid naar een woonzorgvilla met maximaal 14 wooneenheden. Hiertoe is akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 1.
Wet geluidhinder
Woningen zijn geluidgevoelige functies, waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidzone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein.
Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Havenstraat en binnen de zone van het industrieterrein DordtWest/Groote-Lindt. Akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk.
Ook de 30 km/uur-wegen Bevershoekstraat, Verbruggestraat, Beneden Havendijk zijn om redenen van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek.
Resultaten wegverkeerslawaai
De conclusies zijn dat:
Resultaten industrielawaai
De conclusies zijn dat:
Cumulatie en geluidbeleid
De geluidkwaliteit op de nieuwe wooneenheden is zeer goed tot redelijk.
Er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid.
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. De Watertoets is op 28-05-2020 ingevuld (kenmerk 20200528-39-23402) waaruit blijkt dat de verkorte procedure gevolgd moet worden. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europees:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016-2021) staan de doelen van het Waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het Waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het Waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:
Het plangebied bestaat momenteel uit de woning en is deels onverhard.
Bodem en grondwater
Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten noordwesten van het plangebied bestaat de grond uit lichte klei met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is ten noorden van het projectgebied sprake van grondwatertrap Vb. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 25 en 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,1 m +NAP.
Waterkwantiteit
Conform de Legger van Waterschap Hollandse Delta bevindt er in of nabij het plangebied geen watergang of beschermingszone van een watergang (figuur 4.1).
Figuur 4.1 Uitsnede Legger Wateren en Kunstwerken Waterschap Hollandse Delta.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
Veiligheid en waterkeringen
Ten oosten van het plangebied loopt een waterkering. Het plangebied bevindt zich met de voortuin in de beschermingszone van de waterkering, zie figuur 4.2.
Figuur 4.2 Uitsnede Legger Keringen Waterschap Hollandse Delta.
Afvalwaterketen en riolering
De huidige bebouwing is aangesloten op het rioolstelsel.
De villa op de Bevershoekstraat 2 te 's-Gravendeel wordt inpandig en uitpandig getransformeerd naar een woonzorgvilla met daarin maximaal 14 woonzorgeenheden. Hiertoe zal circa 600 m² bebouwing worden toegevoegd.
Bodem en grondwater
De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bodem en het grondwater.
Waterkwantiteit en compensatie
Met de ontwikkeling zal de verharding met circa 600 m² toenemen. Dit is net boven de grens van 500 m² en daarom is watercompensatie noodzakelijk.
Bij de bestaande bebouwing is in 2006 op eigen initiatief een waterberging d.m.v. een grote vijver, +/- 52 m² en 1,5 m diep, aangelegd aan de zijde van de Bevershoekstraat deze staat in verbinding met het riool bij overloop.
Op het gehele perceel is drainage aangelegd die is aangesloten op deze vijver.
Het regenwater wordt gedeeltelijk afgevoerd via deze vijver.
De vijver heeft 2 functies: opvang regenwater en waterberging voor de beregeningsinstallatie.
Deze vijver zorgt ervoor dat er geen wateroverlast optreedt op het perceel en dat er geen extra belasting op het riool plaatsvindt.
Uit overleg met het waterschap is besloten de waterberging aan de zijde van de Bevershoekstraat op te nemen in de legger van het waterschap. Op deze wijze wordt de waterberging erkent door het waterschap en kunnen afspraken worden gemaakt over de continuïteit van de berging.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van de waterkering. De werkzaamheden vinden uitsluitend inpandig plaats in het bestaande gebouw. De nieuw te realiseren bebouwing zal achter de bestaande woning plaatsvinden, buiten de beschermingszone van de waterkering. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
De bebouwing wordt aangesloten op het reeds aanwezige rioolstelsel van 's-Gravendeel.
De ontwikkeling heeft geen relevante negatieve effecten op de waterkwaliteit, kwantiteit en waterveiligheid in en om het plangebied. De waterberging dient te worden opgenomen in de legger van het waterschap, dit gebeurt op basis van de benodigde watervergunning.
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura 2000-gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is de waterweg Dordtsche Kil, dat ligt op 105 m afstand van het plangebied, zie figuur 4.3. De locatie ligt op circa 5,5 kilometer van Natura 2000-gebied 'Oudeland van Strijen' en circa 4,2 kilometer van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied 'Biesbosch', zie figuur 4.4.
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland).
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura 2000 gebieden (bron: Aerius-calculator).
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Biesbosch zijn er voor de aanleg- en gebruiksfases AERIUS-berekeningen uitgevoerd (versie 2021). De memo met de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2, 3 en 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanleg- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat er één geschikte verblijfplaats voor huismussen in het plangebied aanwezig is. Er valt niet met zekerheid uit te sluiten dat deze opening in gebruik zal worden genomen. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied als verblijfplaats voor huismussen is noodzakelijk, tenzij de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van deze soort worden uitgevoerd. De voortplantingsperiode van de huismus loopt van begin maart tot eind september. Ook heeft het plangebied een functie voor algemene broedvogels. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5.
Directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring is uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten voor de stikstofgevoelige natuurgebieden. De aanbouw vormt geen belemmering voor de aangetroffen potentiele verblijfplaats voor de huismus. Op figuur 2.1 is te zien dat er geen functioneel groen verloren gaan. Zolang de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de huismus staat het aspect ecologie de ontwikkeling niet in de weg.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
In opdracht van Rho Adviseurs is ter plaatse van de twee uitbreidingen door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De overige gronden binnen het plangebied zullen enkel oppervlakkig verstoord worden en blijven in de toekomstige functie gebruikt worden als tuin. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven.
Gelet op de onderzoeksresultaten wordt de hypothese 'verdacht' voor beide deellocaties gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is.
Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.
Conclusie
De milieukundige bodemkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.
Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm.
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg /m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 14 wooneenheden. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Maasdamseweg, ten noorden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor de prognose in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 23,5 µg/m³ voor NO2, 18,6 µg/m³ voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
In de beoogde situatie wordt een woonzorgvilla gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke en milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In het gebied zijn voornamelijk woningen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'.
Een woonzorgvilla komt niet voor in de VNG-brochure, daarom is gekozen om te toetsen aan de richtafstanden voor een verpleeghuis. Een verpleeghuis valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m in een rustige woonwijk. Op circa 5 m bevinden zich ten noorden en ten zuiden woonbestemmingen. Er wordt niet aan de richtafstand voldaan. De ontwikkeling is echter relatief klein en vergelijkbaar met woningen, waardoor hinder uitgesloten kan worden.
Daarnaast moet er ook onderzocht worden of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten westen bevindt zich een bedrijfsbestemming waar maximaal bedrijven uit categorie 2 zich mogen vestigen. Dit heeft een richtafstand van 30 m in een rustige woonwijk. Met een afstand van circa 35 m wordt hieraan voldaan. Daarnaast zijn er al woonbestemmingen dichter bij het bedrijf gelegen en geldt er momenteel al een woonbestemming.
Conclusie
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met de plaatsing van geluidsbronnen zoals airconditioning en/of afzuiginstallaties en dergelijke apparaten dient rekening gehouden te worden met de oriëntering en geluidsbelasting richting de omgeving.
Hoeksche Waard Energieneutraal 2040
De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016-2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard.
De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers:
Er zijn twee belangrijke neven effecten. Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar.
Naast de Energievisie is er ook een 'Regionaal Uitvoeringsprogramma Energievisie 2016-2020' opgesteld. De Energievisie is in dit Uitvoeringsprogramma uitgewerkt tot concrete activiteiten voor de jaren 2016-2020. Een aantal van deze activiteiten is het afgelopen jaar en begin 2017 al in gang gezet. Met dit Uitvoeringsprogramma worden deze activiteiten gestructureerd en zichtbaar gemaakt. Daarnaast starten wij op basis van dit uitvoeringsprogramma diverse nieuwe activiteiten. Voor het Uitvoeringsprogramma en de Energievisie is input verzameld van het maatschappelijk middenveld en vanuit het Regionale Raadsledenoverleg (ROHW). Het Uitvoeringsprogramma wordt elk jaar opnieuw bekeken of het nodig is om het te actualiseren om op deze manier per jaar projecten uit te voeren die actueel, (financieel)haalbaar en marktgericht zijn. Elke activiteit wordt in dit uitvoeringsprogramma toegelicht en bestaat uit de onderdelen; resultaat, planning, kosten en status.
Aanpasbaar bouwen
Dit is bepaald in de Regionale Woonvisie 2030. In de Hoeksche Waard groeit het aantal seniorenhuishoudens bovengemiddeld sterk. Het aantal 75+ huishoudens verdubbelt de komende jaren. Van de bevolking wordt verwacht een leven lang zelfstandig te wonen. Daarnaast is de financiering voor de zorg en het wonen ontkoppeld. Hierdoor stijgt de vraag naar eenvoudig aanpasbare woningen op de woningmarkt.
Een aanpasbaar gebouwde woning is geschikt te maken voor meerdere doelgroepen
Van belang hierbij zijn de relaties tussen ruimten en bedieningsgemak van bijvoorbeeld ramen en deuren. Ook gaat het om veiligheid. In feite kan een aanpasbaar gebouwde woning op verschillende manieren en door verschillende soorten huishoudens worden bewoond. Het gaat niet zozeer om bouwen voor een bepaalde doelgroep, maar om het bouwen van een woning die door verschillende doelgroepen kan worden bewoond en daarmee zijn toekomstwaarde behoudt. Voor de vergrijzing van de nabije toekomst én de demografische ontwikkeling die daarna volgt. Hiermee behoudt de woning zijn toekomstwaarde.
SKW Certificatie WoonKeur is een eis
De woonvisie verwijst naar het kwaliteitskeurmerk WoonKeur voor het aanpasbaar bouwen. Een woning met een WoonKeur certificaat kan eenvoudig en tegen beperkte kosten worden aangepast als de levensomstandigheden daar om vragen. Dit houdt in dat een bewoner in zijn woning moet kunnen blijven wonen. Ook als de gezondheid om aanpassingen aan de woning vraagt. Hiermee wordt verplicht verhuizen om een reden van een beperking voorkomen. De gemeente adviseert om SKW Certificatie in een vroeg stadium bij een nieuwbouwproject te betrekken. In dit keurmerk zijn de bouwtechnische eisen teruggebracht tot een overzichtelijk en goed toepasbaar pakket aan maatregelen.
Bij de bouw van de woning 15 jaar geleden is al gekozen voor duurzame verwarming door middel van warmte pompen en een zeer hoge isolatie graad wat nu algemeen wordt toegepast.
De bestaande woning is uitgerust met 2 warmte pompen 1 voor de woning (waar 6 wooneenheden zijn voorzien), en 1 voor de verwarming van het zwembad. Er is een gasketel aanwezig voor back up voor uitval en extra verwarming bij zeer strenge vorst. De bestaande gas aansluiting blijft intact.
De aanbouw wordt uitgevoerd met warmte pompen. Nu is het plan het geheel zoveel mogelijk uit te voeren met zonnepanelen, zodat een groot gedeelte van de energie zelf kan worden opgewekt.
Gelet op de doelgroep worden de woningen opgeleverd met alle mogelijke aanpassingen om de bewoners het leven zo aangenaam mogelijk te maken.
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Overeenkomstig de professionele risicokaart (figuur 4.5) waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg of door buisleidingen.
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omcirkelt.
Ten oosten op een afstand van circa 189 m bevindt zich de corridor Rotterdam - Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GT3 deze bedraagt 1.070 m. Omdat het plangebied zich binnen de 200 m van de vaarweg bevindt, is inzicht in de externe veiligheidsrisico's nodig. Door AVIV is een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Hieruit blijkt dat voor de Dordtsche Kil een PR-plafond van 0 m geldt. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op de oever van de vaarweg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Voor de bepaling van het groepsrisico is gebruik gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.4.2.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) voor een vaarweg van bevaarbaarheidsklasse 6. Hieruit blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wanneer daarnaast het aantal transport van LT2 en GT3 kleiner is dan 1000 per jaar en de aanwezigheidsdichtheden kleiner zijn dan 500/ha, is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. LT2 wordt niet vervoerd over deze vaarweg en het vervoer van GT3 via binnenvaartschepen is 196 per jaar. Daarnaast is via de BAG-populatieservice gebleken dat het aantal personen per hectare maximaal 65 is in de nacht op de westelijke kant van de vaarweg. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico niet hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Wel dient een beknopte verantwoording te worden geschreven.
Daarnaast bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied van de risicovolle inrichtingen Standic B.V. en Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Voor beide inrichtingen is een QRA van de groepsrisico te vinden in de professionele risicokaart. Het groepsrisico van beide inrichtingen bevindt zich ruim onder de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling is relatief klein en bevindt zich op een grote afstand van de risicovolle inrichtingen. Daarnaast is het invloedsgebied van beide inrichtingen kilometers groot, waardoor verschillende dorpen hierin vallen. De toevoeging van 14 appartementen zal niet zorgen voor een significante stijging in het groepsrisico of voor een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde.
Beknopte verantwoording
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Bevershoekstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van 's-Gravendeel. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Zelfredzaamheid
In de toekomstige situatie zal een zorgvilla gerealiseerd worden. De aanwezige ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Er wordt echter uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de ouderen zullen begeleiden. Er is 24 uur per dag een verzorger aanwezig. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Standic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en corridor Rotterdam - Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit het onderzoek van AVIV blijkt dat het groepsrisico niet hoger is dan de oriëntatiewaarde en ook kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Gemeente Hoeksche Waard heeft voor de periode 2019 – 2023 integraal erfgoedbeleid vastgesteld om de identiteit van het grondgebied te versterken. Dit is verwoord in de erfgoednota en de erfgoedverordening van gemeente Hoeksche Waard. De gemeente ziet ons erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en als leerbron voor toekomstige generaties.
Het behoud, beleven en benutten van erfgoed ziet de gemeente als wenselijke ontwikkeling in relatie tot het behoud van diversiteit en identiteit van dorpen en streken. Het in stand houden van het erfgoed en het uitdragen (het verhaal (door)vertellen) geeft het streekeigen erfgoed een economische waarde die zich als toeristisch-recreatief product terugbetaalt en een positieve invloed heeft op het vestigingsklimaat.
De historische kern van 's-Gravendeel heeft een zekere cultuurhistorische waarde. Deze waarden zijn dermate algemeen, dat deze niet middels het bestemmingsplan kunnen of moeten worden beschermd.
In de kern van 's-Gravendeel bevinden zich diverse Rijks- en gemeentelijke monumenten. De monumenten worden beschermd via de Monumentenwet. De betreffende woning is geen monument en ook om het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.
In opdracht van Rho Adviseurs heeft IDDS Archeologie in februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Bevershoekstraat 2 in 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard. De noodzaak tot het archeologisch
onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek overgenomen.
Bureauonderzoek
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het onduidelijk is of het plangebied op een oude stroomgordel ligt of niet en ook de diepteligging van deze mogelijke stroomgordel is onduidelijk. Indien het plangebied ligt op een stroomgordel waarvan de afzettingen, op basis van onderzoeken in de omgeving, liggen op -1,0 tot -3,0 m NAP (ofwel 1,0 tot 3,5 m -mv), dan heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Op deze stroomgordel kunnen nederzettingen en andere complextypen voorkomen uit deze perioden met grondsporen en vondsten zoals aardewerk, glas, metaal, (verbrand) bot en dergelijke. Uit het milieukundige bodemonderzoek blijkt dat deze stroomrug in het plangebied niet voorkomt tot een diepte van -2,4 m NAP (3,0 m -mv), maar mogelijk
wel dieper.
Als het plangebied niet op een stroomgordel ligt dan komt in de ondergrond een pakket Hollandveen voor. Voor dit Hollandveen geldt een middelhoge archeologische verwachting, indien de top niet is geërodeerd door de overstromingen van de St. Elisabethsvloed, voor resten van ontginning en
landbouw uit de perioden ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Resten hiervan bestaan voornamelijk uit sporen van sloten, greppels, waterputten of -kuilen en dergelijke. De top van het Hollandveen ligt waarschijnlijk op -2,5 tot -3,0 m NAP (ofwel 2,5 tot 3,5 m -mv; en dus net buiten de boordiepte van het milieukundige onderzoek).
De bovenste meters van de bodemopbouw in het plangebied bestaan uit getijde-afzettingen die zijn ontstaan bij en in de twee eeuwen na de St. Elisabethsvloed. Uit de periode 1421 tot de inpoldering in de 17e eeuw zullen geen archeologische waarden voorkomen in het plangebied. Het gebied lag toen in het water of op getijdeplaten (gorzen) en was onbruikbaar voor de mens. Vanaf de 17e tot het midden van de 20e eeuw was het plangebied onbebouwd en waarschijnlijk vooral in gebruik als boomgaard.
Ook uit die periode zullen er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Sinds de tweede helft van de 20e eeuw is het plangebied (deels) bebouwd geweest, maar bij de vele bouw- en sloopwerkzaamheden zal de bovengrond van het plangebied grotendeels verstoord zijn geraakt. In deze periode was het ongebruikelijk om oude funderingen in de bodem achter te laten. Het plangebied ligt op basis van de historische kaarten ook duidelijk buiten de historische bebouwingskern van 's-Gravendeel en heeft op basis van het bureauonderzoek dus een lage archeologische verwachting voor waarden uit de Nieuwe tijd.
Veldonderzoek
Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied zowel geen archeologische verwachting heeft voor een stroomgordel als voor een veenpakket. De stroomgordel is niet aanwezig en het veenpakket is geërodeerd. De afzettingen die zijn aangetroffen in een ongeveer 3,5 m dik pakket op het veen bestaan inderdaad uit getijde-afzettingen, afgezet tussen St. Elisabethsvloed in 1421 en de inpoldering in de 17e
eeuw. Het plangebied blijkt uit de boringen te zijn opgehoogd en de bodem verstoord tot ten minste een diepte van 0,8 m -mv. Op basis van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting van het plangebied bijgesteld naar zeer laag. In het plangebied komen zeer waarschijnlijk geen (intacte) archeologische waarden meer voor.
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied slechts een zeer lage archeologische verwachting heeft en dat in het plangebied zeer waarschijnlijk geen archeologische waarden voorkomen. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.
Conclusie
Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 14 zorgwooneenheden. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Uit de bovenstaande paragrafen blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Voorafgaand aan de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan zal de gemeenteraad van gemeente Hoeksche Waard (op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie) besluiten dat er geen MER-procedure doorlopen hoeft te worden.
Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van BZK een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit:
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
In dit artikel wordt bepaald op welke manier bij de toepassing van de planregels wordt gemeten. Bij het meten van bouw- en goothoogtes van gebouwen is het begrip peil van belang.
Het bestemmen van een woonzorgcomplex is vooral afhankelijk van de invulling van de geboden zorg. Als het bieden van de zorg slechts een ondergeschikte functie heeft en er sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning dan past het woon-zorgcomplex in beginsel in de bestemming 'Wonen'. Er is sprake van nagenoeg zelfstandige bewoning als de zorg bestaat uit specifieke ondersteuning voor de algemene dagelijkse levensbehoeften en de bewoners geen voortdurende zorg nodig hebben.
Er is in dit geval geen sprake van nagenoeg zelfstandige bewoning vanwege de aard van de bewoners die de gehele dag begeleid worden. Dagelijks is verzorgend personeel en begeleiding aanwezig. Daarom is in dit geval de bestemming 'Maatschappelijk' passender bevonden dan 'Wonen'.
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden met de aanduiding 'Wonen' zijn uitsluitend bestemd voor het realiseren van 14 zorgwoningen en hierbij behorende dagbesteding en voorzieningen. Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de gebouwen moeten worden gebouwd, de gronden mogen tevens worden gebruikt voor parkeervoorzieningen, groen en water. De goothoogten van de gebouwen is vastgesteld op de verbeelding met een maximale dakhelling van 60%.
De bestaande voortuin bij de woning is in de bestemming 'Tuin' gelegd. De gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op het aangrenzende grond gelegen hoofdgebouw. Er zijn geen gebouwen in de bestemming toegestaan. Er zijn onder voorwaarden erkers en erfafscheidingen binnen de bestemming toegestaan.
Artikel 5 Waarde - Archeologie - 1 en Artikel 6 Waarde - Archeologie - 3
Op basis van het archeologische beleid van de gehele Hoeksche Waard is aan het plangebied een dubbelbestemming toegekend. Met deze dubbelbestemming wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast.
Binnen het plangebied is er sprake van twee archeologische verwachtingswaarden, Waarde - Archeologie - 1 waarvoor een verstoringsoppervlakte van 30 m² geldt en ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 waarvoor een verstoringsoppervlak van 500 m² geldt wanneer archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Deze bestemmingen zijn overgenomen in het voorliggende plan om de potentiële archeologische waarde in de bodem te beschermen.
Artikel 7 Waterstaat - Waterkering
Deze bestemming is gelegd op de beschermingszone van de waterkering. De regeling is gericht op het beschermen van de waterkering. Dit leidt onder meer tot beperkingen voor bouwen en voor werken en werkzaamheden.
Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Overschrijding bouwgrenzen
De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden.
Bestaande afstanden en andere maten
In de planregels zijn diverse regelingen opgenomen die aangeven wat maximaal of minimaal toelaatbaar is. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op hoogten, breedten, diepten, oppervlakten, afstanden of aantallen. Ruimtelijke overwegingen hebben bepaald welke maat als maximum of minimum is aangegeven. Lang niet alle bestaande situaties voldoen echter aan de betrokken maten. Het negeren van deze bestaande maten zou betekenen dat het betrokken gebouw onder het overgangsrecht valt, met alle gevolgen van dien (alleen gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, alleen herbouw na calamiteit etc.). Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Overgangsrecht is immers alleen aan de orde, wanneer te verwachten is dat het betrokken gebouw gedurende de looptijd van het bestemmingsplan zal worden geamoveerd.
Het onder het overgangsrecht brengen zou ook tot praktische complicaties leiden, aangezien dan onduidelijk is of - bijvoorbeeld - het gehele gebouw onder het overgangsrecht valt of alleen dat gedeelte waarmee de betrokken maten worden overschreden.
Om dit soort verwikkelingen te voorkomen, is in artikel 17 een regeling opgenomen die voorkomt dat overgangsrecht van toepassing is, indien de gestelde maxima of minima niet met de bestaande situaties in overeenstemming is.
Uiteraard geldt de betrokken regeling niet indien een bestaand bouwwerk wordt afgebroken en op een andere plek wordt herbouwd. In dat geval gelden de als maximaal of minimaal gestelde maten onverkort. Voorts is de regeling uitsluitend van toepassing ter plaatse van de reeds bestaande afwijking. Dit houdt in dat indien een gebouw dat - bijvoorbeeld - volgens de reguliere planregels te dicht op de zijdelingse perceelgrens is gebouwd, wordt vergroot, de regeling niet van toepassing is.
Met betrekking tot de bestaande maten is als peildatum gekozen voor het moment waarop het bestemmingsplan in werking is getreden. Dit is het eerste moment waarop nog uitsluitend conform het geldende bestemmingsplan, in casu de daarin vastgelegde maxima en minima, kan worden gebouwd.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In dit artikel wordt het strijdige gebruik benadrukt.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
In de algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen ter bescherming van de geluidszone van het industrieterrein Groote Lindt / Dordt-West.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
In Artikel 13 Algemene wijzigingsregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein.
In de overige regels is in artikel 14.1 Voldoende parkeergelegenheid geregeld dat bij een nieuw bouwwerk of verandering van een bouwwerk wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 14.1 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag.
Lid 2 betreft de overgangsregels met betrekking tot het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtsmacht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het gebruik is slechts toegestaan indien de afwijzing hierdoor niet wordt vergroot.
Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
Op 12 oktober 2020 heeft de initiatiefnemer samen met Rho adviseurs de omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen om de woning aan de Bevershoekstraat 2 om te bouwen tot een zorgvilla. In die brief hebben wij ontvouwd hoe dat er uit zou kunnen gaan zien. De omwonenden zijn hierin uitgenodigd te reageren op deze eerste plannen en de vragen en opmerkingen kenbaar te maken. De omwonenden hebben hier goed gebruik van gemaakt. Oorspronkelijk was het de bedoeling om een bijeenkomst te organiseren, maar door de corona maatregelen leek dat geen goed idee.
Daarom zijn de opmerkingen beantwoord in een tweede brief, deze is opgenomen in Bijlage 9, deze brief is toegelicht in een videobijeenkomst waarbij 6 omwonenden aanwezig waren. Hier zijn geen nieuwe aandachtspunten naar voren gekomen. De grootste zorg blijft over het parkeren en toelevering, de bouwfase en mogelijke schade hierdoor aan de gebouwen en de privacy van zowel de huidige als de nieuwe bewoners. Helaas was bij dit videogesprek de exploitant verhinderd. Daarom is nogmaals een videogesprek gehouden waarin de exploitant de dagelijkse/wekelijkse gang van zaken heeft uitgelegd en toegelicht. Op verzoek van enkele omwonenden is in een kleinere setting een vergelijkbare videobijeenkomst gehouden.
Het concept ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan de overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. De reacties zijn in de tekst van het ontwerpbestemmingsplan verwerkt.
De formele bestemmingsplanprocedure start met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Belanghebbenden hebben binnen deze periode een zienswijze kunnen indienen.
Er zijn twee belanghebbenden die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen tegen het plan. Deze zienswijze zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording, deze is opgenomen in bijlage 10.
Na de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er een aantal aanpassingen gedaan aan het vast te stellen bestemmingsplan, deze aanpassingen zijn eveneens opgenomen in bijlage 10 en verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.
Ook na de beantwoording van de vooroverlegreacties , zienswijze en het vaststellen van het bestemmingsplan zal de initiatiefnemer en exploitant contact onderhouden met de omwonenden van het plangebied. Op deze wijze kunnen aangehaalde punten in de vergunning fase en bij exploitatie worden meegenomen in het verdere traject.
De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Dit betekent dat in principe kosten van gemeentewege dienen te worden verhaald. Dit kan ofwel via een exploitatieplan ofwel via een anterieure overeenkomst (Zakelijke beschrijving). In dit geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten omtrent eventuele planschadeclaims en gemaakte plankosten. De gemeente zal om deze reden geen exploitatieplan vaststellen.