Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Windpark Oude Mol
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1963.BPSSWINDPARK-VG01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan
het bestemmingsplan Windpark Oude Mol met identificatienummer
NL.IMRO.1963.BPSSWINDPARK-VG01 van de gemeente Hoeksche Waard.
 
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daar-bij behorende bijlagen.
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aange-duid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.4 agrarisch bedrijf
  1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen boomkwekerij, fruit- en bollenteelt;
  2. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nage-noeg) geheel op open grond;
  3. intensieve veehouderij: het fokken van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij het fokken niet af-hankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel;
  4. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht.
1.5 bebouwing
een of meer gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.6 bedrijf
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installe-ren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
 
1.7 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.8 bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevings-recht.
 
1.9 bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht onderge-schikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw
 
1.10 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk,
alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.11 bouwfase windpark
Fase van de bouw van het windpark startend bij het plaatsen van de windturbines en/of de inkoopstation(s).
 
1.12 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct of indirect en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.13 exploitatiefase windpark
Fase die volgt op de bouwfase van het windpark nadat alle windturbines zijn overgenomen van de leverancier en in gebruik zijn genomen door de exploi-tant
 
1.14 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of ge-deeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.15 Inkoopstation
Bouwwerk of verzameling bouwwerken  bedoeld voor het onderbrengen van schakel- en meetapparatuur
, alsmede benodigde transformator- en schakelstations, om de windturbines te verbinden met het landelijke elektriciteitsnet.
 
1.16 kunstwerken
bouwwerken, geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke.
 
1.17 maaiveld
de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het gebouw, bouw-werk of windturbine.
 
1.18 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuis-jes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, ge-maalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (onder-grondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
 
1.19 opstelplaats
een verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine, waaronder tevens begrepen onderhoudswegen.
 
1.20 overdraai
het overdraaien van wieken over percelen of gebouwen.
 
1.21 peil
  1. voor gebouwen die op maximaal 1 m van de weg liggen: de hoogte van de kruin van die weg;
  2. voor windturbines bovenzijde fundering;
  3. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de ge-middelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.22 rotor
het samenstelsel van drie rotorbladen (ook wel wieken genoemd) en hub (ook wel de neus genoemd) van een windturbine.
 
1.23 rotorblad
de wiek van een windturbine.
 
1.24 rotordiameter
de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven.
 
1.25 schakelkasten en transformatoren
Bouwwerk behorende bij een windturbine ten behoeve van transporteren van opgewekte elektriciteit en het op spanning houden van de interne park-bekabeling.
 
1.26 transformatorstation
Een bouwwerk voor het transporteren van de door de windturbines opge-wekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnetwerk met bijbeho-rende installaties en voorzieningen.
 
1.27 vrijwaringszone
een zone waarin overdraai van de rotor van een windturbine is toegestaan.
 
1.28 windturbine
een bouwwerk voor opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuis-houding.
 
1.29 windturbinepark
het geheel van windturbines met alle daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten
 
2.1 afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwer-ken tot perceelgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
 
2.2 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het maaiveld tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouw-onderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.5 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.6 bouwhoogte van een windturbine
vanaf peil tot aan de wiekenas of hart van de hub (neus) van de windturbine.
 
2.7 rotordiameter van een windturbine
De diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven.
 
2.8 tiphoogte van een windturbine
Vanaf peil tot aan het hoogste punt van het bovenste verticaal staande ro-torblad.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Bedrijf - Windturbinepark (B-WT)
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
3.1.1 Bestemming
De voor 'Bedrijf - Windturbinepark' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van windturbi-nes, met dien verstande dat maximaal 1 windturbine per bestem-mingsvlak is toegestaan;
  2. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat maximaal 1 opstelplaats per windturbine is toegestaan met een maximale oppervlakte van 2.200 m² per opstelplaats;
  3. kabels en leidingen;
  4. kunstwerken, alsmede voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken;
  5. wegen en paden, in- en uitritten, alsmede bijbehorende waterhuis-houdkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers;
  6. overige nutsvoorzieningen waaronder in elk geval worden begrepen: schakelkasten en transformatoren;
  7. voor zover niet strijdig met de belangen van het bepaalde in sub a t/m f, is het uitoefenen van een agrarisch bedrijf toegestaan
3.1.2 Toelaatbare bebouwing
Op deze gronden mogen, uitsluitend ten dienste van de in lid 3.1.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:
  1. windturbines;
  2. bouwwerken ten behoeve van schakelkasten en transformatoren;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Windturbinepark
  1. Elke windturbine heeft drie rotorbladen;
  2. de minimale bouwhoogte van een windturbine bedraagt ten minste de met de aanduiding 'minimale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  3. de maximale bouwhoogte van een windturbine bedraagt ten hoog-ste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  4. de rotordiameter van een windturbine bedraagt tenminste 130 me-ter en ten hoogste 162 meter;
  5. de tiphoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste 210 meter;
  6. de bouwhoogte van alle windturbines in het windturbinepark dient hetzelfde te zijn. Hetzelfde geldt voor de rotordiameter en het turbi-netype.
  7. de oppervlakte van een bouwwerk ten behoeve van schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 25 m2;
  8. het aantal schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 1 per windturbine.
  9. de bouwhoogte van een bouwwerk ten behoeve van schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 3 m.
3.2.2 Overige bouwwerken
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. behoudens het bepaalde in artikel 3.2.1 zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  2. de maximale bouwhoogte van palen en masten bedraagt 6 meter;
  3. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,5 meter;
  4. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 meter;
3.3 Voorwaardelijke verplichtingen
 
3.3.1 IJsdetectie
Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan indien deze zijn uitgerust met een ijsdetectiesysteem dat de windturbines die over een openbare weg draaien stilzet in geval van ijsvorming.
 
3.3.2 Mitigatie slagschaduw
Het in gebruik nemen en houden van de windturbines is slechts toegestaan indien een stilstandsvoorziening is aangebracht in of op de turbines ter voor-koming van slagschaduw op woningen binnen een straal van 1,5 km rondom het windpark. Deze regeling geldt in aanvulling op het gestelde in de Activi-teitenregeling milieubeheer artikel 3.12.
 
3.3.3 Bodemonderzoek
Het bouwen van de windturbines is slechts toegestaan nadat een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem aan het bevoegd gezag is overlegd en schriftelijk door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
 
3.3.4 Beplantingsplan
Het realiseren en in gebruik houden van de windturbines is alleen toegestaan wanneer voldaan wordt aan de volgende voorwaardelijke verplichting ten aanzien van landschappelijke inpassing:
  1. de landschappelijke inpassing wordt overeenkomstig het beplan-tingsplan behorende bij deze regels conform bijlage 1 gerealiseerd;
  2. de landschappelijke inpassing is voordat de windturbines in gebruik worden genomen gerealiseerd
  3. de landschappelijke inpassing wordt duurzaam in stand gehouden
3.3.5 Buiten bedrijf stellen bestaande windturbines
De bouwfase van het windpark (met inbegrip van alle daarbij behorende voorzieningen waaronder inkoopstation) mag slechts gestart worden indien alle windturbines ter plaatste van de aanduidingen ‘te saneren windturbine’ definitief buiten bedrijf zijn gesteld.
3.3.6 Sanering bestaande windturbines De exploitatiefase van het windpark mag slechts gestart worden indien alle windturbines ter plaatste van de aanduidingen ‘te saneren windturbine’ zijn verwijderd van hun fundering. 
 
3.3.7 Verwijdering windturbines
12 maanden nadat het windturbinepark gedurende een aaneengesloten pe-riode van 3 maanden buiten gebruik is gesteld, dienen de windturbines met daarbij behorende voorzieningen ontmanteld en verwijderd te zijn, tenzij de windturbines buiten gebruik zijn door onvoorzien onderhoud.
Artikel 4 Waarde - Archeologie middelhoog
 
4.1 bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
 
4.2 bouwregels
 
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag alleen wor-den gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onder-zoek.
 
4.3 afwijken van de bouwregels
 
4.3.1 afwijking
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in arti-kel 4.2 ten behoeve van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, mits is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
 
4.3.2 uitzonderingen
Afwijking als bedoeld in artikel 4.3.1 is niet vereist, indien:
  1. op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  2. het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van be-staande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
  3. het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 500 m2 en minder diep is dan 30 cm.
Artikel 5 Waterstaat - Waterkering
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor waterkeringdoeleinden zoals dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.
 
5.2 Bouwregels
 
Voor het bouwen gelden de volgende regels: Bestemmingsregels 10
  1. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde be-stemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
  3. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestem-ming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
5.3 Ontheffing van de bouwregels
 
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van lid 5.2 sub c. Ontheffing wordt verleend, indien de bij de betrokken bestemming beho-rende bouwregels in acht worden genomen en het waterstaatsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens het verlenen van ontheffing winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt ge-schaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
Artikel 6 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
 
6.1 bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden' aangewezen gron-den zijn bestemd voor:
  1. het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in lid 1.4 sub a en b;
  2. het binnen de bestaande bebouwing uitoefenen van een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in lid 1.4 sub d;
  3. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van:
    1. de in het gebied voorkomende landschapswaarden in de vorm van het contrast tussen open agrarisch gebied en de meer ver-dichte dijken, de herkenbaarheid van het landschap door de bochtige dijken met bebouwing/beplanting en de rationele, rechte verkaveling hierbinnen;
    2. de in dit gebied voorkomende cultuurhistorische waarden in de vorm van de historische bebouwing en het ontginningspatroon.
6.2 Bouwregels
 
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
  1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzonde-ring van terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde in sub a geldt dat terreinafscheidingen ten behoeve van paardenbakken uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden;
  3. voor zover gebouwen niet op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot deze grens ten minste 2 m te bedra-gen;
  4. bij een combinatie van nevenfuncties het bebouwingsoppervlak ten behoeve van de activiteiten niet meer mag bedragen dan 500 m²;
  5. indien er blijkens de aanduiding 'relatie' sprake is van een gekoppeld bouwvlak, dan zijn hierop bepalingen met betrekking tot een 'enkel' bouwvlak van overeenkomstige toepassing;
  6. verder geldt het volgende:
 
6.3 Ontheffing bouwregels
 
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.2 onder a ten behoeve van de opslag van dierlijk mest buiten het bouwvlak, met inachtneming van het volgende:
  1. het dient noodzakelijk te zijn vanuit verkeers- en milieuoverwegingen;
  2. een doelmatige bedrijfsvoering moet de opslag van dierlijk mest buiten het bouwvlak noodzakelijk maken;
  3. de opslag van dierlijk mest is alleen toegestaan in mestbassins of mestzakken;
  4. mestopslag is uitsluitend bedoeld voor de eigen agrarische bedrijfsvoering of voor niet meer dan vijf agrarische bedrijven, die voor de opslag van dierlijke mest, uitsluitend bedoeld voor de eigen agrarische bedrijfsvoering, een samenwerkingsverband hebben aange-gaan;
  5. ten behoeve van de opslag van dierlijk mest mag gebruikgemaakt worden van een of meerdere mestzakken/mestbassins;
  6. de totale gezamenlijke inhoud van een mestzak/mestbassin mag niet meer bedragen dan 3.000 m³;
  7. de opslag van dierlijk mest dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  8. een verzoek voor het aanleggen van een mestbassin of mestzak bui-ten het bouwvlak, wordt ter toetsing voorgelegd aan de agrarisch deskundige, omtrent de vraag of aan de in dit lid onder a en b ge-noemde voorwaarde is voldaan.
6.4 Specifieke gebruiksregels
 
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de vol-gende regels: Algemene regels 12
  1. de teelt van ruwvoeder anders dan gras is toegestaan, voor zover deze teelt overwegend voorziet in de behoefte van het eigen grond-gebonden veehouderijbedrijf;
  2. paardenbakken buiten het bouwvlak zijn niet toegestaan;
  3. inwoning als vorm van mantelzorg is toegestaan;
  4. prostitutiebedrijven zijn niet toegestaan;
  5. opslag van goederen ten behoeve van neven- en vervolgfuncties met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is op onbebouwde gron-den niet toegestaan.
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouw-plan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Verhouding met bestemmingsplannen
 
  1. Voor zover de enkelbestemming ‘Bedrijf – Windturbine’ voor wind-turbines, bedoeld in artikel 3 van dit plan, samenvalt met de bestem-mingen uit het onderliggende bestemmingsplan komen de enkelbe-stemmingen uit dat bestemmingsplan te vervallen.
  2. Voor zover dit bestemmingsplan de bestemmingsplannen en omge-vingsvergunningen voor strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.12 Wabo niet wijzigt, blijven de regels uit genoemde bestemmingsplan-nen en omgevingsvergunningen onverkort van toepassing.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
9.1 Vrijwaringszone - windturbine
 
Op gronden met de aanduiding ‘vrijwaringszone - windturbine’ is overdraai van de rotor van een windturbine toegestaan, alsmede:
  1. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat maximaal 1 opstelplaats per windturbine is toegestaan met een maximale oppervlakte van 2.200 m² per opstelplaats;
  2. kabels en leidingen;
  3. toegangs- en onderhoudswegen, alsmede bijbehorende waterhuis-houdkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers, waarbij de maximale breedte van een toegangs- en onderhoudsweg 5 is meter met uitzondering van kruisingen met andere wegen en bochten.
9.2 Overige zone – Inkoopstation
 
Op de gronden met de aanduiding 'Overige zone - inkoopstation' is de bouw van een inkoopstation ten behoeven van het windpark toegestaan. Hiervoor gelden de volgende regels:
  1. er is één inkoopstation toegestaan ten behoeve van het windturbi-nepark, met daarbij behorende:
    1. gebouwen;
    2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  2. de maximale oppervlakte van het inkoopstation, inclusief bijbeho-rend bebouwd en onbebouwd terrein, bedraagt 150 m2;
  3. de maximale bouwhoogte van het inkoopstation en bijbehorende voorzieningen bedraagt 4 meter, met dien verstande dat de maxi-male bouwhoogte voor bliksemafleiders 10 meter bedraagt;
  4. het inkoopstation inclusief bijbehorend terrein dient vanuit land-schappelijk oogpunt aanvaardbaar te zijn dan wel in het landschap te zijn ingepast.
9.3 Veiligheidszone – munitie
 
ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - munitie' de volgende regels:
 
9.3.1 Aanlegverbod
Het is verboden op of in deze gronden, vanwege het explosiegevaar, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burge-meester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend af-graven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, opho-gen en aanleggen van drainage;
  2. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbren-gen van daarmee verband houdende constructies, installaties of ap-paratuur;
  3. het heien in de bodem;
  4. het bewerken van de bodem met drilboren.
9.3.2 Uitzondering op aanlegverbod
Het verbod van lid 9.3.1 is niet van toepassing werkzaamheden die:
  1. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de onderliggende bestemming(en) betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  3. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergun-ning.
9.3.3 Voorwaarde voor de aanlegvergunning
De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien deze worden uitgevoerd in het kader van het bergen/saneren van de aanwezige explosieven of indien door initiatiefnemer is aangetoond dat er geen sprake is van explosiegevaar.
 
9.4 Overige zone – parkinfrastructuur
Op de gronden met de aanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' zijn toe-gangs- en onderhoudswegen ten behoeve van het windpark toegestaan, als-mede:
  1. kabels en leidingen;
  2. overige bouwwerken ten behoeve van het windturbinepark zijn toe-gestaan tot een hoogte van maximaal 4 m en een oppervlakte van maximaal 50 m2 per bouwwerk;
  3. alsmede bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers.
  4. Voor de toegangs- en onderhoudswegen geldt dat de maximale breedte van een toegangs- en onderhoudsweg 5 is meter met uitzon-dering van kruisingen met andere wegen en bochten.
9.4.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.4 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het egaliseren van gronden;
  2. het scheuren van grasland;
  3. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden;
  4. het vellen en rooien van houtgewas;
  5. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dem-pen van bestaande waterlopen;
  6. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse leidingen, con-structies, installaties en apparatuur.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Overgangsrecht
 
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
 
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het be-stemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsver-gunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik
 
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, be-doeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder be-grepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 11 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Wind-park Oude Mol’.