In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tijdig rekening gehouden te worden met aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Door middel van (voor)onderzoek verkrijgt men inzicht in deze waarden om ze - waar nodig – in veiligheid te stellen: hetzij ter plaatse te bewaren in de grond (in situ) behoud, hetzij door middel van een opgraving (ex situ). Als het technisch mogelijk is kunnen met conserverende maatregelen de waarden soms ook veilig gesteld worden (planaanpassing).
Met betrekking tot het aspect archeologie heeft de raad van de voormalige gemeente Neerijnen op 25 september 2008 de Archeologische waarden- en beleidskaart voor het grondgebied van Neerijnen vastgesteld.
Sinds 28 september 2021 heeft gemeente West Betuwe haar nieuwe geharmoniseerde erfgoedbeleid vastgesteld waaronder inbegrepen een actualisatie van de archeologische inventarisatie en beleidskaart (RAAP 2021).
Planspecifiek
Bij het opstellen van dit plan is aanvankelijk uitgegaan van de situatie die gold in voormalige gemeente Neerijnen. Het toenmalige gemeentelijke beleid is vertaald in het voorontwerpbestemmingsplan (5 juni 2018) en ligt tevens ten grondslag aan de uitgevoerde onderzoeken op de locatie Haarstraat 8.
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van Neerrijnen.
Fragment archeologische beleidskaart Neerijnen
De uitsnede van de beleidskaart laat zien dat het plangebied voor het overgrote deel in een gebied met een hoge archeologische verwachting ligt, terwijl een klein deel aan de oostelijke plangrens een lage verwachtingswaarde heeft. Het deel met een lage verwachtingswaarde is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze dubbelbestemming is alleen relevant bij projecten in het kader van de Tracéwet en projecten met een bodemingreep / verstorende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 10.000 m². In gebieden met een hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm.
Het plangebied bevat de resten van ‘het huis Klingelenburg bij Thuijl’ (ook wel 'Nieuw Klingelenburg' ter onderscheiding van het gelijknamige kasteel in Neerijnen). Het terrein is gemeentelijk monument (nr Tuil 08-02, de rode contour op bovenstaande afbeelding). Uit archeologisch bureauonderzoek (Transect-rapport 671, d.d. 01-06-2015, zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 4) komt naar voren dat het kasteelterrein oorspronkelijk uit een omgrachte centrale versterkte woontoren met voorburcht bestond. Later, waarschijnlijk in de Nieuwe Tijd, zijn hieraan bijgebouwen toegevoegd. Vanaf deze periode fungeert de voorburcht en het direct ervoor gelegen terrein als tuin. Dit is indicatief voor de ontwikkeling van het kasteelterrein tot landgoed. In de 19de eeuw raakt het landgoed in verval. Tussen 1846 en 1872 wordt het zuidelijke bijgebouw gesloopt. Tussen 1872 en 1890 is de westelijk van het kasteelterrein gelegen boerderij gesloopt. Tussen 1890 en 1923 wordt vervolgens de versterkte woontoren afgebroken en de gracht voor een groot deel gedempt. Vanaf 1923 is het hele plangebied in gebruik als boomgaard.
De resten van Huis Klingelenburg bij Thuijl bevinden zich nog in de ondergrond, direct onder het maaiveld. Deze resten zijn van groot archeologisch belang voor de (begin-)datering van het kasteel, de ontwikkeling van het kasteelterrein, de datering van de verschillende bouwfasen en het gebruik van het kasteel. In het westelijke deel van het plangebied, buiten het gemeentelijk monument, worden niet alleen de resten van de historische boerderij verwacht, maar tevens ook een nederzettingsterrein uit de laat-romeinse tijd (ca 250-450 na Christus). Vondsten uit deze periode zijn in een eerder stadium hier aangetroffen.
In de planvorming is rekening gehouden met de bevindingen uit het vooronderzoek. Zo is de woning niet geprojecteerd op de plek van de voormalige versterkte woontoren. Ook wordt de slotgracht niet verder uitgegraven, maar wordt deze wel beleefbaar gemaakt. Overeenkomstig het advies uit het archeologisch bureauonderzoek, is geofysisch onderzoek met de grondradar uitgevoerd. Hiermee zijn de ondergrondse funderingsresten van het kasteel in kaart gebracht (zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Op drie tot vier locaties zijn duidelijk zichtbare objecten aanwezig die funderingsrestanten doen vermoeden.
Medio 2021 heeft VUhbs vervolgens een 'Verkennend en karterend booronderzoek' uitgevoerd (zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Dit veldonderzoek was noodzakelijk om te bepalen of de geplande bebouwing geen schade zou veroorzaken aan de behoudenswaardige archeologische waarden in het centrale deel van het plangebied. Uit het onderzoek komt naar voren dat op de locatie van het woonhuis vanaf een diepte van 80 à 90 cm onder het huidige maaiveld (2.53 – 2.09 m -NAP) en ter plaatse van de stal vanaf 50 à 90 cm onder het huidige maaiveld (2.35 – 2.92 m NAP) nog archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn. Uitgaande van het huidige maaiveld als 0-peil en ook rekening houdend met een bufferzone van 30 cm boven het archeologisch niveau, betekent dit dat zowel de bouw van het woonhuis als de stal leiden tot verstoring van het archeologisch bodemarchief.
Om een archeologische opgraving te vermijden en behoud van de waardevolle resten in situ mogelijk te maken is door regioarcheoloog Rivierenland op 30 juli 2021, namens gemeente West Betuwe besloten om aanvullende maatregelen te treffen. In de eerste plaats dient de verstoring door de palen tot een minimum te worden beperkt. Hiervoor kan uitgegaan worden van de richtlijnen zoals vastgelegd in de 'Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen'. Daarnaast dient het terrein en daarmee het 0-peil te worden verhoogd zodat de graafwerkzaamheden worden beperkt tot minimaal 30 cm boven het archeologisch niveau (zie onderstaande afbeelding). Uitgaande van het hoogste voorkomen van het archeologisch niveau, dienen de graafwerkzaamheden ter plaatse van het woonhuis beperkt te worden tot 50 cm onder het huidige maaiveld (2.83 m NAP). Dit komt neer op een ophoging van minimaal 44 cm. Ter plaatse van de stal dient de ontgraving beperkt te worden tot 20 cm onder het huidige maaiveld (3.22 m NAP). Dit komt hier neer op een benodigde ophoging van minimaal 67 cm. Eventuele verplaatsing van de woning of de stal wordt niet als gunstigere optie gezien, omdat het archeologisch niveau in het overige deel van het plangebied plaatselijk nog hoger voorkomt.


Maximaal toegestane verstoringsdiepte (bron: VUhbs archeologie, 25 juli 2021)
Indien de bovengenoemde maatregelen niet mogelijk of wenselijk zijn, wordt aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht om te bepalen of hier daadwerkelijk archeologische sporen en/of resten aanwezig zijn. Dit vervolgonderzoek dient uitgevoerd te worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek ter plaatse van het woonhuis en de stal met eventueel een doorstart naar opgraving van de volledige bouwput. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een vooraf door bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) verplicht.
Ten allen tijd blijft de wettelijke meldingsplicht archeologische toevalsvondsten van kracht (conform artikel 5.10 Erfgoedwet). Wanneer tijdens graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dienen deze direct te worden gemeld bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Gemeente West Betuwe dient tevens hiervan direct in kennis gesteld te worden.
Conclusie
In de planvorming is rekening gehouden met de bevindingen uit het archeologisch vooronderzoek. Bij de bouw wordt de voormalige versterkte woontoren ontzien. Ook wordt de slotgracht niet verder uitgegraven. Deze wordt wel beleefbaar gemaakt. Ter plaatse van de woning en de paardenstal wordt het terrein opgehoogd zodat het archeologisch niveau niet bedreigd wordt en aanvullend onderzoek niet nodig is.
Ter bescherming van huis Klingelenburg te Thuijl en de voorburcht krijgt deze zone de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', ter bescherming van het gemeentelijke monument (beleidscategorie ‘terrein met gewaardeerde archeologische resten’). Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt in principe geen ingrepen: behoud en bescherming in huidige staat. Voor ingrepen is een erfgoedvergunning van toepassing.
Het omliggende voormalige kasteelterrein krijgt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2': terrein met hoge archeologische waarde (beleidscategorie ‘terrein met archeologische resten”). Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv en tevens met een groter oppervlak dan 50 m² vroegtijdig waardestellend archeologisch onderzoek dient plaats te vinden.
Hierbij wordt aangesloten bij de bevindingen en regelgevingen uit RAAP-rapport 4150 'Erfgoed in de gemeente West Betuwe deel 2. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingenskaart en cultuurhistorische waardenkaart' (d.d. 31-01-2021).
Uitsnede uit Archeologische beleidskaart (bron: RAAP rapport 4159, d.d. 31-01-2021)