direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Basil Scarfflaan, Herwijnen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente West Betuwe heeft het voornemen om de bestaande woonwagenstandplaats aan De Strobbel in Herwijnen te ontmantelen en een alternatieve locatie aan de Basil Scarfflaan in ontwikkeling te brengen. De ontmanteling en de nieuwe locatie zijn gewenst omdat

  • de aanvankelijk geplande verplaatsing naar de Dwarswegweg 56-58 te Heukelum geen doorgang kon vinden vanwege het ontbreken van voldoende draagvlak;
  • de ontwikkeling van woningbouw aan de oostzijde van het dorp Herwijnen is in middels in uitvoering;
  • voor de huidige bewoner aan De Strobbel (en zijn dochter) nieuwe standplaatsen moeten worden gezocht;
  • deze uitbreiding aansluit op ontwikkeling van woningbouw aan de oostzijde van het dorp Herwijnen en de nieuwe locatie biedt alle betrokkenen meer privacy dan de locatie aan de Dwarsweg.

Op onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied in Herwijnen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0001.png"

1.2 Doel

De gronden van de nieuwe locatie voor twee woonwagenstandplaatsen hebben een agrarische bestemming volgens het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2012 (vastgesteld 9-10-2012). Daarnaast gelden de volgende dubbelstemmingen en aanduidingen:

  • Waarde - Archeologische verwachting 3
  • Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie
  • gebiedsaanduiding kernrandzone
  • gebiedsaanduiding openheid

Het Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014 is vastgesteld op 21-5-2015. Tevens geldt Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie vastgesteld 10-12- 2015 voor deze nieuwe locatie met de volgende dubbelbestemming en aanduiding:

  • Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie
  • Gebiedsaanduiding overige zone - inundatiekommen

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0002.png"

Afb. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met ligging plangebied (rood omlijnd)

Dit bestemmingsplan vormt het planologisch-juridisch kader waarbinnen de gevraagde woonwagenlocatie voor 2 standplaatsen mogelijk wordt gemaakt.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven, in hoofdstuk 3 gevolgd door een beschrijving van het beleidskader. Hoofdstuk 4 bevat een overzicht van verschillende milieu-/omgevingsaspecten en de resultaten van de verrichte onderzoeken. De plansystematiek is opgenomen in hoofdstuk 5. Ten slotte komt in hoofdstuk 6 de eventuele resultaten van inspraak en overleg aan de orde.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Plangebied

Het plangebied grenst aan de meest recente uitbreiding van de wijk Herwijnen-Oost, maar maakt hier geen onderdeel van uit. Deze nieuwe uitbreiding, die in ontwikkeling is, ligt globaal aan de oostzijde van de Vervoornlaan, de groene as van de uitbreidingswijk Herwijnen-Oost en ten westen van de Basil Scarfflaan. Hier is voorzien in:

  • de bouw van 50 grondgebonden woningen;
  • de bouw van een zorgcentrum (Huize Avondlicht) met onder andere woonzorgeenheden.

Het nieuwe woonwagenerf is gelegen ten oosten van de Basil Scarfflaan, die de oostgrens vormt van deze nieuwe wijk. Zie volgende afbeelding met de globale ligging van het woonwagenerf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0003.png"

Afb. luchtfoto Herwijnen met globale ligging plangebied

2.1.1 Ligging plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit een perceel in het oosten van Herwijnen aan de rand van de geplande stedelijke bebouwing. Het perceel had tot voor kort nog een agrarische functie: fruitboomgaard. Aan de noordzijde ligt een watergang, aan de westzijde ligt een onverhard toegangspad en bosschages, aan de oost- en zuidzijde liggen agrarische gronden.

De fruitbomen zijn gerooid.

2.1.2 Bestaande situatie

Het plangebied grenst aan de oostrand van de bebouwde kom van Herwijnen. Deze zijde van het dorp is in ontwikkeling voor de bouw van woningen en een woonzorgaccommodatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0004.png"

Luchtfoto voor 2 nieuwe standplaatsen

2.1.3 Nieuwe situatie

Binnen het plangebied wordt de aanleg van 2 woonwagen standplaatsen mogelijk gemaakt. Het bouwperceel zal worden gesplitst zodat de standplaatsen kunnen worden aangelegd. De kavels hebben een oppervlakte van circa 410 m2. Op de grootste kavel zal de bestaande woonwagen van de toekomstige bewoner met een oppervlakte van maximaal 110 m2 worden geplaatst. Het aantal m2 voor bijgebouwen zal op deze kavel maximaal 70 m2 bedragen. Zie volgende afbeelding. De oppervlakte van de woonwagen en bijgebouwen op de kleinere kavel bedragen respectievelijk maximaal 75 m2 en 15 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0005.png"

afb. situatietekening ligging locatie nieuw woonwagenerf met direct aangrenzende gronden

De goot- en bouwhoogte van de toegestane woonwagen liggen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 5 m aanmerkelijk lager dan de toegelaten met maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 9 m bij de vrijstaande woningen.

Op elk perceel is voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte (2 parkeerplaatsen per woonwagen) te voorzien. De percelen worden ontsloten op de Basil Scarfflaan. Aan de noordzijde van de standplaatsen ligt de toegangsweg, die aantakt op de Basil Scarfflaan. Direct ten noorden hiervan is voorzien in de aanleg van een groenstrook met een hoge, winterharde groene haag.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR schetst een beeld hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. In totaal zijn er zijn 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en ook in het Barro opgenomen. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2). De 'ladder voor duurzame verstedelijking' heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.”

Volgens dit Besluit wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de bouw van één of enkele woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling.

Toets

In het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat twee bestaande woonwagenplaatsen worden vervangen en verplaatst naar een locatie elders in de gemeente. Voor deze woonwagenstandplaatsen bestaan twee potentiële huurders.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

De volgende nationale belangen hebben een uitwerking gekregen in het Barro:

  • 1. Rijksvaarwegen
  • 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam
  • 3. Kustfundament
  • 4. Grote rivieren
  • 5. Waddenzee en waddengebied
  • 6. Defensie
  • 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen
  • 8. Elektriciteitsvoorziening
  • 9. Buisleidingen
  • 10. Ecologische hoofdstructuur;
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte)
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Nationaal Natuurnetwerk (NNN)

Volgens artikel 2.10 van het Barro worden bij provinciale verordening de gebieden aangewezen die de ecologische hoofdstructuur vormen alsmede de wezenlijke kenmerken hiervan. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot de ecologische hoofdstructuur geen activiteiten mogelijk maken die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

Het plangebied ligt in de nabijheid van het Nationaal Natuurnetwerk/EHS. De realisering van het Nationaal Natuurnetwerk/EHS is in handen van de provincies gesteld.

De uitwerking in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Gelderland wordt toegelicht in paragraaf 3.2 Provinciaal beleid. Zie verder ook onder paragraaf 4.1.5 Flora en fauna.

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

De Nieuwe Hollandse Waterlinie is aangewezen als erfgoed van uitzonderlijke universele waard. Provinciale Staten werken de d begrenzing van dit erfgoed nader uit.

Nota Wonen

De Nota Wonen 'Mensen, wensen, wonen', 'Wonen in de 21e eeuw', gaat over het woonbeleid voor de komende tien jaar met een doorkijk naar de decennia die daarop volgen.

Het woonbeleid voor de komende tien jaar richt zich op vijf kernopgaven:

  • 1. Het vergroten van de zeggenschap over de woning en de woonomgeving. Op dit moment werkt de woningmarkt zodanig dat veel mensen hun woonwensen onvoldoende kunnen honoreren. Om dit te verbeteren moet de zeggenschap van zowel kopers als huurders worden vergroot;
  • 2. Het scheppen van kansen voor mensen in kwetsbare posities. Bepaalde groepen in de samenleving dreigen de aansluiting te verliezen met de grote groepen die het voor de wind gaat. Het kabinet wil ook via het woonbeleid deze aansluiting behouden en verbeteren;
  • 3. Het bevorderen van wonen en zorg op maat. Het aantal mensen dat zorg nodig heeft, neemt in de toekomst fors toe. Het woonbeleid wil die ontwikkeling bevorderen door op maat gesneden woon- en zorgarrangementen te realiseren die nauw aansluiten bij de (individuele) behoeftes en wensen van de zorgbehoevenden;
  • 4. Het verbeteren van de stedelijke woonkwaliteit. De kwaliteit van het wonen in de steden blijft achter bij die elders in het land. Met het Grotestedenbeleid en het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) wordt de stedelijke woonkwaliteit verbeterd. De ambities op dit gebied worden aanzienlijk verhoogd;
  • 5. Tegemoet komen aan de groene woonwensen. Er is bij de burgers een grote belangstelling om ruim en groen te wonen. Het woonbeleid richt zich op het faciliteren van deze woonwensen zonder dat daarbij natuurwaarden en ruimtelijke kwaliteiten worden geschaad.

3.1.3 Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid

In 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken en werd het woonwagenbeleid gedecentraliseerd. De afgelopen jaren heeft zich een aantal instanties uitgesproken over het mensenrechtelijk kader dat voor woonwagenbewoners geldt. Zij stellen dat het beleidskader dat ontwikkeld is bij de intrekking van de Woonwagenwet niet meer voldoet. In mei 2017 heeft de Nationale ombudsman een rapport uitgebracht waarin hij stelde dat het Rijk en de gemeenten het recht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun culturele identiteit onvoldoende erkennen en faciliteren. Dit beleidskader reikt gemeenten de kaders aan waarmee zij het lokale woonwagenbeleid binnen het mensenrechtelijke kader kunnen ontwikkelen. Het biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om invulling te geven aan het gemeentelijke huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners. Uitgangspunt hierbij blijft dat huisvestingsbeleid een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente is. De gemeente is bij uitstek de bestuurslaag die lokaal afwegingen kan maken op basis van de lokale behoefte. De visie die ten grondslag ligt aan dit nieuwe beleidskader heeft als kern inzake huisvesting het beschermen van woonwagenbewoners tegen discriminatie, het waarborgen van hun mensenrechten en het bieden van rechtszekerheid en duidelijkheid. Concreet betekent dit:

  • De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid;
  • Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners;
  • Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is;
  • Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren;
  • De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen;
  • Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats.

Toets

In het voorliggende bestemmingsplan wordt een bestaande woonwagenplaats vervangen en verplaatst naar een locatie elders in de gemeente. Het vervangen van een bestaande woonwagenstandplaats en de aanleg van een extra standplaats is in overeenstemming met de bestaande behoefte en het rijksbeleid.

Het voorliggende bestemmingsplan is niet strijdig met bovenstaande beleidsuitgangspunten van de nationale belangen.

3.1.4 Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015, inclusief alle tussentijdse wijzigingen.

Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het streven is gericht op een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in het NWP2 dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

In het NWP2 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Belangrijke onderdelen van dit plan zijn:

  • rijksbeleid dat voortvloeit uit de deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);
  • Beleidsnota Noordzee 2016-2021, waarmee het beleid voor doorvaart en medegebruik in windparken op zee onder voorwaarden is vastgesteld;
  • Stroomgebiedbeheerplannen en Maatregelenprogramma's voor de Eems, Maas, Rijn en Schelde 2016-2021, met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen;
  • verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet (Internationale Waterambitie) en bestuurlijke verhoudingen (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma);
  • het voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het marine milieu door geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma's op te nemen.

Gelijktijdig met de vaststelling van het NWP2 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer.

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In het kader van het actualiseren van bestemmingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

3.1.5 Waterwet

Algemeen

De Waterwet (22 december 2009) ziet op het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland, met uitzondering van de Waterschapswet.

Toets plan

In het kader van dit bestemmingsplan is een watertoets opgesteld. Deze watertoets voldoet aan het beleid uit de Waterwet. Zie verder onder paragraaf 4.2 Watertoets van deze toelichting.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

Om in het beleid flexibeler in te kunnen spelen op de veranderende behoeften en de regionale verschillen wil de provincie Gelderland de nieuwe integrale structuurvisie, ter vervanging van de Structuurvisie Gelderland 2005, op een andere manier vorm en inhoud geven. Samen met onder meer gemeenten, Prorail, Kamers van Koophandel, waterschappen, maatschappelijke organisaties en ondernemers wil de provincie hier uitvoering aan geven. Dit proces om in 2013 via cocreatie een nieuwe structuurvisie klaar te hebben, ging op 15 februari 2012 van start met een bijeenkomst van genodigden uit alle Gelderse regio's.

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsvisie is bepaald wat de maatschappelijke opgaven in Gelderland zijn. Deze opgaven zijn het resultaat van gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Het gaat onder andere over steden en dorpen, natuur, landbouw, water en energie.

De belangrijkste opgaven vinden deels een juridische vertaling in de nieuwe Omgevingsverordening. Overheden, burgers en bedrijven moeten bij de uitvoering van plannen rekening houden met de regels van deze Verordening.

Beschermde natuurgebieden

In de omgeving van het plangebied ligt een aantal Natura 2000-gebieden, die beschermd worden door de Wet natuurbescherming. Gezien de afstand van het plangebied tot deze gebieden zijn negatieve effecten niet aannemelijk. Zie verder onder paragraaf 4.1.5 Flora en fauna.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Na de vaststelling van de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten op 24 september 2014 besloten de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen De Omgevingsverordening integreert en vervangt een groot aantal provinciale verordeningen waaronder de Ruimtelijke Verordening Gelderland, de Provinciale milieuverordening Gelderland, de Gelderse ontgrondingenverordening 1997, de Waterverordening provincie Gelderland, de Wegenverordening Gelderland 2010, het Besluit aanwijzing provinciaal wegennet vervoer gevaarlijke stoffen.

De belangrijkste maatschappelijke opgaven uit de Structuurvisie Gelderland vinden deels een juridische vertaling in deze nieuwe Omgevingsverordening. Overheden, burgers en bedrijven moeten bij de uitvoering van plannen rekening houden met de regels van deze Omgevingsverordening.

Ladder voor duurzaam ruimtegebruik

Ook de provincie kent, evenals het rijk, een ladder voor duurzame verstedelijking. Voor nieuwe stedelijke functies in het buitengebied geldt dat deze afgewogen dienen te worden in het licht van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik vervangt het beleid van de woningbouwcontour en de zoekzones. Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd.

Toets

Zie voor motivering paragraaf 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte onder Ladder voor duurzame verstedelijking

Gelders Natuurnetwerk

De onderzoekslocatie ligt niet in de nabijheid van een Natuurnetwerkgebied.

Natura 2000

Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie (EU) samen aan Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Doel van Natura 2000 is om deze flora en fauna duurzaam te beschermen. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen; in Nederland vertaald in de Natuurbeschermingswet. Binnen een Natura 2000-gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat private en publieke ontwikkelaars willen. Het plangebied is niet direct gelegen in, of grenst niet direct aan een natura 2000 gebied. In de ruime omgeving van het plangebied zijn drie Natura 2000-gebieden gelegen. Dit betreft de gebieden:

  • Lingegebied & Diefdijk-Zuid: circa 4.500 meter ten noorden;
  • Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem: circa 3.900 meter ten westen;
  • Rijntakken: circa 7.500 meter ten oosten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0006.png"

Afbeelding: overzichtskaart met plangebied rood omcirkeld en Natura 2000 gebieden (bron:

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx)

Aangezien het plangebied buiten de Natura 2000-gebieden ligt, kunnen alleen mogelijke storingsfactoren optreden door middel van ‘externe werking’. Dit betekent dat de storingsfactoren oppervlakteverlies en versnippering op voorhand zijn uit te sluiten.

Vanwege de aard van de voorgenomen plannen en de relatief grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, is het uit te sluiten dat de storingsfactoren verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten voor negatieve effecten zullen zorgen binnen de Natura 2000-gebieden.

Conclusie

De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben.

Nieuwe Hollandse Waterlinie

In de provinciale verordening zijn de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als volgt omschreven:

  • het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit:
  • inundatiegebieden;
  • zones met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;
  • voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten;
  • waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;
  • overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;
  • de historische vestigingsstructuur van de vestingssteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem;
  • de grote openheid;
  • het groene en overwegend rustige karakter.

Gedeputeerde Staten heeft de opdracht een nadere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Nieuw Hollandse Waterlinie in de Gelderse Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie - uit te werken en toe te passen.

De planlocatie maakt wel onderdeel uit van het Nationaal landschap 'Nieuw Hollandse Waterlinie'. Binnen dit gebied geldt voor nieuwe ontwikkelingen een 'nee-tenzij' benadering. Activiteiten zijn hier alleen toegestaan, voor zover deze de kernkwaliteiten van het gebied niet aantasten. De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn benoemd conform de kernkwaliteiten zoals beschreven in de Barro, zie paragraaf 3.1. In februari 2014 zijn in opdracht van het Pact van Loevenstein de kernkwaliteiten verder uitgewerkt. Dit heeft geleid tot een handboek voor bescherming en ontwikkeling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ten zuiden van de Lek. Het eerste deel behandeld het gehele Nationaal Landschap ten zuiden van de Lek. De gehele linie is onder te verdelen in 4 zones, als afgeleide van de te onderscheiden functies van de verschillende zones in de linie:

- De inundatiekommen;

- De accessen;

- De kernzone;

- De verdichtingsvelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0007.png"

De planlocatie is op de grens gelegen binnen de zone 'accessen' en ' inundatiekommen'. De accessen waren de potentiële routes voor de vijand door de watervlakten. De accessen doorsnijden de inundatievelden en kruisen de kernzone van de verdediging met de forten, waterwerken en restanten van de veldstellingen. Er zijn verschillende typen acces droge oeverwallen en begaanbare dijken. Anderzijds de infrastructurele accessen in de vorm van wegen, kaden en spoordijken.

Functieveranderingen op de accessen zullen beoordeeld worden op de samenhang met de kernkwaliteiten van het onderliggend landschap. Dat is per acces anders; een oeverwal heeft immers andere waarden dan een spoordijk of een uiterwaard. Het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit van de accessen betekent ook het versterken van het gebiedseigen karakter van het onderliggend landschap, zoals het versterken van de landschapsopbouw van een oeverwal waarbij de Waaloevers een andere identiteit hebben dan de oevers van de Linge of de Lek. De droge routes door de inundatievelden bieden het perspectief op de inundatievelden.

De voormalige inundatiekommen zijn de essentie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en tegelijkertijd het kwetsbaarst omdat ze gedurende 150 jaar slechts een virtueel bestaan leiden; een 'geheim wapen' onzichtbaar geprojecteerd over de eigendommen van vooral boeren. De kenmerken van het militair-historisch functioneren van deze voormalige inundatiekommen uiten zich vooral in de vorm van de waterwerken; de inundatiesluizen, de inlaatkanalen en de vele kleine sluizen, dammen en coupures. En - door de vanzelfsprekendheid militair onopvallend - het onderliggend landschap. De lage, natte polders met veel oudere kadestructuren zijn de werkelijke essentie, de basis, van de watermachine van de Waterlinie. Behoud van het natuurlijk reliëf en de bedijkte randen van de kommen is dan ook essentieel, evenals de beleefbaarheid van het natte karakter van de ondergrond.

Naast een onderverdeling per functies is de Nieuw Hollandse Waterlinie ook onder te verdelen in deelgebieden: Culemborgerwaard, Tielerwaard, Bommelerwaard, Land van Altena en het Fort Pannerden. De planlocatie maakt onderdeel uit van de Tielerwaard.

Binnen de grenzen van het Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie kent de Tielerwaard een aantal karakteristieke deelgebieden met ieder een eigen ruimtelijke opbouw en ontwikkelingsperspectief en daarmee ook eigen, lokale kernkwaliteiten en ontwerprichtlijnen. De planlocatie maakt onderdeel uit van het deelgebied de 'Uiterwaarden en oeverwal Waal'. Kernkwaliteit van het onderliggende landschap van het Waalacces is de karakteristieke opbouw van het rivierenlandschap: de rivier de Waal, de uiterwaarden en de Waaldijk. Overige kernkwaliteiten van het deelgebied betreffen: - karakter van de Waal als 'werkrivier' met relicten van industrieel verleden; - zichtbaarheid van de Vestingdriehoek Vuren, Gorinchem, Woudrichem en Loevestein; - openheid en het groene karakter, met name binnen de Verboden Kringen van de Vesting Gorinchem en het Fort bij Vuren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen langs de Waal is het behoud en de ontwikkeling van de karakteristieke ruimtelijke opbouw van het rivierenlandschap in rivier-uiterwaard-dijkoeverwal een belangrijke ontwerprichtlijn. De grootse openheid met vergezichten over de rivier en op de vestingwerken is een waardevolle kwaliteit en kan plaatselijk versterkt worden. Bij eventuele dorpsuitbreidingen wordt aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de bebouwing en de landschappelijke inpassing van de dorpsranden.

Toets

Het voorliggende plan voorziet in een kleinschalige ontwikkeling op perceelsniveau waardoor er geen negatieve effecten optreden voor de beschermde waarden van het gebied.

Zie verder ook onder paragraaf 4.1.5 Flora en fauna voor wat betreft de natuurwaarden.

3.2.3 Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (KWP3)

Algemeen

Gedeputeerde Staten van Gelderland heeft op 12 januari 2010 het nieuwe Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (KWP3) vastgesteld. De provincie, de woningcorporaties, de gemeenten en de regio's in Gelderland hebben met elkaar afspraken gemaakt over de woningvoorraad voor de komende tien jaar. De partijen willen er voor zorgen dat het woningaanbod in iedere regio van Gelderland ook in de toekomst goed aansluit bij de behoefte van de inwoners.

Om het woningaanbod zo goed mogelijk af te stemmen op de vraag is in het KWP3 rekening gehouden met de ontwikkelingen in de bevolkingsopbouw en in de woningmarkt. In de praktijk betekent dit dat voornamelijk goedkopere woningen moeten worden gebouwd, bij voorkeur op binnenstedelijke locaties. Bouwen op grote nieuwbouwlocaties buiten de stad of het dorp (zoals Vinexlocaties) is steeds minder nodig. In het Kwalitatief Woonprogramma gaat het nadrukkelijk niet alleen om de aantallen te bouwen woningen.

Bij de inwoners bestaat een grote behoefte aan goedkopere woningen. Daarom zijn ook afspraken gemaakt over de aantallen betaalbare woningen. Er wordt ook rekening gehouden met een steeds groter wordende groep ouderen die het liefst zelfstandig wil blijven wonen. Verder zijn ook afspraken over de verhouding koop-huur.

Voor het eerst zijn in het KWP3 ook afspraken gemaakt over de aantallen te bouwen woningen voor de komende drie jaar. Dit heeft te maken met de grote problemen waar de bouw op dit moment mee kampt. De provincie biedt de gemeenten ondersteuning in het maken van die keuzes, om met het oog op morgen te kunnen blijven bouwen. In deze tijd van recessie moeten gemeenten immers keuzes maken en prioriteiten stellen. Het is een onmogelijke opgave om alle bouwplannen uit te kunnen voeren.

Voor wat betreft het woningbouwprogramma voor de regio Rivierenland hanteert het KWP3 de volgende cijfers:

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0008.png"

Wonen:

Het principe van bundelen (stedelijke functies in stedelijk gebied en landelijke functies in landelijk gebied) wordt gemotiveerd vanuit de sterke wens om versnippering en het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Het principe van spreiden (stedelijke functies in landelijk gebied en landelijke functies in stedelijk gebied) is secundair en biedt kansen. De opgave is om beide principes in balans te brengen.

De provincie Gelderland streeft er naar om vraag en aanbod op de woningmarkt met elkaar in balans te brengen en te houden. In de Regionale Woonagenda agenderen alle (relevante) partijen in een regio de regionale opgaven op het gebied van wonen. Zij maken afspraken over wat zij hieraan gaan doen. De provincie is een van de partijen. De agenda gaat onder meer over hoe partijen met elkaar invulling geven aan flexibiliteit, levensloopbestendigheid, betaalbaarheid, het aandeel ‘huur’ en andere kwaliteiten waaraan behoefte is.

De provincie maakt op regionale schaal afspraken met gemeenten en woningbouwcorporaties over de woningvoorraad op basis van een recente huishoudenprognose. De kwantitatieve regionale afspraken worden vastgelegd in het Regionaal Programma Wonen. Nieuwe woningen moeten inspelen op de toekomstige vraag. Meer flexibiliteit is nodig voor gebruik van woningen door verschillende doelgroepen.

Toets plan

Het gemeentelijk woningbouwprogramma (paragraaf 3.4.3 van deze toelichting) sluit aan bij het woningbouwprogramma uit het KWP3. Uit paragraaf 3.4.3 blijkt dat dit plan geen negatieve gevolgen heeft voor de uitvoering van het gemeentelijk woningbouwprogramma en daarmee binnen het woningbouwprogramma van het KWP3 blijft.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale woningbouwprogrammering Rivierenland, juni 2017

De tien gemeenten van regio Rivierenland hebben in de notitie 'regionale woningbouwprogrammering Rivierenland 'methodiek, afspraken en het regionale woningbouwprogramma 2016'' een methodiek voor de kwantitatieve en kwalitatieve toetsing van projecten en afspraken voor het actueel houden van het regionale woningbouwprogramma vastgesteld. Trends en ontwikkelingen, wet- en regelgeving en een actuele prognose kunnen aanleiding zijn tot het actualiseren van het toetsingskader.

Met de provincie zijn afspraken gemaakt over de kwantitatieve opgave wonen voor de periode 2015-2025. Tevens zijn afspraken gemaakt over flexibiliteit in het regionale woningbouwprogramma en de projecten met harde plancapaciteit die niet opgenomen zijn in het regionale woningbouwprogramma en niet, of niet in deze planperiode, uitgevoerd worden

Flexibiliteit in het regionale woningbouwprogramma is van belang om voldoende in te kunnen spelen op actuele marktomstandigheden. Het gaat dan niet alleen om het voorkomen van teveel harde plancapaciteit maar ook om projecten (ook in zachte plancapaciteit) waar bindende afspraken en overeenkomsten onderliggen of die opgenomen zijn grondexploitaties. Om daadwerkelijk in te kunnen spelen op de actuele marktvraag is een flexibiliteit van 20 tot 25% gewenst.

De afgelopen jaren zijn in alle kernen van voormalige gemeente Lingewaal woningen opgeleverd waarbij de nadruk ligt op grondgebonden koopwoningen. Een groot gedeelte van de woningen is gebouwd in uitbreidingswijken in Herwijnen en Heukelum. In Heukelum is in de uitbreidingswijk ook een CPO-project voor starters opgeleverd. De uitbreidingswijk Herwijnen-Oost biedt een gevarieerd programma in huur, koop, grondgebonden en gestapeld. Verder zijn er in Vuren, Spijk en Heukelum herstructureringsprojecten door KleurrijkWonen opgeleverd met hoofdzakelijk sociale huurwoningen, zowel grondgebonden als gestapeld. Ook zijn er enkele particuliere initiatieven geweest waarbij probleemsituaties in de kernen zijn opgelost.

3.3.2 Beleid Waterschap Rivierenland

Algemeen 

Het beleid van Waterschap Rivierenland is er op gericht schoon hemelwater niet af te voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Hierbij hanteert het waterschap de drietrapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

Toets plan

In het kader van dit plan is een watertoets opgesteld (paragraaf 4.2 van deze toelichting). Deze watertoets voldoet aan het beleid van Waterschap Rivierenland.

3.4 Gemeentelijk beleid

Met ingang van 1-1-2019 is de nieuwe gemeente West Betuwe van start gegaan. De nieuwe gemeente West Betuwe ontstaat uit de samenvoeging van de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal. De volgende paragrafen zijn nog gebaseerd op de beleidskaders van de voormalige gemeente Lingewaal.

3.4.1 StructuurvisiePlus 2030 ‘Het Manifest van Lingewaal’

Algemeen

De gemeenteraad van de gemeente Lingewaal heeft op 28 januari 2010 de StructuurvisiePlus 2030 vastgesteld, ter vervanging van het Structuurplan Lingewaal uit 2004. De StructuurvisiePlus is meer dan een visie op ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Het is een visie op de leefbaarheid van de kernen en de gemeente als geheel.

Ten aanzien van 'wonen' wordt in de StructuurvisiePlus een aantal basiskeuzen beschreven:

  • In Lingewaal wordt gebouwd naar de behoefte van de kern;
  • Inbreiding gaat voor uitbreiding;
  • Herstructurering is nodig om de leefbaarheid in de kernen te behouden;
  • Bijzondere locaties vragen om bijzondere invullingen en een bijzonder programma;
  • Er wordt ruimte geboden aan particulier opdrachtgeverschap;
  • Als wordt gebouwd, ligt de nadruk op woningen met een woonkeur;
  • Het streekeigen karakter wordt benadrukt in architectuur en stedenbouw;
  • In elke kern is ruimte voor alle bevolkingsgroepen en doelgroepen.

Toets plan

Uit paragraaf 3.4.3 van deze toelichting blijkt dat dit plan geen nadelige gevolgen heeft voor de uitvoering van het gemeentelijk bouwprogramma. Derhalve past dit plan binnen het beleid uit de StructuurvisiePlus.

3.4.2 Woonvisie 2015 -2025

Het is belangrijk om één duidelijke woonvisie te hebben als gemeente, waarin al het beleid op het gebied van wonen is verwerkt.

Door de diverse overkoepelende overheidsinstanties is er wetgeving en beleid opgesteld waar in het gemeentelijk woonbeleid rekening mee moet worden gehouden. Zo is er het Rijksbeleid, waarbij vooral de gewijzigde Woningwet en Huisvestingswet een rol spelen. Ook met de Ladder Duurzame verstedelijking moet rekening worden gehouden. Op regionale vlak wordt er momenteel afspraken gemaakt binnen het regionale convenant wonen en zorg en de regionale woonagenda. Tot slot is er het gemeentelijke beleid. In het kader van de woonvisie zijn onder andere het CPO-beleid en de Nota grondbeleid van belang.

De komende decennia groeit de Lingewaalse bevolking enigszins, maar er is geen sprake van een flinke groei. Wel neemt het aantal 75 plussers in verhouding flink toe. Ook het aantal eenpersoonshuishoudens groeit. Dit vraagt iets van de woningvoorraad in Lingewaal. In Lingewaal is de woningmarkt op dit moment volledig in balans in alle kwalitatieve categorieën. Er zijn enkele categorieën waar 1% teveel is van de gewenste woning en andere waar 1% te weinig is. In totaal is het verschil echter 0%. Dit betekent dat we in de toekomst geen grote scheefheden hoeven weg te werken en kunnen bouwen naar toekomstige behoefte. Rekening houdend met bovenstaande punten is de Lingewaalse visie op wonen onderverdeeld in vijf thema’s.

wonen en zorg

de bestaande woningvoorraad moet meer geschikt worden gemaakt voor een groeiende groep ouderen en bijzondere doelgroepen. Hierbij kan aan meerdere oplossingsrichtingen worden gedacht, zoals het beschikbaar stellen van woonunits voor mantelzorg en de doorstroming bij huurwoningen op gang brengen.

leefbaarheid

De beleving van de bewoners en gebruikers staat voorop. Het is zoeken naar een evenwichtige samenhang tussen ruimte, economie en gemeenschap.

vastgoed

Op dit moment is de de woningvoorraad in Lingewaal in balans. Voor de komende 10 jaar is een kwalitatieve slag, belangrijker, dan de kwantiteit.

betaalbaarheid / woonlasten

De betaalbaarheid van de woningen is een steeds groter issue. Ook duurzaamheid in relatie tot woonlasten wordt steeds belangrijker.

(bijzondere) doelgroepen.

Het gaat hier om starters, woonwagenbewoners en statushouders.

In deze visie is aangegeven dat voor woonwagenbewoners nieuw beleid wordt opgesteld mede in het licht van de door het Rijk opgestelde Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid.

3.4.3 Woningbouwprogramma Lingewaal 2017 -2018

In dit woningbouwprogramma worden de plannen voor de jaren 2017-2018 concreet benoemd. Voor de jaren 2019 – 2025 wordt een doorkijk gegeven voor de bouwmogelijkheden. Het programma wordt jaarlijks herijkt, waarbij steeds de eerste twee jaar concreet worden ingevuld.

Het afwegingskader in dit programma vormt gezamenlijk met de woningbehoefte en de regionale afspraken de input voor dit programma. Het afwegingskader bestaat uit meerdere delen, zo zijn de plannen geïnventariseerd, om een aanzet te kunnen doen voor het woningbouwprogramma. Er worden echter ook suggesties gewekt voor de toekomstige inrichting van de kernen, bijvoorbeeld groen behouden i.p.v. woningen.

In regionaal verband zijn afspraken gemaakt met de provincie, wat de regio in zijn geheel in 10 jaar mag bouwen. De afspraak is gemaakt dat er 7.000 – 8.600 woningen in 10 jaar (2016 – 2025) gebouwd mogen worden. Dit is onderverdeeld in:

  • 7.000 in harde plancapaciteit
  • 1.600 over overleggen

Voor de plannen binnen de harde plancapaciteit geldt dat elke gemeente deze kan bouwen zonder verder overleg in de regio. Voor de extra ruimte die er is van in totaal 1.600 woningen moet per project overlegd worden en moet een gemeente binnen de regio kunnen aantonen, dat dit project echt wat toevoegt. Lingewaal zal hier het afwegingskader voor gebruiken. Hetgeen afgesproken is in regionaal verband betekent voor Lingewaal dat er zo’n 20 tot 30 woningen per jaar kunnen worden gebouwd. Dit komt ook overeen met de behoefte, dit is ruim 300 woningen in 10 jaar.

Het voorliggende initiatief heeft een neutraal effect op het woningbouwprogramma omdat het aantal woonwagenstandplaatsen door de ontmanteling aan De Strobbel en de nieuwe standplaatsen aan de Basil Scarfflaan het aantal standplaatsen onveranderd blijft.

3.4.4 Nota ruimtelijke kwaliteit Lingewaal

Nota ruimtelijke kwaliteit Lingewaal, vastgesteld op 5 maart 2015, vervangt de Welstandsnota uit 2004.Lingewaal zoekt naar een evenwicht tussen de bouwmogelijkheden voor burgers en bedrijven enerzijds en het aanzien van de gemeente anderzijds. Langs beeldbepalende linten en in de historische kernen is een hoge beeldkwaliteit uitgangspunt en moet toetsing van bouwplannen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Voor de meeste woongebieden en bedrijventerreinen wil de gemeente zich wat betreft de ruimtelijke kwaliteit terughoudend opstellen en waar mogelijk ruimte laten voor particulier initiatief.

Naast algemene en gebiedsgerichte criteria zijn in de welstandsnota voorwaarden opgenomen voor veel voorkomende, kleine bouwplannen.

Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kunnen de criteria voor objecten en grotere plannen ontoereikend zijn. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria of aanvullend beleid.

Bij de beoordeling van de standplaatsen en de woonwagens zal aansluiting worden gezocht bij criteria die gelden voor woongebieden.

Conclusie

Het vervangen van een woonwagenstandplaats en het aanleggen van een extra woonwagenstandplaats op een nieuwe locatie is worden ingepast in het te ontwikkelen woonwagenbeleid en is in overeenstemming met het geformuleerde beleid van de rijksoverheid.

 

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

Het onderhavige plangebied ligt grenst aan de ontwikkeling van een grote oostelijke uitbreiding in het dorp Herwijnen. Ten behoeve van deze ontwikkeling zijn verschillende onderzoeken zijn verricht. Het bestemmingsplan Dit bestemmingsplan Herwijnen Oost is vastgesteld op 20-12-2016. Daar waar mogelijk wordt hieronder verwezen naar deze onderzoeken of er wordt gemotiveerd waarom er geen nieuw/aanvullend onderzoek nodig is.

4.1 Milieu

4.1.1 Spuitzone

Door SPA ingenieurs is ten behoeve van de ontwikkeling Herwijnen Oost een kwalitatief (d.d. juni 2015) en kwantitatief ofwel locatiespecifiek onderzoek (d.d. oktober 2015) uitgevoerd naar de aan te houden veiligheidszone in verband met de nabije ligging van fruitboomgaarden, waarbij gewas en bestrijdingsmiddelen worden toegepast.

De locatie voor het woonwagenerf aan de Basil Scarfflaan grenst aan de noordzijde nagenoeg aan de fruitboomgaard die in de hiervoor vermelde onderzoeken ook betrokken is geweest. Betreffende onderzoeken zijn als separate bijlage bij deze toelichting gevoegd en maken hiermee integraal onderdeel uit van deze toelichting. De resultaten van deze onderzoeken en de daaruit voortvloeiende maatregelen gelden eveneens voor het nieuwe woonwagenerf.

Een aantal belangrijke passages uit de toelichting van het uitwerkingsplan Herwijnen Oost is hieronder opgenomen.

Het belangrijkste aspect dat de afmeting van een veiligheidszone bepaalt, is de drift van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en op welke wijze deze zich verspreiden en neerslaan.

Nieuwe woningen (in het voorliggende geval gaat het om woonwagens) moeten in de regel op minimaal 50 meter afstand van fruitboomgaarden gebouwd worden. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken.

Het doel van het onderzoek is te berekenen wat de minimale afstand van de veiligheidszone kan zijn voor het plan Herwijnen-Oost, gemeten vanaf de eerste bomenrij op het agrarisch perceel, na het treffen van verzekerde maatregelen om spuitdrift te voorkomen of te beperken. De wetenschappelijke basis voor dit onderzoek is het rapport van het Plant Research International (PRI) in Wageningen, 'Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen', J.C. van de Zande en M. Wenneker, maart 2015 (verder PRI 2015). Dit rapport is integraal bijgevoegd als bijlage 1 bij het locatiespecifieke spuitzoneonderzoek.

Het PRI 2015 rapport geeft op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten een inschatting van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. De belangrijkste uitgangspunten van het onderzoek van PRI zijn de volgende:

  • Maximale toegestane dosering van gewasbeschermingsmiddelen volgens de geldende toelatingen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).
  • De voor het blootstellingrisico maatgevende gewasbeschermingsmiddelen.
  • Worstcase blootstelling aan drift door uit te gaan van 100% meewindomstandigheden met een gemiddelde windsnelheid van 3 m/s.
  • Rekening houdend met de maatgevende bespuitingen in de kaalblad situatie.
  • Hanteren van een actueel drift verspreidingsmodel. Hiermee is het rapport van PRI 2015 algemeen bruikbaar als basis voor de onderbouwing van de voor dit uitwerkingsplan te onderzoeken locatiespecifieke praktijksituatie.

4.1.1.1 Afbakening onderzoek ten behoeve van uitwerkingsplan

Voor het plangebied vormt het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen een risicomoment. Het risico wordt, naast de toxiciteit van het middel, gevormd door de mate van drift. Deze is afhankelijk van onder andere de spuithoogte, luchttemperatuur en windrichting. De driftblootstellingroutes die het gezondheidrisico bepalen, zijn opname door voedsel, inademen (inhalatoir) en huidcontact (dermaal). Voor elke route gelden verschillende (effect) drempelwaarden. In relatie tot dit onderzoek is de directe driftblootstelling via dermale opname (absorptie) van belang.

Doorgaans wordt, zoals reeds vermeld, in dat verband een veilige afstand van 50 m aangehouden, gerekend vanaf de perceelsgrens (akker) die met gewasbeschermingsmiddel wordt bespoten. De drift van gewasbeschermingsmiddelen die op de percelen ten oosten van het plangebied wordt toegepast kan invloed hebben op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Omgekeerd zou de introductie van een nieuwe gevoelige functie invloed kunnen hebben op de bedrijfsvoering van betreffende fruitteler. In dat verband dient het volgende onderbouwd en gemotiveerd te worden:

  • 1. Dat in het bestemmingsplan dat ter hoogte van woning en bijbehorende tuinen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in verband met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is gegarandeerd.
  • 2. Dat in delen van het plangebied waar mensen langdurig verblijven en daarmee een grotere kans lopen op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

De afbakening van dit locatiespecifieke onderzoek ziet op de twee bovengenoemde aspecten.

De informatie uit het locatiespecifieke onderzoek geldt als uitgangspunt voor de verdere invulling van het plangebied. Het voorlopig ontwerp voor de verkaveling en inrichting van openbaar gebied alsmede de bepaling van de bestemmingen en aanduidingen in het plangebied en daaraan gekoppelde gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn gebaseerd op betreffend locatiespecifieke spuitzone onderzoek d.d. oktober 2015.

 

4.1.1.2 Beschrijving omgevingssituatie

Het plangebied ligt ten noordoosten van de kern Herwijnen in de nieuwbouwwijk Herwijnen-Oost. Ten noorden van het plangebied ligt de Graaf Reinaldweg (N380), met ten zuiden daarvan een parallelweg. Het plangebied zelf wordt aan de noordzijde globaal begrensd door de Boutlaan met direct ten noorden daarvan een grote retentievijver. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan agrarische percelen die in gebruik zijn als fruitboomgaard. Zie hiervoor onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0009.png"

Afbeelding: Visualisatie van de aangrenzende agrarische percelen ten opzichte van het plangebied (gearceerd met een geel geblokte lijn, waarbij geldt dat het onderste deel van het plangebied grenzend aan de Achterweg onderdeel vormt van een ander nog op te stellen bestemmingsplan). De reeds gerealiseerde woningen aan de Boutlaan 1 t/m 15 zijn rood gemarkeerd. Bron: live.bing.com.

In het reeds gerealiseerde deel van het plan, Boutlaan 1 t/m 15 (rood gemarkeerd in bovenstaande figuur liggen de tuinen van de al gebouwde woningen op circa 24 à 45 m afstand vanaf de agrarische perceelgrens. Voor dit deel van het plan is een overeenkomst gesloten, die notarieel is vastgelegd, waarin afspraken zijn gemaakt over het gebied waar de teler geen gewasbescherming zal spuiten (spuitvrije zone). De teler is schadeloos gesteld voor het niet kunnen gebruiken van de eigen grond die is gelegen in de zone van 50 meter tot de nieuwe woningen.

Deze aanpak is destijds gekozen in het belang van een snelle en verantwoorde realisatie van de geplande woningen, zonder daarbij te kijken of de veiligheidszone wellicht via maatregelen of op een andere wijze beperkt kon worden.

Het noordelijke deel van het plangebied wordt aan de oostzijde door middel van een watergang gescheiden van het noordoostelijk gelegen agrarische perceel. Deze watergang (waterloop nr. 25998) betreft een B-watergang van circa 4 meter breed.

Het zuidelijke deel van het plangebied wordt door middel van een A-watergang (waterloop nr. 3288, circa 4 meter breed) van het zuidoostelijk gelegen agrarische perceel gescheiden (zie ook onderstaande figuur ). Tevens loopt deze A-watergang in westelijke richting het plangebied in. In lijn met de ontwikkeling van het plangebied, wordt dit stuk van de A- watergang verwijderd. Hiermee is in dit onderzoek rekening gehouden.

Een en ander leidt tot 3 omgevingssituaties die in het locatiespecifiek onderzoek zijn beschreven in paragraaf 4.4.1 tot en met 4.4.3 en nader zijn beschouwd. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar het separaat bijgevoegde locatiespecifieke onderzoek. De omgevingssituaties zijn in onderstaande figuur zijn weergegeven. Daarnaast is in paragraaf 5.2 van betreffend onderzoek specifiek ingegaan op de voor het noordoostelijk deel notarieel vastgelegde spuitzonevrije zone. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar het onderzoek. afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0010.png"

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de gronden van het zuidelijk gelegen perceel van de familie Van Maren door de gemeente in eigendom zijn verworven.

4.1.1.3 Uitgangspunt maatregelen ontvangerzijde om spuitdrift te voorkomen of te beperken

Voor de ontwikkeling van het plangebied zal langs de gehele oostzijde van het plangebied, van noord naar zuid, nabij de perceelsgrens een aaneengesloten wintergroene haag (en/of gelijkwaardige voorziening) worden gerealiseerd.

Momenteel vormt de positie waar volgens de legger van het waterschap de bestaande A-watergang in westelijke richting het plangebied inloopt, een natuurlijke blokkade voor het plaatsen van een aaneengesloten wintergroene haag. Dit deel van de A-watergang is reeds verwijderd in lijn met de ontwikkeling van het plangebied. Om deze reden kan de wintergroene haag worden doorgetrokken van noord naar zuid langs de gehele perceelsgrens van het plangebied.

Bij de aanplant van de wintergroene haag dient tevens rekening te worden gehouden met een vrije beschermings-/onderhoudsstrook van 4 meter aan weerszijden van A-watergangen en 1 meter langs Bwatergangen. De beoogde haag binnen het plangebied en een eventuele bijbehorende onderhoudsstrook dient dan ook op een minimale afstand van 4 of 1 meter van respectievelijk een A- of B-watergang te worden gerealiseerd en met het waterschap te worden overlegd.

Voor het onderhoud aan de zijde van de watergang kan tevens gebruik worden gemaakt van de onderhoudsstrook die ten behoeve van de watergang wordt vrijgehouden. Voor het aanplanten van de haag, dient tevens aan de volgende criteria te worden voldaan:

  • De beoogde haag moet jaarrond groen blijven.
  • De beoogde haag moet minimaal 4 meter hoog zijn.
  • Bij het planten dient bij het bepalen van de afstand tot de insteek van een A- of B watergang, rekening te worden gehouden met beschermingszones van respectievelijk 4 of 1 meter.
  • Er dient rekening te worden gehouden met een onderhoudsstrook voor de windhaag.

De regels van het plan maken tevens een gelijkwaardige voorziening mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een scherm van 4 meter hoogte, of een combinatie van een wintergroene haag en een scherm. Onder omstandigheden kan een combinatie van deze voorzieningen (wintergroene haag en scherm) noodzakelijk zijn. Deze omstandigheid doet zich voor als een wintergroene haag wordt aangeplant die nog niet de vereiste hoogte van 4 meter heeft bereikt. Een aanvullend scherm met de een hoogte van 4 meter kan dan gelijk voor de vereiste afscherming zorgen.

Bovenstaande punten zijn geborgd in het bestemmingsplan. Zie hiervoor ook de juridische toelichting in hoofdstuk 5 van het voorliggende bestemmingsplan. Voor de onderhoudsstrook is in de bestemming groen voldoende ruimte aanwezig. De in deze paragraaf opgenomen uitgangspunten met betrekking tot het aanplanten van een wintergroene haag zijn in het locatiespecifieke spuitzoneonderzoek als uitgangspunt voor de berekeningen gehanteerd.

4.1.1.4 Resultaten onderzoek

In hoofdstuk 5 van het locatiespecifieke spuitzoneonderzoek zijn de resultaten vervat, waarnaar voor de inhoud integraal wordt verwezen. Uit de resultaten van het onderzoek vloeit een aan te houden spuitzone voort, waarmee voor het uitwerkingsplan rekening moet worden gehouden voor wat betreft het toegestaan gebruik en bebouwing binnen deze zone. Uitgangspunt is de borging van het voorkomen van regelmatige blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en daarbij behorende gezondheidseffecten.

De aan te houden spuitzone wordt in beginsel driedimensionaal bepaald. De spuitdrift tussen de 0 en 3 meter hoogte en de spuitdrift tussen de 3 en 6 meter hoogte geeft voor het gebruik van onbebouwde gronden en bebouwde gronden op de hoogten tussen de 0 en 3 meter en tussen de 3 en 6 meter de gebruiks- en bouwmogelijkheden weer.

Voor wat betreft de mogelijkheden voor woningbouw is bij de bepaling van bouwvlakken voor de hoofdgebouwen en in de overige bouwregels rekening gehouden met de grootste spuitzone welke geldt voor bebouwing tussen de 3 en 6 meter. Dit is een benadering vanuit een algemeen voorzorgsbeginsel die in feite verder gaat dan strikt noodzakelijk op basis van het onderliggende spuitzoneonderzoek, welke voor woonbebouwing op begane vloer een kleinere spuitzone kent.

Uitgaande van vorenstaande geldt voor de bepaling van bouwvlakken van woningen de in onderstaande afbeelding (integraal opgenomen als bijlage 3 bij het locatiespecifieke spuitzoneonderzoek) opgenomen spuitzone. Hierbij geldt dat gevoelige functies binnen de spuitzone op basis van de planregels verbonden aan de gebiedsaanduiding 'milieuzone – spuitzone' in betreffende spuitzone worden uitgesloten. Dit is een benadering vanuit een algemeen voorzorgsbeginsel die in feite verder gaat dan strikt noodzakelijk op basis van het onderliggende spuitzone-onderzoek dat voor het gebruik van gronden tussen de 0 en 3 meter hoogte een veel beperkter aan te houden spuitzone meegeeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0011.png"

Afbeelding: spuitzone bepalend voor woonwagenstandplaatsen (ter hoogte van de rode ster)

4.1.1.5 Conclusie

Op basis van vorenstaande, de inhoud van de bestaande spuitzone-onderzoeken en de borging van het voorkomen van regelmatige blootstelling aan gewasmiddelen in de verbeelding en planregels van het voorliggende bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat:

  • de omliggende agrarische bedrijven niet worden belemmerd door de beoogde ontwikkeling;
  • binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geboden.

4.1.2 Geluid

Conform de Wet geluidhinder heeft iedere weg een zone. Uitzonderingen daarop zijn wegen die als woonerf zijn ingericht en wegen die opgenomen zijn in een 30 km-zone. Indien binnen de onderzoekszone van een weg geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd, dient een akoestisch onderzoek te worden verricht.

De te onderzoeken wegen zijn de Graaf Reinaldweg en de Achterweg. Deze wegen zijn buitenstedelijk gelegen en hebben één of maximaal 2 rijstroken. De wettelijke onderzoekszone voor de weg bedraagt 250 m. Het plangebied voor het woonwagenerf ligt op een afstand van meer dan 270 meter uit de as van de Graaf Reinaldweg en dus buiten de wettelijke contour voor het verrichten van een geluidsonderzoek.

De afstand tot de Achterweg bedraagt circa 200 m. De geplande woningen in de aangrenzende wijk zijn op kortere afstand van de Achterweg gesitueerd en voldoen aan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB(A). Dat betekent dat ook de standplaatsen van de woonwagens aan deze voorkeursgrenswaarden zullen voldoen.

Gezien het feit dat de Achterweg een rustige weg is met een maximum snelheid van 60 km/uur is een intensiteit 3.000 motorvoertuigen per etmaal heel reëel om aan te houden en zal aan de voorkeursgrenswaarde De feitelijke verkeersintensiteit bedraagt gemiddeld 144 mvt/etm. De verkeersintensiteiten zijn verkregen van de heer J. Snoeijs van de omgevingsdienst Rivierenland.De verkeersgegevens zijn afkomstig uit het Regionale Verkeersmodel 2014, prognosejaar 2025. Er is derhalve geen rekening meer gehouden met autonome groei.

Het onderzoek voor het uitwerkingsplan Herwijnen Oost is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

4.1.3 Bodemkwaliteit

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit van dien aard is, dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen gebruik. Het verkennend bodemonderzoek (oktober 2018) is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Ter plaatse van de voormalige boomgaard wordt verwacht dat er wisselende gehalten aan verontreinigde stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigde stoffen voor deze situatie zijn organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB).

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd, dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HE).

Voor de overige parameters dient de locatie te worden onderzocht volgens de strategie “onverdacht” (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak zandige, klei. De bovengrond is tot een diepte van 1,3 m -mv bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk sterk veenhoudend.

Er zijn op basis van het vooronderzoek tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

boven- en ondergrond 

De bovengrond is licht verontreinigd met DDE en OCB, de ondergrond is licht verontreinigd met nikkel. Voor de lichte verontreiniging met zware metalen heeft Econsultancy vooralsnog geen verklaring. De lichte verontreiniging met DDE en OCB houdt mogelijk verband met de boomgaard die tussen 1960 en 2018 op de onderzoekslocatie heeft gelegen.

grondwater

Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De vooraf gestelde hypothese, dat de toplaag van de onderzoekslocatie als "verdacht" kan worden beschouwd op bestrijdingsmiddelen wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als “onverdacht” kan worden beschouwd voor de overige parameters wordt, op basis van de onderzoeksresultaten verworpen.

Conclusie

Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op de onderzoekslocatie.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Het bodemonderzoek is als bijlage bij toelichting gevoegd.

4.1.4 Externe Veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden.

Het beleid is onder meer verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi zijn richtlijnen opgenomen voor het bouwen en handhaven van gevoelige bestemmingen zoals woningen in de buurt van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ingevolge artikel 5, eerste en tweede lid van het Bevi neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een bestemmingsplan, de hierin genoemde grenswaarden in acht en wordt rekening gehouden met de richtwaarde, zoals genoemd in artikel 8, tweede lid. Het dient te gaan om plannen die de bouw of vestiging van kwetsbare objecten toelaten.

Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied zich niet binnen het invloedsgebied van risicobronnen van inrichtingen begeeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0012.png"

Afbeelding risicokaart

Externe veiligheid transportroutes

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling Basisnet, de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) en de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid zijn de relevante toetsingskaders voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water. Uit de gemeentelijke signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute (spoorlijn). Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van 4000 meter van deze transportroute. Wanneer de feitelijke afstand van het plangebied tot betreffende spoorlijn (meer dan 2000 meter) wordt bezien in het licht van de Regeling Basisnet en daarbij behorende bijlage 2, dan kan het volgende worden geconcludeerd. Het plangebied ligt buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico. Zo is het plangebied gelegen buiten het van toepassing zijnde Plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, alsmede buiten het toepasselijke GR-risicoplafond (PR 10-7) welke op 280 meter is gelegen.

In dit verband hoeft alleen ingegaan te worden op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. De Veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 30 januari 2019 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd.

Het ruimtelijke besluit heeft geen betrekking op het mogelijk maken van (nog niet aanwezige) "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Ook worden (beperkt) kwetsbare objecten niet toegelaten binnen het 1% letaliteitsgebied vanwege een calamiteit met brandbare gassen.

In dat geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor met onderstaande verantwoordingstekst kan worden volstaan.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid 

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De te plaatsen woonwagen voldoen aan deze voorwaarden.

Buisleidingen

Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding.

Conclusie 

Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.1.5 Flora en fauna

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen natuurwaarden en wettelijk beschermde soorten of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de planlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming.

De locatie van het woonwagenerf grenst aan het onderzoeksgebied van de aangrenzende woonwijk Herwijnen Oost. Door Staro Natuur en Buitengebied is voor deze woonwijk een Quickscan Flora en Fauna inclusief voortoets (d.d. februari 2016, rapportnummer: 16-0057) uitgevoerd). Het rapport is als separate bijlage bij deze toelichting opgenomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. De resultaten van de voortoets in verband met Natura 2000-gebieden zijn vervat in paragraaf 3.2.2. van deze toelichting.

Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit de rapportage ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland als onderdeel van de beschermde gebieden en de soortenbescherming. Deze conclusies gelden ook voor het aangrenzende plangebied voor het woonwagenerf. Voor een volledige beschouwing wordt verwezen naar de inhoud van betreffende rapportage.

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden en de natuurmonumenten.

Het plangebied ligt in de nabijheid van Gelders Natuurnetwerk en op grotere afstand van het Natura 2000-gebied 'Lingegebied & Diefdijk-Zuid'.

Het plangebied voor het woonwagenerf maakt hier dus geen deel van uit.

Voorgenomen ingreep

De gemeente is voornemens om de bestemming 'agrarisch' te veranderen voor de aanleg van de 2 standplaatsen voor woonwagens.

Beschermde gebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van het GNN of de GO. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot de GO behoort ligt ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van het GNN ligt ongeveer 650 meter ten zuiden van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten het GNN en GO en heeft zodoende geen invloed op de oppervlakte van GNN/GO. Het is vanwege de aard van de voorgenomen plannen en de relatief grote afstand tot het GNN/GO redelijkerwijs uit te sluiten dat de kernkwaliteiten van het GNN/GO door de voorgenomen plannen zullen worden aangetast.

Beschermde soorten

In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor.

  • Mogelijk komt in de sloot op de oostgrens van het plangebied de beschermde vissoort kleine modderkruiper voor. Aangezien de voorgenomen plannen geen betrekking hebben op deze sloot zijn negatieve effecten op de mogelijk aanwezige beschermde kleine modderkruiper uit te sluiten.
  • Het plangebied kan deel uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen. De voorgenomen plannen hebben geen effect op mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen. In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen.
  • Mogelijk vormt de sloot op de oostgrens van het plangebied leefgebied van de beschermde aquatische slakkensoort platte schijfhoren. Aangezien de voorgenomen plannen geen betrekking hebben op deze sloot zijn negatieve effecten op de mogelijk aanwezige platte schijfhoren uit te sluiten.
  • In de sloot op de oostgrens van het plangebied komen mogelijk de beschermde vissoorten bittervoorn en grote modderkruiper voor. Aangezien de voorgenomen plannen geen betrekking hebben op deze sloot zijn negatieve effecten op de mogelijk aanwezige beschermde vissoorten uit te sluiten.

Vogels

Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Deze vogels kunnen broedgebied vinden in de bomen en struiken in de omgeving van het plangebied. Aangezien in de directe omgeving foerageergebied blijft bestaan, treedt geen negatief effect op ten aanzien van deze functie. Door het ontbreken van opgaande vegetatie en bebouwing in het plangebied is het uit te sluiten dat jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels aanwezig zijn. Mogelijk behoort het plangebied tot het leefgebied van de huismus. In de omgeving blijft echter voldoende geschikt leefgebied voor huismus aanwezig. Zodoende hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect tot gevolg ten aanzien van huismussen. Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het grotere foerageergebied van steenuil en/of kerkuil. Aangezien geen vaste rust- of verblijfplaatsen van deze soorten in de directe omgeving aanwezig zijn, zijn negatieve effecten redelijkerwijs uit te sluiten.

Situering Het woonwagenerf

Ten tijde van het onderzoek vormde de oostelijk gelegen sloot/watergang van woonwijk Herwijnen Oost de westelijke grens naar het nieuwe woonwagenerf. Deze sloot/watergang is meegenomen in het onderzoek.

De oostelijke sloot is gedempt bij de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk en is inmiddels voorzien van asfalt. Tevens zijn de sloten langs de voormalige boomgaard (sloot tussen boomgaard en weiland en boomgaard en boomgaard) in overleg met Waterschap Rivierenland opgewaardeerd en vergraven. Voorafgaand aan deze werkzaamheden zijn flora- en faunacontroles uitgevoerd, maar er is niets aangetroffen.

De gronden van het woonwagenerf kenden een agrarisch gebruik als fruitboomgaard. De bomen zijn recentelijk gerooid. De door de naaste ligging van het kleinschalige woonwagenerf aan het onderzoekgebied is het aannemelijk dat de resultaten van het natuuronderzoek ook gelden voor de locatie van het woonwagenerf.

Wet natuurbescherming

Het eerder vermelde onderzoek voor de woonwijk Herwijnen Oost is uitgevoerd onder het regime van de Flora en Faunaweg en de Natuurbeschermingswet. Door de invoering van de Wet natuurbescherming zijn sinds kort zijn de wezel, hermelijn en bunzing ook beschermd. Het nieuwe woonwagenerf betreft een klein gebied dat vooralsnog intensief wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. De voormalige boomgaard is door de vorige eigenaar gerooid en wordt opnieuw gespit en ingezaaid met graszaad (normaal agrarisch gebruik) waardoor de mogelijke aanwezigheid van de wezel, hermelijn en bunzing niet wordt verwacht.

Conclusie

Hiermee vormt het aspect flora en fauna en gebiedsbescherming geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. Voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage bij de toelichting.

4.1.6 Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting.

De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.

Op circa 450 meter ten noord-oosten van het plangebied is een geitenhouderij (fokken en houden van geiten) gelegen. In het recente verleden achtte de gemeente het van belang dat mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen binnen het woonontwikkelingsgebied Herwijnen-oost niet gepaard mogen gaan met een onevenredige belemmering voor de veehouderij aan Peersteeg 1 te Herwijnen. Om een onevenredige belemmering voor deze veehouderij te voorkomen, wordt een hogere geurnorm voor het woonontwikkelingsgebied Herwijnen-oost voorgesteld. Bij de afweging of een hogere geurnorm kan worden vastgesteld is het van belang dat ter plaatse van bestaande en toekomstige geurgevoelige objecten een acceptabel woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd kan worden. Het woon- en verblijfsklimaat binnen het woonontwikkelingsgebied Herwijnen-oost als ‘matig’ tot ‘goed’ aangemerkt worden. Het ‘matige’ leefklimaat betreft alleen het meest noordoostelijke deel van het plangebied, wanneer de veehouderij aan de Peersteeg 1 maximaal gebruik maakt van de groeimogelijkheden. Meer dan de helft van het (bruikbare) plangebied heeft in die situatie een geurbelasting van maximaal 3,0 ouE/m3, waarbij het woon- en verblijfsklimaat als ‘goed’ beschouwd kan worden (ontleend aan Rapport actualiseren geurgebiedsvisie, onderbouwing verordening ogv Wet geurhinder en Veehouderij,17 oktober 2016). Ook wat betreft de achtergrondbelasting is sprake van een acceptabel leefklimaat. Deze hogere geurnorm geldt ook voor de nieuwe locatie van het woonwagenerf waarbij ook sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat.

Conclusie

Een en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur. Derhalve is een goed woon- en leefklimaat in het kader van geurhinder gegarandeerd en kunnen er geen belemmeringen optreden voor agrarische bedrijven in de omgeving.

4.1.7 Luchtkwaliteit

Nederland kan in 2010 niet overal voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide, waardoor de realisatie van grote ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in 2015 aan de Europese eisen wordt voldaan en huidige belemmeringen voor gewenste ontwikkelingen zo veel mogelijk worden weggenomen. De kern van de Wet is het 'Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit' (NSL). Dit instrument wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd en bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren èn maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt volgens de gelijknamige AmvB bij 1% van de grenswaarde van een stof. Voor fijn stof en stikstofdioxide betekent dit een maximale toename van 0,4 µg/m3. Hiervan is volgens de ministeriële regeling 'niet in betekenende mate' sprake bij de realisatie van 500 woningen met één ontsluitingsweg.

Conclusie

Met het voorliggend plan worden twee nieuwe woonwagenstandplaatsen aangelegd. Derhalve wordt gesteld dat dit plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de doorgang van het project.

4.1.8 Milieuzonering

Op de locatie Achterweg 57 is voorts, overeenkomstig de geldende bestemming uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, sprake van een ‘Agrarisch hulp- en nevenbedrijf, groente- en fruittransport en bloemenwinkel’. Op grond van de VNG brochure Bedrijven en milieuzonering zijn de activiteiten vergelijkbaar met de ‘Groothandel in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen’ en 'Loonbedrijven' met een milieucategorie 3.1. De grootste richtafstand voor hinder bedraagt 50 meter in verband met het aspect geluid.

De omgeving van het plangebied kan op basis van de VNG brochure worden aangemerkt als omgevingstype 'rustig buitengebied' en 'rustige woonwijk'. Het nieuwe woonwagenerf ligt op een afstand van meer dan 67 m van het bedrijf op het perceel Achterweg 57.

Het bedrijf aan de Achterweg 57 vormt hiermee geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en deze planuitwerking vormt geen belemmering voor de bedrijvigheid aan de Achterweg 57. De overige bedrijven en voorzieningen zijn dermate klein van omvang of op voldoende afstand van het plangebied gelegen dat deze geen (milieu)hinder veroorzaken.

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk, die mogelijk belemmeringen of beperkingen zouden kunnen opleveren voor (agrarische) bedrijven in de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen hinderlijke bedrijven gelegen.

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor doorgang van dit plan.

4.2 Watertoets

In het kader van de ontwikkeling van Herwijnen-Oost is het waterhuishoudingsplan “Herwijnen-oost waterhuishouding en riolering d.d. 30 mei 2006” opgesteld. Dit plan heeft de instemming van het gemeentebestuur en het Waterschap Rivierenland. In het plan is berekend dat er twee retentievijvers moeten worden gerealiseerd, één met een oppervlakte van 1.670 m² en één met een oppervlakte van 870 m². Beide vijvers zijn reeds gerealiseerd en als water bestemd op de verbeelding van het (moeder)bestemmingsplan ‘Kern Herwijnen’. Naast deze permanente retentievijvers is waterbergingscapaciteit opgenomen in de groene middenas van Herwijnen-Oost. In deze groenzone kan in totaal voor 701 m³ water worden geborgen.

Op 19 november 2018 heeft de gemeente West Betuwe een aanvraag ingediend voor het lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak en het compenseren hiervan in B-water 026000, ter hoogte van de Achterweg te Herwijnen (perceel Herwijnen, U, 1560).

Het waterschap Rivierenland heeft op 7 december 2018 hiervoor een vergunning (2018141291/ 2018147401) verleend gelijktijdig met de vergunning voor compensatie van het gedeeltelijk dempen van A-watergang 003288, vergunning 2017002004/2017010961. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied (woonwagenerf) aangegeven, de toename van de verharding, de compensatie ten behoeve van toename van de verharding van het woonwagenerf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0013.png"

De nieuwe woonwagenstandplaatsen zullen voor de afvoer van vuilwater worden aangesloten op het (nieuwe) rioleringssysteem van Herwijnen-Oost.

Deze afbeelding is ook als bijlage bij de toelichting gevoegd.

4.3 Overige aspecten

4.3.1 Archeologie

In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in de bodem bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en elders worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Erfgoedwet.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.BpHERBasilSlaan-VSG1_0014.png"

Archeologische beleidskaart voormalige gemeente Lingewaal met globale aanduiding plangebied

Uit de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Lingewaal blijkt dat de indicatieve archeologische waarde van een gedeelte van het plangebied aangemerkt is met een middelmatige archeologische verwachting (zie vorige afbeelding met ster-aanduiding voor ligging van het plangebied). Een archeologisch inventariserend onderzoek is verplicht wanneer de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m2 en de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –mv. In dit plan is daar geen sprake van omdat de bodemingrepen voor het plaatsen van de woonwagens geen grotere oppervlakte heeft dan 500 m2 en niet dieper reiken dan 30 cm - mv..

Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat een verkennend archeologisch onderzoek niet nodig.

4.3.2 Cultuurhistorie

Op basis van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart is geconcludeerd dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden zijn gelegen. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor doorgang van dit plan.

4.3.3 Economische haalbaarheid

De gronden van het plangebied zijn in eigendom van de gemeente West Betuwe. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een exploitatiebegroting opgesteld, op basis waarvan de grondexploitatie wordt gevoerd. Hieruit blijkt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Op grond van haar grondeigendom is de gemeente in staat om volledig kostenverhaal te plegen, op grond daarvan is de vaststelling van een exploitatieplan niet noodzakelijk.

De economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan is niet in het geding.

 

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en
  • de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ).

Een bestemmingsplan regelt derhalve:

  • het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2 Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:

  • 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
  • 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

Inleidende regels. 

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

Bestemmingsregels.

In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.

Algemene regels.

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.

Overgangs- en slotregels.

In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan Het Hoge Land III, Heukelum. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven.

Groen (artikel 3)

Structurele groengebieden krijgen de bestemming 'Groen'. Het doel van het beleid is het behoud en bescherming van bestaande groene gebieden. Binnen de bestemming 'groen' worden dan ook beperkte mogelijkheden voor bebouwing (van openbaar nut) geboden. Naast groenvoorzieningen, bermen en beplanting zijn tevens paden, en water toegestaan, met daaraan ondergeschikt waterhuishoudkundige voorzieningen. Voorts is binnen deze bestemming een haag nader aangeduid met het oog op de bescherming van het woon- en leefklimaat tegen gewasbeschermingsmiddelen.

Verkeer – Verblijfsgebied (artikel 4)

Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, straatmeubilair, (voorzieningen voor) ambulante detailhandel, waterhuishoudkundige voorzieningen, oeververbindingen (bruggen), evenementen, terrassen, en voorzieningen van algemeen nut. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De maximale bouwhoogte en oppervlakte zijn in de regels opgenomen. In het voorliggende geval zullen de gronden worden gebruikt voor de openbare toegangsweg naar het woonwagenerf. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, straatmeubilair, (voorzieningen voor) ambulante detailhandel, waterhuishoudkundige voorzieningen, oeververbindingen (bruggen), evenementen, terrassen, en voorzieningen van algemeen nut.

Wonen - 6 (artikel 5)

De bestemming Wonen - 6 heeft betrekking op woonwagen standplaatsen met bijbehorende voorzieningen. Ook zijn aan huis verbonden beroepen en bedrijven toegestaan. Aantallen woonwagens en maatvoering zijn opgenomen op de verbeelding en in de regels.

Waarde – Archeologische verwachting 1 (artikel 6) en Waarde – Archeologische verwachting 3 (artikel 7)

Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden ter plaatse. Hiertoe zijn aanvullende bouwregels opgenomen alsmede een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie (artikel 8) 

De gronden van het woonwagen liggen in een gebied dat mede bestemd is voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Milieuzone – Spuitzone (artikel 12)

Met het oog op de bescherming van het woon- en leefklimaat tegen gewasbeschermingsmiddelen is een zone aangeduid waar geen gevoelige functies zijn toegestaan waaronder wonen.

5.2.2 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

Hoofdstuk 6 Procedure

De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Met betrekking tot de inspraak bevat de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geen procedureregels en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld.

6.1 Vooroverleg en inspraak

Vooroverleg

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap heeft gereageerd bij mail van 16-11-2018. Het Waterschap geeft aan dat in het voorliggende bestemmingsplan vermeld wordt dat voor de watercompensatie in verband met de toename verhard oppervlak gebruik zou kunnen maken van de waterberging die eerder in Herwijnen is gerealiseerd. Om hiermee akkoord te gaan zal er aangetoond moeten worden dat er in het verleden meer waterberging is aangelegd dan vanuit het waterplan nodig was, en wat de toename van het verhardingsoppervlak is die met deze ontwikkeling gemoeid is.

Reactie gemeente

Voor de toename van de verharding door de aanleg van het woonwagenerf en de compensatie hiervan wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2 en de bijlage 'Tekening verharding en compensatie, 28 -11-2018' bij de toelichting.

Inspraak

Het voorontwerp bestemmingsplan Woonwagenerf Basil Scarfflaan heeft vanaf 27 september 2018 gedurende zes weken (tot en met 7 november 2018) voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid geweest hiervan kennis te nemen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.

6.2 Ter inzagelegging ontwerp

Met ingang van 11 april 2019 lag het ontwerpbestemmingsplan “Woonwagenerf Basil Scarfflaan”, Herwijnen, met bijbehorende stukken gedurende zes weken (tot en met woensdag 22 mei 2019) op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een ieder ter inzage bij het Klantencontactcentrum in het gemeentehuis te Geldermalsen.

Gedurende de termijn van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid geweest een zienswijze te sturen naar de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe, Postbus 112, 4190 CC Geldermalsen.

Er zijn geen zienswijzen ontvangen gedurende de inzagetermijn.