direct naar inhoud van Regels
Plan: Sappemeer - Tripscompagnie 16
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1952.wpsaptripscomnie16-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het wijzigingsplan Sappemeer - Tripscompagnie 16 met identificatienummer NL.IMRO.1952.wpsaptripscomnie16-va01 van de gemeente Midden-Groningen;

1.2 wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen

1.3 bestemmingsplan (moederplan)

het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Midden-Groningen, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Midden-Groningen bij besluit van 3 februari 2022.

Artikel 2 Van toepassing verklaring

Het wijzigingsplan wijzigt de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan 'bestemmingsplan Buitengebied' zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Midden-Groningen bij besluit van 3 februari 2022. De regels van het bestemmingsplan Buitengebied zijn onverkort van toepassing, met dien verstande dat de volgende bepaling wordt toegevoegd.

2.1 Specifieke gebruiksregels
  • a. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – bekisting' wordt gewijzigd in 'specifieke vorm van wonen – bekisting';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – bekisting' is uitsluitend het bestaande bekistingsbedrijf toegestaan, waarbij de oppervlakte en ligging van het bedrijf niet wijzigen;
  • c. zolang het bekistingsbedrijf wordt uitgeoefend is enkel een bedrijfswoning bij het bedrijf toegestaan als woonfunctie;
  • d. de relatie tussen beide percelen zoals aangeven in het moederplan middels de aanduiding 'relatie' wordt beëindigd en is niet meer van toepassing;
  • e. tot een strijdig gebruik binnen de bestemming wonen wordt gerekend een gebruiksfunctie voor verminderd zelfredzame personen zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (bijlage 6). Hieronder worden in ieder geval de volgende gebruiksfuncties verstaan:
    • 1. een woonfunctie voor 24-uurszorg;
    • 2. een bijeenkomstfunctie: 1°. voor kinderopvang; of 2°. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
    • 3. een celfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
    • 4. een gezondheidszorgfunctie met bedgebied;
    • 5. een onderwijsfunctie: 1°. voor basisschoolonderwijs; of 2°. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.
  • f. in afwijking van artikel 2.1.5 wordt mantelzorg niet als strijdig gebruik aangemerkt;
  • g. voorwaardelijke verplichting
    • 1. de voorwaardelijke verplichting geldt alleen voor het zuidelijk gelegen bouw- en bestemmingsvlak op de verbeelding;
    • 2. het oprichten van een vervangende woning binnen het bestemmingsvlak is slechts toegestaan met in achtneming van de sloop van minimaal 750 m2 aan bebouwing van de voormalige agrarische opstallen waarbij het bekistingsbedrijf is uitgezonderd. Deze sloop moet zijn gerealiseerd binnen een jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor de bouw van deze woning.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

(Voor de leesbaarheid zijn de relevante regels uit het moederplan overgenomen. Indien de navolgende regels afwijken van de regels uit het moederplan, dan gelden de regels uit het moederplan)

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen met dien verstande dat het aantal (bedrijfs)woningen niet meer bedraagt dan één per bouwvlak;
  • b. een bekistingsbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bekisting'.

met daaraan ondergeschikt:

  • c. groen-, nuts- en parkeervoorzieningen;
  • d. voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
  • e. bijbehorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen;

en tevens voor:

3.2 Bouwregels

Bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen, waarbij bestaand is toegestaan.

3.2.1 Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende bouwregels:

  • a. woningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan;
  • b. bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan;
  • c. per bouwvlak is één woning toegelaten;
  • d. in het geval van vrijstaande dan wel twee-aaneen gebouwde woningen bedraagt de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt.
  • e. de afstand van een woning ten opzichte van de weg bedraagt ten minste de bestaande afstand;
  • f. bijbehorende bouwwerken bevinden zich op ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de woning c.q. het verlengde daarvan;
  • g. de maatvoering en situering van gebouwen en overkappingen voldoet voorts aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn bepaald:
Type bouwwerk     maximum oppervlakte     maximum goothoogte in meters     maximum bouwhoogte in meters     dakhelling    
woning   300 m2 (incl. bijbehorende bouwwerken)*     4,5 m     10 m     min. 30o
max. 60o    
bijbehorende bouwwerken    300 m2 (incl. woning)*     3 m     6 m     platte of meerzijde afdekking max. 60o    

* waarbij ten hoogste 50% van een bouwperceel wordt bebouwd

3.2.2 Hobbymatige paardenhouderij

Het aanleggen van een paardrijdbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met daarbij behorende bouwwerken is toegestaan, mits,

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Beleidsregels Paardenhouderijen in Bijlage 12 van de regels van het moederplan;
  • b. de bouwwerken passen de bouwregels zoals genoemd in 3.2.1 en 3.2.5;

3.2.3 Mini-camping

Het bouwen van bouwwerken ten behoeve van een mini-camping is toegestaan, mits

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Notitie Kamperen zoals opgenomen in Bijlage 11 van de regels van het moederplan;
  • b. de bouwwerken passen de bouwregels zoals opgenomen in 3.2.1;

3.2.4 Kleinschalige windturbines

Het bouwen van een kleinschalige windturbine voor eigen behoefte is toegestaan mits:

  • a. een kleinschalige windturbine binnen een bouwvlak wordt gebouwd;
  • b. de bouwhoogte een kleinschalige windturbine ten hoogste 15 m bedraagt;
  • c. voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. maximaal 1 windturbine wordt geplaatst;
    • 2. voldaan wordt aan het Toetsingscriteria kleinschalige windturbines zoals opgenomen in Bijlage 9 van de regels van het moederplan;

3.2.5 Bouwwerken, geen bebouwing zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen, geldende de volgende regels;

  • d. de maatvoering voldoet voorts aan de eisen zoals deze in het volgende bouwschema zijn bepaald;
Type bouwwerk     maximum bouwhoogte in meters    
    voorerf     overig    
erf- en terreinafscheidingen     1     2    
palen en masten, geen reclamemasten     8     8    
overige bouwwerken geen gebouwen zijnde     1     5    
lichtmasten ten behoeve van een paardenbak     nvt     6    

3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met inachtneming van artikel 6.2 een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in;

  • a. 3.2.1 sub f in die zin dat bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel worden geplaatst;
  • b. 3.2.1 sub g in die zin dat voor een groter bebouwingspercentage wordt toegestaan mits oppervlakte van woningen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen de maximale oppervlakte niet overschrijden.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Toegestaan gebruik

Tot een toegestaan gebruik van de gronden met deze bestemming wordt gerekend:

  • a. Gebruik van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken voor kleinschalige nevenactiviteiten zoals genoemd in 3.1 onder f mits voldaan wordt de voorwaarden uit de beleidsnota kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 8 van het moederplan;
  • b. het gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een mini-camping zoals genoemd in 3.1 sub g mits voldaan wordt aan hetgeen gesteld in Bijlage 11 van het moederplan;
  • c. het gebruiken van de woning, bijbehorende bouwwerken en overkappingen voor een vrij beroep of overige aan-huis-verbonden beroep of bedrijf zoals genoemd onder 3.1 onder h mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in Bijlage 13 van het moederplan;
  • d. Gebruik van gronden en bouwwerken voor een hobbymatige paardenhouderij zoals genoemd in 3.1 onder i, mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit de beleidsnota paardenhouderijen zoals opgenomen in de bij de regels behorende bij Bijlage 12 van het moederplan;
  • e. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van mantelzorg.

3.4.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik met deze bestemming wordt gerekend:

  • a. het gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 5 Algemene aanduidingsregels

5.1 geluidzone - industrie
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen in afwijking van Hoofdstuk 2 geen nieuwe woningen worden gebouwd, geluidsgevoelige ruimtes worden ingericht of gronden in gebruik worden genomen waardoor die aangemerkt kunnen worden als een geluidsgevoelig object, tenzij:
    • 1. de geluidsgevoelige ruimten binnen de contouren van een bestaand woongebouw of hoofdgebouw of de contouren van bestaande geluidsgevoelige ruimten in een ander geluidsgevoelig object worden gerealiseerd of;
    • 2. zodanig dat de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein op de gevels van de woning of de geluidsgevoelige ruimte niet hoger zal zijn dan geldende voorkeursgrenswaarde of vastgestelde hogere grenswaarde;
  • b. Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 5.1 sub a ten behoeve van de bouw of uitbreiding van een woning of ander geluidsgevoelig object, met inachtneming van het volgende:
    • 1. de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten zal niet hoger worden dan een verkregen hogere grenswaarde.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels

6.1 Afwijkingsbevoegdheid
6.1.1 Algemeen

Voor zover het niet op grond van een andere bepaling van de planregels kan worden toegestaan, kan het bevoegd gezag met inachtneming van het bepaalde in 6.2 een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de bepalingen in Hoofdstuk 2 voor:

  • a. het afwijken van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met ten hoogste 10% van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages, slechts indien:
    • 1. tijdens of na realisatie van een bouwwerk blijkt dat het bouwwerk niet voldoet aan de voorgeschreven maten, afmetingen of percentages;
    • 2. na vaststelling van het plan gewijzigde bouwregelgeving hiertoe noodzaak geeft;
  • b. de maten en eigenschappen van gebouwen:
    • 1. ten behoeve van de onderlinge architectonische afstemming van op hetzelfde bouwperceel gelegen gebouwen, mits:
      • de hoogte van bijgebouwen niet meer gaat bedragen dan de hoogte van het hoofdgebouw of woongebouw;
      • de voor gebouwen toegestane oppervlakte niet wordt overschreden;
  • c. de hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde in verband met het bouwen op een hoger peil:
    • 1. met ten hoogste 1 m;
    • 2. teneinde de hoogte van de begane grondvloer in overeenstemming te brengen met omringende bebouwing;
    • 3. teneinde voldoende drooglegging te creëren ten opzichte van de grondwaterspiegel;
  • d. bouwen in afwijking van de plaats en de richting van bebouwings- en bestemmingsgrenzen:
    • 1. tot ten hoogste 1,5 m:
      • in verband met afwijkingen van de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie of anderszins een meetverschil of de situatie ter plekke daartoe aanleiding geeft;
      • ten behoeve van stoepen, toegangen, portieken, hellingbanen, buitentrappen, erkers, balkons, galerijen, luifels, lift- en trappenhuizen alsmede naar de aard vergelijkbare delen van bouwwerken;
  • e. het oprichten van geluidwerende voorzieningen met een hoogte van ten hoogste 4 m;
  • f. het innemen van een standplaats zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening;
  • g. het gebruik van gronden als tijdelijk kampeerterrein voor mobiele kampeermiddelen ten behoeve van een evenement, dan wel ten behoeve van een groep met een gemeenschappelijk doel ten tijde van dit kamperen, zoals een schoolkamp, een familiekamp of een sport- of verenigingskamp, mits voldaan wordt aan de beleidsregels Kamperen zoals opgenomen in Bijlage 11 van het moederplan.

6.1.2 (Bedrijfs)woning

Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in 6.2 een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in Hoofdstuk 2 in die zin dat:

  • a. een hogere goothoogte voor (bedrijfs)woningen wordt toegestaan tot ten hoogste 6,5 m;
  • b. een hogere bouwhoogte van (bedrijfs)woningen wordt toegestaan tot ten hoogste 12 m;
  • c. een afwijkende dakhelling van (bedrijfs)woningen wordt toegestaan, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  • d. de afstand van een (bedrijfs)woning ten opzichte van de weg wordt verkleind, mits:
    • 1. de geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
    • 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden en de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • e. een kortere afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens wordt toegestaan in verband met herbouw vanwege een calamiteit, mits:
    • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet kleiner wordt dan de afstand ten tijde voor de calamiteit;

6.2 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning

Bij de toepassing van de in dit plan genoemde afwijkingsregels dient in ieder geval in acht te worden genomen dat:

  • a. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot verkeersonveilige situaties;
  • c. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk en niet sociaal controleerbaar is;
  • d. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de landschappelijke of natuurlijke waarden;
  • e. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot beperking van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden op aangrenzende gronden en/of binnen andere bestemmingen;
  • f. bij het verlenen van de omgevingsvergunning rekening wordt gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 7 Overgangsrecht

7.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %.
  • c. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

7.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 8 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het wijzigingsplan 'Sappemeer - Tripscompagnie 16'.