Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Bourtange Dorp, Vlagtwedderstraat 93 f en 93g
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1950.WZ2302-vs01
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 plan
het wijzigingsplan ‘Bourtange Dorp, Vlagtwedderstraat 93 f en 93g' van de gemeente Westerwolde;
 
1.2 wijzigingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1950.WZ2302-vs01 met de bijbehorende regels;
 
1.3 aan-huis-verbonden beroep
een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend endat is gericht op het verlenen van diensten;
 
1.4 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels,regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.5 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.6 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
1.7 bebouwingspercentage
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft datmaximaal mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen;
 
1.8 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
 
1.9 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
1.10 bijbehorend bouwwerk
een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceelbevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of anderbouwwerk, met een dak;
 
1.11 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten;
 
1.12 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
 
1.13 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorendebebouwing is toegelaten;
 
1.14 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
 
1.15 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzijindirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
1.16 erf
het bouwperceel, voor zover binnen het bouwvlak gelegen;
 
1.17 erotisch getinte vermaaksfunctie
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningenvan porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en eenseksautomatenhal;
 
1.18 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wandenomsloten ruimte vormt;
 
1.19 hoofdgebouw
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kanworden aangemerkt;
 
1.20 huishouden
de samenlevingsvorm van één gezin, waaronder mede begrepen de inwoning, al dan niet bij wijze vanmantelzorg, met eigen voorzieningen van verwanten of andere personen en met een gezin gelijk testellen samenlevingsvormen;
 
1.21 kampeermiddel
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig andervoertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan wordengebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
1.22 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit
een bedrijf dat in of bij een woonhuis met behoud met woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat isgericht op het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van een ambachtelijkebedrijvigheid door middel van handwerk;
 
1.23 laden en lossen
het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen vangoederen van enige omvang of enig gewicht gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
 
1.24 mantelzorg
het op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband bieden van zorg aan een persoon uithet sociale netwerk die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak;
 
1.25 normaal onderhoud
het onderhoud, dat gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer engebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren;
 
1.26 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met tenhoogste één wand;
 
1.27 parkeren
het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordttot het
onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen vangoederen;
 
1.28 peil
  1. indien op het land wordt gebouwd:
    1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  2. indien op of in het water wordt gebouwd:
    1. de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;
 
1.29 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zijbedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch/pornografischeaard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens is begrepeneen erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.30 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden,bewoning in de vorm van kamerverhuur daaronder niet begrepen;
 
1.31 woonhuis
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijkboven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheidbeschouwd kan worden.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens;
 
2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde,met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aarddaarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.3 de breedte/diepte van een gebouw
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);
 
2.4 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.5 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijkte stellen constructiedeel;
 
2.6 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van descheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.7 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaartsgeprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van hetbouwwerk.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Wonen - 2
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woonhuizen al dan niet met ruimte voor:
    1. een aan-huis-verbonden beroep;
    2. een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zoals genoemd in Bijlage 1;
    3. mantelzorg;
    4. kamerverhuur;
  2. bijbehorende bouwwerken;
  3. met de daarbijbehorende:
  4. tuinen, erven en terreinen;
  5. water;
  6. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel:
  • het bebouwingspercentage zal per bouwperceel ten hoogste 50% bedragen.
 
3.2.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  2. een hoofdgebouw zal in de bestaande voorgevellijn worden gebouwd;
  3. het aantal hoofdgebouwen mag per bestemmingsvlak ten hoogste één bedragen, tenzij ter plaatse is voorzien in de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', in welk geval het in het aanduidingsvlak aangegeven aantal als maximum geldt;
  4. de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 2,00 m te bedragen, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de bestaande afstand als minimale afstand geldt;
  5. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mogen respectievelijk ten hoogste 7,00 m en ten hoogste 10,00 m bedragen.
 
3.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de bijbehorende bouwwerken dienen tenminste 3,00 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan te worden gebouwd;
  2. de goothoogte van een bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 3,50 m bedragen;
  3. de dakhelling van een bijbehorende bouwwerk mag ten hoogste 60° bedragen.
 
3.2.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel verlengde daarvan, ten hoogste 2,00 m mag bedragen;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.
 
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Bevoegdheid
Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
het bepaalde in lid 3.2.2 onder e in die zin dat de goothoogte en de bouwhoogte van eenhoofdgebouw worden vergroot tot respectievelijk ten hoogste 9,00 m en ten hoogste 12,00 m.
 
3.3.2 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordtgedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de milieusituatie;
  4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
 
3.4 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van woonhuizen in combinatie met beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten anders dan een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  2. het gebruik van gedeelten van een woonhuis voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien:
    1. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 90 m² bedraagt;
    2. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
  3. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;
  4. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van mantelzorg;
  5. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  6. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel met uitzondering van detailhandel bij een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  7. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten;
  8. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, anders dan logiesverstrekking in het woonhuis, de bijbehorende bouwwerken en in karakteristieke vrijstaande, oude boerderijschuren bij het woonhuis, waarbij niet meer dan 3 logieseenheden per woonhuis mogen worden gevestigd;
  9. het gebruik van gedeelten van een woonhuis voor kamerverhuur, indien meer dan 3 kamers worden verhuurd.
 
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Bevoegdheid
Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  • het bepaalde in lid 3.4 onder i in die zin dat een woonhuis wordt gebruikt voor kamerverhuur met meer dan 3 kamers, mits niet meer dan 5 kamers worden verhuurd.
 
3.5.2 Toetsingscriteria
De in lid 3.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend, mits geenonevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de milieusituatie;
  4. de cultuurhistorische en/of karakteristieke waarden;
  5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken
3.6 Voorwaardelijke verplichtingen
 
3.6.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging
Tot en met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de realisatie van een sloot met een opvangcapaciteit van minimaal 150 m3 binnen het plangebied. De te realiseren sloot dient voorts aan de eisen te voldoen zoals neergelegd in bijlage 4 van de toelichting van dit wijzigingsplan. Daarnaast geldt de verplichting om, in geval een grotere verharding en/of bebouwing van het plangebied dan 450 m2 wordt gerealiseerd, de opvangcapaciteit van de te realiseren sloot evenredig te vergroten met een omvang van 95 liter per m2 verharding en/of bebouwing.
 
3.6.2 Voorwaardelijke verplichting behoud dekzandrug
Tot en met de bestemming strijdig gebruik wordt voorts gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving voorzover dit niet in strijd is met de bepalingen van artikel 2.57.3 van de Omgevingsverordening provincie Groningen (verbod op diepploegen, egaliseren en afschuiven van dekzandruggen en het aanleggen van bossen, houtteelt en boomgaarden).
3 Algemene regels
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoeringis gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buitenbeschouwing.
Artikel 5 Algemene bouwregels
 
5.1 Bouwregels
  1. Er mogen geen windmolens worden gebouwd;
  2. De bouwgrenzen mogen, in afwijking van deze regels, uitsluitend worden overschreden door:
    1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m;
    2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m.
 
5.2 Aanvullende werking welstandsnota
De in de regels geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van bouwwerken kannader worden ingevuld door de in de Woningwet bedoelde welstandscriteria.
 
Artikel 6 Algemene gebruiksregels
 
6.1 Algemene gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemmingen, wordt in ieder gevalgerekend:
  1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de gronden waar met omgevingsvergunning een kampeerterrein voor klein kamperen is toegestaan, dan wel daar waar sprake is van tijdelijk kamperen of de inrichting van een gereguleerde overnachtingsplaats;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  3. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  4. het storten van puin en afvalstoffen;
  5. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  6. de stalling en opslag van caravans, boten, oldtimers en dergelijk anders dan in bouwwerken;
  7. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen.
 
6.2 Afwijken van de algemene gebruiksregels
Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. het bepaalde in artikel 6.1 sub a die zin dat de gronden tevens worden gebruikt als kampeerterrein voor klein kamperen, mits:
    1. er niet meer dan 15 kampeermiddelen worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
    2. de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor erven van woningen met een minimale omvang van het erf c.q. tuin van 5.000 m², percelen van agrarische bedrijven, horecabedrijven, of op een perceel, onmiddellijk grenzend aan zo'n erf of perceel;
    3. het kamperen inpasbaar is in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting met inheemse soorten en een bijbehorende sloot, waarbij de breedte van de erfbeplanting minimaal 6,00 m moet bedragen;
    4. de specifieke landschapskarakteristieken worden ontzien;
    5. de situering, de omvang en het gebruik de kleinschaligheid van het kamperen beogen;
    6. het perceel waar gekampeerd zal gaan worden op meer dan 50 meter afstand is gelegen van de bestemmingsgrenzen van (bedrijfs)woningen, verblijfsrecreatieve terreinen of de bebouwde komgrenzen van kernen en op meer dan 50 meter afstand van (agrarische) bedrijven;
    7. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
      1. het straat- en bebouwingsbeeld;
      2. de woonsituatie;
      3. de milieusituatie;
      4. de verkeersveiligheid;
      5. de cultuurhistorische en/of karakteristieke waarden;
      6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. de in dit plan opgenomen gebruiksregels indien strikte toepassing van die regels zou leiden tot een beperking van het meest doelmatig gebruik dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
 
7.1 Bevoegdheid
Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. het bepaalde in de regels in die zin dat een bedrijfswoning wordt gebruikt voor meer dan één bedrijfswoning, mits:
    1. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot;
    2. de verkeersdruk niet wezenlijk toeneemt;
    3. er geen onevenredige afbreuk plaats vindt van de cultuurhistorische waarde van de woning;
    4. de omvang van het bedrijf zodanig is dat sprake is van een structureel volwaardig tweepersoonsbedrijf;
    5. gelet op de aard, omvang en continuïteit van het bedrijf permanent toezicht noodzakelijk is;
  2. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  3. de bestemmingsregels in die zin dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvangst- en antennemasten wordt vergroot, mits:
    1. de antenne niet geplaatst kan worden op een bestaand bouwwerk, zoals een hoogspanningsmast, een windmolen, een reclamemast, een torensilo, of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk;
    2. de antenne niet geplaatst wordt in gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur, in natuurgebieden en in grootschalige open gebieden;
    3. de mast radiografisch noodzakelijk is;
    4. bij plaatsing binnen de grenzen van een bouwperceel of binnen grenzen van een woon- of bedrijfsbestemming de hoogte van de mast ten hoogste 30,00 m mag bedragen;
    5. bij plaatsing binnen de grenzen van een bouwperceel of binnen grenzen van een woon- of bedrijfsbestemming gelegen aan een weg, een viaduct of een verkeersknooppunt, de hoogte van de mast ten hoogste 15,00 m mag bedragen;
    6. het aantal masten binnen de gemeente nier meer mag bedragen dan strikt noodzakelijk is voor de realisatie van een adequaat dekkend netwerk van voldoende capaciteit;
  4. de bestemmingsregels ten aanzien van het bouwen van gebouwen in die zin dat ten behoeve van het kleinschalig kamperen bij woningen en agrarische bedrijven, gebouwtjes ten behoeve van sanitaire voorzieningen worden gebouwd, mits:
    1. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen per kampeerterrein ten hoogste 50 m² zal bedragen;
    2. de goothoogte van een gebouw ten hoogste 3,00 m zal bedragen;
    3. tevens de in artikel 6.2 genoemde omgevingsvergunning is verleend.
 
7.2 Voorwaarden
De in artikel 7.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend, mits geenonevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de milieusituatie;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de cultuurhistorische en/of karakteristieke waarden;
  6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 8 Parkeren en laden en lossen
 
8.1 Parkeerregelgeving
Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning aanleiding geeft tot een te verwachten behoefteaan parkeerplaatsen wordt de omgevingsvergunning slechts verleend indien;
  1. in voldoende mate op eigen terrein wordt voorzien in ruimte voor parkeren;
  2. de beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's bij, in, op of onder het gebouw, zoals gesteld onder sub a., wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 381 - december 2018, of de meest actuele uitgave), dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels van de gemeente Westerwolde ten aanzien van parkeren bepaald.
 
8.2 Laden of lossen
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan laad- enlosvoorzieningen wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor een gebruiksveranderingslechts verleend indien;
  1. in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, aan, bij, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan;
  2. van voldoende mate van laad- en losvoorzieningen voor het laden en lossen van goederen zoals bedoeld in sub a. is sprake indien is voldaan aan de normen zoals opgenomen in het ASVV 2021 (uitgave van het CROW), dan wel het geldende ASVV (uitgave van het CROW) zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag als bedoeld in sub a. voor het bouwen en/of voor een gebruiksverandering en/of afwijking of het uitwerken of het wijzigen.
 
8.3 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deleden 8.1 en 8.2:
  1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
  2. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
8.4 Voorwaarden voor afwijken
Afwijken van de regels, als bedoeld in de leden 8.1 en 8.2 is slechts mogelijk, indien;
  1. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot verkeersonveilige situaties;
  3. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.3 een parkeeronderzoek wordt overgelegd dat aantoont dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor het parkeeronderzoek worden de richtlijnen van het CROW gehanteerd.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 9 Overgangsrecht
 
9.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10 %.
  3. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
9.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sublid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 10 Slotregel
 
Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het Wijzigingsplan, Bourtange Dorp, Vlagtwedderstraat 93 f en 93g van de gemeente Westerwolde.
Behorend bij het besluit van ....