direct naar inhoud van Planregels
Plan: TAM- omgevingsplan Westerwolde, Jipsingboertangerweg 149
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1950.TO2505-vs01

Planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het TAM-omgevingsplan "TAM- omgevingsplan Westerwolde, Jipsingboertangerweg 149" met identificatienummer NL.IMRO.1950.TO2505-vs01 van de gemeente Westerwolde;

1.2 aan-huis-verbonden-beroep

een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.6 bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen;

1.7 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bijbebehorend bouwwerk

een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.13 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.14 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.15 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.16 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.17 erf

het bouwperceel, voor zover binnen het bouwvlak gelegen;

1.18 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.19 hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.20 huishouden

een of meer personen in een woning of een woonruimte waaronder mede begrepen de inwoning, al dan niet bij wijze van mantelzorg, met eigen voorzieningen van verwanten of andere personen en met een gezin gelijk te stellen samenlevingsvormen;

1.21 kampeermiddel

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een camper, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.22 landschappelijke waarden

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap;

1.23 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, zorgvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.24 mantelzorg

het op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband bieden van zorg aan een persoon uit het sociale netwerk die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak;

1.25 normaal onderhoud

het onderhoud, dat gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren;

1.26 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

1.27 peil

a. indien op het land wordt gebouwd:

1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:

* de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:

* de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

b. indien op of in het water wordt gebouwd:

1.de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;

1.28 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens is begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.29 woning

een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden en tevens bedoeld voor de bij het wonen toegestane functies als bed and breakfast, mantelzorg, aan-huis-verbonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, kamerverhuur en dergelijke;

1.30 woonhuis

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

1.31 sanitaire voorzieningen

faciliteiten en installaties die essentieel zijn voor persoonlijke hygiëne en het efficiënt beheren van afvalstoffen, waaronder toiletten, wastafels, douches, en urinoirs.

1.32 standplaats voor een kampeermiddel

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

1.33 verblijfsrecreatief onderkomen

een onderkomen bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf van personen die elders hun hoofdverblijf hebben; hieronder vallen onder andere kampeermiddelen, stacaravans, chalets en recreatiewoningen.

1.34 bestaand

feitelijk, planologische legaal aanwezig op het moment van inwerktingtreding van het plan;

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de breedte/diepte van een gebouw

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);

2.4 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.5 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 3 Agrarisch - 1

3.1 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. hobbymatig agrarisch gebruik;
  • b. landschappelijke inpassing;
  • c. waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

3.2 Beoordelingsregels voor bouwactivtiteiten
3.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden zullen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

3.2.2 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het ge-stelde in bijlage 1, ontheffing verlenen van het bepaalde in 3.2.1 in die zin dat schuilstallen ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik buiten een bouwvlak worden gebouwd, mits:

  • a. de oppervlakte van een schuur ten hoogste 25 m² zal bedragen;
  • b. de goothoogte van een schuur ten hoogste 3,00 m zal bedragen;
  • c. de schuur op een afstand van ten minste 30 m vanaf het meest nabij gelegen woonperceel wordt gebouwd;
  • d. het perceel op een goede wijze zal worden ontsloten;
  • e. ten hoogste 1 schuilstal per gebruiker wordt gebouwd en gebruikt;
  • f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waar-den en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden met deze functie wordt in ieder geval gerekend het op bedrijfsmatige schaal toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 4 Verkeer

4.1 Functieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. (ontsluitings)wegen;
  • b. paden;
  • c. bruggen, dammen en/of duikers;
  • d. sloten, onder meer ten behoeve van de aan- en afvoer en berging van water, bermen en beplanting en het behoud van de landschappelijke en natuurlijke waarden daarvan;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. extensief dagrecreatief medegebruik;
4.2 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten
4.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden zullen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

4.2.2 Overige bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bruggen, niet zijnde bruggen ten behoeve van de ontsluiting van erven, en/of viaducten zal ten hoogste 10,00 m bedragen;
  • b. er zullen geen windmolens worden gebouwd;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, waaronder bruggen ten behoeve van de ontsluiting van erven, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 6

5.1 Gebiedsomschrijving

Binnen de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 6' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor het behoud en de bescherming van de (te verwachten) archeologische waarden van de gronden.

5.2 Beoordelingsregels
5.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 waarbij de bodem dieper dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin:

  • d. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • e. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

5.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in lid 3.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. een verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

5.2.3 Uitzondering onderzoeksplicht

Het bepaalde in lid 5.2.1 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m2;
  • c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningsplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven (onder andere saneren), afplaggen, egaliseren, verlagen en ophogen van gronden;
  • b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • c. het dempen, graven, verdiepen of verbreden van watergangen en waterpartijen;
  • d. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  • e. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  • f. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. verlagingen van het grondwaterpeil.

5.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 3.3.1 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

  • h. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • i. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 1000 m2;
  • j. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

5.3.3 Onderzoeksplicht

Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

5.3.4 Beoordelingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.

5.3.5 Voorwaarden omgevingsvergunning

Indien uit het in lid 5.3.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning:

  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. een verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 6 Recreatie - 4

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie ‘Recreatie - 4'.

6.2 Functieomschrijving

De voor 'Recreatie - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van:
    • 1. sanitaire voorzieningen; ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
    • 2. onderhoud en beheer;
    • 3. horeca (koffiecorner), ondergeschikt aan de hoofdfunctie
  • b. een kampeerterrein voor maximaal 25 kampeermiddelen zoals genoemd in artikel 1.21, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaats';
  • c. gebouwen, waaronder overkappingen, voor zover ten dienste van het kampeerterrein, ten behoeve van
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. onderhoud en beheer;
    • 3. dienstverlening, waaronder een kampwinkel, ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  • d. dagrecreatie, ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  • e. inpandige caravanstalling ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling';
  • f. bed- and breakfastvorziening met maximaal 3 niet-zelfstandige kamers.
  • g. bij deze functie behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, toegangswegen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.
6.3 Beoordelingsregels voor bouwactiviteiten
6.3.1 Gebouwen en overkappingen

Op de voor 'Recreatie-4' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de functie, met dien verstande dat:

  • a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bedrijfsgebouwen, anders dan verblijfsrecreatieve onderkomens en sanitaire voorzieningen, al dan niet met verblijfsrecreatieve en sanitaire voorzieningen zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte van bedrijfsbouwen mag niet meer dan 4 meter mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 10 meter mag bedragen;
    • 3. de dakhelling van bedrijfsgebouwen maximaal 30 graden mag bedragen.
  • c. sanitaire voorzieningen en (af)wasplaatsen ten behoeve van de hoofdfunctie zijn toegestaan, met dien verstande dat de sanitaire voorzieningen inpandig bij de bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd;
  • d. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat:
    • 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen;
    • 2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen elders niet meer dan 2 meter mag bedragen.
  • e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat de hoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen;
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Specifieke gebuiksregels

In aanvulling op de algemene regels over planologische gebruiksactiviteiten in artikel 10, zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. Openluchtactiviteiten zijn toegestaan mits deze passen binnen het recreatieve karakter en geen onevenredige hinder veroorzaken voor de omgeving.
  • b. Kleinschalige horeca (bijv. een koffiecorner) toe te staan, mits deze ondersteunend is aan de camperplaats en geen zelfstandige horecafunctie vormt.
6.4.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gebouwen voor permanente bewoning;
  • b. het gebruik van gronden ten behoeve van de plaatsing van stacaravans en daarmee gelijk te stellen onderkomens;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden;
  • d. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  • e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan op de wijze van een kampwinkel;

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de functie ‘Wonen'.

7.2 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Wonen' mogen worden gebruikt voor:

  • a. woonhuizen al dan niet met ruimte voor:
    • 1. een aan-huis-verbonden beroep;
    • 2. een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zoals genoemd in Bijlage 1;
    • 3. mantelzorg;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. hobbymatig agrarisch gebruik

met de daarbijbehorende:

  • a. tuinen, erven en terreinen;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.3 Beoordelingsregels
7.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in lid 7.3 opgenomen beoordelingsregels.

7.3.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. Het hoofdgebouw zal binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. Het aantal woningen bedraagt maximaal één per bouwvlak;
  • c. De afstand van een hoofgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens niet minder bedraagt dan 3 meter;
  • d. De bouw- en goothoogte bedragen maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m), maximum goothoogte (m)' aangegeven bouw- en goothoogte;
  • e. De minimale dakhelling bedraagt 30 graden;
  • f. De maximale dakhelling bedraagt 60 graden;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw met de daarbij behorende oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 400 m2.
7.3.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. De bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd in het achtererfgebied.
  • b. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter;
  • c. De dakhelling bedraagt maximaal 60 graden;
7.3.4 Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel verlengde daarvan, ten hoogste 2,00 m mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.
7.4 Specifieke functieregels

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van woonhuizen in combinatie met beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten anders dan een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  • b. het gebruik van gedeelten van een woonhuis en bijbehorende bouwwerken voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien:
  • c. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 90 m² bedraagt;
  • d. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
  • e. detailhandel plaatsvindt, tenzij het detailhandel betreft bij een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  • f. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;
  • g. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van mantelzorg;

het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;

  • h. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel met uitzondering van detailhandel bij een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  • i. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van veehouderijbedrijfsactiviteiten ;
  • j. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, anders dan logiesverstrekking in het woonhuis, de bijbehorende bouwwerken.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene ruimtelijke bouwregels

9.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Er mogen geen windmolens worden gebouwd;
  • b. De bouwgrenzen mogen, in afwijking van deze regels, uitsluitend worden overschreden door:
      • tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m;
      • andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m.

c. Er mag niet worden gebouwd, indien dit leidt tot woningsplitsing.

9.2 Aanvullende werking welstandscriteria

De in de regels geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van bouwwerken kan nader worden ingevuld door de in de Woningwet bedoelde welstandscriteria

Artikel 10 Planologische gebruiksactiviteiten

10.1 Algemene gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met de in dit hoofdstuk opgenomen functies, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de gronden waar met omgevingsvergunning of op grond van de functieomschrijving een kampeerterrein voor klein kamperen is toegestaan, dan wel daar waar sprake is van tijdelijk kamperen of de inrichting van een gereguleerde overnachtingsplaats;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf;
  • c. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • d. het storten van puin en afvalstoffen;
  • e. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • f. de stalling en opslag van caravans, boten, oldtimers en dergelijk anders dan in bouwwerken;
  • g. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen;
  • h. kamergewijze verhuur.

10.2 Omgevingsplanactiviteiten

Voor woningsplitsing geldt dat het verboden is om deze activiteit zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning uit te voeren. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. er wordt voldaan aan de woningbouwprogrammering wanneer sprake is van een toename van het aantal woningen;
  • b. de oppervlakte van het oorspronkelijke hoofdgebouw bedraagt ten minste 200 m²;
  • c. de vloeroppervlakte per woning bedraagt ten minste 100 m²;
  • d. het aantal woningen per hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 2;
  • e. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan:
  • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. het woon- en leefklimaat;
  • 3. de milieusituatie;
  • 4. de verkeersveiligheid;
  • 5. de parkeersituatie;
  • 6. de cultuurhistorische waarden;
  • 7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden

f. indien er sprake is van een combinatie met bouwen, kan tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 7.2 worden verleend.

10.2.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  • 1. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de functies wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de in artikel 6 en 7 genoemde doeleinden indien het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van de regels niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
  • 2. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder 1 indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het Landsschappelijk inrichtingsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:
    • a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het Landschappelijk inrichtingsplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
    • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
10.2.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met functies genoemd in artikel 4 en 5 genoemde doeleinden, behoudens voor zover ter plaatse is voorzien in voldoende capaciteit voor waterberging, met dien verstande dat:

  • a. op eigen terrein de capaciteit voor waterberging ter compensatie van de totale toename van het verharde oppervlak dient te voldoen aan het meest recente beleid inzake de afkoppeling van hemelwater van het waterschap en aan het meest recente gemeentelijk beleid inzake de afkoppeling van hemelwater;
  • b. onder de onder a. genoemde totale toename van het verharde oppervlak wordt verstaan de totale oppervlakte van de binnen het bestemmingsvlak te realiseren gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verharding, met dien verstande dat halfverharding eveneens dient te worden beschouwd als verharding.
10.2.3 Voorwaardelijke verplichting sloop

Tot een strijdig gebruik met van gronden en bouwwerken met de functie 'Wonen' wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de in artikel 5 genoemde doeleinden indien:

a. de gebouwen en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, uitvoering wordt gegeven aan het slopen van de agrarische opstallen conform de sloopopgave in deze tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2505-vs01_0001.png"

b. de omgevingsvergunning voor de bouw van de 3 compensatiewoningen kan pas worden aangevraagd als de agrarische opstallen volledig zijn gesloopt;

c. de gebouwen en bijbehorende bouwwerken in gebruik genomen worden onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het omgevingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Landschappelijk inrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Omgevingsplanactiviteiten

Er kan met omgevingsvergunning worden afgeweken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
11.2 Zend-, ontvangst-en antennemasten

Er kan met omgevingsvergunning worden afgeweken van de beoordelingsregels zoals opgenomen in dit hoofdstuk in die zin dat de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvangst- en antennemasten wordt vergroot, indien:

  • 1. de antenne niet geplaatst kan worden op een bestaand bouwwerk, zoals een hoogspanningsmast, een windmolen, een reclamemast, een torensilo, of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk;
  • 2. de antenne niet geplaatst wordt in gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland, in natuurgebieden en in grootschalige open gebieden;
  • 3. de mast radiografisch noodzakelijk is;
  • 4. bij plaatsing binnen de grenzen van een bouwperceel of binnen grenzen van een woon- of bedrijfsfunctie de hoogte van de mast ten hoogste 30,00 m mag bedragen;
  • 5. bij plaatsing binnen de grenzen van een bouwperceel of binnen grenzen van een woon- of bedrijfsfunctie gelegen aan een weg, een viaduct of een verkeersknooppunt, de hoogte van de mast ten hoogste 15,00 m mag bedragen;
  • 6. het aantal masten binnen de gemeente nier meer mag bedragen dan strikt noodzakelijk is voor de realisatie van een adequaat dekkend netwerk van voldoende capaciteit.
11.3 Beoordelingsregels

De in lid 11.1 en 11.2 genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. het straat- en bebouwingsbeleid;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de cultuurhistorische en/of karakteristieke waarden;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 12 Regels voor parkeren en laden lossen

12.1 Parkeerregelgeving

Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan parkeerplaatsen wordt de omgevingsvergunning slechts verleend indien;

  • a. in voldoende mate op eigen terrein wordt voorzien in ruimte voor parkeren;
  • b. de beoordeling of in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's bij, in, op of onder het gebouw, zoals gesteld onder sub a., wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 381 - december 2018, of de meest actuele uitgave), dan wel aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregels van de gemeente Westerwolde ten aanzien van parkeren bepaald.
12.2 Laden of lossen

Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan laad- en losvoorzieningen wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor een gebruiksverandering slechts verleend indien;

  • a. in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen, aan, bij, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan;
  • b. van voldoende mate van laad- en losvoorzieningen voor het laden en lossen van goederen zoals bedoeld in sub a. is sprake indien is voldaan aan de normen zoals opgenomen in het ASVV 2021 (uitgave van het CROW), dan wel het geldende ASVV (uitgave van het CROW) zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag als bedoeld in sub a. voor het bouwen en/of voor een gebruiksverandering en/of afwijking of het uitwerken of het wijzigen.

12.3 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de leden 12.1 en 12.2:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
  • b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
12.4 Voorwaarden voor afwijken

Afwijken van de regels, als bedoeld in de leden 12.1 en 12.2 is slechts mogelijk, indien;

  • a. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot verkeersonveilige situaties;
  • c. bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.3 een parkeeronderzoek wordt overgelegd dat aantoont dat kan worden voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor het parkeeronderzoek worden de richtlijnen van het CROW gehanteerd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'TAM- omgevingsplan Westerwolde, Jipsingboertangerweg 149'.