direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p Westerwolde, Roelagerweg 4
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1950.TO2504-vs01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Roelagerweg 4 in Ter Apel is een orthopedagogische praktijk gevestigd. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied uit 2009 heeft de projectlocatie de functie ''Recreatie - 2''. De initiatiefnemer is voornemens de functie te wijzigen naar wonen, om zo bewoning mogelijk te maken zonder dat een recreatieve activiteit noodzakelijk is. Vanwege de grootte van het achterliggende perceel zal dit daarom gewijzigd worden naar een agrarische functie.

Het bevoegd gezag heeft aangegeven medewerking te verlenen aan dit verzoek.

1.2 Beschrijving van wijziging

De projectlocatie is gelegen aan de Roelagerweg 4 in Ter Apel. Kadestraal staat het bekend onder sectie R nummer 762, 763 en 603. De projectlocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Westerwolde. Op onderstaand figuur wordt het projectgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2504-vs01_0001.png"

Figuur 1 Luchtfoto projectlocatie Roelagerweg 4 (bron: ArcGIS)

1.3 Geldend omgevingsplan

In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016' (vastgesteld door de gemeenteraad op 22 maart 2016), dat evenals de overige bestemmingsplannen opgenomen is in het per 1 januari 2024 van rechtswege ontstane Omgevingsplan gemeente Westerwolde, kent de locatie de functie 'Recreatie - 2'.

Voor het plangebied gelden daarnaast de volgende bestemmingsplannen, die in meer of mindere mate van toepassing zijn:

  • 1. Het Facetbestemmingsplan Karakteristieke panden Westerwolde (vastgesteld 26 februari 2025); dit betreft een regeling om karakteristieke- en beeldbepalende gebouwen in het buitengebied en in de kernen te beschermen. In de omgeving van het plangebied is een aantal van die bepalende gebouwen te vinden;
  • 2. het Facetbestemmingsplan Archeologie Westerwolde (vastgesteld 5 juni 2024); het plangebied kent daarin de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie 4' en 'Waarde-Archeologie 6'. Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden ter plaatse van AMK-terreinen (historische kernen), historische kernen en bebouwingszones, verdedigingswerken (overig) en historische boerderijplaatsen. Omdat er geen sprake is van bouwactiviteiten of anderszins roering van de grond zal er geen archeologisch onderzoek plaatsvinden.
  • 3. het Facetbestemmingsplan woningsplitsing en verkamering Westerwolde (vastgesteld 27 maart 2024); dit bestemmingsplan is opgesteld ter uitvoering van het woonbeleid en de Woonvisie van de gemeente om beide fenomenen van splitsing en kamerverhuur te kunnen reguleren. Voor het onderhavige omgevingsplan is dit facetplan niet relevant;
  • 4. het Facetbestemmingsplan Parkeren Westerwolde (vastgesteld 2 november 2022); de regels in dit facetbestemmingsplan voegen specifieke bepalingen voor parkeren en laden of lossen in de onderliggende bestemmingsplannen toe. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of verbouwen of het wijzigen van het gebruik in het plangebied moet in eerste instantie voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf voor de beoogde functie. Pas als dat niet mogelijk is gebleken mag uitgeweken worden naar de openbare ruimte. Dan moet echter wel met een parkeeronderzoek worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien gezien de huidige parkeerbezetting. Verder moet het ook mogelijk zijn de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren. Het toetsingskader dat hierbij wordt gehanteerd zijn de door het kennisplatform CROW vastgestelde richtlijnen.

Toets aan omgevingsplan

De initiatiefnemer is voornemens om permanent wonen toe te staan onder voorbehoud met de functie 'Recreatie -2'. Daarmee is het initiatief strijdig met het onderliggende omgevingsplan. Om die reden is het noodzakelijk om af te wijken en de grond te herbestemmen naar de functie Wonen. Vanwege het grote gebied achter de woning is het niet logisch deze ook als woning of tuin te bestemmen, waardoor daar de bestemming 'Agrarisch - 2' zal worden toegekend.

1.4 Leeswijzer

Dit TAM Omgevingsplan bestaat uit 10 hoofdstukken. Na een inleidend hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 het planvoornemen beschreven. In de hoofdstukken 3 en 4 worden respectievelijk het gemeentelijk beleid en Rijks- en provinciaal beleid behandeld. Alleen het beleid dat van toepassing is op het voorliggende initiatief wordt in deze hoofdstukken benoemd. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. In hoofdstuk 6 worden de gevolgen voor de fysieke leefomgeving besproken aan de hand van verschillende aspecten. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoering behandeld, en in hoofdstuk 8 de toezicht en handhaving. In hoofdstuk 9 wordt het kostenverhaal toegelicht. Ten slotte wordt in hoofdstuk 10 op de participatie en keten ingegaan.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en de beoogde situatie met betrekking tot de ruimtelijke-en functionele structuur van het gebied waar de wijziging op ziet beschreven. Er wordt allereerst aandacht besteed aan de historie van het plangebied. Verder komen in dit hoofdstuk de volgende elementen aan de orde: Wonen, verkeer, bedrijven en voorzieningen en overige kwantitatieve en kwalitatieve aspecten, zoals gezondheid, duurzaamheid. Wat betreft de ruimtelijke inrichting wordt onder andere aandacht besteed aan de bebouwingsstructuur, cultureel erfgoed, de wegenstructuur en het groen.

2.1 Bestaande activiteiten (huidige situatie)

In de huidige situatie is op de locatie een orthopedagogische praktijk gevestigd. In het omgevingsplan is aan deze locatie de functie 'Recreatie - 2' toegewezen. De locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Westerwolde. Ten noorden van de projectlocatie is een camping gevestigd, aan de noordwestkant een agrarisch bedrijf en aan de zuidoostkant een reguliere woning. Verder in het zuidwesten ligt Ter Apel. Op onderstaande afbeelding is de locatie in het gebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2504-vs01_0002.png"

Figuur 3.1 Luchtfoto projectlocatie Roelagerweg 4 (bron: ArcGIS)

2.2 Beoogde activiteiten (beoogde situatie)

In de toekomstige situatie is er planologisch meer mogelijk dan voorheen. Momenteel heeft de projectlocatie volgens het omgevingsplan de functie 'Recreatie - 2'. De initiatiefnemer is voornemens om de functiebestemming op te delen in overeenkomst met de verschillende percelen op de projectlocatie. Dit betekent dat voor de percelen 762 en grotendeels 763 de functie wordt gewijzigd naar 'Wonen'. En dat voor perceel 603 en gedeeltelijk 763 de functie wordt gewijzigd naar 'Agrarisch - 2'. Op deze manier kan dit gebied hobbymatig worden gebruikt, en niet ten behoeve van een volwaardige agrarische bedrijfsvoering. Het plangebied kent een vernauwing, dit is waar de het verschil tussen de functies ligt.

In de toekomst is het mogelijk dat de functie wonen onder het Tijdelijk Alternatieve Maatregelen (TAM) omgevingsplan gemakkelijk toegevoegd kan worden. Dit maakt dat een eventuele particuliere eigenaar in de toekomst makkelijker om het pand te gebruiken voor bewonen. Of voor een uitbater in de recreatieve sector het in gebruik te nemen als camping. Er vinden in dit project geen fysieke ingrepen plaats op de projectlocatie.

Hoofdstuk 3 Gemeentelijk beleid

In dit hoofdstuk wordt het relevante gemeentelijke beleid en of programma's ten aanzien van de ruimtelijke-en functionele structuur beknopt opgenomen. Uitsluitend beleid of beleidsuitspraken die voor het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Daarbij dienen geen uitgebreide herhalingen van beleidsnota's te worden opgenomen, maar kan worden volstaan met een korte, puntsgewijze samenvatting van de relevante onderdelen hiervan.

3.1 Omgevingsvisie

In deze paragraaf wordt omschreven hoe de ontwikkeling past binnen de visie die de gemeente Westerwolde heeft op de fysieke leefomgeving. Dit staat beschreven in de Omgevingsvisie. De gemeente Westerwolde heeft de 'Omgevingsvisie Westerwolde' in december 2020 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale visie op de leefomgeving, de visie geeft de ambities weer en de uitwerking daarvan in de verschillende gebieden die de gemeente rijk is.

De visie voor Westerwolde is in algemene bewoordingen en in grote lijnen geschetst op gebiedsniveau, maar gebiedstypen zijn in de visie ook beschreven op basis van het gebruik. De gemeente streeft in ieder van die gebieden een kwaliteit na die past bij het gebied en de gemeentelijke kernwaarden en die afhankelijk is van haar ambitie. De gebruiksvormen waarin de gemeente gebieden grofweg onderscheidt zijn:

  • Natuur en landschap
  • Natuurinclusieve landbouw
  • Landbouw en landschap
  • Landschap rond bebouwing
  • Werken
  • Wonen
  • Recreëren
  • Infrastructuur

In algemene zin wordt de omgeving van de gemeente in al haar aspecten gewaardeerd. Rust en ruimte zijn belangrijk. Initiatieven in de kernen worden waar mogelijk gestimuleerd. Deze dienen wel te passen in de omgeving inclusief de landschappelijke kwaliteiten en de (cultuur)historie.

Met betrekking tot het aspect wonen wordt in de omgevingsvisie aangegeven dat de gemeente een afname ziet in de 'jonge' bevolkingsgroep (35-54 jaar). Daarnaast wordt de bevolkingsgroep van 55-69 jaar en 70 jaar en ouder steeds groter. De wens van de gemeente Westerwolde is om dynamiek en doorstroming in Westerwolde op gang te brengen. Er wordt gekeken naar de huidige behoefte, maar bovenal naar de toekomstige veranderingen in de samenstelling van de bevolking en de behoefte die dat met zich meebrengt. Doel is verbetering van de particuliere en sociale woningvoorraad, waarbij de eigen identiteit en kwaliteit het uitgangspunt is. Tweede doel is het sterk verlagen van de energiebehoefte voor wonen met als uiteindelijk doel energieneutraal wonen. De gemeente stuurt op het vitaal houden van de Westerwoldse woningvoorraad met ruimte voor vernieuwing waar dat nodig is.

Toetsing en conclusie

De verruiming van de regels met het toevoegen van de functie wonen brengt de locatie op de woningmarkt, waar dat in de huidige recreatieve bestemming lastiger is. Met deze woning wordt de dynamiek en doorstroming in de gemeente bevorderd en kan worden voldaan aan hetgeen in de Omgevingsvisie voor de lange termijn als ambitie is geformuleerd. De rust en ruimte uit de omgevingsvisie, welke in de huidige situatie op de locatie van toepassing zijn, blijven in de toekomstige situatie in stand.

3.2 Specifiek beleid gemeente Westerwolde

In deze paragraaf wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan specifieke beleidsthema's die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Dit zijn de:

  • Woonvisie + addendum en de;
  • Duurzaamheidsvisie.

Woonvisie Westerwolde 2025-2029

De ‘nieuwe’ woonvisie gaat uit van de realiteit van krapte en biedt kaders en uitgangspunten om een aantrekkelijke en toekomstbestendige woonomgeving te realiseren voor mensen van binnen en buiten Westerwolde. Gemeente Westerwolde stelt zich met de nieuwe woonvisie uitnodigend op voor woningbouw. Uitgangspunt is ‘ja, mits!’. Criteria worden geformuleerd op hoofdlijnen en als te behalen doelen. Daarbinnen biedt de gemeente marktpartijen de ruimte om woningbouwplannen uit te werken die passen bij de omgeving. Zolang de doelen in beeld blijven, kan de gemeente ook ruimte geven, meer ‘loslaten’. De hoofdlijn van beleid blijft hetzelfde. Inzet is nu 600 woningen. Afgestemd is met regio en provincie.

Toetsing en conclusie

Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van de functie wonen. Met dit project wordt de woningvoorraad uitgebreid. Voorliggend initiatief past binnen de Woonvisie van de gemeente Westerwolde.

Hoofdstuk 4 Regelanalyse en beleid

4.1 Rijksbeleid en (instructie)regels

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.

4.1.2 Instructieregels Rijk

Een omgevingsplan bevat regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
4.1.3 Conclusie

Gelet op de aard en omvang van het voornemen, de functiewijziging, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met de doelstellingen zoals deze zijn geformuleerd in de NOVI. In hoofdstuk 6 van deze motivering wordt het voornemen getoetst aan de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het voornemen past binnen het relevante rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid en (instructie)regels

De provincie Groningen heeft een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Groningen.

4.2.1 Omgevingsvisie Groningen

De Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 is door Provinciale Staten op 1 juni 2016 vastgesteld. Nadien is deze Omgevingsvisie drie keer (gedeeltelijk) geactualiseerd. De meest actuele versie is op 25 mei 2022 door Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

Ruimte

  • 1. Ruimtelijke kwaliteit
  • 2. Aantrekkelijk vestigingsklimaat
  • 3. Ruimte voor duurzame energie
  • 4. Vitale landbouw

Natuur en landschap

  • 5. Beschermen landschap en cultureel erfgoed
  • 6. Vergroten biodiversiteit

Water

  • 7. Waterveiligheid
  • 8. Schoon en voldoende water

Mobiliteit

  • 9. Bereikbaarheid

Milieu

  • 10. Tegengaan milieuhinder
  • 11. Gebruik van de ondergrond

De provinciale belangen uit de visie zijn in de Omgevingsverordening vertaald in bindende regels die bij ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in acht dienen te worden genomen.

4.2.2 Omgevingsverordening Groningen

Op 22 februari 2023 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening provincie Groningen vastgesteld. In deze versie van de Omgevingsverordening is de vorige Omgevingsverordening beleidsneutraal omzet en vertaald in de taal van de Omgevingswet. Aangezien op dat moment de Omgevingswet nog niet inwerking was getreden is besloten om dat deze Omgevingsverordening Groningen inwerking treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Voor de opbouw van de Omgevingsverordening is gekozen om aan te sluiten bij de opbouw van de Omgevingswet en de onderliggende algemene maatregelen van bestuur. Hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening richt zich op gemeenten en waterschappen en bevat instructieregels. Met een instructieregel wordt beoogd dat de omgevingswaarden of andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt. De provincie kan op grond van artikel 2.22 van de Omgevingswet instructieregels stellen. In hoofdstuk 3 zijn specifieke instructieregels opgenomen voor de inhoud en motivering van omgevingsplannen, omgevingsvergunningen, waterprogramma’s, leggers en peilbesluiten. In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen voor activiteiten die door burgers, bedrijven en overheden kunnen worden uitvoeren die de fysieke leefomgeving beïnvloeden. Er kunnen meerdere activiteiten van toepassing zijn op een situatie. De regels richten zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert. In de motivering van omgevingsplannen, omgevingsvergunningen, waterprogramma’s, leggers en peilbesluiten dienen de instructieregels en de rechtstreeks getoetst te worden.

Toetsing

Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanwijzing 'aandachtsgebieden voor stilte en duisternis'. Door de gewenste functiewijziging wordt dit niet verstoord. Omdat er geen sprake is van ruimtelijke ingrepen worden de leefgebieden van akkervogels niet aangetast, en is er geen effect op het 'besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde'.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de omgevingsverordening van de provincie Groningen.

4.3 Bruidsschat

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan is niet in strijd met de bepalingen van de Bruidsschat.

Hoofdstuk 5 Hoe gaan we het regelen

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is de TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is vooralsnog toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

5.1 Uitwerking in de regels

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. In de huidige situatie is een burgerwoning niet toegestaan op deze locatie op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Westerwolde zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015’. Daarom moet het omgevingsplan worden gewijzigd.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22p van het omgevingsplan.

5.2 Welke activiteiten worden toegestaan en waar

Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 2 - Functies en gebiedsbepalingen

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en gebiedsbepalingen' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan

Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels voor activiteiten

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

Hoofdstuk 4: Overgangsrechtbepalingen

In TAM-omgevingsplannen zijn bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Een bestaande functie, recreatie, wordt namelijk wegbestemd. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen kopgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er 1 bijlage opgenomen bij de regels die betrekking heeft op de toegestane beroeps- en bedrijfsactiviteiten bij de functie ‘Wonen’. Daarnaast is er 1 bijlage opgenomen bij de regels die betrekking heeft op specifieke toetsingscriteria, in relatie tot de functie 'Agrarisch - 2'.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

5.3 Activiteiten toestaan of uitsluiten

Binnen de woonfunctie mogen eveneens, onder voorwaarden zoals in de regels omschreven, de volgende functies worden uitgeoefend:

  • mantelzorg
  • logiesverstrekking
  • een aan-huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit zoals die zijn genoemd in bijlage 1 van de regels.

Hoofdstuk 6 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarvan voor de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Het hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan. Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Hieronder staan alle thema's bij elkaar.

6.1 M.e.r.-beoordeling

6.1.1 Wettelijk kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.

Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.

6.1.2 Toetsing

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is onder J11 bepaald dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r-beoordelingsplicht geldt. Bij dit project worden er geen stedenbouwkundige ingrepen gedaan. Er wordt geen uitbreiding gedaan van de bestaande bebouwing.

6.1.3 Conclusie

Het initiatief is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' is geen belemmering voor dit initiatief.

6.2 Ladder voor duurzame ontwikkeling

6.2.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder vereist is. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.".

6.2.2 Toetsing

Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Het legaliseren van de activiteiten kwalificeert als een stedelijke ontwikkeling. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt beoordeeld op basis van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie volgt dat pas vanaf 12 woningen een ladderplicht geldt. Dit project is derhalve niet ladderplichtig.

6.2.3 Conclusie

De ladder voor duurzame verstedelijking is geen belemmering voor dit project.

6.3 Duurzaamheid

6.3.1 Wettelijk kader

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Dit vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

6.3.2 Toetsing

De wijziging naar de functie wonen is een duurzame oplossing die bijdraagt aan efficiënt ruimtegebruik en het behoud van bestaand vastgoed. Door het veranderen van de functie in plaats van in andere gevallen gebouwde nieuwbouw ten behoeve van de woningbouwopgave, wordt onnodige sloop en bouwafval voorkomen, wat de milieubelasting aanzienlijk vermindert. Daarnaast blijft de oorspronkelijke architectuur behouden, wat past binnen de karakteristieke uitstraling van de bewoning in het buitengebied van Ter Apel.

Omdat er geen ingrijpende bouwkundige aanpassingen nodig zijn, wordt de energie en het materiaalgebruik beperkt, wat aansluit bij de principes van circulair bouwen. Bovendien draagt deze transformatie bij aan het voorkomen van toekomstige leegstand mocht de praktijk in de toekomst verdwijnen.

6.3.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor dit initiatief.

6.4 Gezondheid

6.4.1 Wettelijk kader

Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Uiteraard geldt dit ook bij de toetsing van aanvragen voor omgevingsvergunning waarbij afgeweken wordt van het omgevingsplan.

6.4.2 Toetsing

Met dit initiatief wordt voorzien in een betere toedeling van functies, waarbij de locatie meer mogelijkheden tot het toedelen van functies krijgt. Het wijzigen naar de woonfunctie draagt bij aan een gezond en leefbaar milieu. Dit omvat onder andere een goede luchtkwaliteit, beperking van geur- en geluidsoverlast, een adequate riolering en een gezonde waterhuishouding. Daarnaast spelen biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem een belangrijke rol in de kwaliteit van de leefomgeving. In de overige paragrafen van dit hoofdstuk worden aspecten zoals geur, geluid, bodem en water verder toegelicht.

Door het verruimen van de mogelijkheden aan functies van een anders in de toekomst mogelijk leegstaand pand met een recreatie bestemming naar een woonfunctie ten behoeve wordt niet alleen leegstand tegengegaan, maar wordt ook de leefbaarheid in de omgeving vergroot. Dit kan bijdragen aan een sterkere sociale cohesie in de buurt en een aantrekkelijkere woonomgeving voor huidige en toekomstige bewoners. De algehele gezondheid van de mensen in de buurt wordt niet geschaad met die initiatief.

6.4.3 Conclusie

Het aspect 'gezondheid' is geen belemmering voor dit project.

6.5 Verkeer en parkeren

6.5.1 Wettelijk kader

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond de projectlocatie.

6.5.2 Toetsing

Het plangebied ligt in een niet stedelijk gebied, in het buitengebied. Voor de vrijstaande woning geldt daarom, conform de kencijfers uit het CROW 2024, een parkeerbehoefte van 2,8. Daarnaast is er de schuur. Deze kan als een opslagschuur gebruikt worden, maar ook voor bedrijfsmatige doeleinden. Er is geen specifieke functie in het CROW die hier van toepassing is. Gezien het huidige gebruik en de vorm van het gebouw is gekozen voor een kantoor met baliefunctie. In het buitengebied kent dit een parkeerkencijfer van maximaal 3,8 per 100 m² bvo. Voor het bedrijfsgebouw betekent dit een maximale parkeerbehoefte van 11,4. Op eigen terrein, dicht bij de Roelagerweg is er in de huidige situatie al een parkeerterrein aanwezig. Deze blijft in de toekomstige situatie bestaan. De parkeerbehoefte kan hier op eigen terrein worden gefaciliteerd.

De verkeersgeneratie is beperkt, en kan zonder problemen op de Roelagerweg worden ontsloten.

6.5.3 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het toevoegen van functie voor dit project.

6.6 Ecologie

6.6.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermen Natura 2000-gebieden, waaronder stikstofgevoelige gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt deze ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld te worden. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

Soortenbescherming 

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op zowel soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

6.6.2 Toetsing

Aangezien bij het project er alleen sprake is van het wijzigen naar de functie wonen, waarbij er geen sprake is van een aanpassing van de gevels worden er geen beschermde dieren en soorten verstoord. Zie ook paragraaf 2.2. Er is voor het project een stikstofonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn te vinden in bijlage 1. De stikstofdepositie heef geen significant negatief effect op de natuur.

6.6.3 Conclusie

Het omgevingsaspect natuur vormt geen belemmeringen voor het wijzigen van de functie.

6.7 Luchtkwaliteit

6.7.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10).

6.7.2 Toetsing

Niet in betekenende mate

Het plan biedt de mogelijkheid tot het wijzigen naar de functie wonen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de NIBM-grens. Het project kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Goed woonklimaat

Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd NIBM-project betreft, moet ook worden bekeken of de luchtkwaliteit in de projectlocatie niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in de projectlocatie de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in alle jaren onder de grenswaarden liggen.

Het project moet worden beschouwd als een NIBM-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.

6.7.3 Conclusie

Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de doorgang van voorliggend project.

6.8 Geluid

6.8.1 Wettelijk kader

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

6.8.2 Toetsing

Wonen is een geluidsgevoelige functie. Echter is de nieuw toegestane woonfunctie buiten het aandachtsgebied van drukke wegen. De mogelijke woning bevindt zich op geruime afstand van de Roelagerweg en van de N976.

6.8.3 Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor dit project.

6.9 Geur

6.9.1 Wettelijk kader

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:

  • bestaande toetsingskaders, zoals lokaal geurbeleid;
  • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties;
  • aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit;
  • historie van het bedrijf en het klachtenpatroon;
  • bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit;
  • kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.
  • Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.

Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:

  • wonen;
  • dienstverlening;
  • bedrijvigheid;
  • detailhandel;
  • horeca.

Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.

Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1).
6.9.2 Toetsing

De projectlocatie ligt in het buitengebied van de gemeente. Op geruime afstand bevinden zich agrarische bedrijven met bijbehorende bouwvlakken. Deze vormen, gezien de afstand en de reeds aanwezige woonbebouwing, geen belemmering voor de woonfunctie. Omgekeerd belemmert de nieuwe functie het functioneren van de omliggende agrarische functies niet.

6.9.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

6.10 Omgevingsveiligheid

6.10.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.

6.10.2 Toetsing

Externe veiligheid

De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente. In de directe omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor met veiligheidscontouren en er liggen tevens geen buisleidingen in de omgeving.

In de onderstaande figuur is de ligging van de locatie ten opzichte van invloed gebieden van mogelijke risicobronnen weergegeven. Zoals in onderstaande figuur te zien is, ligt het gebied niet binnen invloed gebieden van mogelijke risicobronnen, en is het dus niet in strijd met regelgeving omtrent externe veiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1950.TO2504-vs01_0003.png"

Figuur 5.1 EV-signaleringskaart (bron: Ev-signaleringskaart.nl)

Toets fysieke veiligheid

De locatie kan via diverse zijden op een effectieve manier worden verlaten ingeval van een calamiteit. De dichtstbijzijnde brandweerkazernes zijn de kazernes in Vlagtwedde en Ter Apel.

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen invloed op deze ontwikkeling.

6.11 Trilling

6.11.1 Wettelijk kader

Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.

6.11.2 Toetsing

Er zijn verschillende soorten trillingen, met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. Bronnen van trillingen zijn:

  • verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens, treinen en trams)
  • machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren)
  • bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken)

De aard van de trilling is afhankelijk van de eigenschappen van de bron:

  • de massa (zwaardere machines of transport zorgen voor grotere trillingen)
  • de snelheid (snellere machines of transport zorgen voor grotere trillingen)
  • de versnelling (onregelmatige bewegingen of krachtige machines en voertuigen zorgen voor grotere trillingen)

Gezien de verkeerssituatie in de omgeving is het niet aannemelijk dat het doorgaande verkeer gebruik maakt van de weg gelegen aan de projectlocatie. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats die trillingen kunnen produceren.

6.11.3 Conclusie

De projectlocatie ligt niet in een trillingsgevoelige omgeving. Er worden geen trillingproducerende functies toegevoegd. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft trillingen.

6.12 Omgevingskwaliteit

Voor deze aspecten wordt verwezen naar paragraaf 2.2. Omdat de voorgenomen ontwikkeling enkel een functiewijziging betreft, is er geen sprake van een verstoring van de omgevingskwaliteit.

6.13 Cultureel erfgoed

6.13.1 Wettelijk kader

Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo is er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

6.13.2 Toetsing

De archeologische kaders van de gemeente Westerwolde zijn vertaald in het Facetbeschermingsplan Archeologie. De bijbehorende waardekaarten zijn gebruikt voor het opnemen van dubbelbestemmingen in het geldende omgevingsplan die strekken tot bescherming van de in de beleidsnota opgenomen waarden. Voor de projectlocatie zijn geen waarden opgenomen. De gemeente Westerwolde heeft bepaalde objecten in de gemeente aangemerkt als karakteristiek. De Roelagerweg 4 is niet één van deze karakteristieke objecten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft archeologische en cultuurhistorische waarden.

6.13.3 Conclusie

Er vinden in dit project geen activiteiten plaats in de ondergrond. Daarmee worden er geen archeologische waarden in de ondergrond verstoord. Ook vinden er geen ingrepen plaats aan cultuurhistorische elementen of landschap. Daarmee vormt het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmering voor dit project.

6.14 Bodem

6.14.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

  • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

6.14.2 Toetsing

Er wordt geen bebouwing gesloopt of gebouwd. Er vinden geen graafactiviteiten plaats in de ondergrond. Met het initiatief wordt een bodemgevoelige functie wonen mogelijk gemaakt. Het plangebied wordt in de huidige bestemming gebruikt voor recreatie. Het is aannemelijk dat dit geen bodemvervuiling met zich mee heeft gebracht. Daarnaast wordt het plangebied momenteel al bewoond. Om deze redenen hoeft voor voorliggend initiatief geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

6.14.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

6.15 Water

6.15.1 Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

6.15.2 Toetsing

Er is op 28 mei 2025 middels het wateradvies een watertoets doorlopen. Daaruit is gebleken dat er geen waterbelangen spelen. Zodoende hoeft er geen procedure te worden doorlopen. De uitslag van de Watertoets is te vinden in bijlage 2.

6.15.3 Conclusie

Er vindt geen toegenomen verharding plaats in de omgeving. Daarmee zijn er geen waterbelangen en vormt het aspect water geen belemmering voor dit project.

Hoofdstuk 7 Uitvoering

Het betreft een particulier initiatief. De gronden binnen het plangebied zijn eigendom van de initiatiefnemer. De realisatie is voor rekening en risico van initiatiefnemer en heeft derhalve geen financiële risico’s voor de gemeente. Voor wat betreft mogelijk kostenverhaal zal de gemeente met initiatiefnemers een overeenkomst sluiten, op grond waarvan de gemeente eventuele kosten, waaronder mogelijke planschade, op initiatiefnemers kan verhalen.

Hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving

De gemeente Westerwolde heeft in 2019 een uitvoeringsprogramma Vergunningen, Toezicht en Handhaving opgesteld. Het richt zich op de taken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Bouwen en ruimtelijke ordening

De controles zijn voornamelijk gericht op gezondheid en veiligheid, zoals constructieve veiligheid, bouwkundige risico’s en brandveiligheid. Vergunningsvrije bouwwerken worden alleen bij meldingen/klachten gecontroleerd. We streven naar goed contact met de aanvrager, aannemer etc. dit doen we vroeg in het proces, zodat iedereen meegenomen wordt in het proces. Toezicht wordt gehouden op basis van de prioriteitenmatrix (zie Beleidsplan VTH 2019-2023).

Gebruik conform omgevingsplan

Wat betreft het gebruik van het bouwwerk (bijv. wonen of werken) is het van belang dat dit past in het omgevingsplan en dat het woon- en leefklimaat voldoende wordt gewaarborgd. Vaak wordt deze activiteit naast een andere activiteit (bijv. bouwen) vergund. Het toezicht wordt dan integraal opgepakt.

Hoofdstuk 9 Kostenverhaal

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

In gevallen waarin een ontwikkeling alleen gerealiseerd kan worden met een financiële bijdrage vanuit de gemeente, dan wordt in deze paragraaf een passage daarover opgenomen.

9.1 Regels kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob). In dit geval is geen sprake van het sluiten van een kostenverhaalsovereenkomst, maar worden de door de gemeente gemaakte kosten via legesheffing betaald.

Hoofdstuk 10 Participatie en keten

De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel een functiewijziging. De bewoning die in de huidige situatie plaatsvindt blijft toegestaan. Ondanks dat de invloed van de gewenste wijziging op de omgeving beperkt is, heeft er wel participatie plaatsgevonden. Het gaat dan om de direct omwonenden van het plangebied, en met zicht op het plangebied. In het kader van participatie zijn de volgende omwonenden geïnformeerd en gevraagd naar hun mening:

  • Roelagerweg 2;
  • Roelagerweg 7;
  • Roelagerweg 10;
  • Ruiten A Kanaal West V 11.

De initiatiefnemer heeft een brief verstuurd met de aanleiding, de voorgenomen wijzigingen, en hoe dit in de regels van de gemeente Westerwolde wordt verwerkt. De verstuurde brief en ingevulde reactieformulieren zijn bij de gemeente in bezit. Vanwege privacywetgeving worden deze niet in dit TAM-omgevingsplan toegevoegd. Van alle omwonenden die geïnformeerd zijn, is een reactie ontvangen. Geen van de omwonenden heeft een bezwaar geuit ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

Er is één kanttekening. In de informatiebrief is namelijk aangegeven dat de schuur de functieaanduiding 'bedrijfsgebouw' toegekend zou krijgen. Dit is sinds de participatie gewijzigd naar 'zakelijke dienstverleningsactiviteiten'. Omdat zakelijke dienstverleningsactiviteiten binnen de functieaanduiding 'bedrijfsgebouw' ook toegestaan zouden zijn, en de oude functieaanduiding juist ruimere mogelijkheden zou hebben dan de nieuwe functieaanduiding, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de omwonenden ook met deze bestemming akkoord zijn.