Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied 2009, Bovennieuwslandsweg 1
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1950.BP2313-vs01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1. plan:
het bestemmingsplan Buitengebied 2009, Bovennieuwslandsweg 1 van de gemeente Westerwolde;
 
2. bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1950.BP2313-vs01 met de bijbehorende regels;
 
3. aan-huis-verbonden beroep:
een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten;
 
4. aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
5. aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
6. agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
 
7. agrarisch gebruik:
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die zowel ten behoeve van een volwaardige agrarische bedrijfsvoering als hobbymatig worden gebruikt;
 
8. bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
9. bebouwingspercentage:
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen;
 
10. bedrijfsmatige exploitatie:
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer / exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief gebruik plaatsvindt.
 
11. bed & breakfast
een kleinschalige accommodatie uitsluitend bedoeld voor recreatief nachtverblijf eventueel met ontbijt, welke enkel is ingericht met een slaapgelegenheid en een bad en/of toiletruimte waarbij geen keuken(blok) is toegestaan
 
12. bestaand:
bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het vastgesteldbestemmingsplan;
 
13. bestaande bebouwing:
bebouwing aanwezig op de eerste dag van de terinzagelegging van het vastgesteld bestemmingsplan;
 
14. bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
15. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
16. bijbehorend bouwwerk:
een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
 
17. bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten;
 
18. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
19. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
20. bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
21. bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
 
22. bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
23. detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
24. dierenpension:
een tijdelijke opvangplaats voor huisdieren, waar het dier na verloop van tijd weer wordt opgehaald door de eigenaren, bijvoorbeeld na vakantie.
 
25. erf:
het bouwperceel, voor zover binnen het bouwvlak gelegen;
 
26. erotisch getinte vermaaksfunctie:
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;
 
27. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
28. hoofdgebouw:
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
 
29. horecabedrijf en/of -instelling:
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;
 
30. huishouden:
de samenlevingsvorm van één gezin, waaronder mede begrepen de inwoning, al dan niet bij wijze van mantelzorg, met eigen voorzieningen van verwanten of andere personen en met een gezin gelijk te stellen samenlevingsvormen;
 
31. kampeermiddel:
een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
32. kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:
een bedrijf dat in of bij een woonhuis met behoud met woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van een ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk;
 
33. logiesverstrekkend bedrijf:
een bedrijf waar, tegen vergoeding, logies worden verstrekt, waarbij de logieseenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf; naast het verstrekken van logies worden accommodaties aangeboden voor dagverblijf en maaltijdbereiding;
 
34. mantelzorg:
het op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband bieden van zorg aan een persoon uit het sociale netwerk die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak;
 
35. overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;
 
36. paardrijbak:
aan daarvoor ingericht stukje terrein ten behoee van paardrijactiviteiten met een hek eromheen;
 
37. peil:
  1. indien op het land wordt gebouwd:
    1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hooftoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
    2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  2. indien op of in het water wordt gebouwd:
    1. de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;
 
38. recreatieverblijf
een onderkomen op een perceel dat een recreatieve bestemming in het bestemmingsplan heeft;
 
39. recreatiewoning
een gebouw, uitsluitend bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;
 
40. seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens is begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
41. windmolen
een bouwwerk voor het opwekken van elektriciteit uit wind;
 
42. woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, bewoning in de vorm van kamerverhuur daaronder niet begrepen;
 
43. woonhuis:
een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
a. de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens:
vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens;
 
b. de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
c. de breedte / diepte van een gebouw:
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);
 
d. de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
e. de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
f. de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
g. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch -2
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het agrarisch gebruik;
  2. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel”;
  3. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in combinatie met een bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - specifieke regeling”;
  4. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf”;
  5. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bouwperceel bedragen, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - twee bedrijfswoningen toegestaan”;
  6. het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, ter plaatse van de aanduidingen “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel”, “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”;
  7. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het esdorpenlandschap;
  8. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van afschermende erfbeplanting, met de daarbij behorende erfsloot, direct aansluitend aan de zij- en achtergrenzen van het bouwvlak;
  9. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van houtwallen en houtsingels;
  10. doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer, waaronder waterberging;
  11. cultuurgrond;
  12. het in stand houden van de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen, waaronder die van de al dan niet binnen het aanduidingsvlak in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zoals die per adres zijn beschreven in bijlage 9;
  13. het in stand houden van de kenmerken van de bebouwing met een streekeigen architectuur-/bouwstijl waaronder die van de al dan niet binnen het aanduidingsvlak in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - streekeigen";
en mede bestemd voor:
  1. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting van een geluidsgevoelige bestemming vanwege geluidszoneringsplichtige inrichtingen, alsmede het waarborgen van voldoende geluidsruimte voor de activiteiten op het gezoneerde industrieterrein, ter plaatse van de aanduiding “Geluidszone industrie”;
  2. het beschermen van de drinkwaterwinning, de drinkwaterproductie, de drinkwaterdistributie en de grondwaterkwaliteit van een grondwaterbeschermingsgebied, ter plaatse van de aanduiding “Milieuzone grondwaterbeschermingsgebied”;
  3. de bescherming van de veiligheid als gevolg van de nabijheid van een LPG-punt, ter plaatse van de aanduiding “Veiligheidszone”;
  4. de bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element, ter plaatse van de aanduiding “Vrijwaringszone molenbiotoop”;
met daaraan ondergeschikt:
  1. openbare nutsvoorzieningen;
  2. extensief dagrecreatief medegebruik;
  3. infrastructurele voorzieningen;
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. evenementen;
  6. de opslag van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten buiten het bouwperceel, ter plaatse van de aanduiding “opslag”;
met de daarbijbehorende:
  1. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen;
  2. bedrijfswoningen, bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimten voor mantelzorg, logiesverstrekking, dan wel een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit die zijn genoemd in bijlage 6;
  3. bestaande torensilo's;
  4. aa. veldschuren, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – veldschuur”, al dan niet met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;
  5. bb. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
3.2 Bouwregels
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. er zullen uitsluitend gebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, ten behoeve van de in 3.1. genoemde functies worden gebouwd, waarbij deze bouwregels eveneens van toepassing zijn voor functies die na ontheffing van de gebruiksregels aan de agrarische bedrijven zijn toegevoegd;
  2. de gebouwen en overkappingen zullen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel”, “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”;
  3. per gebied, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel”, “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van de ter plaatse gevestigde agrarische bedrijvigheid worden gebouwd;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, zal per bouwperceel niet meer bedragen dan de oppervlakte voor stalruimte in combinatie met het bestaande aantal dieren, zoals opgenomen in bijlage 8 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  5. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bouwvlak bedragen, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – twee bedrijfswoningen toegestaan”;
  6. de afstand van een bedrijfswoning ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen, tenzij sprake is van het verplaatsen van de voorgevel waarbij aangesloten wordt bij de bestaande bebouwingskarakteristiek;
  7. er zullen geen kassen, tunnelkassen en torensilo's worden gebouwd;
  8. bijbehorende bouwwerken zullen tenminste 3,00 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  9. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zullen volledig binnen een afstand van 25,00 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  10. de maatvoering van een gebouw zal voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:
Functie van een gebouw of overkapping
Maximale oppervlakte
Gothoogte in m
Dakhelling in 0
Hoogte in m
 
Per gebouw of overkapping
gezamenlijk
Max.
Min.
Max.
Max.
Bedrijfsgebouw of overkapping
#
-
7,0
20
60
15,00
Bedrijfswoning
150 m2 +
-
3,50
30
60
10,00
Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
 
70 m2
3,50
-
60
-
Torensilo
bestaand
-
-
-
-
bestaand
Veldschuur
Bestaand
-
Bestaand
bestaand
bestaand
bestaand
Bijbehorende bouwwerken bij een veldschuur
*
*
*
-
60
*
 
# Bij gebouwen of overkappingen, die groter zijn dan 2.000 m³, op bouwpercelen gelegen binnen de gele en rode gebieden, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 7, dient het bouwplan vergezeld te gaan van een erfinrichtingsplan ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en een goede ruimtelijke kwaliteitsverhouding tot de bestaande bebouwing;
 
* de (gezamenlijke) oppervlakte zal ten hoogste de oppervlakte van de bijbehorende veldschuur bedragen, met een maximum van 50 m². De goot- en bouwhoogte zal ten hoogste de goot- en bouwhoogte van de bijbehorende veldschuur bedragen;
= over een oppervlakte van ten hoogste 100 m² mag een bedrijfsgebouw of overkapping worden voorzien van een platte afdekking;
 
+ tenzij de bedrijfswoning inpandig is gevestigd in het oorspronkelijke boerderijpand, in welk geval de oppervlakte van de bedrijfswoning ten hoogste gelijk is aan de oppervlakte van het oorspronkelijke boerderijpand.
 
Ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek", alsmede voor de in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, gelden de volgende bouwregels:
  1. een gebouw met een karakteristieke hoofdvorm zal binnen het gebied ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" worden gebouwd, tenzij het een buiten het aanduidingsvlak gelegen bijbehorend bouwwerk betreft;
  2. de oppervlakte, goothoogte en dakhelling van een karakteristieke hoofdvorm zal ten minste en ten hoogste de bestaande oppervlakte, goothoogte en dakhelling bedragen.
 
Ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - streekeigen", alsmede voor de in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken, gelden de volgende bouwregels:
  1. een gebouw met een hoofdvorm in een streekeigen architectuur-/bouwstijl zal binnen het gebied ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - streekeigen" worden gebouwd, tenzij het een buiten het aanduidingsvlak gelegen bijbehorend bouwwerk betreft;
  2. de oppervlakte, goothoogte en dakhelling van een streekeigen hoofdvorm zal ten minste en ten hoogste voldoen aan de kenmerkende afmetingen van de verschillende streekeigen architectuur-/bouwstijlen, zoals beschreven in bijlage 9, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, waarbij deels buiten de aanduidingsgrenzen mag worden gebouwd;
  3. indien sprake is van een boerderijpand met een oorspronkelijke hoofdvorm, alsmede voor de in dezelfde bouwstijl gebouwde bijbehorende bouwwerken (en geen aanduiding "karakteristiek of "specifieke bouwaanduiding - streekeigen" is aangegeven) geldt de volgende bouwregel: de oppervlakte, goothoogte en dakhelling van een oorspronkelijke hoofdvorm zal ten minste en ten hoogste voldoen aan de bestaande hoofdvorm dan wel een daarmee minimaal gelijkwaardige hoofdvorm voor wat betreft de streekeigen vormgeving waarbij deels buiten de bestaande plattegrond mag worden gebouwd.
 
3.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. silo's, platen en bassins zullen uitsluitend worden gebouwd binnen het ter plaatse aangegeven bouwvlak, tenzij het betreft de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding - sleufsilo” en/of “specifieke vorm van agrarisch – mestsilo”, in welk geval een bestaande sleufsilo buiten het bouwvlak is toegestaan;
  2. de hoogte van perceelafscheidingen buiten de bouwpercelen zal ten hoogste 1,00 m bedragen;
  3. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen op de bouwpercelen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning(en) en het verlengde daarvan, ten hoogste 2,00 m zal bedragen;
  4. er zullen geen windmolens worden gebouwd;
  5. de hoogte van reclamemasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen;
  6. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal binnen het bouwperceel ten hoogste 10,00 m bedragen;
  7. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal buiten het bouwperceel ten hoogste 5,00 m bedragen.
 
3.3 Specifieke nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen, in aanvulling op hetgeen in artikel 39 en 45 en bijlage 1, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, is geregeld, specifieke nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van een goede ordening en afstemming van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de bestaande bebouwing en erfinrichting, de landschappelijk karakteristiek en/of de landschappelijke structuur.
 
3.4 Ontheffing van de Bouwregels
Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in bijlage 1, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, ontheffing verlenen van:
  1. het bepaalde in lid 3.2.1. onder d en toestaan dat ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren de oppervlakte aan stalruimte, al dan niet in combinatie met een uitbreiding van het aantal dieren, wordt vergroot, mits:
    1. de uitbreiding van het aantal dieren ten hoogste het in bijlage 8, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, aangegeven aantal dieren zal bedragen, waarbij, indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding "specifieke regeling, het gezamenlijke aantal dieren per bedrijf niet meer zal bedragen dan is aangegeven in bijlage 8 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
    2. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.3.1., 1.3.3., 1.3.4. en 1.24.;
  2. het bepaalde in lid 3.2.2. onder d en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 15,00 m, mits:
    1. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.24 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  3. het bepaalde in 3.2.1. onder l in die zin dat in ondergeschikte mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke hoofdvorm, mits:
    1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm en gevelindeling van het karakteristieke gebouw; dan wel
    2. indien afgeweken wordt van de karakteristieke hoofdvorm en gevelindeling van het karakteristieke gebouw advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijk deskundige op het gebied van stedenbouw en landschap, waarbij de criteria van de nota "karakteristieke objecten in Vlagtwedde" van toepassing zijn.
  4. het bepaalde in lid 3.2.1. onder n in die zin dat wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen van een streekeigen boerderijpand en bijbehorende bouwwerken, mits:
    1. er vanuit architectonisch oogpunt een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het omgevingsbeeld wordt bewerkstelligd;
    2. de bouwhoogte van het woonhuis ten hoogste 12,00 m zal bedragen en het woonhuis zal worden voorzien van een kap;
    3. de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken zijn van overeenkomstige toepassing;
    4. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  5. het bepaalde in lid 3.2.1. onder b in die zin dat schuilstallen ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik buiten een bouwvlak worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte van een schuur ten hoogste 25 m² zal bedragen;
    2. de goothoogte van een schuur ten hoogste 3,00 m zal bedragen;
    3. de schuur op een afstand van ten minste 30 m vanaf het meest nabij gelegen woonperceel wordt gebouwd;
    4. het perceel op een goede wijze zal worden ontsloten;
    5. ten hoogste 1 schuilstal per gebruiker wordt gebouwd en gebruikt;
    6. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
3.5 Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het opslaan van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten buiten het bouwvlak, met uitzondering van tijdelijke opslag van akkerbouwproducten (maximaal zes maanden);
  2. het opslaan van niet-agrarische producten, auto's, caravans en boten, anders dan in gebouwen;
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en/of de aanleg van wegen en paden, anders paden dan ten behoeve van het agrarisch gebruik of ruiterpaden;
  4. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf”, “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - specifieke regeling”;
  5. het splitsen van een bedrijfswoning in meer dan één woning;
  6. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan de verkoop van eigen en streekeigen producten;
  7. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, anders dan logiesverstrekking in de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en karakteristieke vrijstaande, oude in ren bij de bedrijfswoning waarbij niet meer dan 3 of, in geval van deelname aan het project 'Sprong over het veen', 6 logieseenheden per agrarisch bedrijf mogen worden gevestigd;
  8. het gebruik van de gronden ten behoeve van bosbouw, houtteelt of andere opgaande teeltvormen, niet zijnde boomgaarden op erven bij woonhuizen en boerderijen;
  9. het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien:
    1. het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de bedrijfswoning;
    2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 90 m² bedraagt, met dien verstande dat delen van bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan niet worden gebruikt voor het wonen ook mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
    3. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
    4. detailhandel plaatsvindt, tenzij het detailhandel betreft bij een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  10. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  11. het scheuren en frezen van de zode anders dan ten behoeve van graslandverbetering en/of herinzaai, ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur';
  12. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijdbak met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;
  13. het gebruik van gronden en bouwwerken zodanig dat de lichtuitstraling vanuit de gevels van kassen, met minder dan 95% wordt gereduceerd;
  14. het gebruiken van de gronden ten behoeve van de bestemming Agrarisch - 2 zonder aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals bedoeld in bijlage 10, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - instandhoudingsverplichting";
  15. het verwijderen, vernielen en/of aantasten van (afschermende) beplanting anders dan ten behoeve van het normale onderhoud in afwijking van het per adres opgenomen inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 10, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - instandhoudingsverplichting".
 
3.6 Ontheffing van de gebruiksregels
Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in bijlage 1, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, ontheffing verlenen van:
  1. het bepaalde in lid 3.1. en toestaan dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf wordt gecombineerd met een ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie in de vorm van de in bijlage 5 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, opgenomen bedrijvigheid, mits:
    1. het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel”, “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”;
    2. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.6., 1.16. en 1.24. van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  2. het bepaalde in lid 3.5. onder e en toestaan dat een bedrijfswoning wordt gebruikt voor meer dan één bedrijfswoning, mits:
    1. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.4.1. onder b en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  3. het bepaalde in lid 3.5. onder h en toestaan dat bomen en/of houtgewas ten behoeve van houtteelt, sier- en fruitteelt en/of andere opgaande teeltvormen worden aangeplant, mits:
  4. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.7., 1.7. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  5. het bepaalde in lid 3.5. onder l en toestaan dat gronden worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijdbak met de daarbij behorende bouwwerken, mits:
    1. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.11. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
 
3.7 Aanlegvergunningen
3.7.1 Werken, geen bouwwerken zijnde
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijk vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas al dan niet aanwezig als erfbeplanting, wegbeplanting of schuilgelegenheid voor vee, niet zijnde bomen en/of houtgewas onderdeel uitmakend van een grondgebonden agrarische teelt, voorzover de Boswet en/of de gemeentelijke Kap- of Bomenverordening niet van toepassing is;
  2. het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van wegbeplanting of schuilgelegenheid voor vee;
  3. het verharden van perceel- en/of kavelontsluitingswegen buiten het bouwperceel met een grotere breedte dan 4,00 m;
  4. het wijzigen van het verkavelings- en/of wijkenpatroon door het dempen en/of graven van (erf)sloten en/of andere watergangen, en het aanbrengen van kunstwerken zoals dammen en stuwen;
  5. het verwijderen en/of aanleggen van houtwallen en/of houtsingels, voorzover de Boswet en/of de gemeentelijke Kap- of Bomenverordening niet van toepassing is;
  6. het aanleggen van ondergrondse en/of bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen met een lengte minder dan 5 km;
  7. het bezanden, egaliseren, diepploegen en mengwoelen van gronden en/of het op een andere wijze ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur en/of de bodemsamenstelling dan wel de bodemopbouw, ter plaatse van de aanduiding “Wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur”;
  8. het scheuren en frezen van de zode ten behoeve van graslandverbetering en/of herinzaai, ter plaatse van de aanduiding “Wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur”;
  9. het gedeeltelijk verwijderen van delen van karakteristieke gebouwen, ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" , of delen van de in 4.1. onder aa bedoelde bijbehorende bouwwerken;
  10. het gedeeltelijk verwijderen van delen van gebouwen met een streekeigen architectuur-/bouwstijl anders dan ten behoeve van de verbouw op grond van 4.2.1. onder m en n, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - streekeigen", of delen van de in 4.1. onder aa bedoelde bijbehorende bouwwerken.
 
3.7.2 Uitzondering
Het in lid 3.7.1. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud of het normale agrarische gebruik betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
3.7.3 Voorwaarden
De in lid 3.7.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend met inachtneming van het gestelde in bijlage 1 onder 1.6.1., 1.6.3., 1.7., 1.8.a., 1.12., 1.16. en 1.23., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
De omgevingsvergunning bedoeld in 3.7.1. onder i en j kan worden verleend, mits:
  1. de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; of
  2. het delen van een pand betreft, die op zichzelf niet als waardevol zijn aan te merken, en door het verwijderen daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke waarden; of
  3. toepassing wordt gegeven aan de afwijking genoemd in 3.4. onder c.;
  4. advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijk deskundige op het gebied van stedenbouw en landschap.
 
3.8 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en Wethouders kunnen, met inachtneming van het gestelde in bijlage 1, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, het plan wijzigen in die zin dat:
  1. de aan een bouwperceel grenzende gronden worden voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits:
    1. de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 1,50 hectare, waarbij het bebouwingspercentage van het totale bouwvlak niet meer dan 50% mag bedragen, indien het bouwperceel gelegen is binnen een rood of geel gebied, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 7;
    2. de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 3,00 hectare, indien het bouwperceel gelegen is binnen een groen gebied, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 7, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
    3. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.3., 1.3.4., 1.3.8. onder a, 1.16. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  2. een ter plaatse aangegeven bouwperceel geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd of qua situering wordt gewijzigd, met inbegrip van een wijziging van het daarbinnen gelegen bouwvlak, mits:
    1. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.3., 1.3.4., 1.3.10., 1.16. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  3. ter plaatse een nieuw bouwperceel ten behoeve van een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt aangegeven, met inbegrip van een daarbinnen gelegen bouw-vlak, mits:
    1. de aanduiding 'bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf' of "bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf", met inbegrip van het daarbinnen gelegen bouwvlak wordt verwijderd, indien de bedrijfsactiviteiten van het niet-grondgebonden agrarisch bedrijf op een bestaand bouw-perceel zijn beëindigd;
    2. de aanduiding 'bouwperceel', met inbegrip van een daar-binnen gelegen bouwvlak, ter plaatse wordt aangebracht;
    3. de oppervlakte van het bouwvlak ten hoogste:
      • • 1,00 hectare zal bedragen in een rood gebied;
      • • 1,50 hectare zal bedragen in een geel gebied;
      • • 3,00 hectare zal bedragen in een groen gebied;
    4. zoals die gebieden zijn weergegeven op de kaart in bijlage 7, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
    5. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.9., 1.7., 1.16. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  4. ter plaatse een nieuw bouwperceel ten behoeve van een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt aangegeven, met inbegrip van een daarbinnen gelegen bouwvlak, mits:
    1. de aanduiding 'bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf' of “bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf”, met inbegrip van het daarbinnen gelegen bouwvlak wordt verwijderd, indien de bedrijfsactiviteiten van het niet-grondgebonden agrarisch bedrijf op een bestaand bouwperceel zijn beëindigd;
    2. de aanduiding 'bouwperceel', met inbegrip van een daarbinnen gelegen bouwvlak, ter plaatse wordt aangebracht;
    3. de oppervlakte van het bouwvlak ten hoogste
    4. 1,00 hectare zal bedragen in een rood gebied;
    5. 1,50 hectare zal bedragen in een geel gebied;
    6. 3,00 hectare zal bedragen in een groen gebied;
    7. zoals die gebieden zijn weergegeven op de kaart in bijlage 7, van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
    8. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 lid 1.3.9., 1.7., 1.16. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  5. de aanduiding “opslag” ten behoeve van de opslag van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten buiten het bouwperceel ter plaatse wordt aangebracht, mits:
    1. de oppervlakte van een opslagplaats al dan niet bestaande uit verharding ten behoeve van de opslag ten hoogste 1.000 m² zal bedragen;
    2. de oppervlakte van een mestsilo ten hoogste 1.500 m² zal bedragen;
    3. de hoogte van een mestsilo, exclusief afdekking, ten hoogste 6,00 m zal bedragen;
    4. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.3.2., 1.3.4., 1.7. en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  6. de bestemming 'Agrarisch - 2' wordt gewijzigd in de bestemming 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling en/of de verwerving van reservaatsgebieden, mits:
    1. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend toegepast mag worden op gronden die ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding “Wetgevingszone - wijzigingsgebied natuur”;
    2. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 6 van overeenkomstige toepassing zijn;
    3. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.16., 1.17. onder a en b en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  7. de bestemming 'Agrarisch - 2' wordt gewijzigd in de bestemming 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling dan wel de aanleg van ecologische verbindingszones, mits:
    1. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 6 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’, van overeenkomstige toepassing zijn;
    2. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.16., 1.17. onder a en c en 1.24., van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
  8. de bestemming 'Agrarisch - 2' wordt gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf', 'Bedrijf - Agrarisch aanverwant', 'Dienstverlening - Agrarisch', 'Horeca', 'Maatschappelijk (zorg en sociaal cultureel)' of 'Wonen' of door het verwijderen van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf”, met inbegrip van een daarbinnen gelegen bouwvlak, ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel, mits:
    1. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid respectievelijk de regels van artikel 8, 9, 17, 18, 19 of 31 van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’ van overeenkomstige toepassing zijn;
    2. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel” of “specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf”;
    3. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in bijlage 1 onder 1.18. en 1.24. van de regels opgenomen bij het ‘Buitengebied 2009, gedeeltelijke herziening 2015, geconsolideerde versie, mei 2016’;
 
  
Artikel 4 Bedrijf – Dierenpension
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf - Dierenpension' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van een dierenpension;
  2. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’, bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met ruimten voor mantelzorg, logiesverstrekking, dan wel een aan-huis-verbonden beroep;
  3. recreatiewoningen, uitsluitend ter plaatsen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – recreatieverblijf’;
met daaraan ondergeschikt:
  1. wegen en paden;
  2. water;
  3. met de daarbijbehorende:
  4. tuinen, erven en terreinen;
  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
4.2 Bouwregels
Voor het bouwen van de in lid 4.1. sub a, b en c genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van de in 4.1. genoemde functies worden gebouwd;
  2. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bestemmingsvlak bedragen, waarbij de bedrijfswoning wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  3. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, zal per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan ten hoogste 120% van de bestaande gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen;
  4. de bedrijfswoning zal binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en de oppervlakte van een bedrijfswoning zal niet meer bedragen dan 200 m²;
  5. de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, bijbehorende bouwwerken zullen tenminste 3,00 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd, tenzij er sprake is van bestaande bebouwing;
  6. de maatvoering van een gebouw of een overkapping zal voorts voldoen aan de eisen die in het volgende bouwschema zijn gesteld:
 
Functie van een gebouw of overkapping
Maximale gezamenlijke oppervlakte
Gothoogte in m
Dakhelling in 0
Hoogte in m
  
Max.
Min.
Max.
Max.
Bedrijfsgebouw of overkapping
-
7,0
20
60
12,00
Bedrijfswoning
-
3,50
30
60
10,00
Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
70 m2
3,50
-
60
-
Recreatiewoning
50 m2 per recreatiewoning, tenzij bestaand
3,50
30
60
8,00
 
4.2.1 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning(en) en het verlengde daarvan, ten hoogste 2,00 m zal bedragen;
  2. er zullen geen windmolens worden gebouwd, met uitzondering van kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter conform de voorwaarden van het gemeentelijk beleid;
  3. de hoogte van reclamemasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen;
  4. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 10,00 m bedragen.
 
4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan bed & breakfast in de bedrijfswoning en recreatieverblijf ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – recreatieverblijf’;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  3. het splitsen van een bedrijfswoning in meer dan één woning;
  4. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden;
  5. het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien:
    1. het bedrijf of beroep niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de bedrijfswoning;
    2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 90 m² bedraagt, met dien verstande dat delen van bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan niet worden gebruikt voor het wonen ook mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
    3. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
    4. detailhandel plaatsvindt, tenzij het detailhandel betreft bij een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  6. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  7. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;
  8. het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie;
  9. het gebruik van gebouwen, met uitzondering van bedrijfswoningen, voor permanente bewoning.
 
4.3.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  1. tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als bijlage 1 van de regels opgenomen ‘Erfinrichtingsplan Bovennieuwlandseweg 1 Vlagtwedde’, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
 
 
3 Algemene regels
 
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 6 Algemene bouwregels
 
5.1 Bouwregels
  1. Er mogen geen windmolens worden gebouwd;
  2. De bouwgrenzen mogen, in afwijking van deze regels, uitsluitend worden overschreden door:
    1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m;
    2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m.
 
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
 
6.1 Algemene gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  2. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  3. het storten van puin en afvalstoffen;
  4. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  5. de stalling en opslag van caravans, boten, oldtimers en dergelijk anders dan in bouwwerken;
 
6.2 Afwijken van algemene gebruiksregels
Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de in dit plan opgenomen gebruiksregels indien strikte toepassing van die regels zou leiden tot een beperking van het meest doelmatig gebruik dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
 
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
 
7.1 Bevoegdheid
Met omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 9 Overgangsrecht
 
8.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10 %.
  3. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
8.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sublid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 10 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: ‘Regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2009, Bovennieuwlandsweg 1’.