| Plan: | Firdgum - Camstrawei 41 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1949.WPBUICAMSTRA412018-VAS1 |
De initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Camstrawei 41 een nieuwe bedrijfsbebouwing te realiseren, waarbij rekening gehouden moet worden met een toekomstige uitbreidingsmogelijkheid. De reden hiervoor is dat de voorgaande bedrijfsbebouwing door een brand verloren is gegaan. De voorgenomen nieuwe bebouwing is niet bij recht realiseerbaar op basis van het geldende bestemmingsplan, omdat een deel van de nieuwe bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak komt te liggen.
Daarop is bij de gemeente Franekeradeel het verzoek ingediend om het bestaande bouwvlak te vergroten ten behoeve van de nieuwe bedrijfsbebouwing en eveneens de situering van de bedrijfskavel te wijzigen. Dit voornemen kan mogelijk gemaakt worden door gebruik te maken van in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden. Met deze wijzigingsbevoegdheden, opgenomen in artikel 3.7.1 en 3.7.3, kan het bouwvlak worden vergroot naar 1,5 hectare en kan de situering worden gewijzigd. Met het voorliggende wijzigingsplan wordt hier toepassing aangegeven.
Het perceel ligt in het buitengebied van de gemeente Franekeradeel op ongeveer 1 kilometer ten noorden van de dorpskern van Firdgum. De (globale) ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied
Het plangebied valt onder de regeling van het bestemmingsplan Buitengebied 2013, dat is vastgesteld op 7 november 2013 en op 25 juni 2015 (partieel) opnieuw is vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak waarbinnen gebouwd mag worden, zie figuur 1.2.
In plangebied is daarnaast een aantal aanduidingen van toepassing, te weten:
Daarnaast zijn de kwelderwallen in de gemeente van cultuurhistorische waarde. Deze zijn beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen'. Deze is ook op het plangebied van toepassing. Dit houdt in dat voor het afgegraven en/of ophogen, dan wel het dempen en/of graven van water een vergunning is vereist.
Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de bestaande bedrijfskavel te wijzigen en het bestaande bouwvlak te vergroten naar 1,50 hectare. dit wijzigingsplan geeft toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheden. Het gaat om de wijzigingsbevoegdheden onder artikel 3.7.1 en 3.7.2 van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2013. In paragraaf 2.4 wordt op de voorwaarden ingegaan.
Figuur 1.2 Fragment geldend bestemmingsplan
In hoofdstuk 2 van dit wijzigingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe situatie. Daarna wordt de nieuwe situatie getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. In hoofdstuk 5 is de juridische regeling opgenomen. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid.
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit wijzigingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen.
Het landschap
Het plangebied ligt in het halfopen kwelderwallenlandschap. Dit gebied wordt gekenmerkt door een halfopen agrarisch landschap met een hogere ligging, door een aaneenschakeling van terpen en kruinige percelen. Het plangebied zelf ligt op een kruinig perceel. Het open landschap rondom het perceel is opgebouwd uit kruinige percelen met een onregelmatige verkaveling.
Functies in de directe omgeving
Het plangebied ligt redelijk solitair in het buitengebied. De dichtstbijzijnde functies betreffen:
Figuur 2.1 geeft door middel van een luchtfoto de directe omgeving van het plangebied weer.
Figuur 2.1 Luchtfoto directe omgeving plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Camstrawei 41. Het betreft een agrarisch bedrijf. Onlangs is door een brand een deel van de bedrijfsbebouwing verloren gegaan.
Op het noordoostelijke gedeelte van het perceel staat agrarische bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Tevens is een karakteristieke boerderij aanwezig. Het overige deel van het perceel bestaat uit landbouwgronden ten behoeve van het bedrijf. Het perceel is landschappelijk ingepast door middel van houtsingels aan de noord- en oostkant van het perceel.
Een overzicht van de bestaande situatie is weergeven in figuur 2.2. Een aanzicht (vanaf de Camstrawei) op het plangebied is weergeven in figuur 2.3.
Figuur 2.2 Overzicht huidige situatie
Figuur 2.3 Aanzicht (vanaf de Camstrawei) op het plangebied
In de gewenste situatie wordt, ter vervanging van de afgebrande bedrijfsloods, een nieuw bedrijfsgebouw opgericht. Op onderstaande figuur is weergegeven hoe de toekomstige inrichting van het perceel is vormgegeven. De nieuwbouwschuur komt achter de achtergevel van de bestaande boerderij te liggen.
Figuur 2.4 Toekomstige inrichting van het perceel
Functionele inpassing
De ontwikkeling vindt plaats in een gebied waar woonfuncties met enkele agrarische functies voorkomen. De agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op de milieutechnische aanvaardbaarheid van deze situatie.
Landschappelijke inpassing
Voor het voornemen is een landschappelijke inpassing opgesteld. Hierin is opgenomen dat aan de huidige groene rand langs de wegen, een rand aan het uitgebreide erf wordt toegevoegd. Vervolgens zijn de hoekpunten vastgesteld. Niet overal is de strook tussen de hoekpunten daarna geheel ingevuld met beplanting. Omdat de loods bijna geheel gesloten is, met twee grote transparante deuren aan de noord- en zuidzijde, waardoor licht naar binnen komt en uitzicht naar buiten mogelijk is, zijn delen vrijgelaten. De gehele zijde aan de westkant krijgt wel beplanting, zodat de loods een groene achtergrond krijgt, de hoeveelheid bebouwing en beplanting in evenwicht is en het silhouet van het erf vanuit Oosterbierum gezien landschappelijk is ingepast. In verband met de gesloten beplantingsstrook langs de Hoarnestreek, is de rand niet de hoek om gezet. Het eindpunt komt in lijn met de schuur van de boerderij. De nieuwe strook is 5 meter breed en wordt aan de buitenzijde begrensd door een greppel/sloot. Tussen de groenstrook en loods wordt 5 meter vrijgelaten. De soorten in de groenstrook bestaand uit een mix van els, struikwilg, veldesdoorn en de bomen Noorse esdoorn en iep. De maatvoering van de beplanting is opgenomen in het inrichtingsplan. De bomen worden in driehoeksverband geplant en de struiken op 1 meter van elkaar. Een schets van de landschappelijk inpassing is weergegeven op figuur 2.5. De volledige inpassing is opgenomen als bijlage 1.
Figuur 2.5 Schetsontwerp landschappelijke inpassing
Verkeer en parkeren
De Camstrawei is een verkeersluwe ontsluitingsroute, voornamelijk bestemd voor bestemmingsverkeer aan deze weg en in de directe omgeving van de weg. Er geldt een maximaal toegestane snelheid van 60 km/u. De Camstrawei sluit in zuidelijke richting aan op de N393. Via deze wijze wordt het perceel op een goede manier ontsloten.
Het parkeren vindt in de bestaande situatie plaats op het bestaande terrein. Ook in de voorgenomen situatie zal dit op eigen terrein blijven plaatsvinden. Het terrein biedt voldoende ruimte om de toegenomen parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing, op te vangen.
Het vergroten van het bouwvlak naar 1,50 hectare wordt planologisch mogelijk gemaakt door het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3.7.1 van het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Hiermee kan het bestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro worden gewijzigd. Aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden. Deze worden hieronder besproken en getoetst.
De oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot tot ten hoogste 1,50 hectare
De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt in de voorgenomen situatie 1,50 hectare. Een vlak ter grootte van deze oppervlakte wordt op de verbeelding behorende bij dit plan opgenomen.
Binnen het bestaande bouwvlak is geen ruimte voor de benodigde uitbreiding
Het bestaande bouwvlak biedt geen ruimte om de voorgenomen ontwikkeling op een fatsoenlijke manier te realiseren. De omvang dan de loods is hiervoor te groot.
Met de vormgeving en inrichting van het bouwvlak wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de historisch gegroeide landschapsstructuur
In het erfinrichtingsplan, opgenomen als bijlage 1, wordt omschreven hoe het voornemen aansluit bij de historisch gegroeide landschapsstructuur. Daarmee wordt voldaan aan dit criterium.
Met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast. In het wijzigingsplan zal het erfinrichtingsplan juridisch worden geborgd.
Het erfinrichtingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij dit wijzigingsplan. In de regels is het erfinrichtingsplan juridisch geborgd.
Er is sprake van een evenwichtige ordening, maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen
Dat hier sprake van is, is uiteengezet in het erfinrichtingsplan.
De vergroting van het agrarisch bedrijf heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het bestaande wegennet.
In paragraaf 2.3 zijn de gevolgen van het voornemen voor de verkeers- en parkeersituatie uiteengezet. Hierin is onderbouwd dat het voornemen geen afbreuk doet aan de huidige verkeerssituatie.
Er word geen onevenredige afbreuk gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Er vindt geen afbreuk plaats aan bovenstaande aspecten. Dit is nader beschreven in hoofdstuk 4, waar de toetsing aan milieu- en omgevingsaspecten in plaatsvindt.
Het wijzigen van de situering van de bedrijfskavel wordt planologisch mogelijk gemaakt door het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3.7.3 van het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Hiermee kan het bestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro worden gewijzigd. Aan de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zijn eveneens enkele voorwaarden verbonden. Deze worden hieronder besproken en getoetst.
Er dient een bedrijfstechnische noodzaak te zijn om ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen of het opslaan van mest, hooibalen en/of andere agrarische producten de situering van de bedrijfskavel te wijzigen.
De bedrijfsbebouwing aan de Camstrawei 41 wordt uitgebreid, omdat een deel van de bedrijfsbebouwing verloren is gegaan door een brand. Hierop is de keuze gemaakt om een geheel nieuwe inrichting te maken voor het perceel, die bedrijfstechnisch efficiënter is, en om toekomstgericht te werk te gaan.
Met een erfinrichtingsplan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast.
Voor dit plan is een landschappelijke inrichting opgesteld, die is opgenomen in bijlage 1. De nieuwe inrichting zorgt ervoor dat het erg vanuit landschappelijk oogpunt beter past. Hierdoor ontstaat een duidelijke scheiding van de oude boerderij, die een woonfunctie heeft, en de bedrijfsvoering.
Er dient geen onevenredige afbreuk te worden gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
In hoofdstuk 4 wordt gemotiveerd hoe aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Eén van de aspecten die is opgenomen , betreft de zones rond radarstations. Door het plangebied loopt een radarverstoringsgebied. Er geldt hierbij een verbod op bouwwerken hoger dan 65 meter. Met dit wijzigingsplan worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt groter dan 65 meter. Het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Tevens zijn de beleidsregels met betrekking tot de Waddenzee relevant. Bij nieuwe ruimtelijke plannen die betrekking hebben op de Waddenzee en het Waddengebied moet een beoordeling plaatsvinden van de mogelijke gevolgen voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied. Deze waarden zijn in de verordening benoemd. Nieuwe bebouwing of verandering van het gebruik is niet toegestaan als dit leidt tot significante aantasting van de waarden in het gebied.
Met wijzigingsplan worden geen ingrepen in de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het Waddengebied voorgesteld. Het initiatief leidt niet tot aantasting van deze kernkwaliteiten.
Ladder voor Duurzame Verstedelijking
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is duurzame verstedelijking het uitgangspunt. Hiertoe wordt de ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Deze ladder bestaat uit drie treden. In trede 1 wordt actuele regionale behoefte aangetoond en in trede 2 wordt beschreven of de ontwikkeling plaats kan vinden in bestaand stedelijk gebied. Indien het niet mogelijk is om de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te bouwen wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Een plan om vervangende bedrijfsbebouwing te realiseren is, vanwege de kleinschaligheid, geen stedelijke ontwikkeling). Om deze reden is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet van toepassing.
Het provinciale beleid is uiteengezet in het Streekplan "Om de kwaliteit van de romte" (structuurvisie). De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden.
Streekplan Fryslân
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006.
De provincie geeft aan dat het landelijk gebied primair bestemd is voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging en bestaande woon- en werkfuncties en voorzieningen. Voor de andere nieuwe functies, waaronder nieuwe woningen, niet-agrarische bedrijven, detailhandel en andere publiekstrekkende functies, wordt de randvoorwaarde gegeven dat ruimte gezocht moet worden in of aansluitend aan kernen en dat een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd is.
De provincie wil de vitaliteit van het platteland versterken verder door ‘kwaliteitsarrangementen’. Een kwaliteitsarrangement is een concreet project waarin nieuwe passende vormen van wonen, werken, recreëren, verzorging, cultuur, educatie en/of de wijziging van bestaande functies gelijktijdig worden gecombineerd met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied.
In dit wijzigingsplan wordt de vergroting van het bouwvlak mogelijk gemaakt, ten behoeve van uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Er worden geen nieuwe functies op het perceel mogelijk gemaakt, maar slechts een uitbreiding van de bestaande functie. Omdat het gaat om een agrarisch bedrijf in het buitengebied, is dit in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Grutsk op 'e Romte
De provincie zet in op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Hiervoor heeft de provincie op 26 maart 2014 de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' vastgesteld. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied 'Kleigebied Westergo'. Voor dit gebied is een aantal kernkwaliteiten (ofwel: provinciale belangen) aangewezen. Voor dit plan is het stelsel van kwelderwallen met daarop terpen en terpdorpen met daartussen kweldervlaktes van belang. Een belangrijke eigenschap van de kwelderwal is het aanwezige microreliëf, zowel natuurlijk als kunstmatig (akkers en terpen).
De functiewijziging, waarin slechts het bouwvlak vergroot wordt, doet geen afbreuk aan de provinciale belangen zoals uit bijlage 1 blijkt.
Verordening Romte Fryslân
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen.
In artikel 6.1.2 is opgenomen dat in een ruimtelijk plan een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding kan krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 hectare. In dit wijzigingsplan wordt hier toepassing aan gegeven door gebruik te maken van een wijzigingsbevoegdheid. Daarmee is het plan in overeenstemming met de Verordening Romte Fryslân 2014.
Structuurvisie buitengebied Franekeradeel 2010-2020
De gemeenteraad heeft in 2009 een ruimtelijk beleidskader in de vorm van een structuurvisie voor het hele buitengebied vastgesteld om een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied van Franekeradeel mogelijk te maken. Voor een gezonde toekomst van het buitengebied is (planologische) ruimte voor nieuwe ontwikkelingen een noodzaak. Deze ontwikkelingen zijn mogelijk mits zorgvuldig wordt omgegaan met de omgeving en de ontwikkeling samen gaat met het behoud, herstel of zelfs het toevoegen van landschappelijke kwaliteiten.
Het buitengebied van Franekeradeel is hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch gebied. Ontwikkelingen en behoud van deze sector zijn daarom speerpunten van het gemeentelijk beleid. In de landbouw is een belangrijke ontwikkelingsrichting zichtbaar: er is sprake van schaalvergroting naar gespecialiseerde landbouw met grote bedrijven, onlosmakelijk verbonden met een verdergaande afname van het aantal agrarische bedrijven. De ruimtelijke consequenties komen vooral tot uiting in de behoefte aan grotere bouwpercelen en het verschijnen in het landschap van grote bedrijfsbebouwing. De opgave is om de schaalvergroting dusdanig vorm te geven dat nieuwe ruimtelijke kwaliteiten ontstaan en dat bestaande landschappelijke karakteristieken worden gerespecteerd, behouden en waar mogelijk versterkt.
Met dit wijzigingsplan wordt het bouwperceel van een agrarisch bedrijf vergroot. Dit is in overeenstemming met de structuurvisie buitengebied Franekeradeel 2010-2020. In paragraaf 2.4 is opgenomen hoe een erfinrichtingsplan is opgesteld waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden.
Bestemmingsplan Buitengebied
In het geldende bestemmingsplan Buitengebied zijn binnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het bouwvlak te vergroten naar 1,50 hectare en de situering van het bouwvlak te wijzigen. Hier is een aantal voorwaarden aan verbonden. In paragraaf 2.4 is getoetst aan de voorwaarden die hiervoor gelden. Door te voldoen aan deze voorwaarden wordt voldaan aan het gestelde in het gemeentelijk bestemmingsplan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van natuurgebieden. Dit gaat om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. In de provinciale verordening worden gebieden die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) beschermd. De bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het rijksbeleid voor de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologisch Hoofdstructuur).
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 1,3 kilometer afstand, namelijk de Waddenzee. Dit is tevens een NNN-gebied. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied treden geen nadelige effecten op voor deze NNN. Het bedrijf is immers al aanwezig in het gebied en breidt op beperkte schaal uit.
Soortenbescherming
In het voornemen wordt de voormalige bedrijfsbebouwing vervangen en uitgebreid. De bebouwing die vervangen wordt is afgebrand. Het is niet aannemelijk dat zich hier beschermde soorten bevinden. De uitbreiding vindt plaats op gronden die in gebruik zijn als agrarische gronden. Ook hier kan redelijkerwijs gesteld worden dat geen beschermde soorten aanwezig zijn omdat de gronden intensief agrarisch worden gebruikt. Nader onderzoek naar beschermde soorten is daarom niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.
Het plangebied ligt redelijk solitair in het buitengebied. De dichtstbijzijnde functies liggen op grote afstand. Het betreft een woning aan de Hoarnestreek 1 (op circa 180 meter ten westen van het plangebied), het agrarische bedrijf aan de Hoarnestreek 5 (op circa 240 meter ten oosten van het plangebied) en het agrarische bedrijf met bijbehorende woningen aan de Camstrawei 22 (op circa 580 meter ten zuiden van het plangebied). Voor het bedrijf in het plangebied geldt, conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) een richtafstand van 30 meter ten opzichte van bedrijfshindergevoelige objecten. Gezien de ruime afstand tot deze objecten, wordt hier ruimschoots aan voldaan. Nader onderzoek naar milieuzonering is daarom niet noodzakelijk.
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Er is geen sprake van een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is niet onderzoeksplichtig omdat geen geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. De woonfunctie in de voormalige bedrijfswoning houdt deze functie en er worden geen woningen toegevoegd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. Het wegverkeerslawaai is daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20171121-2-16467). De uitkomst hiervan is dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Hierop heeft het Wetterskip een wateradvies afgegeven, waarop wordt ingegaan op de wateraspecten en aandachtspunten die gelden voor dit plan. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als bijlage 2.
Wetterskip Fryslân geeft in haar wateradvies aan dat voor de ontwikkeling in het wijzigingsplan watercompensatie dient plaats te vinden op het perceel, van in totaal 525 m2. Hierin wordt voldoende voorzien door de aanleg van de sloot rondom het perceel en de vijver op het noordelijke deel van het perceel. Wel zal er rekening moeten worden gehouden met de erfafspoeling. Er mogen geen verontreinigende stoffen in het nieuw gecreëerde oppervlaktewater terecht komen. Het volledige wateradvies is opgenomen als bijlage 3.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2015) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit.
Franekeradeel kent ter plaatse van de locatie in het plangebied geen knelpunten met betrekking tot luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn bovendien dusdanig van schaal en aard dat na realisatie ervan de maatgevende waarden niet overschreden worden.
Archeologie
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
Volgens deze kaart is er geen kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode steentijd-bronstijd. Archeologisch onderzoek met betrekking tot deze tijdsperiode is dan ook niet noodzakelijk. Wel bestaat een kans op archeologische resten uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen groter dan 500 m2.
De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing betreft een ontwikkeling met een oppervlakte groter dan 500 m2. Daarom is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. De resultaten uit het onderzoek zullen worden verwerkt in deze paragraaf.
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een wijzigingsplan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied.
De boerderij in het plangebied is van cultuurhistorische waarde. Het gebouw is aangewezen als 'karakteristiek' in het geldende bestemmingsplan. Dit houdt in dat voor bepaalde werkzaamheden aan de boerderij een vergunning noodzakelijk is. Met dit wijzigingsplan worden geen aanpassingen aan de boerderij voorgesteld. Ook in dit wijzigingsplan blijft de genoemde aanduiding van toepassing. Hiermee wordt het monument en daarmee de cultuurhistorische waarden behouden.
Daarnaast betreft het plangebied een kruinig perceel, een prominent cultuurhistorisch landschapstype in de omgeving. Door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen' blijft dit beschermd.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functie gebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.'
Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding en vervangen van de bedrijfsbebouwing. De uitbreiding van de bedrijf vindt plaats op agrarische gronden een groot deel komt binnen het bestaande bouwvlak. Op deze gronden hebben geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de bodem niet van voldoende kwaliteit is voor de bedrijfsuitbreiding. Nader onderzoek is voor het wijzigingsplan niet noodzakelijk.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
Risicorelevante inrichtingen
Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is. De dichtstbijzijnde inrichting ligt op circa 1.500 meter ten westen van het plangebied aan de Hoarnestreek 10. Het betreft Jorritsma Beheer B.V. Voor deze inrichting geldt een richtafstand van 50 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Vervoer gevaarlijke stoffen
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van transportroutes voor gevaarlijke stoffen.
Risicovolle buisleidingen
Ten westen van het plangebied is sprake van een bundeling van drie buisleidingen. Het betreffen drie aardgasleidingen met een diameter van 6 inch en een maximale werkdruk van 4.000 kpa Voor dergelijke buisleidingen geldt een richtafstand van 70 meter. De buisleidingen liggen op een afstand van circa 900 meter van het plangebied. Daarmee wordt ruim voldaan aan deze afstanden.
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
In en rond het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarmee met dit wijzigingsplan rekening gehouden dient te worden. Wel kunnen er enkele kleinere huisaansluitingen voor bijvoorbeeld gas, water en riool zijn. Met de uitvoering van de plannen wordt met deze leidingen rekening gehouden. Voor het bestemmingsplan behoeven deze leidingen geen bescherming. Daarnaast loopt door het plangebied een radarverstoringsgebied met daarbij een verbod op bouwwerken hoger dan 65 meter. Met dit wijzigingsplan worden dergelijke bouwwerken niet mogelijk gemaakt.
Verbeelding
Een bijbehorende verbeelding maakt deel uit van dit wijzigingsplan Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied.
Regels
De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied 2013. zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan. De bestemmingsregels die van toepassing zijn op het plangebied van het wijzigingsplan betreffen in dit geval: de bestemmingen 'Agrarisch', Waarde - Reliëf kwelderwal, terpen en kruinige percelen', de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf', de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' en de bouwaanduiding 'karakteristiek'.
Het wijzigingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. In paragraaf 6.1 volgt een nadere toelichting.
Daarnaast is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Hier wordt in paragraaf 6.1 ingegaan.
In de voorbereidingsfase wordt wettelijk overleg gevoerd over het plan. Betrokken overlegpartners als de provincie en het waterschap worden bij dit overleg betrokken.
Het ontwerpwijzigingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze zes weken is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijzen tegen het ontwerpwijzigingsplan kenbaar te maken. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
De vaststelling van dit wijzigingsplan wordt vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders bekend gemaakt en ter inzage gelegd. Tegen het besluit is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De initiatiefnemers hebben aangetoond dat het plan financieel haalbaar is.
Kostenverhaal
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
Het voornemen betreft een particulier initiatief. Voor dit voornemen wordt geen anterieure overeenkomst gesloten. De kosten worden gedekt van de door de initiatiefnemer te betalen legeskosten.