| Plan: | Marsum - Rypsterdyk 50 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1949.BPMsmRypsterdyk50-VAS1 |
Het voornemen bestaat om aan de Rypsterdyk 50 te Marsum, gemeente Waadhoeke een manege te realiseren. In een eerder stadium is hiervoor een vergunning afgegeven, maar dit is niet opgenomen in een daarna vastgesteld bestemmingsplan of beheersverordening. Daarnaast is op basis van een verleende vergunning een tweede woonruimte op het perceel mogelijk gemaakt. Ook dit is nog niet opgenomen in een geldende planologische regeling.
Om zowel de manege als de tweede bedrijfswoning juridisch-planologisch goed te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.
De locatie is gelegen aan de Rypsterdyk 50 in Marsum en ligt in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke (voormalig gemeente Menameradiel). In figuur 1.1 is de ligging van het perceel ten opzichte van de omgeving weergegeven.
figuur 1.1 ligging plangebied
Voor het plangebied geldt de beheersverordening Buitengebied. Deze is vastgesteld op 28 september 2017. Een uitsnede van deze beheersverordening ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2. In de beheersverordening zijn onderliggend de planologische mogelijkheden zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied van toepassing verklaard. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 februari 2007.
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding beheersverordening Buitengebied
Conform het voormalige bestemmingsplan Buitengebied geldt de bestemming 'Landelijk gebied'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor onder meer de uitoefening van een agrarisch bedrijf, natuur en landschap, recreatie, verkeer, wonen en voorzieningen ten behoeve van paarden- en ponysport, uitsluitend voor zover de gronden op de plankaart zijn aangegeven met 'Manege'. De eerste bedrijfswoning is aangegeven met de aanduiding 'woonboerderij'.
Het was de bedoeling dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied in 2007 naast de aanduiding 'woonboerderij' ook de aanduiding 'manege' op de kaart zou worden gezet. Dit is echter niet gebeurd. Dit betekent dat het perceel nog steeds alleen de aanduiding 'woonboerderij' heeft op de plankaart.
In 2014 is een permanente reguliere bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een (kap)schuur tot woonruimte. Dit betekent dat er een tweede woning is. Deze laatste wijziging is ook nog niet verwerkt, omdat er nog geen nieuw bestemmingsplan Buitengebied is.
Binnen de beheersverordening is de bestaande situatie vastgelegd, waardoor het realiseren van een manege niet is toegestaan. Om dit toch mogelijk te maken is dit bestemmingsplan noodzakelijk.
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) en het juridisch-planologisch regelen van de wenselijke situatie zijn de belangrijkste uitgangspunten voor dit bestemmingsplan en worden in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen.
Het perceel van het plangebied, Rypsterdyk 50, is gelegen ten noorden van de percelen Rypsterdyk 44 en Rypsterdyk 48 (figuur 2.1) Via de toegang van Rypsterdyk 48, is het mogelijk bij Rypsterdyk 50 te komen.
Figuur 2.1 Kavels plangebied
In de huidige situatie is het perceel ingericht met een woning en een manege. Deze bebouwing is in het noordwestelijke deel van de kavel gesitueerd. De erfafscheiding van het betreffende perceel bestaat grotendeels uit beplanting van bomen en struiken. In figuur 2.2 is de huidige situatie op de kavel van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.2 Huidige situatie
In de beoogde situatie wordt een manege gerealiseerd op de kavel van het plangebied. Dit is in figuur 2.3 aangegeven. De huidige manege, die in 2004 via een artikel 19 lid 1 procedure is gerealiseerd zal worden afgebroken en een nieuwe manege zal worden gerealiseerd.
Figuur 2.3 Nieuwe situatie
De nieuwbouw van de manege bestaat uit een gedeelte met paardenboxen en een gedeelte met een paardenbak, 29 paardenboxen en ruimte voor opslag voor hooi en stro. Het voornemen is dat de nieuwe manege als volwaardige manege in gebruik wordt genomen. Er zullen daarmee bijvoorbeeld ook hippische evenementen en activiteiten kunnen plaatsvinden. In figuur 2.4 zijn impressies van de nieuwe manege weergegeven.
Figuur 2.4 Impressies van de nieuwe manege
Daarnaast is reeds met een vergunning de bouw van een tweede woning in de bestaande schuur op het perceel toegestaan. Dit is echter niet aangeduid in het bestemmingsplan. Daarom zal deze tweede bedrijfswoning ook in dit bestemmingsplan worden opgenomen.
Verkeer en parkeren
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer
Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Rypsterdyk. Deze ontsluiting vindt plaats via de kavel van de Rypsterdyk 48. Deze ontsluiting zal niet veranderen bij realisatie van het plan.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
De verkeersgeneratie bedraagt in de nieuwe situatie 135 motorvoertuigen per etmaal op basis van publicatie 381. Dit geringe aandeel extra verkeer wikkelt zich af over de toegangsrit, de Rypsterdyk en de N383 en zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling.
Parkeren
De parkeerbehoefte van de manege en de twee bedrijfswoningen bedraagt 17 parkeerplaatsen, op basis van publicatie 381. Dit is berekend op basis van de kencijfers uit deze publicatie gerekend naar de oppervlakte van de manege en de aanwezigheid van de twee woningen. Er is op eigen terrein ruim voldoende ruimte om hierin te voorzien. Er is geen sprake van afwikkeling van parkeerplaatsen op omliggende terreinen.
Conclusie
De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren. Het aspect verkeer staat het plan dan ook niet in de weg.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Eén van de aspecten die is opgenomen, betreft de zones rond radarstations. Door het plangebied loopt een radarverstoringsgebied. Er geldt hierbij een verbod op bouwwerken hoger dan 31 meter. Met dit bestemmingsplan worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt die hoger zijn. Het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan
Ladder voor Duurzame Verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In 2017 is de Ladder herzien. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
In dit bestemmingsplan wordt de aanwezigheid van een tweede bedrijfswoning en de aanleg van een manege planologisch geregeld op een reeds aanwezig en ingericht perceel. Voor beide functies zijn in het verleden vergunningen verleend. Daarom is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk.
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.
Structuurvisie Grutsk op 'e Romte
Op 1 april 2014 is de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte vastgesteld. In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen.
De beoogde ontwikkeling betreft een perceelsgebonden ontwikkeling. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren in de omgeving worden met dit plan niet aangetast. De nieuwe bebouwing valt binnen de bestaande landschappelijke inpassing van het perceel. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met het beleid uit de structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
Verordening Romte Fryslân
De Verordening Romte Fryslân 2014 (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt regels aan ruimtelijke plannen en projecten. Het belangrijkste uitgangspunt van de verordening is zorgvuldig ruimtegebruik.
Met betrekking tot hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen en aanvullende nieuwbouw wordt in artikel 1.2.1 ad 4b. gesteld dat plaatsing, omvang, vorm en het gebruik van de gebouwen passen in de karakteristiek van de omgeving. Bij de planontwikkeling zal dus rekening moeten worden gehouden met de beeldelementen die bepalend zijn voor de omgeving. In het geval van de nieuwbouw van de manege is het beeldbepalend karakter van de omgeving van minder groot belang, omdat er sprake is van een 'naar binnen gerichte' ontwikkeling van het perceel.
In artikel 6.5.1 is aangegeven dat een ruimtelijk plan voor landelijk gebied een nieuw bouwperceel kan bevatten voor een gebruiksgerichte paardenhouderij als er sprake is van een economisch levensvatbare bedrijfsontwikkeling en de paardenhouderij landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving. In de verordening is aangegeven dat een manege valt onder de gebruiksgerichte paardenhouderij. In de huidige situatie is reeds een manege gevestigd. Gezien het gebruik en de ontwikkeling van deze manege is er behoefte aan uitbreiding. Er zal dus sprake zijn van een levensvatbare onderneming. De landschappelijke, milieutechnische en verkeerskundige aspecten komen aan de orde in hoofdstuk 4.
De locatie ligt binnen de grenzen van Beheersverordening Buitengebied Menameradiel. Deze beheersverordening is vastgesteld op 28 september 2017. Met deze beheersverordening is het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied uit 2007 geconsolideerd. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 februari 2007 en goedgekeurd op 25 september 2007.
Vanuit de gemeente is er geen specifiek beleid met betrekking tot de ontwikkeling in het plangebied. In het algemeen is het gemeentelijk beleid gericht op het realiseren van een goede ruimtelijke ordening. In de toelichting op dit plan wordt gemotiveerd dat dit plan geen afbreuk doet aan de ruimtelijke ordening. Daarmee is het plan in overeenstemming met de uitgangspunten van gemeentelijk beleid.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden. Dit gaat om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. In de provinciale verordening worden gebieden die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) beschermd. De bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wnb.
Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het rijksbeleid voor de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologisch Hoofdstructuur).
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, De Grote Wielen, ligt op circa 10 kilometer afstand ten oosten van het plangebied.
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Grote Wielen is niet gevoelig voor stikstof. Op een grotere afstand (circa 14,5 kilometer) ligt het dichtstbijzijnde stikstof gevoelig gebied De Alde Feanen. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve niet worden uitgesloten.
Stikstofdepositie
In het kader van dit bestemmingsplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen sprake is van resultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar. Zodoende is aangetoond dat geen sprake is van significante stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en het gebruik van de paardrijhal. Daarmee zijn geen maatregelen noodzakelijk. De berekening is opgenomen als bijlage 1.
Soortenbescherming
De soortenbescherming vindt primair plaats via de nieuwe Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet mogen geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfplaatsen), die in de wet zijn aangewezen, worden verstoord. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV, zoals vleermuizen, van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. De verblijfplaatsen van beschermde soorten mogen niet negatief worden beïnvloed door bouwactiviteiten.
In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Een deel van het plangebied is reeds bebouwd. Het gebied ter plaatse van de te nieuw te bouwen manege is ingericht als grasland. De kans dat hier beschermde soorten aanwezig zijn, gezien de inrichting en ligging van het plangebied, is redelijkerwijs als nihil in te schatten. Bovendien is het huidig gebruik van het plangebied dusdanig dat er overdag personen aanwezig zijn, waardoor het gebied onaantrekkelijk is voor beschermde soorten om te foerageren en te verblijven. Het gebied maakt bovendien geen deel uit van weidevogelleefgebied.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.
In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.
Toetsing
In de VNG-richtafstandenlijst wordt een minimale afstand van 50 meter gehanteerd tussen een manege en omliggende woningen in een rustig buitengebied. Deze afstand wordt behaald. De tweede bedrijfswoning behoort bij de manege, waardoor de richtafstanden niet van toepassing zijn.
Gezien het feit dat gemeente Menaldumadeel destijds een vergunning heeft verleend voor het bouwen van een manege en het toestaan van een tweede bedrijfswoning, is er nu geen sprake van een functiewijziging. Het moet alleen nog planologisch-juridisch worden vastgelegd.
Het milieuaspect milieuzonering vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Toetsingskader
De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.
Toetsing
De tweede bedrijfswoning is wel een geluidsgevoelig object, maar in het kader van de omgevingsvergunning heeft deze toetsing reeds plaatsgevonden. Er is in dit plan geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige functie. De manege is niet een geluidgevoelig object. Er hoeft geen akoestisch onderzoek plaats te vinden.
Toetsingskader
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Toetsing
Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (dossiercode: 20200318-2-22772). De uitkomst van deze toets is dat het plan geen invloed heeft op het watersysteem en de waterketen. Hierdoor kan de procedure geen waterschapsbelang worden gevolgd voor de watertoets.
Waterkwantiteit
Door de ruimtelijke ontwikkelingen neemt wel de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Het Waterschap geeft aan dat door deze toename als gevolg heeft dat het hemelwater sneller wordt afgevoerd. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het waterschap geeft aan dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra
oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel.
In de Leidraad watertoets staat meer informatie over compenserende maatregelen. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
| Gebied | Landelijk (>1500 m2) |
| Boezem | 5% |
| Polder | 10% |
| Vrij afstromend | Maatwerk mogelijk |
Toelichting tabel
- 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem;
- de algemene regels keur zijn in de tabel verwerkt;
- maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
In dit geval wordt overtollig water afgevoerd naar naastgelegen oppervlaktewater.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier zal in de uitvoeringsfase rekening mee moeten worden gehouden.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone.
Toetsingskader
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Toetsing
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit.
De gemeente Waadhoeke kent ter plaatse van de locatie in het plangebied geen knelpunten met betrekking tot luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn bovendien dusdanig van schaal en aard dat na realisatie ervan de maatgevende waarden niet overschreden worden. Bovendien is het plan van dusdanige kleine omvang dat deze valt onder het Besluit Niet In Betekenende Mate. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
Archeologie
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
Toetsing
Volgens deze kaarten is voor de periode steentijd-bronstijd geen onderzoek noodzakelijk is. Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen is een karterend onderzoek 1 noodzakelijk. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. De nieuw te bouwen manege krijgt een grotere oppervlakte dan 500 m2, maar wordt niet over de gehele oppervlakte de bodem dieper dan 30 centimeter geroerd. Ter plaatse van de rijbak zal dit bijvoorbeeld niet het geval zijn. Daarom worden de grenswaarden voor archeologisch onderzoek niet overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Om ervoor te zorgen dat de archeologische waarden binnen het plangebied beschermd blijven, is in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. In de regeling is, overeenkomstig met het FAMKE, opgenomen dat bij ruimtelijke ingrepen van meer dan 500 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Cultuurhistorie
Vanaf 1 januari 2012 geldt dat ook de bovengrondse cultuurhistorische gegevens dienen te worden afgewogen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan wordt de voorwaarde gesteld dat de facetten betreffende historische (steden)bouwkunde en historische geografie worden betrokken in de belangenafweging. Volgens de wetgever gaat het hierbij zowel om beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Toetsing
Om te onderzoeken of er sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân. Hieruit komt naar voren dat er geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen - of in de buurt van - het plangebied.
Toetsingskader
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gronden waarvan bekend is dat de milieuhygiënische kwaliteit onvoldoende is, worden toegewezen aan functies die daarvoor gevoelig zijn.
Toetsing
Een tweede bedrijfswoning is een bodemgevoelig object, maar hiervoor is in een eerder stadium al een vergunning verleend. De bodem is destijds geschikt gevonden voor het voorgenomen gebruik.
Ook de manege is een bodemgevoelig object, omdat er verwacht wordt dat er dagelijks langer dan 2 uur mensen in het gebouw aanwezig zijn. In het kader van de vergunningaanvraag voor de bouw van de manege dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd indien dit het geval is.
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Toetsing
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan mer-plichtig, project mer-plichtig of mer-beoordeling plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten.
Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Toetsing
Bij de realisatie van een manege gaat het om een perceelsgebonden ontwikkeling waarbij geen infrastructurele ingrepen worden gedaan. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Daarom is het ook niet noodzakelijk om een mer-beoordelingsnotitie op te stellen.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
De juridisch-planologische regeling bestaat voor dit plan uit één enkelbestemming en een dubbelbestemming.
Bedrijf - Manege
De bestemming voor het plangebied is 'Bedrijf - Manege'. Deze bestemming is op de verbeelding en in de regels opgenomen en specifiek toegespitst op het perceel en in overeenstemming gebracht met de manier van regelen binnen de gemeente Waadhoeke. De maximale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen is op 2.800 m2 gezet om de bouw van de voorgenomen manege mogelijk te maken. De twee woningen zijn als bedrijfswoningen binnen de bestemming toegestaan, binnen het bouwvlak. De maximale hoogte van de manege is 12 meter en de goothoogte 4,50 meter.
Waarde - Archeologie
Om de archeologische waarden in het gebied een beschermende regeling te bieden, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Hierin is, in overeenstemming met het FAMKE, opgenomen dat voor ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm in de bodem een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Inspraak en overleg
Het bestemmingsplan is eerst als voorontwerp aan overlegpartners en belanghebbenden ter inzage gelegd. Tevens zijn de direct omwonenden nauw betrokken in de totstandkoming van de planvorming.
Hierop is een overlegreactie binnen gekomen van de Provincie Fryslân. Deze reactie is opgenomen in bijlage 2. In de overlegreactie stelt de provincie dat, in het kader van het compact houden van de bebouwing, zij mogelijkheden zien om de rijhal te bouwen ter plaatse van de huidige rijbakken en de rijbakken vervolgens naar het zuiden te verplaatsen.
In reactie hierop is dit met de initiatiefnemer besproken. De initiatiefnemer stelt echter dat een dergelijke inrichting van het perceel, als voorgesteld door de provincie, niet optimaal is. Wanneer de stal richting het noorden wordt verschoven wordt het in- en uitrijden met de paarden en de trailers bemoeilijkt. Ook moet dan de huidige paardenbak verschoven worden, hetgeen voor extra kosten zorgt. Bovendien is het voornemen om deze te kunnen blijven gebruiken tijdens de bouw van de nieuwe rijhal. Om de bebouwing toch zo compact mogelijk te houden is de nieuwe rijhal direct ten zuiden van de rijbak geplaatst.
Op basis van bovenstaande motivering worden daarom geen wijzigingen in het plan aangebracht als gevolg van de overlegreactie van de provincie.
Zienswijze
Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststelling
Het bestemmingsplan is vervolgens gewijzigd vastgesteld. Vanwege de herkenbaarheid en conform de gebruikelijke wijze voor wat betreft de publicatie van ruimtelijke plannen is de IMRO-codering aangepast.
Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De noodzaak om een bestemmingsplan op te stellen was om zowel de manege als de tweede bedrijfswoning juridisch-planologisch goed te kunnen regelen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de nieuwbouw van een manege, moet de financiële haalbaarheid worden getoetst.
Grondexploitatie
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.