| Plan: | Kom Schijndel 2013, herziening Langstraat 14a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1948.SCH001BP0022022P-VG01 |
Aan de Langstraat 14A is kinderopvang De Vlieger gevestigd. De kinderopvang bestaat uit een gebouw dat als kinderdagverblijf voor de kleinste kinderen in gebruik is genomen en tijdelijke units voor buitenschoolse opvang (BSO).
Er is een groot buitenterrein aanwezig dat wordt gebruikt als speeltuin en voor het parkeren van auto's.
Gebleken is dat er permanent behoefte is aan BSO ruimte. Voorliggende bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak ter plaatse van de units, om in die permanente behoefte te kunnen voorzien.
Aan de Langstraat 14 is een woning aanwezig die in eigendom is bij initiatiefnemer. Het betreft het perceel kadastraal bekend Schijndel sectie F 2207 en F 2208. De percelen van de woning zijn in het plan betrokken omdat het plan voorziet in een verschuiving tussen beide functies.
Het perceel Schijndel F 2190 heeft momenteel de bestemming Maatschappelijk - 1, gelijk aan de kinderopvanglocatie, maar is hiervoor niet in gebruik. Met voorliggende bestemmingsplan wordt de bestemming Maatschappelijk - 1 omgezet naar Wonen. Tezamen met de percelen Schijndel sectie F 2207 en F2208 wordt zodoende één bestemmingsvlak Wonen gevormd.
Het plan is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan "Kom Schijndel 2013".
De voorliggende herziening voorziet er in dat de bestaande situatie in de toekomst kan blijven bestaan.
Het plangebied is gesitueerd aan de zuidkant van Schijndel, ten zuiden van de Langstraat. Aan de Langstraat is woonbebouwing gelegen in een lintstructuur.
Het plangebied betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Schijndel, sectie F, nummers 2190, 2191, 1926, 2207 en 2208. De oppervlakte van deze percelen tezamen is ruim 2 hectare.
Het plangebied heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Kom Schijndel 2013’, vastgesteld door de raad op 9 oktober 2014 de bestemming “Wonen”, "Maatschappelijk - 1" en "Tuin".
Binnen deze bestemmingen is voor wat betreft de bebouwing en het gebruik het volgende toegestaan:
Afbeelding verbeelding geldend bestemmingsplan (bron: www.pdok.nl)
Het voornemen bestaat om de tijdelijke units te vervangen voor een permanent gebouw met een oppervlak van 270 m2. Gewenst is verder om de gronden van perceel kadastraal bekend gemeente Schijndel sectie F nummer 2190 te kunnen gebruiken als tuin bij de woning Langstraat 14.
De voorgenomen plannen voor het plangebied zijn in strijd met dit bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan vormt een passend juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling.
In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieu-planologische haalbaarheid. In hoofdstuk 6 en 7 worden respectievelijk de juridische planopzet en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.
In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De SVIR biedt een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het Rijk schetst in de SVIR zijn ambities voor 2040 om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. Deze ambities zijn in de SVIR als volgt vertaald in (rijks)doelen, -belangen en -opgaven voor de middellange termijn tot 2028:
Het Rijk verplaatst in de SVIR bevoegdheden op het gebied van ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid naar de provincie en de gemeenten, bijvoorbeeld voor wat betreft verstedelijking, landschap en natuur. In de SVIR is vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. De gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering passend binnen provinciale kaders. Ook zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningprogramma's. In de SVIR geeft het Rijk aan dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie op regionaal niveau evenals de behoeften van bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Daardoor zijn zij beter in staat om regionale beleidsafwegingen te maken.
Conclusie
Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de SVIR. Het initiatief past dan ook binnen de beleidskader van de SVIR.
Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), geactualiseerd in juni 2017. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".
Ten aanzien van het vorenstaande wordt opgemerkt dat de Raad van State in diverse uitspraken richting heeft gegeven aan wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden verstaan. In een uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319) heeft de Raad van State geoordeeld dat een planologisch beslag op de ruimte moet worden beschouwd in relatie tot het bestemmingsplan. Het project waar de uitspraak op zag betrof niet een nieuw kantoorpand, maar de uitbreiding van een bestaand kantoorpand en deze uitbreiding is voorzien op gronden met de bestemming "Kantoor".
Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet het plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)).
Conclusie
Onder een stedelijke ontwikkeling valt 'andere stedelijke voorzieningen'. In de uitleg bij de ladder wordt onder een 'andere stedelijke voorziening' accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure verstaan. Hier valt dit plan onder. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een nieuw gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m2, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.
Het planvoornemen is er op gericht om de BSO units te vervangen door 270 m2 permanente gebouwen. De uitbreiding van gebouwen ten opzichte van de bestaande situatie met 252 m2 (tijdelijk vergunde) units bedraagt daarmee 18 m2. De ontwikkeling is derhalve niet voldoende substantieel om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Ondanks dat de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Op dit moment worden met tijdelijke vergunning gerealiseerde units als locatie voor de opvang gebruikt. Hieruit blijkt dat er behoefte is naar de uitbreiding omdat de tijdelijke units niet voor permanent gebruik bedoeld waren en slechts met het oog op een tijdelijke basis hiervoor in gebruik zijn genomen. De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient ook met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden uit om te voorzien in de concrete behoefte uit de markt. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft het Rijk de juridische kaders die nodig zijn voor het beleidsmatig borgen van het ruimtelijk rijksbeleid. Het Rijk heeft het Barro vastgesteld op 22 augustus 2011. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Conclusie
Onderhavig projectgebied is niet gelegen binnen de in de door het rijk aangeduide gebieden met een nationaal belang. Het Barro heeft zodoende geen consequenties voor dit plan.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld.In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.
De ruimtelijke verordening bevat instructieregels die gemeenten moeten toepassen bij de uitoefening van ruimtelijke bevoegdheden, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, beheerverordening, wijzigings- en uitwerkingsplan of de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het werken met instructieregels borgt enerzijds de provinciale belangen en biedt anderzijds meer afwegingsruimte aan gemeenten om eigen beleid te voeren dan onder de systematiek van de oude WRO mogelijk was.
Een relevant uitgangspunt van de verordening is dat getracht moet worden zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te bouwen, dan wel in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Met bestaand stedelijk gebied wordt reeds bestaande bebouwing bedoeld, maar ook bijvoorbeeld inbreidingslocaties. Zoekgebieden zijn die gebieden waar, indien er toch uitbreiding noodzakelijk is, uitbreiding als verantwoord wordt beschouwd.
Het plangebied valt binnen het stedelijk gebied (landelijke kern) en heeft de aanduidingen stalderingsgebied, verbod uitbreiding veehouderij, diep grondwaterlichaam en normen wateroverlast.
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing:
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Daarnaast zijn de volgende artikelen van toepassing op voorliggend initiatief:
Artikel 3.5 - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing.
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing en voldoet zodoende aan een zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 3.6.
Voor wat betreft de regionale afspraken wordt verwezen naar paragraaf 2.1.2 (Ladder voor duurzame ontwikkeling). Ten aanzien van de gebruiksfunctie wordt tevens verwezen naar hetgeen hieromtrent beschreven is in het gemeentelijk beleid in paragraaf 2.3. Hierin is met name inzicht verschaft in de ambitie voor het bestaand stedelijk gebied. Dat komt neer op het beschermen van de leefbaarheid in de kernen en eventuele herstructurering aan de hand van de ladder van duurzame verstedelijking. Het planvoornemen voorziet daarin.
Het planvoornemen voorziet vervanging van een reeds bestaand tijdelijk gebouw en is daarmee een goed voorbeeld van een duurzame ontwikkeling.
De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie Ruimte en Welstandsbeleid. Per 1 januari 2017 zijn de gemeenten Veghel, Sint Oedenrode en Schijndel gefuseerd tot één gemeente: Meierijstad. Vooralsnog hebben de meeste beleidsdocumenten betrekking op slechts de kernen of de omvang van de voormalige gemeenten.
De Structuurvisie Ruimte (vastgesteld d.d. 31 mei 2012) heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen. Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie legde de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast.
Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt:
De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn.
De zeven thema’s zijn:
Voor onderhavig plan zijn geen relevante beleidsuitgangspunten van belang.
Met de Welstandsnota Meierijstad 2018 wil de gemeente bereiken dat:
De welstandsnota geeft derhalve richting aan het gewenste gemeentelijke welstandsbeleid en geeft inzicht in de architectonische kwaliteit van de verschillende gebieden en de criteria die welstand hanteert bij de toetsing van bouwaanvragen.
Het welstandsniveau geeft aan hoe intensief er door de welstandscommissie in een bepaald gebied getoetst wordt. In een historisch waardevolle omgeving zal een hoger welstandsniveau worden vastgesteld dan in een omgeving zonder duidelijk waardevolle bebouwingskarakteristiek.
Bij nieuwe ontwikkelingen in de bestaande bebouwde omgeving wordt van initiatiefnemers verlangd dat zij voor het bouwinitiatief een beeldkwaliteitsplan of beeldkwaliteitsparagraaf laten opstellen. Alleen wanneer voldaan wordt aan onderstaande randvoorwaarden, kan nieuwbouw worden voorgesteld zonder beeldkwaliteitsplan:
Het plangebied wordt door de inrichting voldoende afgeschermd van de directe omgeving. Hierom kan een beeldkwaliteitplan achterwege blijven.
Het plangebied is gelegen in het zuiden van de kern Schijndel en valt binnen de bestaande bebouwde kom.
De kern Schijndel wordt het eerst genoemd in 1299, als ‘Scinle’. Als nederzettingsvorm is Schijndel in eerste instantie een samengesteld lintdorp. Dit betekent dat naast de hoofdweg een secundaire wegenstructuur is ontstaan, welke parallel loopt aan de Hoofdstraat.
Schijndel is in tegenstelling tot veel omliggende dorpen, niet ontstaan door de ligging aan een rivier, maar door de ligging aan de handelsweg tussen ’s-Hertogenbosch en Eindhoven. Mogelijk bestaat de Hoofdstraat al sinds de Romeinse tijd.
Landbouw en ambachtelijke nijverheid (zoals de klompenmakerij) zijn tot ver in de twintigste eeuw de hoofdbron van inkomsten geweest. Vervolgens hebben verschillende industrieën de overhand gekregen, met name kousen en kaarsen werden gefabriceerd in Schijndel.
Een stuk ten oosten van het plangebied ligt de Europalaan, dit is één van de belangrijkste ontsluitingswegen van het zuidelijke gedeelte van de kern Schijndel.
Het plangebied wordt in het zuiden begrensd door het spoortracé het ‘Duits lijntje’. In 1873 werd Schijndel ontsloten aan het spoor. Jarenlang reden er over deze spoorlijn treinen naar Duitsland. In de tweede helft van de jaren ’50 werd de spoorlijn echter opgeheven uit economische overwegingen.
Ten noorden van het plangebied ligt de Langstraat en de hieraan gelegen woning Langstraat 10 en 12.
Kinderdagverblijf de Vlieger is 1997 gestart in Schijndel. Met twee locaties in de Julianastraat en op de Hertog Jan II laan. Door de snelle groei van het bedrijf moest er worden uitgezien naar een groter gebouw. Voorkeur was een grote buiten speelruimte.
In 2002 is het huidige pand aangekocht vanwege de ideale locatie met een veel buitenruimte (speelbos).
Het hoofdgebouw dateert uit 1980. In de Langstraat zijn destijds op meerdere percelen gelijkwaardige bedrijfsgebouwen ontstaan (achter de eerstelijnsbebouwing).Het gebouw was voorheen in gebruik als groothandel in leerproducten en had eerder al dienst gedaan als paardenstal, automatiseringsbedrijf en electrogroothandel.
Na een grondige verbouwing was in december 2002 het gebouw klaar als kinderdagverblijf.
Al snel bleek dat er meer behoefte was aan kinderopvang en buitenschoolse opvang in Schijndel. Tijdelijk is toen het woonhuis gebruikt voor opvang en in 2008 zijn er units geplaatst voor uitbreiding van het bedrijf.
Op het perceel bevindt zich momenteel aan één oprit een woning met tuin (Langstraat 14), en aan de andere oprit, achter de woningen Langstraat 10 en 12 bevindt zicht het hoofdgebouw en de units van kinderopvang De Vlieger (in gebruik voor respectievelijk kinderdagverblijf en BSO).
Kinderdagverblijf en BSO De Vlieger, op de voorgrond de parkeerplaats (rechterdeel)
Er is een ruime parkeerplaats voor maximaal 30 auto's aanwezig.
Parkeerplaats linkerdeel (voor BSO en kinderdagverblijf)
Achter de woning aan Langstraat 14 is een grote vijver aanwezig, welk is omheind en daarmee afgesloten van de kinderopvang.
Perceel Schijndel sectie F nummer 2190 met vijver (behorende bij woning Langstraat 14)
Het planvoornemen is er op gericht om de BSO units te verbouwen of te vervangen door 270 m2 permanente gebouwen (op onderstaande figuur rood gearceerd ingetekend). Daarvoor dient een bouwvlak met een oppervlak van 270 m2 te worden toegevoegd. De uitbreiding van gebouwen ten opzichte van de bestaande situatie met 252 m2 (tijdelijk vergunde) units bedraagt daarmee 18 m2.
Het bestemmingsvlak van de woning Langstraat 14 komt in het huidige bestemmingsplan niet overeen met de bestaande situatie, en wordt daarmee in overeenstemming gebracht.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering
In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.
Omgevingstype
In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, gereduceerd kunnen worden.
Onderzoek
Gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (kinderdagverblijven) zijn aangewezen als een geluidgevoelig gebouw. Hierom dient beschouwd te worden of ter plaatse van het toekomstige bouwvlak sprake zal zijn van een aanvaardbaar verblijfsklimaat, tevens of dat hiermee nabijgelegen bedrijven belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Ten zuiden van het perceel ligt bedrijventerrein Rooiseheide. Ter hoogte van het plangebied zijn uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3.1 als opgenomen in de bij de regels als bijlage gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. De bijbehorende richtafstand bedraagt 30 meter in gemengd gebied. Aan de richtafstand tussen het bedrijventerrein en het bouwvlak voor de kinderopvang wordt met 66,5m ruimschoots voldaan.
Voor een kinderopvang geldt op basis van de VNG richtafstandenlijst een richtafstand van 10 meter voor geluid in gemengd gebied. De richtafstanden zijn de afstanden van een inrichtings-/bedrijfsgrens tot het bouwvlak waarin de gevel van een gevoelig object kan worden gebouwd.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden gemotiveerd dat ter hoogte van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Door de functiewijziging van gronden binnen het plangebied naar Wonen zal de grens van de inrichting verkleinen. Dit komt de hinder op de omgeving slechts ten goede. Met de woonbestemming worden geen gevoelige objecten toegevoegd omdat de gronden worden gebruikt als extra tuin bij een bestaande woning.
Ten opzichte van andere woningen verandert afstand tussen de maatschappelijke bestemmingen de woonbestemming niet. De bestemmingen blijven aan elkaar grenzen. De afstand tussen de bestemmingen is 0m. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is bijgevoegd in Bijlage 1
Ten behoeve van het onderzoek zijn geluidberekeningen verricht, conform de eisen uit de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai (HMRI-II). De optredende geluidniveaus in de omgeving van de inrichting zijn bepaald middels overdrachtsberekeningen volgens de specialistische methode uit de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.
Toetsing goede ruimtelijke ordening
Uit de berekeningen blijkt dat het kinderdagverblijf zowel ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT als het maximaal geluidniveau LAmax voldoet aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Toetsing Activiteitenbesluit
Uit de berekeningen blijkt dat het kinderdagverblijf zowel ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT als het maximaal geluidniveau LAmax voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit
Door het plan worden enerzijds de bestaande bedrijven in de directe omgeving niet belemmerd in hun activiteiten en vergunde rechten. Tevens wordt anderzijds ter plaatse van het plangebied een voldoende woon- en leefklimaat gewaarborgd.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. Het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer, beter bekend als het Activiteitenbesluit milieubeheer, bevat vergelijkbare bepalingen voor agrarische bedrijven die vallen onder dat besluit en geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Voor ruimtelijke plannen is deze wet van belang voor het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen (de zogenaamde omgekeerde werking).
Daarnaast moet voorkomen worden dat geurgevoelige objecten te dicht bij een veehouderij komen te liggen.
Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. De Wgv maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren.
Voor dieren met geuremissiefactoren gelden waarden voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen) en of ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
Verantwoording
Binnen 100m rondom het nieuwe BSO gebouw zijn geen veehouderijen waarvoor de vaste afstanden gelden aanwezig.
100m contour rondom nieuwe BSO gebouw
In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende dichtstbijzijnde veehouderijen op grotere afstand:
- Venushoek 5
- Venushoek 32
- Venushoek 24
- Plein 21
- Langstraat 22
- Boxtelseweg 10
Het betreft, behoudens Venushoek 32 en Boxtelseweg 10, grondgebonden veehouderijen waarvoor tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom minimaal een afstand van 100 meter in acht genomen dient te worden (artikel 4). De Regeling geurhinder en veehouderij bepaalt dat de afstand wordt gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.
Het dichtstbijzijnde bedrijf met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld aan Venushoek 32 ligt op een afstand van 560m van het nieuwe BSO gebouw. De geurbelasting van dergelijke veehouderijen weegt dan ook niet zwaar in deze omgeving. Meerdere woningen zijn maatgevend voor deze veehouderij. Doordat ook voldaan wordt aan de vereiste minimale afstand van 100 meter, kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de BSO. Uit de onderstaande uitsnede blijkt dat het woon- en leefklimaat (ten aanzien van de achtergrondbelasting) ‘zeer goed’ is (bron: ODZOB).
De gemeente hecht veel waarde aan het aspect volksgezondheid. Daarom wordt dit aspect zorgvuldig meegewogen bij besluitvorming waar het aspect volksgezondheid relevant is of kan zijn.
De discussie over de relatie tussen het aspect volksgezondheid en de veehouderij is nog niet afgerond. Er wordt landelijk gewerkt aan meer wetenschappelijk onderbouwd onderzoek, waardoor het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen beter moet kunnen worden meegewogen bij de besluitvorming over ruimtelijke besluiten.
Hierna wordt ingegaan op het advies van de Gezondheidsraad en het advies van het RIVM. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt hoe de hier voorgestane ruimtelijke ontwikkeling zich verhoudt tot het aspect volksgezondheid.
Advies Gezondheidsraad
Op 30 november 2012 verscheen het onderzoek van de Gezondheidsraad genaamd Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen. De Gezondheidsraad wijst op verschillende risico’s van de intensieve veehouderij voor de volksgezondheid. Omdat er onvoldoende wetenschappelijke kennis is over de gezondheidsrisico’s van veehouderijen kunnen er volgens de Gezondheidsraad nog geen gefundeerde keuzes worden gemaakt over algemene afstandscriteria of andere normen worden gesteld. Hiervoor is extra onderzoek nodig. Wel meent de Gezondheidsraad dat voor endotoxinen (celwandresten van bacteriën) een algemeen afstandscriterium kan worden aangehouden, namelijk 250 meter van de intensieve veehouderij tot woningen. Ook wordt de mogelijkheid geopperd om een gezondheidskundige advieswaarde toe te passen voor endotoxinen van 30 EU/m³ voor de algemene bevolking. De Gezondheidsraad concludeert samengevat echter ook dat minimumafstanden wel beleidsmatig, maar niet gezondheidskundig zijn te onderbouwen. Voor het toepassen van de gezondheidskundige advieswaarde is eveneens meer onderzoek nodig.
Geurhinder kan volgens de Gezondheidsraad indirect aanleiding geven tot gezondheidsklachten en een reductie van de fijn stofemissies draagt volgens de Gezondheidsraad bij aan het terugdringen van gezondheidsrisico’s van veehouderijen.
De Gezondheidsraad stelt dat de relatie tussen gezondheidsrisico’s voor omwonenden en de grootte van stallen nog onbekend is, met uitzondering van stallen met meer dan 1500 geiten tijdens de Q-koortsepidemie.
De Gezondheidsraad adviseert gemeenten op lokaal niveau een kwalitatieve beoordeling van gezondheidsrisico’s uit te voeren om tegemoet te komen aan de maatschappelijke onrust. Dit moet volgens de Gezondheidsraad tot stand komen met alle betrokken partijen in een transparant besluitvormingsproces onder verantwoordelijkheid van de gemeenten en met de GGD in een adviserende rol.
Advies RIVM
Op 7 juli 2016 verscheen het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid omwonenden’ (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Onderzocht is of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. In aanvulling daarop is op 16 juni 2017 het rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ verschenen.
Uit het onderzoek komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidsaspecten naar voren. Hieronder staan de belangrijkste conclusies uit deze onderzoeken opgesomd:
- Rondom veehouderijen wonen minder mensen met astma en allergieën.
- Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, maar de omwonenden die wél COPD hebben, ervaren hiervan wel vaker en/of ernstigere complicaties en gebruiken meer medicijnen.
- Mensen die in de buurt van pluimveehouderijen en geitenhouderijen wonen lopen meer kans om een longontsteking op te lopen. De blootstelling aan fijnstof maakt mensen iets gevoeliger voor luchtweginfecties.
- Mensen die in de buurt van 15 of meer veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Ook bij een hoge concentratie ammoniak in de lucht is de longfunctie lager.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen.
Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).
Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad
Het college van B&W van Meierijstad heeft op 23 oktober 2018 een definitief afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen, ter vervanging van de tijdelijke aanpak ten aanzien van geitenhouderijen (van 13 maart 2018). De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit nieuwe afwegingskader.
Factoren die de aandacht verdienen, zijn het aantal woningen, de afstand tussen de woningbouwlocatie, de cumulatie van geitenhouderijen of bedrijven die naast een geitenhouderij anderszins overlast veroorzaken alsmede de aanwezigheid van kwetsbare groepen.
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0
De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, om te bepalen of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling.
Stap 1. Gebleken is dat er in de nabije omgeving van het plangebied (< 560 meter) geen intensieve veehouderijen gevestigd zijn. Uit toetsing op afstanden blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen.
Stap 2. Het plan leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
Stap 3. Het planvoornemen is met betrekking tot stappen 3a en 3b van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 tevens beoordeeld in het kader van het milieuaspect geur (zie 4.1.2.1). Er wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden (stap 3a) en gezondheidskundige advieswaarden (stap 3b).
Stap 4. Het bedrijf aan Venushoek 32 heeft naast rundvee ook schapen. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 560m. (stap 4a). Gebleken is dat er in de nabije omgeving van het plangebied (< 560 meter) geen intensieve veehouderijen gevestigd zijn (stap 4b).
Stap 5. De planlocatie is gelegen binnen de straal van 2 km van een geitenhouderij: Boxtelseweg 10 te Schijndel (stap 5a). De planlocatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b). De planlocatie is wel gelegen binnen 250 meter afstand van twee overige veehouderijen: Langstraat 22 te Schijndel (paardenhouderij) en Plein 21 te Schijndel (melkveehouderij) (stap 5c).
Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt dat stappen 4, 5a en 5c leiden tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
Voor de locatie geldt dat het volgende in overweging is genomen:
Stap 6. Er is geen sprake van mestbe- of verwerking.
Stap 7. Initiatiefnemer geeft aan dat er veel vraag naar kinderopvang is. Zorgen over de volksgezondheid zijn bij initiatiefnemer niet bekend.
GGD advies
Voorliggende onderbouwing is voorgelegd aan de GGD. Per brief d.d. 3 februari 2023 met kenmerk WBGMV-573577165-18522 is de beoordeling en advies gegeven.
De belangrijkste conclusies zijn de volgende:
Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen:
Met het plan wordt een bestaande kinderopvang uitgebreid. Het besluit geluidhinder (Bgh) wijst volgens art. 1 Wgh een "ander geluidsgevoelig gebouw" aan. Art. 1.2 Bgh wijst een gebouw voor kinderopvang aan als "ander geluidsgevoelig gebouw".
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van die wegen waar een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt en die wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied.
In het geval van geluidgevoelige nieuwbouw binnen de zone dient akoestisch onderzoek plaats te vinden.
Het plangebied ligt in een gebied dat als 60 km/uur-zone is aangewezen. Voor de wegenverkeerswet betreft het een locatie in buitenstedelijk gebied. Hiervoor geldt een onderzoekszone van 250 m aan weerszijden van de weg, gemeten vanaf de as van de weg. Omdat het nieuwe bouwvlak is gesitueerd op een afstand van 100 meter uit de as van de Langstraat (áchter bestaande bebouwing) en de nieuwbouw/ verbouwing ter vervanging komt van de bestaande (tijdelijke) units kan redelijkerwijs worden aangenomen dat wordt voldaan aan de wettelijke voorkeurswaarde van de Wet. Op grond van het vorenstaande vormt het wegverkeerslawaai geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en is het niet noodzakelijk om voor het voorliggende bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uit te voeren.
Met de realisatie van een nieuw BSO gebouw op een bestaande locatie aan de Langstraat te Schijndel en de functiewijziging van een perceel binnen het plangebied naar tuin bij een woning wordt ter plaatse van het plangebied een voldoende akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken.
Op basis van het Activiteitenbesluit wordt voorts ook onderzoek naar de actuele bodemkwaliteit verricht binnen een inrichting indien de wijziging van de inrichting zodanig is dat dit onderzoek benodigd is.
In case wordt geen nieuwe functie gerealiseerd, enkel gebouwen binnen een gebied dat in 2002 voor de vestiging van de functie reeds volledig is onderzocht én die gerealiseerd worden ter vervanging van bestaande bouwwerken (units). De bestaande en nieuwe functie voor kinderopvang is geen bodembedreigende functie waarvoor op grond van het Activiteitenbesluit een bodemonderzoek kan worden vereist.
De beperkte uitbreidingsmogelijkheid ten opzichte van de bestaande units kan gezien worden als een bouwwerk dat “naar aard en omvang” gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II en waarvoor de onderzoeksverplichting (MOR) is uitgezonderd. Bij een dergelijke kleine uitbouw is het niet redelijk een onderzoek te eisen omdat de kosten van een onderzoek niet in verhouding staan met de kosten van het bouwwerk.
Een verkennend bodemonderzoek kan achterwege blijven. Aannemelijk is dat de milieuhygienische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de planontwikkeling omdat de functie niet wijzigt en de nieuwbouw/ verbouwing ter vervanging van een bestaand bouwwerk komt met een dermate beperkte uitbreidingsmogelijkheid dat hiervoor een ontheffing op de onderzoeksverplichting geldt.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht.
Er is geen sprake van Bevi-inrichtingen of relevant transport van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen knelpunten zijn qua externe veiligheid.
Er hoeven geen nadere eisen aan het plan gesteld te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien:
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten:
In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van een beperkte uitbreiding van een kinderopvang. Dit is niet aan te merken als een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit nodig.
Om inzicht te geven aan de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan kunnen de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij de NSL (Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofoxide en fijn stof PM10 in de omgeving van het plangebied niet hoger zijn dan 20 respectievelijk 19 µg/m3.
Het plan zal de huidige verkeersproductie ten opzichte van de bestaande situatie niet toe laten nemen. Gebleken is dat er permanent behoefte is aan BSO ruimte. Voorliggende bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak ter plaatse van de units, om in die permanente behoefte te kunnen voorzien. Planologisch gezien is er sprake van een ontwikkeling met 270m2 extra bebouwing ten behoeve van een BSO. Met een toevoeging van 270 m2 bvo bedraagt de planologische verkeersgeneratie maximaal 102 ritten op een gemiddelde weekdag.
De NIBM-tool is een spreadsheet waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kunnen worden vastgesteld. De NIBM-tool is alleen bedoeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM).
De bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit is beoordeeld door middel van de NIBM-tool.
Hiermee wordt voldaan aan de ambities voor luchtkwaliteit.
De voorgestane ontwikkeling is niet aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan zal de huidige verkeersproductie niet toe laten nemen. Het beoordelen van de bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit door middel van de NIBM-tool is daarom niet zinvol.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
Op een afstand van circa 2700 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.
Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op:
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming
Met het opstellen van een plan mogen de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de soortenhabitats niet verslechteren. Het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Indien dat niet kan worden uitgesloten, is een plan m.e.r.-plichtig.
Planspecifiek
Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Daarbij spelen onder meer de aard en omvang van de voorziene wijziging van de ontwikkeling een rol, en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de aard en omvang van het project kan de vervanging van de (tijdelijke) BSO units door 270 m2 permanente gebouwen niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject.
Het project gaat gepaard met slechts een beperkte planologische uitbreiding van de bebouwing (van 270 m2) en feitelijk is het een vervanging van bestaande (tijdelijke) units die reeds voor het gewenste gebruik in gebruik zijn. Die uitbreiding is niet zodanig dat belangrijke milieugevolgen te verwachten zijn, gezien de stedelijke omgeving en gezien het feit dat er geen sprake is van een andere bestemming of andere gebruiksregels (binnen dezelfde bestemming). Op het project zijn de regels over milieueffectrapportage daarom niet van toepassing.
Conclusie
De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben.
De ontwikkeling heeft een zeer locaal effect. De uitbreiding van de kinderopvang is voorzien binnen het bestaande bestemmingsvlak, op gronden die nu al intensief gebruikt worden, en mogen worden, ten behoeve van deze functie.
Op basis hiervan, en op basis van de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn:
Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.
Erfgoedwet
De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Om een goede bestemmingsregeling op te nemen dient bepaald te worden waar archeologische waarden in de bodem worden verwacht. Dit gebeurt op basis van een archeologische verwachtingswaardenkaart. De gemeente Schijndel heeft door de milieudienst van het SRE (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) in januari 2013 een archeologische verwachtingswaardenkaart (AWK) laten opstellen.
Op de AWK zijn 9 verschillende soorten gebieden onderscheiden. Er zijn in de gemeente Schijndel 7 categorieën van gebieden met archeologische waarden, variërend van archeologische monumenten tot gebieden met een lage archeologische waarden.
De bovengenoemde archeologische verwachtingswaarden zijn omgezet in de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 1 tot en met Waarde – Archeologie 6. In het bestemmingsplan zijn de archeologische waarden beschermd via een ‘omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden’ (voorheen aanlegvergunning), die is gekoppeld aan de dubbelbestemming.
De systematiek van het archeologie beleid bepaalt dat er in gebieden met een hoge waarde eerder sprake is van een onderzoeksplicht dan in gebieden met een lage waarde. De diepte en oppervlakte van de verstoring, in combinatie met de waarde van de gronden, bepalen of er al dan niet sprake is van een onderzoeksplicht. Voor esdekken geldt dat er pas een onderzoeksplicht geldt bij diepere bodemingrepen, omdat deze hoger in het landschap liggen dan de overige gronden.
Voor mogelijk verstoorde gronden geldt dat, bij archeologisch vooronderzoek, eerst de mate van verstoring door middel van een verkennend booronderzoek te worden vastgesteld.
In het plangebied komen de bestemming Waarde-Archeologie 4 voor. Voor deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m. Deze dubbelbestemming is niet van toepassing ter plaatse van de units.
Er wordt een kleine uitbreiding ter vervanging van de bestaande units mogelijk gemaakt met voorliggend plan. De verstoringsoppervlakte is minder dan 500m2. Een archeologisch onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd. De archeologische dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 zijn overgenomen in de regels en verbeelding van voorliggende plan.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Modernisering Monumentenzorg (2009)
De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in een bestemmingsplan aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het wijzigingsplan.
Erfgoedwet (2016)
De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Erfgoedverordening
In september 2010 heeft de gemeenteraad van Schijndel de Erfgoedverordening Schijndel 2010 vastgesteld. In deze verordening wordt het begrip gemeentelijk monument beschreven als een overeenkomstig de verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:
Ingevolge de verordening is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. Daarnaast is het verboden zonder vergunning van het college een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.
Binnen het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor. Het gemeentelijke erfgoedbeleid heeft daarom geen directe relatie met het bestemmingplan.
Omdat het plan geen bebouwing of sloop omvat vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de ontwikkeling.
Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet.
Gebiedsbescherming
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt.
Soortbescherming
Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd.
Bescherming houtopstanden
De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Er is een ecologische verbindingszone in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Hierom is een quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 2).
Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De soorten worden niet verstoord.
De onderzoeksresultaten geven aan dat de planlocatie aan de Langstraat 14a te Schijndel weinig mogelijkheden biedt voor beschermde soorten om verblijfplaatsen- en of foerageermogelijkheden te vinden. Door deze herontwikkeling ontstaan er mogelijkheden om verblijfplaatsen voor gebouw bewonende soorten aan te bieden, zoals vleermuizen en huismussen.
De planlocatie bevindt zich op geringe afstand van gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland. De voorgenomen activiteiten zijn echter van een zodanige aard en altijd op minimaal 30 meter afstand van het NNN gebied zodat er waarschijnlijk geen deel van het NNN gebied wordt aangetast. Negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Met een Aerius berekening wordt dit gestaafd (zie Bijlage 3).
Er zijn geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna te verwachten.
Algemeen
De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het bestemmingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in.
Het plangebied ligt volledig binnen het werkgebied van waterschap De Dommel.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving.
Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem
onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik
te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem
vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:
Keur Waterschap De Dommel 2015
In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid.
Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is.
Verordening Fysieke leefomgeving Meierijstad (1 juli 2021)
De regels over de fysieke leefomgeving die verspreid staan over diverse verordeningen worden als tussenstap naar het omgevingsplan gebundeld in één Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (hierna: VFL). De regels uit deze verordening worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) verwerkt in het omgevingsplan.
Hoofdbestanddeel van deze verordening zijn dus bestaande bepalingen die -geheel of deels- worden overgeheveld vanuit andere verordeningen zoals de APV, Bouwverordening, en Erfgoedverordening.
Uitzondering op dit uitgangspunt is het hoofdstuk over hemel- en grondwaterafvoer. Een regeling over de afvoer van hemelwater en grondwater is niet eerder vastgesteld. Deze nieuwe regeling in hoofdstuk 6 van de verordening volgt uit de ambitie opgenomen in de omgevingsvisie en sluit aan bij de beleidsuitgangspunten van het VGRP.
Op basis van artikel 6.4 is het verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein.
De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt:
Onderstaand zijn de consequenties van de herontwikkeling vanuit het aspect water beschreven.
Bestaande situatie
Het plangebied is in de bestaande situatie grotendeels onverhard. Aan de zuidkant van het plangebied ligt een a-watergang met bijbehorende beschermingszone. De beschermingszone wisselt in breedte ter hoogte van het plangebied. Het plan behelst geen wijzigingen in of bij de beschermingszone en ook de parkeerplaats blijft hetzelfde.
Nieuwe situatie
Ter vervanging van de bestaande (tijdelijk vergunde) units met een oppervlakte van 252 m2 wordt een bouwvlak met een oppervlakte van 270m2 toegevoegd in het bestemmingsplan. De voorgestane ontwikkeling van het plangebied heeft een toename van het verhard oppervlak van 270 m2 tot gevolg.
Afvalwater
Het afvalwater wordt geloosd op de bestaande riolering.
Hemelwater
Het uitgangspunt is dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Het hemelwater mag niet aangesloten worden op het bestaand rioolstelsel omdat dit een drukriool systeem is.
Compensatie is op basis van het huidige waterschapsbeleid niet aan de orde omdat deze onder grens van 500 m2 valt, die door het waterschap De Dommel per 27 maart 2021 wordt gehanteerd.
Aan de plilcht op grond van artikel 6.4 van de Verordening Fysieke leefomgeving Meierijstad tot verwerking van hemelwater op eigen terrein bij een toename van verhard oppervlak zal bij de vergunningverlening invlulling worden gegeven.
Conclusie
De waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg ter goedkeuring aangeboden aan het waterschap De Dommel en aan waterschap Aa en Maas. De opmerkingen zijn verwerkt in bovenstaande waterparagraaf.
Aan de plilcht op grond van artikel 6.4 van de Verordening Fysieke leefomgeving Meierijstad tot verwerking van hemelwater op eigen terrein zal bij de vergunningverlening invlulling worden gegeven.
In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een kinderopvang en functiewijziging van gronden met de bestemming Maatschappelijk - 1 naar Wonen (voor gebruik als tuin bij de woning) mogelijk. Dit levert een nauwelijks andere parkeer- en verkeerssituatie op.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte hanteert de gemeente parkeernormen. Het aantal parkeerplaatsen dat op basis daarvan nodig is voor het project, moet op eigen terrein worden gerealiseerd.
De stedelijkheidsgraad voor Schijndel is bepaald op 'matig stedelijk'. Voor het bepalen van de parkeernorm is ook de ligging van de locatie van belang. Het CROW maakt voor de parkeernormen onderscheid in 'centrum', 'schil/overloopgebied', 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied'. Voor de locatie kan de zone 'rest bebouwde kom' worden aangehouden.
De te hanteren norm voor Kinderdagverblijf (creche/peuterspeelzaal/bso) bedraagt op grond van het parkeerbeleid 1,5 (rest bebouwde kom) per100 m2 bvo.
Deze norm is exclusief Kiss & Ride en halen en brengen.
Rekentool halen en brengen
Groepen 1 t/m 3: aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,5 x 0,75 +
Groepen 4 t/m 8: aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25 x 0,85 +
kinderdagverblijf: aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25 x 0,75 = totaal aantal parkeerplaatsen voor halen en brengen.
Het percentage leerlingen (kinderen) dat wordt gebracht en gehaald ligt op maximaal 60%.
Dit is onder andere afhankelijk van: stedelijkheidsgraad (gebied om de locatie), stedelijke zone (waar de school ligt), gemiddelde afstand naar school.
Gemiddeld ligt het percentage op:
· groepen 1 t/m 3: 36%;
· groepen 4 t/m 8: 13,5 %;
· kinderdagverblijf: 50%.
Berekening op basis van het parkeerbeeid
De te hanteren norm voor Kinderdagverblijf (creche/peuterspeelzaal/bso) bedraagt op grond van het parkeerbeleid 1,5 (rest bebouwde kom) per 100 m2.
Met een bvo van in totaal 745 m2 (geen verdiepingsvloer in gebruik) bedraagt de parkeerbehoefte dan 11,175 parkeerplaatsen (exclusief halen en brengen)
Voor het halen en brengen zijn de volgende ervaringscijfers van belang. Vanwege de huidige Covid-situatie zijn de cijfers van 2019 representatiever dan die van 2020.
Aantal kinderen gemiddeld per week mei 2019
| Totaal kinderen | 129 | 89 |
maandag
| Kinderdagverblijf | Naschoolse Opvang | |||
| Groen (9) | 7 | groep 1 (10) | 12 | |
| Wit (9) | 9 | groep 2 (10) | 6 | |
| Blauw (11) | 6 | groep 3 (10) | 3 | |
| Geel (11) | 7 | groep 4 (10) | 4 | |
| Rood (11) | 7 | groep 5 (10) | 11 | |
| Oranje (16) | 5 | groep 6 (10) | 0 | |
| Paars (16) | 7 | |||
| SUBTOTAAL | 48 | SUBTOTAAL | 36 |
dinsdag
| Kinderdagverblijf | Naschoolse Opvang | |||
| Groen (9) | 9 | groep 1 (10) | 9 | |
| Wit (9) | 8 | groep 2 (10) | 12 | |
| Blauw (11) | 7 | groep 3 (10) | 4 | |
| Geel (11) | 11 | groep 4 (10) | 3 | |
| Rood (11) | 7 | groep 5 (10) | 12 | |
| Oranje (16) | 8 | groep 6 (10) | 0 | |
| Paars (16) | 16 | |||
| SUBTOTAAL | 66 | SUBTOTAAL | 40 |
woensdag
| Kinderdagverblijf | Naschoolse Opvang | |||
| Groen (9) | 5 | groep 1 (10) | 2 | |
| Wit (9) | 8 | groep 2 (10) | 0 | |
| Blauw (11) | 1 | groep 3 (10) | 1 | |
| Geel (11) | 12 | groep 4 (10) | 1 | |
| Rood (11) | 8 | groep 5 (10) | 7 | |
| Oranje (16) | 8 | groep 6 (10) | 0 | |
| Paars (16) | 4 | |||
| SUBTOTAAL | 46 | SUBTOTAAL | 11 |
donderdag
| Kinderdagverblijf | Naschoolse Opvang | |||
| Groen (9) | 4 | groep 1 (10) | 16 | |
| Wit (9) | 7 | groep 2 (10) | 9 | |
| Blauw (11) | 7 | groep 3 (10) | 6 | |
| Geel (11) | 12 | groep 4 (10) | 0 | |
| Rood (11) | 7 | groep 5 (10) | 6 | |
| Oranje (16) | 8 | groep 6 (10) | 0 | |
| Paars (16) | 12 | |||
| SUBTOTAAL | 57 | SUBTOTAAL | 37 |
vrijdag
| Kinderdagverblijf | Naschoolse Opvang | |||
| Groen (9) | 2 | groep 1 (10) | 2 | |
| Wit (9) | 6 | groep 2 (10) | 3 | |
| Blauw (11) | 5 | groep 3 (10) | 4 | |
| Geel (11) | 6 | groep 4 (10) | 0 | |
| Rood (11) | 3 | groep 5 (10) | 3 | |
| Oranje (16) | 1 | groep 6 (10) | 0 | |
| Paars (16) | 7 | |||
| SUBTOTAAL | 30 | SUBTOTAAL | 12 |
| GROOTTOTAAL | 247 | GROOTTOTAAL | 136 | |
| Dagen | 5 | Dagen | 5 | |
| Gemiddeld | 49 | Gemiddeld | 27 | |
| Broertjes/zusjes 40% | 60% | Broertjes/zusjes 50% | 50% | |
| Vervoersbewegingen | 30 | 14 |
Met een maximum aantal van 106 leerlingen en uitgaande van 60% dat wordt gehaald en gebracht, bedraagt het totaal aantal parkeerplaatsen voor halen en brengen 106 x 0,6 x 0,25 x 0,75 = 12 parkeerplaatsen.
Bij gescheiden aanvangs- en eindtijd van groepen 1 t/m 3 en 4 t/m 8 mag het aantal parkeerplaatsen met maximaal 40% worden gereduceerd. Dit is echter niet van toepassing.
Het totaal aantal parkeervoorzieningen bedraagt volgens het beleid 11,175 + 12 = 24 parkeerplaatsen.
Berekening voor halen en brengen op basis van ervaringscijfers:
Voor het parkeren is het ophalen tussen 16.30u en 18.00u maatgevend. De ouders zullen standaard slechts korte tijd geparkeerd staan. Een half uur is lang.
Er komen in die 1,5u volgens bovenstaande berekening op de drukste dag (0,6x66)+(0,5x40)= 60 auto's
Met een zekere spreiding over deze 1,5u en een parkeerduur van maximaal 0,5u is een parkeervoorziening van zo'n (0,33x60) = 20 parkeervoorzieningen voor ouders voldoende.
Daarnaast moeten de voertuigen van eigen personeel worden geparkeerd. Dat gaat in de praktijk om gemiddeld 2,9 taxibus en 1 auto.
Het totaal aantal parkeervoorzieningen bedraagt volgens de ervaringscijfers dan ook 20 + 4 = 24 parkeerplaatsen.
Dit aantal parkeerplaatsen is in de bestaande situatie beschikbaar. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.
Parkeerplaatsen nieuwe situatie
Het plan zal de huidige verkeersproductie ten opzichte van de bestaande situatie niet toe laten nemen. Gebleken is dat er permanent behoefte is aan BSO ruimte. Voorliggende bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak ter plaatse van de units, om in die permanente behoefte te kunnen voorzien, ter vervanging van de tijdelijk vergunde units. Planologisch gezien is er sprake van een ontwikkeling met 270m2 extra bebouwing ten behoeve van een BSO.
De stedelijkheidsgraad voor Schijndel is bepaald op 'matig stedelijk'. Voor het bepalen van de parkeernorm is ook de ligging van de locatie van belang. Het CROW maakt voor de parkeernormen onderscheid in 'centrum', 'schil/overloopgebied', 'rest bebouwde kom' en 'buitengebied'. Voor de locatie kan de zone 'rest bebouwde kom' worden aangehouden.
De te hanteren norm voor Kinderdagverblijf (creche/peuterspeelzaal/bso) bedraagt 32,6-37,7 (rest bebouwde kom) per100 m2 bvo. Met een toevoeging van 270 m2 bvo bedraagt de planologische verkeersgeneratie maximaal 102 ritten op een gemiddelde weekdag. Feitelijk is er echter geen sprake van een verkeersgeneratie; het heeft daarom geen toegevoegde waarde om de planologische toename te relateren aan de wegintensiteit.
Redelijkerwijs kan gesteld worden dat de Langstraat voldoende capaciteit heeft in verhouding tot de extra (planologische) groei.
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.
Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er geen sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. De gemeente Schijndel heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst afgesloten, waarin het kostenverhaal en vergoeding van planschade is vastgelegd.
De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het College van Burgemeester en Wethouders overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg wordt kennisgeving gedaan verschillende belanghebbende organisaties en overheden inzake de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen, zodat eenieder in de gelegenheid is om een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Ambtelijke wijziging bij vaststelling
Gebleken is dat het bouwvlak in het ontwerpbestemmingsplan niet helemaal op de juiste plek (d.w.z. ter plaatse van de bestaande bebouwing) is gelegd. Voor de vaststelling is dit hersteld op de verbeelding. Deze wijziging heeft verder geen gevolgen voor de plantoelichting of planregels. Het betreft een zeer beperkte verschuiving.