1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Kom Schijndel 2013, herziening Hoofdstraat – Looierij – Toon
Bolsiusstraat Schijndel’ van de gemeente Meierijstad;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand
NL.IMRO.1948.SCH001BP0012023P-VG01 met de bijbehorende regels en bijlagen;
1.3 aanduiding:
een op de verbeelding aangegeven geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden
zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik
en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4 archeologische waarden:
waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere
menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang
zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen;
1.5 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.6 bedrijf:
een inrichting in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
1.7 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen:
de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden
beroep, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en
administratieruimten en dergelijke;
1.8 beroep aan huis:
het beroepsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke
bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder
afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een
woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;
1.9 bestaande situatie:
- v. bebouwing: legale bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip waarop het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;
- v. gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd;
1.10 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.11 bestemmingsvlak:
een op de verbeelding aangegeven geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.12 bestaande aantal woningen:
woningen die legaal aanwezig zijn op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt,
woningen die gebouwd mogen worden op grond van een geldend bestemmingsplan en
woningen waarvoor een omgevingsvergunning verleend is;
1.13 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag
om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
1.14 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend
hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk,
met een dak;
aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel
vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie),
architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling)
ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een
toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;
aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk
een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig,
(constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,
dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw
en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt;
vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie),
architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling)
ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag
een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig
(constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,
dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en
een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt.
1.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten
van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen
van een standplaats;
1.16 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.17 bouwperceel:
aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en
voorzieningen worden geconcentreerd, eventueel bestaande uit een bouwvlak, en
waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar
ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.
1.18 bruto-vloeroppervlakte:
de totale binnen een gebouw beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele
verdiepingen.
1.19 bouwperceelsgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.20 bouwvlak:
een op de verbeelding aangegeven geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn
aangeduid, waar ingevolgde de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, zijn toegelaten;
1.21 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij
direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
grond;
1.22 bouwwijze:
-aaneengebouwd:
bebouwing welke wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde
hoofdgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen;
-gestapeld:
bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende
zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;
1.23 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het
verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik,
verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit
alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse;
1.24 erfbebouwing:
gebouwen die door de ligging, constructie en/of afmeting (architectonisch) ondergeschikt zijn
aan het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel, waaronder in ieder geval begrepen
aangebouwde gedeelten van dat hoofdgebouw (aanbouwen) en niet voor bewoning
bestemde bijgebouwen, alsmede carports en overkappingen;
1.25 erotische dienstverlening:
elke vorm van dienstverlening of vermaak van porno-erotische aard, waaronder alle vormen
van prostitutie, escortservice, erotisch getinte vermaakfuncties, seksshops en overige
seksinrichtingen;
1.26 erotische getinte vermaaksfunctie:
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of
vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen (peep)shows, een
seksbioscoop, filmcabines en een seksautomatenhal;
1.27 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt;
1.28 gebruik:
gebruiken, het doen gebruiken of het laten gebruiken dan wel het in gebruik geven;
1.29 gebruiksoppervlakte:
gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
1.30 goothoogte:
de afstand gemeten vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het
boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij ondergeschikte
bouwdelen niet worden meegerekend.
1.31 hoofdgebouw:
een gebouw, dat op een bouwperceel in bouwkundig opzicht qua massa en vorm, dan wel
gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;
1.32 horeca:
bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse of het
bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een
vermaaksfunctie, nader te onderscheiden in:
1a Lichte daghoreca:
horecabedrijven die qua exploitatievorm primair gericht zijn op de ochtend en middag en
waarbij openingstijden veelal zijn afgestemd op openingstijden van andere dagvoorzieningen
(zoals winkels en musea) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden
veroorzaken.
1b Lichte avondhoreca:
Horecabedrijven die in beginsel overdag en ‘s avonds geopend zijn (vooral verstrekking van
etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden
veroorzaken.
2 Middelzware horeca:
horecabedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die
daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken;
3 Zware horeca:
horecabedrijven die voor een goed functioneren ook ‘s nachts geopend zijn en die tevens
een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich
mee kunnen brengen.
4 Logiesverstrekker:
Horecabedrijven die geheel of in overwegende mate zijn gericht op het verstrekken van
nachtverblijf.
1.33 huishouden:
een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert.
Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of
samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge
verbondenheid.
Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn:
voor onbepaalde tijd samenleven;
een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling
huishoudelijke taken;
eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer;
personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats.
Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'.
1.34 huisvesting in verband met mantelzorg:
huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie
ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de
woning.
1.35 internetverkoop:
winkel waarbij goederen via het internet te koop worden aangeboden;
1.36 kantoor (zonder baliefunctie):
voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel,
architectonisch, advisering, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied,
waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt
gestaan en geholpen;
1.37 laag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke
hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd;
1.38 maaiveld:
het bouwkundige peil dat gelijk is aan de wegkruin van de voorliggende weg of, indien niet
direct aan een weg gebouwd wordt, de bestaande gemiddelde hoogte van het aansluitend
afgewerkt terrein;
1.39 maatschappelijke voorzieningen:
het treffen van voorzieningen alsmede het verlenen van diensten op zorg-, medisch-,
welzijns- en sociaal-cultureel gebied ten behoeve van de huisvesting en verzorging van
(geïndiceerde zorgbehoevende) bewoners van de zorgappartementen;
1.40 normaal onderhoud:
het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer
en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren;
1.41 peil:
- voor hoofdgebouwen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw;
- in overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;
- indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil.
1.42 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang
alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval
verstaan een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een
seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie
met elkaar;
1.43 verbeelding:
de weergave van de inhoud van een bestemmingsplan conform het gestelde in de Regeling
standaarden ruimtelijke ordening 2012. Onder het begrip 'verbeelding' wordt zowel de
analoge wijze als de digitale wijze verstaan;
1.44 voorgevel:
de meest gezichtsbepalende, naar de openbare weg of openbaar groen gekeerde en meest
evenwijdig daaraan liggende gevel(s) van een hoofdgebouw;
1.45 (voor)gevel(rooi)lijn:
de (denkbeeldige) lijn die strak loopt langs de voorgevel(s) van een gebouw tot aan de
perceelsgrenzen;
1.46 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere
waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die
nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging,
hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen,
infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke;
1.47 wonen:
het gehuisvest zijn in een woning;
1.48 woning
een een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk
huishouden.