| Plan: | paraplubestemmingsplan archeologie |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1948.PAR000BP0032022M-VG01 |
Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke bestemmingsplannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening en in de toekomst in het omgevingsplan onder de Omgevingswet.
Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals bijvoorbeeld de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten:
De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de nog te implementeren nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen.
Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de toekomstige implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, zal opgaan in de Omgevingswet.
Het omgevingsrecht bestaat nu nog uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hebben hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet.
Een aantal bestaande wetten zullen in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zullen alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld worden naar de Omgevingswet. Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving. Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij.
In het geval van archeologie zal het hierbij gaan om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd.
De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische inventarisatie- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (bestaande en verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd.
De gemeente Meierijstad is per 1 januari 2017 ontstaan uit een fusie van drie gemeenten, te weten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Deze gemeenten beschikten zoals reeds vermeld alle drie over een eigen archeologische verwachtingskaart. Deze kaarten konden echter niet één op één aan elkaar 'geplakt' worden, gezien de verschillende wijze waarop de kaarten tot stand zijn gekomen. Om tot een eenduidige inventarisatie- en beleidskaart te komen voor de nieuw ontstane gemeente Meierijstad, is ervoor gekozen om een nieuwe kaart te maken, waarbij deels geput kon worden uit de bestaande data. Sinds de vervaardiging van de oude kaarten zijn echter verscheidene nieuwe archeologische onderzoeken uitgevoerd, wat heeft geresulteerd in een aantal nieuwe waarnemingen. Bij de actualisatie is deze nieuwe data meegenomen.
Destijds bestond de huidige gemeente Meierijstad uit de gemeenten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel. Deze voormalige gemeenten hebben destijds hun eigen archeologische verwachtingskaarten laten opstellen met als doel om inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn, om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid.
De gemeente Meierijstad streeft naar bescherming van het bodemarchief door middel van de bestemmingsplannen en door het op te nemen in de integrale stedelijke planvorming. Hierbij dienen archeologische waarden gebruikt te worden als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting (Belvedere gedachte). Het behoud in situ (ter plaatse) staat voorop. Als vernietiging van archeologische waarden niet voorkomen kan worden, dienen deze veiliggesteld te worden door middel van archeologisch veldonderzoek en uitwerking (behoud ex situ). Op deze wijze streeft de gemeente Meierijstad naar kennisvergroting van het gemeentelijke bodemarchief en kunnen archeologische gegevens ontsloten worden.
Ondanks het vele onderzoek dat reeds is uitgevoerd, zijn er nog steeds kennislacunes. Doormiddel van bijvoorbeeld het (laten) uitvoeren van synthetiserend onderzoek of het opstellen van een eigen onderzoeksagenda kan de gemeente Meierijstad proberen de kennislacunes op te vullen.
Om te kunnen komen tot een archeologische inventarisatiekaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen op deze nieuw gemaakte kaarten zich bevinden. Archeologische vindplaatsen liggen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning of specifieke activiteiten als vuursteenwinning. Ook de bodemvruchtbaarheid speelde vanaf de introductie van landbouw een grote rol. Als gevolg hiervan zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden.
Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken. Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar is.
Conform de opzet van de pilot is een viertal inventarisatiekaarten vervaardigd. Het betreft
Aan zowel de bekende archeologische waarden als de gebieden waar op basis van de modellen archeologie wordt verwacht, is een beleid gekoppeld, resulterend in een beleidskaart. Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen met een archeologische waarde of terreinen waar archeologische resten verwacht worden in het ruimtelijk beleid. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem op een juiste en zorgvuldige manier behandeld. De archeologische beleidskaart moet gebruikt worden als dubbelbestemming op de bestemmingsplankaart/omgevingsplankaart.
De beleidskaart is grotendeels een rechtstreekse afgeleide van de vier archeologische inventarisatiekaarten, waarbij de vier inventarisatiekaarten zijn geïntegreerd tot één kaart. De verschillende landschappelijke eenheden van de inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars en de verschillende bodemkundige eenheden van de overige drie inventarisatiekaarten zijn op basis van hun gemeenschappelijke verwachting samengevoegd tot een aantal categorieën waaraan beleid is gekoppeld.
Er is echter een aantal categorieën toegevoegd. Het betreft hier uiteraard de gebieden met een bekende archeologische waarde (AMK-terreinen en archeologische rijksmonumenten). Maar ook zijn enkele historische elementen aan deze kaart toegevoegd. Sommige cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kern, maar ook puntlocaties als kerken) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zo zijn op de beleidskaart zones gemarkeerd met een bepaalde archeologische verwachting, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch element. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zone rond een kerk of een oud erf waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft. Binnen de gemeente Meierijstad bevinden zich enkele stuifduinen. De dikte hiervan varieert sterk. In het beleid is hier rekening mee gehouden door een extra categorie toe te voegen.
Op deze wijze is de beleidskaart onderverdeeld in tien categorieën:
Aan de in 3.3.2 genoemde categorieën zijn in het archeologische beleid voor de planologische becherming van de archeologische waarden de volgende consequenties verbonden aan bodemverstorende activiteiten:
Tabel 1: overzicht van vrijgestelde diepte en oppervlakte voor gebieden met een archeologisch verwachting
Categorie 9a en 9b op de archeologische beleidskaart hebben betrekking op reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek. Voor het 'paraplubestemmingsplan archeologie' zijn dit geen gebieden waarbij regels verbonden worden in de vorm van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
Artikel 3 tot en met 8 bevat de vijf te onderscheiden archeologische dubbelbestemmingen. Alle dubbelbestemmingen zijn het zelfde opgebouwd: bestemmingsomschrijving, bouwregels, omgevingsvergunningstelsel, wijzigingsbevoegdheid. Voor een inhoudelijke beschrijving van de juridische opzet hiervan (mede in ogenschouw nemend de beleidsmatige doorvertaling) wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze plantoelichting.
Reikwijdte en voorrangsbepaling
Het voorliggende bestemmingsplan is een paraplubestemmingsplan. Dit betekent dat dit plan over de geldende bestemmingsplannen heen komt te liggen en met dit plan één bepaald onderdeel in deze plannen wordt vervangen of aangevuld, in dit geval archeologie. Voor het overige blijven alle bepalingen uit de geldende bestemmingsplannen ongewijzigd van kracht. Het plan bepaalt dat de regels ten aanzien van archeologie die zijn opgenomen in het parapluplan voorrang hebben op de vigerende bestemmingsplannen. De regels uit het parapluplan zijn van toepassing op alle vigerende bestemmingsplannen op het moment van inwerkingtreding van het parapluplan.
Dubbeltelbepaling
In het hoofdstuk 3 is enkel de anti-dubbeltelregel opgenomen. In het Besluit ruimtelijke ordening is hiervoor een standaard bepaling opgenomen. Het besluit verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen. De anti-dubbeltelregel beoogt te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het bestemmingsplan.
Verbodsbepaling
Deze verbodsbepaling is opgenomen ten behoeve van de bestuurlijke handhaving van met de regels van het bestemmingsplan strijdig gebruik.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Bij het tenietgaan van bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen bestaat de mogelijkheid om terug te bouwen. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten schuld van de indiener van de bouwaanvraag veroorzaakt onheil.
In de slotregels is bepaald hoe de regels van dit paraplubestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan moeten voor sommige (bouw)plannen een exploitatieplan (ex. art. 6.12 Wro) worden vastgesteld. Het voorliggende paraplubestemmingsplan vertaalt het gemeentelijk archeologiebeleid in een planologisch-juridische regeling om te voldoen aan de Erfgoedwet. Dit betreft geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro. Derhalve is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig.
Bij archeologie geldt het principe ‘de verstoorder betaalt’ om te voorkomen dat het archeologisch bodemarchief verstoord wordt. Dit betekent dat de noodzakelijke archeologische onderzoeken om een omgevingsvergunning te verkrijgen om af te wijken van het bouwverbod of voor het verrichten van werken en/of werkzaamheden, moeten worden betaalt door de initiatiefnemer(s) van de (bouw)werkzaamheden. De financiering van alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan komen daarmee voor rekening van particuliere initiatiefnemers. Hierdoor zijn er geen kosten voor de gemeente aan de uitvoering van het bestemmingsplan verbonden. Ingeval de gemeente zelf als initiatiefnemer archeologisch onderzoek moet uitvoeren, maken de kosten deel uit van de grondexploitatie van het betreffende project.
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt, gelet op de aard van dit bestemmingsplan, geen voorontwerp bestemmingsplan ter visie gelegd.
Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Met de instanties, te weten Waterschap Aa en Maas, waterschap De Dommel en de Provincie Noord-Brabant, is geformaliseerd vooroverleg gevoerd door middel van het uitvoeren van een online toetsing van de belangen.
Voor de totstandkoming van de nieuwe archeologische beleidskaart is samengewerkt met de archeologische werkgroepen van de 4 heemkundekringen binnen Meierijstad, de afdeling Erfgoed van de gemeente 's-Hertogenbosch (adviseur bevoegd gezag) en de archeologische adviesbureau BAAC. De bestaande beleidskaarten van Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel samen de resultaten van de onderzoeken uitgevoerd na het vaststellen van voornoemde kaarten vormden hierbij het vertrekpunt. De archeologische werkgroepen hebben met name bijgedragen aan het toetsen van de conceptversie en hierbij de hun plaatselijke kennis in te brengen om zodoende te komen tot een zo goed mogelijk onderbouwde verwachtingswaarde.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van de procedure wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze termijn kan een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad.